GEZANGEN SIONS

INHOUD

Klik op gewenste titel

 

1.

Prijst de Heer met blijde galmen,

gij, mijn ziel, hebt rijke stof;

‘k zal, zolang ik leef, mijn psalmen

vrolijk wijden aan Zijn lof;

‘k zal, zolang ik ‘t licht geniet,

Hem verhogen in mijn lied!

Hem verhogen in mijn lied.

 

2.

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft;

Hij die door de nood gedreven,

zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop in ‘t hach’lijkst lot

vestigt op de Heer, zijn God,

vestigt op de Heer, zijn God.

 

3.

‘t Is de Heer, wiens alvermogen

‘t groot heelal heeft voortgebracht;

Die, genadig uit de hoge

ziet, wie op Zijn bijstand wacht,

en aan elk, die Hem verbeidt,

trouwe houdt in eeuwigheid,

trouwe houdt in eeuwigheid.

 

4.

‘t Is de Heer, die ‘t recht der armen,

der verdrukten gelden doet;

Die, uit liefderijk erbarmen,

hongerigen mildlijk voedt;

Die gevang’nen vrijheid schenkt,

en aan hun ellende denkt,

en aan hun ellende denkt.

 

5.

‘t Is de Heer van alle heren,

Zions God, geducht in macht,

die voor eeuwig zal regeren,

van geslachte tot geslacht.

Zion! zing uw God ter eer;

prijs zijn grootheid, loof de Heer!

Prijs zijn grootheid, loof de Heer!

1.

Grote God, U loven wij

Heer, wij prijzen Uwe sterkte.

D’ aard’ aanbidt Uw heerschappij

om de wond’ren die Gij werkte.

Voor de wording van de tijd.

Waart Gij, die Gij eeuwig zijt.

 

2.

Wereldschepper, eind’loos groot!

Heilig’ Heer der legerscharen,

sterke Helper in de nood!

Hemel, aarde, lucht en baren

prijzen Uwe macht alom;

alles is Uw eigendom.

 

3.

Zie Uw volk genadig aan!

Heer, doe ons Uw gunst verwerven!

Breng ons op de rechte baan,

Laat geen vijand ons verderven!

Voer door boete en geween

ons ten zaal’gen Hemel heen!

 

4.

Heer, wees Gij ons zondaars goed!

Schenk Uw bijstand ons, Uw zegen!

Leid ons als een vader doet,

aan uw hand langs al Uw wegen!

Zie ons d’ogen op U slaan!

Laat ons niet verloren gaan!

1.

Buigt, volken, voor Jehova’s troon

u neer met dankbaar eerbetoon;

Hij is uw God, en Hij alleen

de hoorder van uw smeekgebeên.

 

2.

Zijn scheppingsmacht heeft ons gewrocht,

Zijn liefd’ altoos ons hart gezocht,

gezocht van Edens misdrijf af,

tot toen voor ons Zijn Zoon Hij gaf.

 

3.

Zijn troostwoord bij die eerste schuld

is voor ‘t geloof aan ‘t kruis vervuld,

en eens maakt der geredden schaar,

ontelbaar dan, Zijn heilswoord waar.

 

4.

Getrouwe God, tot ‘s aardrijks end

wordt reeds Uw levenswoord gekend,

en haast looft aard’ en hemel saâm

Uw oppermacht en vadernaam.

 

1.

Ontwaak, mijn hart, mijn tong, hef aan,

zing God’ een dankbaar lied;

de Heer heeft bij mij wel gedaan,

mij is genâ geschied.

 

2.

Zijn goedheid heeft mij vreugd verwekt;

‘k was gans onrein en naakt

Zijn liefde heeft mijn schuld bedekt,

mij weer zijn kind gemaakt.

 

3.

Juicht, heilsgenoten, met mij mee,

en roemt in Christus’ kruis;

Zijn offer schenkt ons hart zijn vree,

en deel in ‘t Vaderhuis.

 

4.

Ons Halleluja juub’le blij,

tot eer van Gods genâ;

in Jezus zijn wij rein en vrij;

looft God, halleluja.

1.

Des aardrijks schoon, der heem’len pracht

verklaren ons bij dag en nacht,

o God, Uw grootheid, die in maat

het stoutst verstand te boven gaat.

 

2.

Toch ziet Gij op de sterv’ling neer

en wilt Gij, met onsterflijke eer

hem kronen in een heerlijkheid,

voor ‘s werelds aanvang hem bereid.

 

3.

O hoeveel meer dan in zijn kring

elk schepsel als Uw gave ontving,

schenkt Gij ons, zondaars, zieleheil,

als Uw volmaaktheên zonder peil.

 

4.

De wereld had Gij lief in Hem;

verachters van Uw liefdestem

bidt Gij in ‘t bloed dat Hij vergoot:

“keert, laat u redden van de dood.”

 

5.

O wonder van genadetrouw,

wek, sterk in aller hart ‘t berouw,

de droefheid van ‘t bekeerd gemoed,

die ‘s hemels eng’len juichen doet.

1.

U, o Heer,

God, die allen liefheeft,

love ons dankbaar lied;

talloos zijn de weldaân,

die Gij trouw ons biedt.

Menigvuldig malen

merken wij het niet:

want Uw liefde, Uw ontferming

slaat met Vaderoog ons gâ,

schenkt ons uitkomst en bescherming;

Gij zijt uitkomst en genâ.

 

2.

Zelfs niet één,

niet één dag, die luide

niet van gunst getuigt;

ja, eer onze knie nog

zich tot bidden buigt,

schenkt Gij reed’nen vele

waarom ‘t harte juicht.

Liefde Gods, die elk beminnen

eindeloos te boven gaat,

keer ons hart en woning binnen,

wees ons leidsman, troost en raad.

 

3.

Ja, ten spijt

hoe zelfs U ons harte

zwak en staag weerstreeft,

blijft Gij ons een Vader,

die ons gaarn’ vergeeft.

Geef ons dan een hart, dat

voor Uw woorden beeft.

Help ons meest onszelf verwinnen,

meester worden in ons hart,

dat, bekoord door lust en zinnen,

U bedroeft en roek’loos tart.

 

4.

Love dan,

love dan ons danken,

zingend vroeg en spâ,

zoals ‘t past aan kind’ren,

‘s Vaders heilgenâ,

U, o Heer, in tonen

zonder wederga.

Dan zal blijdschap ons versterken,

Uwe kracht ons, tot Uw eer,

daden des geloofs doen werken,

prijzend, roemend in de Heer.

 

1.

Zingt nu blij te moê

‘t machtig Opperwezen

ene lofzang toe;

Om ons heilgenot

worde Jakobs God

met gejuich geprezen.

 

2.

Zingt een psalm, en geeft

trommels aan de reijen.

Wat in Isr’el leeft

roep’ Zijn grootheid uit;

harp en zachte luit

moet Zijn roem verbreijen!

 

3.

Opent uwe mond

eist van Mij vrijmoedig

op Mijn trouwverbond;

al wat u ontbreekt,

schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

mild en overvloedig.

 


1.

Het hemelruim, d’ azuren boog,

bewolkt of wolk’loos voor ons oog,

of fonk’lend ‘s nachts door sterrenpracht,

verkondt en prijst Gods scheppersmacht.

Hem prijst de dag, als zonneglans,

doortint’lend oost- en wester- trans,

het woord tot onze zielen richt:

Uw God woont in het eeuwig licht.

 

2.

Maar ook de nacht, de zilv’ren maan,

bij ‘t voortgaan langs haar sterrenbaan,

de glans van licht, die haar omzweeft,

als zij van ‘t oost naar ‘t westen streeft,

getuigen in verscheidenheid

van ‘t machtwoord van Gods majesteit,

die, toen Hij aard en hemel schiep.

Die zee van licht in ‘t aanschijn riep.

 

3.

Doch wat is ‘t licht van zon en maan

bij ‘t licht in Christus opgegaan;

die, Zonne der gerechtigheid,

in ‘t mensenhart een lichtglans spreidt,

welk’ uit de nacht van zonde en dood

een onvergank’lijk morgenrood

doet dagen, en in eeuwig licht

naar ‘t vaderhuis ons voetspoor richt.

1.

Laat ieder ‘s Heren goedheid loven,

want goed is d’ Oppermajesteit;

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

Laat Isrêl nu Gods goedheid loven,

en zeggen roemt Gods majesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven:

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

 

2.

De Heer is mij tot hulp en sterkte,

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het die mijn heil bewerkte,

dies loof ik Hem mijn leven lang.

Men hoort der vromen tent weergalmen

van hulp en heil, ons aangebracht!

Daar zingt men blij met dank’bre psalmen;

Gods rechterhand doet grote kracht.

 

3.

De steen, dien door de tempelbouwers,

veracht’lijk was een plaats ontzegd,

is, tot verbazing der beschouwers,

van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen,

door ‘s Heren hand alleen geschied.

Het is een wonder in onz’ ogen;

wij zien het, maar doorgronden ‘t niet.

 

 

4.

Dit is de dag, de roem der dagen,

die Isrêls God geheiligd heeft;

laat ons verheugd, van zorg ontslagen,

Hem roemen, die ons blijdschap geeft.

Och Heer, geef thans uw zegeningen!

Och Heer! geef heil op deze dag!

Och, dat men op deez’ eerstelingen

een rijke oogst van voorspoed zag.

 

5.

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,

verhogen Uwe majesteit;

mijn God! niets gaat Uw’ roem te boven;

U prijs ik tot in eeuwigheid!

Laat ieder ‘s Heren goedheid loven,

want goed is d’ Oppermajesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

1.

‘k Zal met mijn ganse hart Uw eer

Vermelden, Heer!

U dank bewijzen;

‘k zal U in ‘t midden van de goôn,

op hoge toon

met psalmen prijzen.

Ik zal mij buigen op Uw eis

naar Uw paleis,

het hof der hoven,

en om Uw gunst en waarheid saam,

Uw grote naam

eerbiedig loven.

 

2.

Dan zingen zij, in God verblijd,

aan Hem gewijd,

van ‘s Heren wegen;

want groot is ‘s Heren heerlijkheid,

zijn majesteit

ten top gestegen.

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

op hen het oog,

die need’rig knielen;

maar ziet van ver met gramschap aan

de ijd’le waan

der trotse zielen.

 

3.

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet,

schenkt Gij mij ‘t leven;

is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

zal redding geven,

de Heer is zo getrouw als sterk;

Hij zal zijn werk

voor mij volenden.

Verlaat niet, wat Uw hand begon,

o Levensbron!

Wil bijstand zenden.

 


1.

Alles, wat adem heeft, love de Here der heren,

al ‘t schepsel zinge een jubelzang ter Zijner ere.

Looft Zijne naam,

mannen en vrouwen tezaam,

komt, zingt zijn eer, Halleluja.

 

  1.  

Allen, die zijn verlost, loven de Here der heren,

en, nu van zonden vrij, zingen een lied tot zijn ere.

Looft Zijne naam,

broeders en zusters tezaam,

komt, zingt verheugd; halleluja.

 

3.

Allen, die Jezus nog niet kennen als hunne Here,
Roept God nu toe, dat zij zich zonder dralen bekeren.

Geeft Jezus eer,

valt voor Zijn voeten terneer,
Hij maakt u vrij, Halleluja.

 


1.

Heilig, heilig, heilig, Heer God, d’ Algoede,
bij het eerste dagen prijst reeds U hart en lied;
heilig, heilig, heilig, oneindig in goedheid
heerst onze God in eeuwig rijksgebied.

 

2.

Heilig, heilig, heilig, zingen Zijn eng’len;

in aanbidding buigend vermeldt hun koor zijn eer;
duizendmaal tienduizend verheffen hun Schepper,
gist’ren en heden, eeuwig God en Heer.

 

3.

Heilig, heilig, heilig, in lichtglans zeet’lend,
zien geen sterflijke ogen, o God, Uw majesteit,
maar in Christus Vader, en door Hem Herschepper,

schenkt G’ons, verloor’nen, eeuw’ge heerlijkheid.

 


1.

Prijs, mijn ziel, der heem’len Koning,

val aanbiddend Hem te voet,
die U uit zijn heil’ge woning
vrede schenkt en eeuwig goed.

 

Koor:

Looft Hem met bazuinen,
looft de Heer met harpen,
looft met tromm’len en blijde vreugdezang;
looft Hem met de luiten,
looft Hem met de snaren
voor al zijn goedgunstigheden!

 

2.

Meld en loof Zijn gunst en hoede,
onze vaad’ren eens betoond;
hoe Hij hunner haat’ren woede
heeft verijdeld, hen verschoond.

 

3.

Als een Vader wil Hij schragen
‘t hart, dat acht geeft op Zijn woord;

dat met need’rig welbehagen,
gaarne naar Zijn stemme hoort.

 

4.

Eng’len, voor Zijn troon gebogen,
gaat ons met uw zangen voor.
Leert ons bij ‘t Gods naam verhogen,
volgen in uw heilig spoor.

 


1.

Maar ‘t vrome volk, in U verheugd,

zal huppelen van zielevreugd,
daar zij hun wens verkrijgen.
Hun blijdschap zal dan onbepaald,
door ‘t licht, dat van zijn aanzicht straalt,
ten hoogste toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan!
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan,
laat al wat leeft Hem eren!
Bereidt de weg, in Hem verblijd,

die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is Heer der heren!

 

2.

Geloofd zij God met diepst ontzag,
Hij overlaadt ons dag aan dag
met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid!
Wie zou die hoogste Majesteit,
dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt uit goedheid zonder peil,

ons ‘t eeuwig zalig leven;
Hij kan en wil en zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van de dood,
volkomen uitkomst geven.

 


1.

Verlosser, Vriend! o hoop, o lust
van die U kennen, neem het lied,
dat U in ‘t stof een sterv’ling biedt,
een zondaar, die Uw voeten kust;
een zondaar, een verlost’, o Heer!

En nu geen zondaar meer.
O! neem het aan,

Gij laat geen bidder staan;
Gij hoort in hemelingen
verloste zondaars zingen;
o! neem het aan.

 

2.

Waar is een vreugd, een kalmt’, een heil,

zo zalig als dit hoogst genot?
Het vloeit uit God, en keert tot God,
het heeft noch maat, noch perk, noch peil;
in Jezus is mijn zalig lot
verborgen bij mijn God;
Hij is mijn lust,
ook als mijn stof eens rust.
O! prijst Hem, mijn gezangen!
Ik blijf Zijn komst verlangen;
Hij is mijn lust!

 


1.

Dierb’re Heer Jezus
Heerser aller scheps’len,
Godes en Maria’s Zoon!
U wil ik minnen,
U wil ik eren,
Onzer zielen vreugd en kroon.

 

2.

Zie, alle schoonheid,
aards en hemels beide,
is bij Uwe glans slechts schijn;
niets hier op aarde
heeft zoveel waarde
dan de dierbre Jezus-mijn.

 

3.

Dierbre Heer Jezus!
Eeuwig onvolpreezne
U zij de lof in eeuwigheid!
Uit God geboor’ne,
Gij bracht ‘t verloor’ne
zielerust en zaligheid.

 


1.

Hoor, tienduizend harpenaren
roemen zingend Jezus eer,
roemen Hem met stem en snaren
aller scheps’len Opperheer;
zeet’lend aan des Vaders zij
deelt Hij ‘s Vaders heerschappij;
halleluja, halleluja,
halleluja, amen.

 

2.

Heer, ook wij zijn uw getuigen;
zalig is ‘t ons voor Uw troon
in aanbidding ons te buigen
met lofzingend dankbetoon;
in U levend, door U vrij,
eren wij Uw heerschappij;
halleluja, halleluja,
halleluja, amen.

 

3.

Heer, toon als de ere-Koning,
Koning der gerechtigheid,
in Uw liefde en machtbetoning,
welk een rijk ons is bereid,
welk een kroon des luisters Gij
draagt tot eeuw’ge heerschappij;
halleluja, halleluja,
halleluja, amen.

 


1.

Van eeuwigheid zijt Gij, o Heer;
genade en waarheid is Uw eer;
het woord der trouw aan ons verpand
zij luid verkond’ van strand tot strand.

 

Koor:

U prijze al wat op aarde leeft,
voor ‘t heil dat Ge ons in Christus geeft;

Zijn naam is ‘t die uw liefde toont

in Hem, in wien Uw beelt’nis woont.

 

2.

Juicht, stervelingen, lof en prijs
erkenne ‘s Vaders gunstbewijs;
voor recht genâ, voor strafbetoon
verlossing door Zijn eigen Zoon.

 

3.

Dat land aan land in vreugdetaal,
in dankgebed en psalm ‘t herhaal’:
voor ons heeft ‘s Vaders troongenoot
gezegepraald op zonde en dood.

 


1.

Looft, looft nu aller Heren Heer,
gij, Zijne knechten! geeft Hem eer;
Gij, die des nachts Zijn huis bewaakt;
en voor Zijn dienst in ijver blaakt.

 

2.

Heft uwe handen naar omhoog;

slaat naar het heiligdom uw oog,
en knielt eerbiedig voor Hem neer;
looft, looft nu aller Heren Heer.

 

3.

Dat ‘s Heren zegen op u daal’,
Zijn gunst uit Zion u bestraal’:
Hij schiep ‘t heelal, Zijn naam ter eer,
looft, looft dan aller Heren Heer.

 


1.

Komt, laat ons samen Isrêls Heer,
de rotssteen van ons heil met eer,
met Godgewijde zang ontmoeten!
Laat ons Zijn gunstrijk aangezicht
met een verheven lofgedicht

en blijde psalmen juichend groeten!

 

2.

Want Hij is onze God, en wij
zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden.
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
gelooft Zijn heil en troostrijk woord;
verhardt u niet, maar laat u leiden.



1.

Komt, zingen wij van ‘s Heren macht,

die ‘t luchtruim welfd’ omhoog;
de zon bij dag, de maan bij nacht
tot licht steld’ aan Zijn boog;
die starren strooid’ op ‘t eindloos zwerk

als zand aan d’ oceaan;
die door het ganse scheppingswerk,
Zijn liefd’ ons doet verstaan.

 

2.

Vermeld’ ons lied des Heren zorg,
die al Zijn scheps’len voedt;
zijn trouw is voor de toekomst borg,
ja, God is eind’loos goed.

De vogel, die door ‘t luchtruim zweeft,
al wat in stroom en zee,
in wouden en woestijnen leeft,
deelt in de rijkdom mee.

 

3.

En die ons lichaam voedt en kleedt,

ons redt uit ied’re nood,
heeft voor Zijn kind, hoe zwaar ‘t misdeed,
genade, o zo groot.
Hoe hard ook door weerspannigheid,

toch slaat Zijn liefd’ ons ga;
tot redden is Hij steeds bereid,
uit volheid van genâ.

 


1.

Mijn Schepper en mijn God,
wie alles hier ik dank,
ik prijs Uw gunst, mijn weg en lot,
met hooggestemde klank,
ik prijs Uw gunst, mijn weg en lot,
met hooggestemde klank.

 

2.

‘k Ben schepsel van Uw hand,
mijn leven ook zijt Gij,
en ‘k zie omringd aan elke kant
met Uwe weldaân mij.
En ‘k zie omringd aan elke kant
met Uwe weldaân mij.

 

3.

Wat gift, die U behaagt,
vergeldt zo heuglijk deel?
Mijn hart is alles wat Gij vraagt;

‘t behore ook U geheel.
Mijn hart is alles wat Gij vraagt;
‘t behore ook U geheel.

 

4.

Geef zelf, o God, mij macht,
dat ik mij gans U geef,
en, tot mij blijder deel nog wacht,
voor U alleen ik leef.
En, tot mij blijder deel nog wacht,
Voor U alleen ik leef.

 


Komt, dienaars van de Heer.

1.

Looft, looft verheugd de Heer der heren!

Aanbidt zijn naam en wilt Hem eren.
Doet Zijne glorierijke daân
alom de volkeren verstaan,
en spreekt, met aandacht en ontzag,
van Zijne wond’ren dag aan dag!

 

2.

Vraagt naar de Heer en Zijne sterkte;

naar Hem, die al uw heil bewerkte;
zoekt dagelijks Zijn aangezicht,
gedenkt aan ‘t geen Hij heeft verricht,
aan Zijn doorluchte wonderdaân,
en wilt Zijn straffen gadeslaan.

 

3.

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht
tot in het duizendste geslacht;
‘t verbond met Abraham, Zijn’ vrind,
bevestigt Hij van kind tot kind.

 


1.

Halleluja! lof gezongen,
Jezus Christus, onze Heer!
Paart, verlosten! hart en tongen,

juicht Zijn liefd’ en macht ter eer!
Hem, die redt uit alle noden,
die waarachtig en getrouw,
vastheid geeft aan ‘t Gods gebouw;

Hem, de eerst’ling uit de doden,
Hem, de Koning van ‘t heelal,
wien ‘t heelal eens eren zal.

 

2.

Amen! Jezus Christus! Amen!
Ja, Gij zult in ‘t groot heelal
‘t rijk der duisternis beschamen,
tot het niet meer wezen zal.

Woon, o Heiland, in ons midden,
onder Uwe heerschappij
zijn wij zalig, zijn wij vrij;

leer ons strijden, leer ons bidden!
Amen! heerlijkheid en macht,
word’ U eeuwig toegebracht.


1.

Loof, loof de Heer, mijn ziel, met alle krachten;
verhef Zijn naam zo groot, zo heilig t’ achten.
Och, of nu al, wat in mij is, Hem preez’!
Loof, loof mijn ziel, de Hoorder der gebeden;
vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;
vergeet ze niet, ‘t is God, die z’ u bewees.

 

2.

Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,
hoeveel het zij, genadig wil vergeven
uw’ krankheên kent en liefderijk geneest;
die van ‘t verderf uw leven wil verschonen;
met goedheid en barmhartigheid u kronen,
die in de nood uw redder is geweest.

 

3.

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
de gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Zo ver het west verwijderd is van ‘t oosten,
zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

4.

Geen vader sloeg met groter mededogen,

op teder kroost ooit Zijn ontfermend’ ogen,

dan Isrêls Heer op ieder, die Hem vreest.

Hij weet, wat van Zijn maaksel is te wachten,

hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,
en dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 5.

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

gelijk een bloem, die, op het veld verheven,

wel sierlijk pronkt maar kracht’loos is en teer.
Wanneer de wind zich over ‘t land laat horen,
dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren,
men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

 

6.

Maar ‘s Heren gunst zal over die Hem vrezen,
in eeuwigheid altoos dezelfde wezen:

Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,

dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,
maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 


1.

Looft God, looft zijn naam alom:
looft Hem in Zijn heiligdom:
looft des Heren grote macht
in de hemel Zijner kracht.
Looft Hem, om Zijn mogendheden!
Looft Hem, na zo menig blijk
van Zijn heerlijk koninkrijk,

voor Zijn troon en hier beneden!

 

2.

Looft God, met bazuingeklank!
Geeft Hem eer, bewijst Hem dank!
Looft Hem met de harp en luit!
Looft Hem met de trom en fluit!
Looft Hem op Uw blijde snaren!
Laat zich ‘t orgel overal
bij het juichend vreugd geschal,
tot des Heren glorie paren!

 

3.

Looft God, naar zijn hoog bevel,
met het klinkend cimbelspel!
Looft Hem met het schel metaal
van de vrolijke cimbaal!
Looft de Heer! Elk moet Hem eren.
Al wat geest en adem heeft,
looft de Heer, die eeuwig leeft,

looft verheugd de Heer der heren!

 


1.

Buigt, Heil’gen, u, als ‘t kind’ren past,

in ootmoed voor Gods troon;
zacht is Zijn juk en licht Zijn last.
Zijn tucht genâbetoon,

Zijn tucht genâbetoon.

 

2.

Vrij beef de wereld, als Hij spreekt,

en heersers sidd’ren doet;
de Heil’ge, die hun macht verbreekt,
stort vrede in uw gemoed.

Stort vrede in uw gemoed.

 

3.

Zingt daarom, volk door Hem verlost,

uw juub’lend zegelied;
Uw ziel heeft heilig bloed gekost,
genade is u geschied.
Genade is u geschied.

 

4

Uw bloed, Heer Jezus, maakt ons rein,

van schuld en vreze vrij;
dies zingen bij de heilsfontein
als Uw verlosten wij.

Als Uw verlosten wij.

 


1.

Zingt luid de roem van ‘s Vaders Zoon,

dat elk te voet Hem val;
voor ons draagt Hij de priesterkroon
als Koning van ‘t heelal.
Voor ons draagt Hij de priesterkroon

als Koning van ‘t heelal.

 

2.

Juicht, eerstelingen van ‘t verbond,
en meerd’re steeds uw tal,
erkent Hem, die de Vader zond
als Koning van ‘t heelal

erkent Hem, die de Vader zond
als Koning van ‘t heelal.

 

3.

Dankt Hem, die u tot één gezin,
één kudde heil’gen zal,
dan leidt Hij u de hemel in
als Koning van ‘t heelal.
Dan leidt Hij u de hemel in
als Koning van ‘t heelal.

 

4.

Daar roemt een schaar, dan ongeteld,

bij eind’loos beurtgeschal,
de winnaar uit het doodsgeweld
de Koning van ‘t heelal.

De winnaar uit het doodsgeweld
de Koning van ‘t heelal.

 


1.

Heer, Koning, zegerijke Held,
Verlosser van het doodsgeweld.
De Weg, de Waarheid, ‘t Leven
U groet ons hart, U roemt ons lied.
Nu w’ U in ‘t eeuwig rijksgebied

vol luister zien verheven.
Machtvol,

prachtvol
leeft, regeert Gij
en vermeert Gij,

hoekgesteente,

triumferend Uw gemeente.

 

2.

U dienen, Heer, de serafim,
U loven, Heer, de cherubim,
al ‘s hemels eng’lenscharen
U, die in ‘s werelds blijdste stond,

toen G’ Uw gemeente had gegrond,
ten hemel zijt gevaren.
Klinkt vrij,

zingt blij,

erepsalmen,

vreugdegalmen;
eert de Koning,
ingaand’ in Zijn hemelwoning.

3.

Gij zijt ons hoofd, Uw leden wij,
volzalig in Uw heerschappij,
o bron van troost en leven!
Licht, vrede, vreugde, nieuwe kracht
wordt naar de volheid van Uw macht,
genadig ons gegeven.
Wachtend,

smachtend,
zien onz’ ogen

naar de hogen

vol begeren
naar Uw heerlijk wederkeren.

 


  1.  

Hoe schoon blinkt ons de Morgenster,

en spreidt haar stralen heind’ en ver
in luisterrijke klaarheid!
‘t Is Davids Zoon, uit Jacobs stam,
mijn Koning, die op aarde kwam
vol van genade en waarheid!
Lieflijk, vriend’lijk
heerlijk, machtig,
sterk en prachtig,
rijk aan gaven,
waarmee Hij de ziel wil laven!

 

2.

O Gij, mijn parel en mijn kroon,
Gij, ‘s Vaders en Maria’s zoon,
als Koning mij gegeven,
Gij, wie mijn leven toebehoort,

uw lieflijk evangeliewoord
is mij de spijs ten leven.
Jezus, Here!
Hosianna!
Hemels manna,
dat wij eten!
Nooit zal U mijn hart vergeten.

 

 

 

3.

O, wil in ‘t diepste van mijn ziel,
mijn Heer, voor wie ik nederkniel,
Uw liefdevlam ontsteken!
Geef, dat ik trouw slechts aan U hang’,

uit U mijn levenskracht erlang’,

en niets die bond moog breken!
Wachtend, smachtend,
tracht mijn harte,
krank van smarte
vol verlangen,

U in liefde te ontvangen.

 

4.

Daar straalt mij toe een vreugdelicht,

wanneer Gij met Uw aangezicht
mij vriend’lijk toe wilt blikken,
Gij, Jezus, Gij mijn hoogste goed,
wiens woord, wiens Geest, wiens vlees en bloed
mij hart en ziel verkwikken.
Och Heer! Kom weer
mij omarmen,

‘t hart verwarmen;
op Uw noden

kom ik blij tot U gevloden.

 5.

In eeuwigheid, voor ‘t wereldrond,
o Vader! Op Uw wenk ontstond,
woudt Gij m’ Uw liefde geven,
in Hem, die mij verkoren heeft,
en aan wie zich mijn harte geeft,

de vreugde van mijn leven,
Heil mij! Heil mij!
Hemels leven
zal Hij geven
mij daarboven,
Eeuwig moet mijn hart Hem loven.

 

6.

Dat nu de hooggestemde snaar
zich aan de klank van ‘t orgel paar’,
in jubelend verblijden,
dat Jezus, dat mijn zielevriend,

zo hoog vereerd, zo teer bemind,
door ‘t leven mij wil leiden.
Ruise, bruise
‘t vrolijk juichen,
‘t luid getuigen
Hem de Here,
Hem, mijn Bruidegom, ter ere!

 


  1. 1.

    Oneindig God, Uw heerlijkheid,
    hebt Gij voor ons ten toon gespreid.
    Des aardrijks schoon, der sterren pracht.
    Verkondt Uw lof bij dag en nacht.

     

    2.

    Voor U is klein der sterrenbaan,
    een droppel slechts de oceaan.
    Maar groot is Heer, Uw liefdemacht,
    die heil in Jezus heeft gebracht.

     

    3.

    Uw schepping Heer,  brengt  juichensstof;
    Uw liefd’ ontsluit de hemelhof.
    Met blijde stem klinkt dus mijn lied,
    omdat ook mij is heil geschied.

     

    4.

    Hoe fel ook Heer, de storm hier woed’,

    Uw raad is immer wijs en goed.
    Uw liefdemacht en majesteit
    blijft tot in alle eeuwigheid.

     


  1. 1.

    Looft de Koning aller volken!
    Looft God, die boven lucht en wolken
    Zijn troon gesticht heeft door Zijn macht!
    Doet Zijn heiligdom weergalmen
    van blij gejuich en dankb’re psalmen!
    Roemt Zijn geduchte wonderkracht!
    Verhoogt Zijn wijs beleid!
    Verbreidt Zijn majesteit!
    Halleluja!
    Dat al wat leeft
    en adem heeft.
    Hem roem die ‘t al Zijn zegen geeft!

     

    2.

    Sterkt de stemmen der koralen
    met harp en cither en cymbalen,
    met orgel en bazuingeschal!

    Laat der zang’ren lied zich paren
    aan ‘t kunstmuziek der blijde snaren!

    Looft Hem, die was en wezen zal!
    Hij is de God der goôn,
    roemt Hem op hoge toon!

    Halleluja!
    Stemt harp en luit

    en trom en fluit!
    ‘t Galm’ al de lof des Heren uit!

     


  1. 1.

    Kom, Heil’ge Geest, en daal

    in onze harten neer,
    opdat Uw licht ons pad bestraal,
    ons heil’gend meer en meer.

     

    2.

    Gun ons een held’re blik

    in ‘t diepst van ons gemoed,
    opdat verlost van ‘t eigen ik,
    ik leev’ door Christus’ bloed.

     

    3.

    Leer zo, vernieuwd in Hem,
    verlosten uit genâ,
    de goede Herder op zijn stem

    ons volgen, waar Hij ga.

     

    4.

    Hem die ons U verwierf,
    Uw troost, maakt tot ons deel,
    de Heer, die voor ons leed en stierf,
    behore ons hart geheel.

     

    5.

    Kom, Heil’ge Geest, en keer
    steeds voller tot ons in,
    en maak ons ‘t beeld van onze Heer
    door liefde en hemelzin.

     


1.

Heil’ge Geest, fontein van zegen,
altijd vloeiend rijk en mild,
die op ‘s levens doornenwegen
vriend’lijk ‘t pijnlijkst dorsten stilt.

                         

2.

Spring als bron van eeuwig leven
in ons steeds met voller kracht;
zonder Uw ons sterkte geven,
wat ware onze strijdensmacht!

 

3.

Help ons meest onszelf verwinnen,

meester worden in ons hart,
dat bekoort door lust en zinnen
U bedroeft en roekloos tart.

 

4.

U gehoorzaam, onderdanen,
volgers van de Zone Gods,
zullen and’ren ‘t spoor wij banen,
leiden tot der eeuwen Rots.

 


1.

Heil’ge Geest, gids van omhoog,
vest op ons Uw vriend’lijk oog,
leidt ons veilig aan Uw hand
door dit dorre en woeste land

naar ‘t volheerlijk rijksgebied,
waar ons oog de Koning ziet;
fluister ons bij wank’ling toe:
“volg, mijn kind, mij wel te moe.”

 

2.

Vriend, ons te aller uur nabij,
Trooster vol van medelij,
neen, gij laat ons niet alleen
‘t pad van angst en schrik betreên;

Gij zijt in de nood niet ver;
Leidend ons als Bethlems ster
fluistert Ge in de nacht ons toe:
“volg, mijn kind, mij wel te moe.”

 

3.

Haast is onze tocht volend;
als ons oog dan niemand kent,
‘t oor geen vriendenstem meer hoort
ons vertroostend uit Gods Woord,
pols en hart al flauwer slaat,
o, dan blijft Ge een toeverlaat
Ons, en fluistert nog ons toe:
“volg, mijn kind, mij wel te moe”.

 



1.

Kom, Heil’ge Geest, en geef,
wat in ons U weerstreef,
ons kracht ten strijd;

houd in ons hart gericht.
Opdat uw lout’rend licht

ons sterk tot elke plicht,
in God verblijd.

 

2.

Geen vriend, die steunt en schraagt,

wie raad en bijstand vraagt,
als Gij het doet;
hoe ‘t stormt op ‘s levens zee,
Gij deelt in heil’ge vreê
Gods Sabbatsruste mee

aan ons gemoed.

 

3.

Buig in ons hart en wil,
maak ons in ootmoed stil
bij ‘s Vaders tucht;
de roe, door Hem bereid,
vormt, als Uw licht ons leidt,
ons tot Gods heerlijkheid
door rijke vrucht.

 


1.

Heil’ge Geest, getrouwe vriend,
gids, die mij in liefde dient,
houd mijn zwakke hand gevat,
op het ruw en eenzaam pad,

dat zo steil mij opwaarts leidt,
‘t hart, dat Uw vertroosting beidt,
gaat verkwikt, bemoedigd voort,
als het maar Uw fluist’ren hoort.

                                  

Koor:

Leid mij op het enge pad,
leid mij, leid mij t’ elke stond;
houdt Gij mijne hand gevat,
nimmer, nimmer ga ‘k te grond.

 

2.

Vriend, die ons alom verzelt,
en aan ‘t hart, door angst gekneld,
bij ‘t al worst’lend opwaarts gaan,
‘s Vaders liefde doet verstaan;
sterk, vermeer mijn zwak geloof;

en wat ooit mijn moed verdoov’,
fluister binnen mij altijd:
“ik ben met u in uw strijd.”

 

3.

En is eens de reis volbracht;
heeft dan ‘t hart nog enkel macht
tot een laatste zucht en beê,
sterk dan in mijn ziel de vree,
die ‘t geloof in Jezus’ bloed,
als zijn anker smaken doet;
fluister zacht ook dan in mij:

“wijkt het al, Ik blijf u bij”.

 


1.

Heil’ge Geest, Gij bron van licht.
Geest der waarheid en der kracht,
‘k houd mijn oog op U gericht,
Gij verlost uit zond’ en nacht.

 

2.

Houd mij steeds U dicht nabij,
steun mij op het smalle pad,
wil in droefheid troosten mij,
leid mij naar Uw wijze raad.

 

3.

En is eens voleind mijn loop,
na des levens moeite en strijd,
wil dan kronen al mijn hoop
in Gods eeuwig koninkrijk.

 


Heil’ge Geest daal van omhoog,
in mijn harte neer!
Heil’ge Geest daal van omhoog,

in mijn harte neer!
Heilig, reinig, sterk en beziel mij!
Heil’ge Geest daal van omhoog,

in mijn harte neer!

 


1.

Laat Uw Geest, mijn Heer en Koning,

meer steeds komen tot Uw volk;
in hen door zijn machtbetoning
trooster, als der waarheid tolk.
In de leugen als begraven
zwoegt de wereld, groot en kleen;
onverlicht door ‘s Geestes gaven,
ach, waar doolde ‘t mensdom heen.

                                                               

2.

Zout en licht wilt Ge ons doen wezen,

leidsliên uit de zondennacht;
toon in ons, Heer, nooit volprezen
Uw genade in reddingsmacht.
Heer, die U een volk vergadert,

opgestaan uit zonde en dood,
maak, naarmate Uw toekomst nadert,
U in onze zwakheid groot.

 


1.

Heil’ge Geest, die bron van leven,
bron van vrede en blijdschap zijt,
heilig, Trooster, steun ons streven
tot verwinnen in de strijd.

 

2.

Laat in ons Uw heillicht stralen
met een glans, die onverdoofd
ons, hoe zwak, doet zegepralen
met ons godlijk legerhoofd.

 

3.

Dring’ zijn liefde ons tot een strijden,

dat voor dood noch helmacht wijkt,
en in ‘t kruis en smaadheid lijden
meer dan overwinnaar blijkt.

 

4.

Hoor ons bidden; ons verwachten
en volharden in gebeên,
bron van gaven en van krachten,
is van U, van U alleen.

 


1.

‘t Was nacht, toen ‘s herders luist’rend oor
in Bethlehems vallei,
verbaasd werd door het jubelkoor
van ‘s hemels eng’lenrei;

een licht meer schel dan ‘t zonnelicht,
omscheen opeens hun kring.
Toen hemelglans voor hun gezicht
de middernacht verving.

 

2.

De heuvelen op Juda’s grond,
gebergte, woud en rots
weergalmden als uit ene mond

het lied ter ere Gods.
Het woord beloofd in Edens gaard,
‘t uitwissen van de schuld.

Werd werklijk voor de wachtend’ aard,
was in Gods Zoon vervuld.

 

3.

“Aan God zij eer, zij eer omhoog”
in ‘t heil’ge voor Zijn troon;
het rolle langs der heem’len boog
op blijde jubeltoon.
Der aard schenkt vrede Gods genâ,
Gods welbehagen weer.
Hem geve in luid halleluja
en aard en hemel eer.


1.

Ik mag zo gaarne horen
der eng’len zang en woord,
dat Jezus is geboren,
dat Hem mijn hart behoort
Heer, dat Gij kwaamt op aarde,
en ik Uw liefde ken,
geeft aan mijn leven waarde,
maakt dat Gods kind ik ben.

 

Koor:

Ik mag zo gaarne horen,
dat Jezus is geboren,
dat Hij mij heeft verkoren,
dat ik de Zijne ben.

 

2.

Mij is ‘t een vreugd des harten,
dat Gij, des Vaders beeld,
van kinds aan mijne smarten

en blijdschap hebt gedeeld;
dat ik op U mag staren,
als voorbeeld ook voor mij,
en op U ziend’ ervaren:
mij is de Heer nabij.

 

3.

Uw liefdetrouw te loven,
in dankbaar jubellied,
gaat elk genot te boven,
daar ‘t reiner vreugd steeds biedt.
Och, werd geheel mijn leven
een lofpsalm U, o Heer;
‘k heb niets om U te geven
dan blijdschap, dank en eer.

 


 

1.

Vanwaar die stoet, die lang en breed

als huis en zaak en zorg vergeet
en dag aan dag te zamenvloeit?
Zeg, wat is ‘t, dat die schare boeit?
En ‘t antwoord klinkt aan ied’re zij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

En ‘t antwoord klinkt aan ied’re zij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

 

2.

Wie is die Jezus, door wat macht
toch oefent Hij die wond’re kracht
dat Hij, waar door de stad Hij trekt,
gewetens schokt en geestdrift wekt?
En weder juicht de schare blij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.
En weder juicht de schare blij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

 

3.

‘t Is Jezus, die eens hier beneên
voor zondaars ‘t kruispad heeft betreên
die, waar Hij als Verlosser kwam,
op zich des zondaars krankheên nam;
Hem roemde ‘t hart in hoop reeds vrij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

Hem roemde ‘t hart in hoop reeds vrij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

 

 

 

 

4.

Weer is Hij daar! Van oord tot oord

gaat Hij, de Vorst des levens voort
en waar Hij toefde, deinsde en vlood
de macht en schrik van zonde en dood;
riep ‘t hart gewekt ten feestgetij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.
Riep ‘t hart gewekt ten feestgetij:

Jezus van Nazareth gaat voorbij.

 

5.

Komt, zwaar belasten, komt tot Hem,

Hij roept u allen, hoort Zijn stem.
Gelooft Zijn noden, Hij, de Heer,
brengt tot Gods vaderhart u weer;
geen ander, die u redt dan Hij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

Geen ander, die u redt dan Hij:
Jezus van Nazareth gaat voorbij.

 

6.

Hebt heden gij Zijn stem gehoord,
maar ongelovig aan Zijn woord,
ach, welhaast is ‘t voor u te spâ;
Dan roept vergeefs gij om genâ.
En als uw oordeel hoort ook gij:
Jezus van Nazareth ging voorbij.
En als uw oordeel hoort ook gij:
Jezus van Nazareth ging voorbij.

 


  1.  

‘t Is middernacht, en in de hof
buigt, tot de dood bedroefd, in ‘t stof
de Levensvorst; In Zijn gebeên
doorworstelt Hij Zijn strijd alleen.

 

2.

‘t Is middernacht, maar hoe Hij lijdt,

zijn jong’ren slapen bij die strijd;
en derven, afgemat in rouw,
de aanblik op des Meesters trouw.

 

3.

‘t Is middernacht, maar Jezus waakt,

en ‘t zielelijden, dat Hij smaakt,
bant uit Zijn hart de bede niet:
mijn Vader, dat Uw wil geschied’.

 

4.

‘t Is middernacht, en ‘t Vaderhart
sterkt en verstaat de Man van smart,
die ‘t enig lijden, dat Hij torst,
ten eind doorstrijdt als Levensvorst.

 


  1. 1.

    “Mijn Vader, neem als ‘t mog’lijk is,

    deez’ beker van Mijn hand,
    en maak Mij in Mijn droefenis
    ten einde toe bestand.

     

    2.

    Maar kan ‘t niet wezen, Vader, niet

    wat U Mijn zielsangst vraagt,
    neen, niet Mijn wil, Uw wil geschied’,
    ‘t zij zoals ‘t U behaagt.”

     

    3.

    Zo bad Gij, Heer, o stort ook mij
    die geest des biddens in,
    en heilig, van elk willen vrij,

    mij tot uw kinderzin.


  1. 1.

    Als ik het kruishout gadesla,
    dat Jezus droeg op Golgotha,
    en ‘t offer, daar voor mij geschied,
    zinkt, wat hier glans heeft, weg in ‘t niet.

     

    2.

    ‘t Zij ver van mij, dat ik iets roem,
    iets anders groot of heerlijk noem,
    dan ‘t kruis waardoor mij Jezus zocht,
    en voor mijn God en Vader kocht.

     

    3.

    Aanschouw Hem, hoofd en hand en voet

    verwond en overstelpt van bloed!
    Vond reinheid ooit zo schand’lijk loon;
    ooit liefde zulk een doornenkroon?

     

    4.

    Als ik mijn Heer, mijn Levenszon,
    des aardrijks volheid schenken kon,
    te klein waar ‘t al! Mijn hart vraagt Hij;
    Heer, neem mijn hart en woon in mij.

     


  1. 1.

    O hoofd, bedekt met wonden,
    belaân met smaad en hoon!
    O hoofd, ten spot ombonden
    met ene doornenkroon!
    Eertijds gekroond met stralen

    van meer dan aardse gloed,
    waarlangs nu drupp’len dalen!
    ‘k Breng zeeg’nend U mijn groet!

     

    2.

    De levensblos der wangen,
    der lippen lieflijk rood,
    zijn thans door ‘t blauw vervangen,
    de loodkleur van de dood;
    ‘t is alles U ontnomen
    wat sieraad gaf voorheen;
    Uw doodsuur is gekomen,
    Uw laatste kracht verdween.

     

    3.

    Van al de last dier plagen,
    met Goddelijk geduld,
    o Heer! Door U gedragen,

    heb ik, heb ik de schuld!
    Och zie, hoe ‘k voor Uw ogen
    hier als een zondaar sta,
    en schenk vol mededogen,
    m’ een blik van Uw genâ.

     

     

     

     

     

    4.

    U zij de dank mijns harten,
    U, Jezus, dierbre Vriend,
    voor ‘t doorstaan van die smarten,
    alleen door mij verdiend!
    Och, blijv’, — wat troost ik derve —
    de hoop op U mij bij,
    opdat, wanneer ik sterve,
    in U mijn einde zij!

     


1.

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem,
die galmt door gans Jeruzalem;
een heerlijk morgenlicht breekt aan,
de Zone Gods is opgestaan.

 

2.

Geen graf hield Davids Zoon omkneld,

Hij overwon, die sterke Held!
Hij steeg uit ‘t graf door ‘s Vaders kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.

 

3.

Nu jaagt de dood geen angst meer aan,

want alles, alles is voldaan.
Die in ‘t geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en helle niet.

 

4.

Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan,
een leven, door Zijn dood bereid,
een leven in Zijn heerlijkheid.

 


1.

Ik weet, dat mijn Verlosser leeft;
wat and’ren hoop en blijdschap geeft,
Hij, die voor mij de dood verwon,
mijn Heiland is, mijn schild en zon,
Hij, die voor mij de dood verwon,
mijn Heiland is, mijn schild en zon.

 

2.

Mijn Koning leeft, leeft mij nabij;
Hij leidt en troost en heiligt mij,
en sterkte, als ‘t kruis soms zwaar mij woog,
mijn ziel met manna van omhoog,

en sterkte, als ‘t kruis soms zwaar mij woog,
mijn ziel met manna van omhoog.

 

3.

Nooit was Hij verre, als angst en nood

mijn ziel met duisternis omsloot,
maar mij ten leidstar in de nacht
vernieuwde Hij mijn hoop en kracht,

maar mij ten leidstar in de nacht
vernieuwde Hij mijn hoop en kracht.

 

4.

Hij leeft, en door Hem leef ook ik,
en vrees geen kruis, geen stervensschrik
bij ‘t staren op de heerlijkheid
mij in het Vaderhuis bereid,

bij ‘t staren op de heerlijkheid
mij in het Vaderhuis bereid.

 


 

1.

Heil, morgen der verrijzenis!
Mijn Koning, Hij, die was en is,
deed, komend tot zijn rijksgebied,
de macht van dood en graf te niet.

 

2.

De sluitsteen van ‘t verzegeld graf
nam van de rots Gods engel af,
en boog voor de verrezen Heer,
Gods Zoon, zich in aanbidding neer.

 

3.

O, zaal’ge ure voor de kring,
die Hem verheerlijkt weer ontving;
geen wezen nu, maar voor altijd
in Hem van wereldvrees bevrijd.

 

4.

Verheerlijkt, en toch d’ eigen Vriend,

die hen in liefde had gediend,
verscheen Hij hun, tot Hij hen sterk
aanschouwde voor hun strijd en werk.

 

5.

Heer, die met d’ Uwen waart en zijt

tot in hun allerlaatste strijd,
woon in ons hart, Uw heerschappij
maakt ons van zwakken sterk en vrij.

1.

Mijn Heiland, Voorspraak mij en Vriend,

die, wie in U gelooft, U dient
en al zijn heil van U verwacht,
behoedt door uw genade en macht.

 

2.

Uw oog ziet tot mijns harten grond,

volgt en doorziet mij te allerstond;
och, zie mij in mijn zwakheid aan,
alleen in U kan ik bestaan.

 

3.

U ingelijfd, met U vereend,
een levend lid van Uw gemeent’,
is uit genâ Uw Geest mij pand
van burgerschap in ‘t beet’re land.

 


1.

Het offer is volbracht,
geplengd het heilig bloed;
met God gewijd gemoed
staat ‘s Heren volk en wacht;
in ‘t heil’ge ging de Priestervorst,
hun namen dragend op Zijn borst.

 

2.

Hij ging de voorhang door,
Hem dekt der wolken boog;
maar schoon Hij toeven moog’,
haast daagt met blijde gloor
de dag, dat Hij met priesterkroon
Zijn volk verheft op eigen troon.

 

3.

Het offer is volbracht;
haast keert met d’ eng’lenschaar
der volken Middelaar.
En ‘t hart, dat bidt en smacht,
smeekt, opziend’ tot Gods heiligdom:
“kom haastig, Here Jezus, kom!”


1.

Voor ‘s Vaders troon in ‘t heiligdom

bidt, pleit voor ons de Heer,
en wat ons druk’ of macht’loos krom’,
ons zij Zijn liefde meer.

 

2.

Het rotsgesteente om Golgotha
weergalmt Zijn: ” ‘t is volbracht!”
En wat ons dreige, Zijn genâ
maakt onze zwakheid kracht.

 

3.

Blijv’ ‘t dan hier strijd en moeite en zorg,
ja, zonder perk of paal,
Zijn: ” ‘t is volbracht,” blijft eeuwig borg
ons van de zegepraal.

 


1.

Ik heb een Heiland, die leeft om te bidden;
o vrienden, die Heiland, Hij bidt ook voor U;
Hij is met zijn Geest nu ook zeeg’nend in ons midden,
en klopt aan uw hart, roepend: opent Mij nu!

 

Koor:

O, hoor naar zijn bede,

o, hoor naar zijn bede,
o, hoor naar zijn bede,

zijn bede geldt u!

 

2.

Ik heb een Vader, Hij schonk mij het leven,
Hij gaf mij Zijn Zoon, ja, ‘k weet nu, Hij is mijn!
Kom, vriend, ga met mij, ook voor u is Hij gegeven;
als straks de bazuin klinkt, waar zult ge dan zijn?

 

3.

Ik heb een kleed, overdekkend mijne zonden,
‘t is blinkend van reinheid en schitt’rend van licht,
gewassen in ‘t bloed, dat eens vloeide uit Zijn wonden;
o was ook uw kleed, ‘t spreekt u vrij van ‘t gericht.

 

4.

Ik heb een vrede, zo fris als waterstromen,
een vrede, die nimmer de wereld u biedt.
De Heiland roept heden: “die dorst heeft, die mag komen
en nemen het water des levens om niet”.

 

5.

Zo gij door Jezus verlost zijt van zonden,

en ‘t dienen van God onverdeeld is uw keus,

ga dan aan de wereld Zijn liefde luid verkonden:
“gered om te redden” zij steeds uwe leus.

6.

Ik heb een Trooster en Leidsman verkregen,
de Heilige Geest, als een licht op mijn pad;
Hij leidt mij veilig langs ruw’ en duist’re wegen,
kent gij ook die Gids naar de hemelse stad?

 

Koor:

O, hoor naar zijn bede, o, hoor naar zijn bede,
O, hoor naar zijn bede,

zijn bede geldt u!


1.

Heil’ge Bijbel, Woord Mijns Gods,
boek, veracht door ‘s werelds trots,
meer dan ‘t heerlijkst goed op aard’
zijt g’als Gods geschenk mij waard,
zijt g’als Gods geschenk mij waard.

 

2.

Hartespiegel is m’ uw blad,
Raadsman op mijn levenspad;
zwaard, welks scherpte niets weerstaat,
veilig schild voor ‘t dreigendst kwaad,
veilig schild voor ‘t dreigendst kwaad.

 

3.

Trooster in het bangst der smart,

Woord mijns Gods, heers in mijn hart;
werp’ Uw Geest er, trouwe Heer,
al, wat U weerstreeft, ter neer,
al, wat U weerstreeft, ter neer.

 

4.

Heilig Woord, Woord van Mijn God,

borg van af mijn kinderlot,

Gij zult ook in stervenspijn,
licht mij in het doodsuur zijn,

licht mij in het doodsuur zijn.

 


 

1.

God heeft ons Zijn Woord gegeven;

‘t woord van God blijft eeuwig waar:
wat zou ons dan ooit doen beven,
zelfs in ‘t allergrootst gevaar?
‘t Woord van God blijft eeuwig waar,
zelfs in ‘t allergrootst gevaar;

wat zou ons dan ooit doen beven?
God heeft ons Zijn woord gegeven!

 

2.

Trotse bergen zullen wijken,
vaste rotsen eens vergaan;
Zijne trouw zal nooit bezwijken,
Zijn verbond blijft eeuwig staan;

laat de wereld zelfs vergaan,
Zijne trouw blijft eeuwig staan;
wat ooit wank’len moog of wijken,
Zijn verbond zal nooit bezwijken.

 

3.

Treurigen, het hoofd naar boven!
‘t Hoofd naar boven, hoopt op God!
Wat Hij zweert moet gij geloven,
zelfs in ‘t hachlijkst levenslot.
Vest uw vaste hoop op God,

zelfs in ‘t hachlijkst levenslot;
heft blijmoedig ‘t hoofd naar boven!
Wat God zweert moet gij geloven.

 


1.

Wat zegt de Bijbel, mijn dierb’re Bijbel;

dit mag alleen mijn vragen zijn.
Wat mij als wijsheid de wereld roemde,
is niet dan ijd’le leugenschijn.

 

Koor:

Wat zegt de Bijbel? zij onz’ leus;

d’ eis van de Bijbel, ons hartenkeus;

houdt Gods geboden;
in al uw noden
Helpt u de Heer
Hem zij al d’ eer.

 

2.

Al Gods geboden zijn eeuwge wetten;

zelfs niet één jota gaat voorbij;
wie ze op ‘t trouwst naar haar letter volgen,
zijn door Gods Geest in waarheid vrij.

 

3.

Spijze was Jezus de wil des Vaders;

worde die meer ook ons tot spijs;
welzalig allen, die ‘t Schriftwoord volgen,
eens blijkt hun keus in waarheid wijs.

 


1.

Dit boek is al mijn rijkdom nu.
En ‘t geeft mij troost in smart,
dat ik die schat nog drukken kan
aan mijn gebroken hart.

Een lange lijst van namen wijst
mij op een vroom geslacht,
en moeder heeft mij in hun spoor
tot vroomheid opgebracht.

 

2.

Zij reikte ‘t dierbaar Bijbelboek,
haar staf, bij kruis en rouw,
mij toe in ‘t plechtig stervensuur
als pand van ‘s Meesters trouw.

“Ik sterf, op Jezus’ Woord gerust,”
sprak zij en greep mijn hand,
“blijf, liefste kind, dan tussen ons
Zijn Woord een zieleband.”

 

3.

“Reeds smaakt in ongekende vreê,
in blijde levens’hoop,
mijn hart de vrucht van stil geloof
en trouwheid in de loop.
In zwakheid werkte God Zijn kracht,
mij wacht Zijn zegekroon;
houd daarom aan de Bijbel vast

ten eind toe trouw, mijn zoon.”

4.

Neen, moeder, nooit vergeet uw kind,

wat gij mij scheidend riedt,
en meer dan goud is mij het Boek,
dat mij uw liefde liet.

Uw Bijbel is me een heil’ge schat;
en ‘t zoetst mij in mijn smart
is, dat uw gave ik drukken kan
aan mijn gebroken hart.

 


1.

Bijbel, levensgids in ‘t duister,
Leidstar, rijk aan glans en gloed,
Boek, dat liefdes licht en luister
‘s Vaders kind’ren kennen doet.

 

2.

Woord vol goedheid, trouw en teder,

komt uit u tot ons de klank,
die het zondaars harte weder
Gode ontsluit tot lof en dank.

 

3.

Aan de ziel in schuld verloren
doet ge in zonde’s slavernij
‘t heilswoord der verlossing horen,
‘s Vaders bede: “kom tot Mij.”

 

4.

Boek des levens, ons vertrouwen
zij op u als ‘s Vaders woord,
tot God zelven wij aanschouwen,
Zaal’gen dan in blijder oord.

 


1.

Wij geven het niet over
voor geld of eer of goed;
dat licht op onze paden,
die lamp voor onze voet,
wij laten ons niet nemen
dat heerlijk Woord van God;
die kostelijke Bijbel
rooft ons geen tijd of lot.

 

2.

De staf is ‘t voor de grijsaard;
de gids voor onze jeugd;
een zon, die met haar stralen
ons jong gemoed verheugt.
Een sterk en machtig wapen
in strijd met zonde en lust;
en in de stervensure
een peluwe der rust.

 

3.

‘t Is ‘t eigen woord des Heren,
dat van genade spreekt;
dat als een sterke hamer

de hardste harten breekt;
dat als een zachte balsem
‘t gewond gemoed geneest.
‘t Is ‘t zaad der weergeboorte
door d’ invloed van Gods Geest.

4.

O, schrijft in onze harten,
Uw heilig woord, o Heer!
Dan vrezen wij geen Satan,

geen dood of oordeel meer.
Want bergen zullen wijken,
de wereld zal vergaan;
maar ‘t Woord, het Woord des Heren.
Zal eeuwiglijk bestaan.


1.

De Bijbel, kostbaar meer dan goud,
is ons de beste schat,
om ‘t Godswoord aan zijn blaân betrouwd,
als lichtstar op ons pad.

 

2.

Getuige van Gods liefderaad,
blijv’ hij ons leuze en lied,
een psalm ons onder leed en kwaad
voor redding ons geschied.

 

3.

Meer kostbaar ons dan ‘t zuiverst goud,

de waarheid Gods in schrift,
blijve in uw harte, jong en oud,
zijn onderwijs gegrift.

 

4.

Blijf, woord des heils, dat door uw macht

ons troost in onze nood
en ons aan Jezus’ voeten bracht
als Redder van de dood.

 

5.

Blijf voor ons tot het einde toe,
wat ons de tijd ontroov’,
de kracht Gods, die ons blij te moê
doet pal staan in ‘t geloof.

 


 

1.

Een luister straalt van ‘t Bijbelblad

volheerlijk als de zon;
schenkt licht op ieders levenspad,
laaft als een eeuw’ge bron,

laaft als een eeuw’ge bron.

 

2.

Gods Geest zweeft over ‘t Vaderwoord,

zijn waarheid woont daarin,
en wekt, waar ook Zijn schijnsel gloort,
een nieuwe levenszin,

een nieuwe levenszin.

 

3.

De Vaderhand, die uit genâ
zo trouwe gids ons gaf,
komt zwakken met Zijn kracht te sta,
hen steunend als hun staf,

hen steunend als hun staf.

 

4.

Heb dank, o God, uw kostb’re gift

maakt rijk voor d’eeuwigheid,
waar ‘t woord, in ‘t hart diep ingegrift,
ons voor Uw komst bereidt,

ons voor Uw komst bereidt.

 


 

1.

Mijn Bijbel, mijn gezegend boek,
Woord Gods, dat nooit veroudt,
waarin mijn licht en heil ik zoek,
waarop mijn hart vertrouwt.

 

2.

Hoe bitterlijk heeft op deez’ aard
de wereld u gehaat;
toch blijft g’ ons ongedeerd bewaard,
getuigen van Gods raad

 

3.

Wat hier verander en verga,
wat sporeloos verdwijn,
Gij zult van waarheid en genâ

ons de eeuw’ge heilmaar zijn.

 


1.

Wat heerlijkheid straalt uit Gods Woord

ons tegen op ons pad,
zodra ‘t daarin Zijn stem weer hoort
en zijn bedoelen vat,

en zijn bedoelen vat.

 

2.

Wanneer Gods Geest ons hart verlicht

en in de waarheid leidt,
zien wij, waarheen ons oog zich richt,
genade en heerlijkheid.

Genade en heerlijkheid.

 

3.

Welzalig, wie dat kinderdeel
opnieuw bezitten mag,
en zich aan God als kind geheel
weer geven elke dag.
Weer geven elke dag.

 

4.

Zij ‘t, liefd’rijk Vader, ook mijn lust,

mijn blijdschap meer en meer,
om van Uw liefde mij bewust
te leven tot uw eer.
Te leven tot uw eer.

 


1.

Heer, leid mijn schreden, richt mijn voet

op ‘t pad van uw geboôn;
Uw Geest verlichte mijn gemoed
tot dankbaar plichtbetoon.

 

2.

Op mijner hartentaaf’len schrijf’
Uw Geest in levend schrift
Uw wet, en wat Uw wil is, blijf
daar eeuwig ingegrift.

 

3.

Alleen Uw wil is wijs en recht,
der ziele levensbron;
voor ‘t hart, dat aan Uw woord zich hecht,
de vrede en liefdezon.

 

4.

Bestiere dan Uw Woord mijn gang
in Jezus’ voetspoor, Heer,
en dat zijn kruis door liefde’s drang
Uw kracht in mij vermeer.

 

5.

Genoeg tot elke last en strijd
bleek immer Uw genâ;
Geef, Heer, dat ik door haar altijd
Uw heilspoor willig ga.

 


1.

Gij zijt mijn deel, in U, o God,
bestraalt mij licht en heil;
nabij U ken ik ‘t reinst genot
en vrede zonder peil.

 

2.

Gij leert in uw geboôn mij gaan,
en kiezen voor mijn voet,
hoe steil ook soms, Uw rechte paân
met blijde levensmoed.

 

3.

In Christus zag Uw vaderoog
op mij ontfermend neer;
Zijn trouw, die tot mij neer zich boog,
bracht aan Uw hart mij weer.

 

4.

Nu ben ik d’ Uwe en voor altijd;
hoe hoog de nood nog ga,
blijf ‘k overwinnaar in de strijd
door ‘t bloed van Golgotha.


1.

Uw wet is mij, o God, een licht,
een leidstar, die mijn voet
op uwe veil’ge paden richt
en mij voor dwalen hoedt.

 

2.

En wat uw wet, in steen gegrift,
verkondt als plichtbetoon,
aanschouwt mijn hart in levend schrift
God, in Uw eigen Zoon.

 

3.

Doe door Uw Geest mij meer en meer,

O Heer, Uw wil verstaan,
opdat ik daaglijks trouwer leer
mijn Heiland na te gaan.

 


1.

Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest!
Mocht die mij op mijn paân ten Leidsman strekken,
‘k Hield dan Uw wet; dan leefd’ ik onbevreesd;
dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken.
Wanneer ik steeds opmerkend waar′ geweest,
hoe uw geboôn mij tot Uw liefde wekken.

 

2.

Waarmede zal de jongeling zijn pad,

door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?

Gewis, als hij het houdt naar ‘t heilig blad.

U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren:
laat mij van ‘t spoor in uw geboôn vervat,
niet dwalen, Heer; laat mij niet hulploos varen.

 

3.

Leer mij, o Heer! de weg, door U bepaald,
dan zal ik die ten einde toe bewaren;

geef mij verstand, met Godlijk licht bestraald;
dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
dan zal zich ‘t hart met mijne daden paren.

 

4.

Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn doel

de ganse dag haar ijv’rig te betrachten.
Hoe listig ook mijn snode vijand woel’,
‘k heb wijzer geest en edeler gedachten
door uw geboôn wier kracht ik staag gevoel,
die ‘k eeuwig zal met hell’ge eerbied achten.

5.

Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
mijn pad ten licht, om ‘t donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed
bevestigen, in al mijn levensjaren,

dat ik Uw wet, die heilig is en goed,
door Uw genâ bestendig zal bewaren.

 


1.

Toen G’ Uw volk vooruitgetogen,
leidde door de woestenij,
werd, o Heer, deez’ aard’ bewogen
en week Sinaï  ter zij’!

 

Koor:

Van de Sinaï gesproken,
— ‘t klinkt door al de eeuwen heen, —

“wie Mijn wet houdt ongebroken,
zal Mijn hemelstad betreên.”

 

2.

Als op onweersvleug’len bruisend,
ziet Zijn legers heinde en ver’
tien en tienmaal dubbel-duizend
dienen Hem van eeuwen her.

 

3.

Luid en luider klonk de donder,
‘s Heren stem werd toen gehoord;
en bij ‘t klimmen van het wonder
hoorde Israël het woord.

 

4.

Heilig, vlek’loos heilig Wezen!
Wie niet schendt uw majesteit?
Gun ons, met een heilig vrezen,
Jezus, Uw gerechtigheid.

 


1.

Jezus neemt de zondaars aan!
Roept dit troostwoord toe aan allen,
die van ‘s levens rechte baan
op de dwaalweg zijn vervallen
‘t rechte pad leert Hij hen gaan,

Jezus neemt de zondaars aan.

 

2.

Geen genade zijn wij waard;
maar in d’ Evangeliebladen
heeft ons God zijn gunst verklaard;
dat wij, hoe met schuld beladen,

dan gelovig tot Hem gaan!
Jezus neemt de zondaars aan!

 

3.

Als een herder wil Hij trouw,
‘t schaap, in een woestijn aan ‘t dwalen
daar ‘t zichzelf verliezen zou,
van de doolweg wederhalen,
brengen op de rechte baan:
Jezus neemt de zondaars aan.

 

4.

Komt gij allen, komt tot Hem!
Zondaars komt! wat zou u hind’ren?
Jezus roept u hoort zijn stem,
Hij maakt zondaars tot Gods kindren:
vrij moogt gij tot Jezus gaan;

Jezus neemt de zondaars aan!

5.

O! Dit geeft mij nieuwe moed
bij de grootheid van mijn zonden.
Door Zijn Godlijk offerbloed
heeft Hij mijn rantsoen gevonden:
nu kan ik er vast op gaan;
Jezus neemt de zondaars aan!

 


1.

Als u uwe zonden smarten.
Satan het u lastig maakt;
als gij met een bloedend harte,
zuchtend om vergeving slaakt.

 

Koor:

Zie op ‘t kruis, waar Hij geleden,

schouw gelovig op de Heer
roep Hem aan in uw gebeden.
Hij vergeeft u telkens weer;
roep Hem aan in uw gebeden.
Hij vergeeft u telkens weer.

 

2.

Als de levensstormen dreigen,
en uw boot aan ‘t wank’len gaat;
als de golven hoger stijgen
en uw hart zo angstig slaat.

 

3.

Als uw vrienden u verlaten,
en geen mens u ‘t oor meer leent;
g’ eenzaam rond doolt door de straten
en uw oog zo droevig weent.

 

4.

Als de laatste bange stonde.
Eind’lijk is gekomen dan;
en geen troost uit ‘s mensen monde
uwe ziele laven kan.

 


1.

Ontwaak, gij, die slaapt, en sta op uit de doôn,
en Christus zal over u lichten!

Zo wekt u, zo dringt u, als redder, Gods Zoon,

eer Hij u als rechter komt richten.
Ontwaak en sta op! Het gevaar is zo groot:
wie kiest, o verdwaasde! Voor ‘t leven de dood?

 

2.

Ontwaak, gij, die slaapt in de zonde, met spoed!
De nacht is zo lang reeds verdwenen;

het licht der genade, met blijdschap begroet,

heeft d’ aarde reeds eeuwen beschenen;
en groots is uw roeping en heilig uw taak,
En d’ uren zijn weinig: ontwaak dan, ontwaak!

 

3.

Sta op uit de doden, o zondaar! en leef!

Dat Christus ook over u lichte!
Sta op uit de doden, o zondaar! Of beef
voor God en het jongste gerichte;
nog wekt u de Heiland, en nog is er raad;
sta op uit de doden! ‘t Is spoedig te laat!

 



1.

Staat gij nog voor de deure?
O ziel treed binnen toch!
Volg Jezus’ zoete bede,

Hij noodt u aldoor nog.
Wil u met heil bekleden,
heeft ‘t feestmaal u bereid,
aan ‘t kruis voor u geleden,
dat gij de zijne zijt.

 

2.

‘t Is heden nog genade,
niet langer dan gedraald:
wil ‘t Gastmaal niet versmaden,

waarop gij wordt onthaald.
Niets hebt gij zelf te geven
als uwe zondenlast;
waarom dan nog weerstreven
in plaats van toegetast?

 

3.

Staat gij nog voor de deure?
O ziel, dra gaat zij dicht,
en werd de laatste bede,

tot heil aan u gericht.
Als dan het lichtgeflonker
bestraalt de bruiloftszaal.
Staat buiten gij in ‘t donker,
‘t eind van uw droef gedraal.

 


1.

Ga niet langer door het leven
zonder vrede: jaag ze na!
Jezus wil ze immers geven,
stierf daartoe op Golgotha.
Arme vredeloze ziele,
Jezus roept van ‘t kruis tot u,
‘k wil zo gaarne u vrede schenken
ook Mijn liefde, kom dan nu!

 

2.

Wilt g’ uw heil nog langer beiden,
langer blijven zonder vreugd?
Niets ter wereld kan verblijden
kan u maken recht verheugd.
Arme vreugdeloze ziele,
ga naar Jezus toe gezwind!
Uit Hem welt een bron van vreugde,
die uw droefheid overwint.

 

3.

Zal uw hope ijdel blijken
in de dag van eeuw’ge nacht?
Heeft de opgestane Jezus

u nog ‘t leven niet gebracht?
Arme hopeloze ziele
Jezus staat nog voor de deur!
Zie Hij klopt nog, doe Hem open,
stel zijn liefde niet teleur!

 


 

1.

Komt, verloor’nen, reddelozen,
Gij, die nergens uitkomst ziet,
Jezus noodt u, hoort Zijn roepstem.
Die u hulp en uitkomst biedt.

Hij is machtig, Hij is machtig,
komt, Hij roept u, twijfelt niet.
Hij is machtig, Hij is machtig,
komt, Hij roept u, twijfelt niet.

 

2.

Hij is machtig en genadig,
Zijne hand verstoot niet één;
Hij, de Zoon en ‘t beeld des Vaders,
die voor u in ‘t vlees verscheen,

zendt geen zondaar, zendt geen zondaar,

die Hem aanroept ledig heen.
Zendt geen zondaar, zendt geen zondaar,
die Hem aanroept ledig heen.

 

3.

Dreigen u uw kwaad geweten
en Gods wet met vloek en straf,
meer is Hij, die tot uw redding
op het kruis Zijn leven gaf;

zie op Jezus, zie op Jezus,
en uw boeien vallen af.

Zie op Jezus, zie op Jezus,
en uw boeien vallen af.


1.

Hebt gij nog geen plaats voor Jezus?

Moet Hij buiten blijven staan?
Hoor, Hij klopt reeds aan uw harte!
Laat Hem niet voorbij u gaan.

 

Koor:

Wie wil gans zich Jezus wijden,
wie zijn hart Hem schenken nu?
Hij alleen kan u bevrijden,
luister heden, hoor Hem nu!

 

2.

Hebt gij nog geen tijd voor Jezus,
die aan uwe poorte staat?
O, wil heden Hem ontvangen,
Morgen is ‘t wellicht te laat!

 

3.

Plaats en tijd voor aardse zaken,
zoekt en vindt gij telkens weer.
Doch niets kan gelukkig maken,
dan de liefde van de Heer.

 

4.

Geef u toch geheel aan Jezus,
die geheel voor u zich gaf;
zaligheid zult gij beërven,

vrijspraak van de vloek en straf.

 


1.

O mijn ziel, wat maakt g’ u moe
over dingen dezer aarde?
Schijnen z’ u ook kost’lijk toe,
geen daarvan heeft blijvend waarde.
Zoek toch Jezus, Hij alleen
schenkt u vrede, anders geen!

 

2.

Zoekt gij door een aards genot

uwe ziel tot rust te dwingen? —
Zoekt het bij uw Heer en God;
laat u zijn genâ doordringen!
Zoek ‘t bij Jezus, Hij alleen,
kan u helpen, anders geen!

 

3.

Hij belooft der ziele rust,
wil haar met Zichzelf verbinden.
Is de Heer uw licht en lust, —
Gij zult bij Hem ruste vinden!

Zoek slechts Jezus: Hij alleen
schenkt u rust en anders geen!

 

4.

Kom toch tot de levensbron!
Laat uw dorst door Jezus stillen!
Nog vloeit de genadebron;
waarom zoudt gij dorsten willen?
Zoek toch Jezus: Hij alleen
stilt uw dorst, en anders geen!

 


1.

Trek uit, wakk’re schaar
ten heilige strijd!
Al dreigt u gevaar,
één helpt u altijd.
Mag sterrenglans doven,
de nevel zij dicht,
blik hoopvol naar boven!
Bij Jezus is licht!

 

2.

En als voor uw hart
geen scheem’ring meer gloort,
en grievende smart

uw vrede verstoort;
verduist’ren uw tranen
een wijl uw gezicht, —
straks zwijgen d’ orkanen,

bij Jezus is licht!

 

3.

En hangt om u heen
der afgoden nacht,
blijft lang met geween
de morgen verwacht, —
toch zij al uw hopen
naar boven gericht!
De hemel is open:
bij Jezus is licht!

1.

Er is nog plaats, gaat uit in struik en heg,
opdat ook d’ armste ‘t weet;
verkondt het luid aan d’ uitgang van de weg,
de dis staat nog gereed!
Gaat, nodigt hen, die willen horen,
al zijn ze nog zo diep verloren,

er is nog plaats, er is nog plaats!

 

2.

Het is nog tijd! Zijn liefde roept u nog.

Zijn dienaars noden u.
Nog onbekeerd? Kom,

zondaar, haast u toch!
Hoor naar zijn roepstem nu!
Wordt één van Zijne disgenoten,

de deur is thans nog niet gesloten
het is nog tijd, het is nog tijd!

 

3.

Straks is ‘t te laat, de tijd vliegt snel daarheen,
o, kom nu toch gezwind!
Daar g’ anders straks, trots al uw droef geween,

de deur gesloten vindt.
De bruigom komt, geen tijd verliezen,
Hem spoedig als uw Heiland kiezen!
Straks is ‘t te laat, straks is ‘t te laat!

 


1.

Komt allen, die de Heiland mint
en ‘t leven kent in Hem,
die in Hem daag’lijks manna vindt,
looft Hem met hart en stem.

 

2.

Toont in uw komen, woord en daad,

dat u uw Koning zond,
tot zijn banier verlossend staat
op aller heid’nen grond.

 

3.

De tijd is kort, de dag nabij,
haast keert uw Koning weer,
drukt dan Zijn voetspoor, werkt als Hij
voor ‘s Vaders naam en eer.

 

4.

Alleen wie trouw is tot de dood,
niet deinst voor smaad en pijn,
zal met zijn Koning deelgenoot
van ere en vreugde zijn.

 


1.

Bijna bewogen door ‘t heilig woord,

bijna getrokken door ‘t liefdekoord
maar ‘t harte zegt in spijt
van schier doorstreden strijd:

tot meer gelegen tijd
laat, Heer, mij rust.

 

2.

Bijna bewogen, broeder, besluit; —

bijna getrokken, neen, stel niet uit. —
Hebt heden gij Gods woord
uit Jezus’ mond gehoord,
wanneer ‘t uw hart’ bekoort,
haast u tot Hem.

 

3.

Bijna bewogen, de Bruigom komt; —

bijna getrokken, uw mond verstomt.
Geen BIJNA troost of baat
als d’ oordeelsure slaat,

de Koning zegt: te laat!
‘t Is nu te laat!

 


1.

Komt tot Mij allen, gij, die dorst;
‘k schenk levend water u;
erkent Mij als de Levensvorst
en volgt Mijn roepstem nu.

 

2.

Zo sprak de Heer; zo klinkt zijn woord

van liefde steeds ons toe;
zo gij Zijn stem dan heden hoort,
gaat, zondaars, blij te moe.

 

3.

Niet één wees ooit de Heiland af,
die tot Hem hulploos kwam;
voor allen, ja, voor u ook gaf
Hij zich als offerlam.

 

4.

Leg vrij uw hand dan op Zijn hoofd,

maar als wie gans onrein,
van ganser harte in Hem gelooft
Als ‘s levens heilfontein.


1.

Wilt gij achter Jezus komen?
Neem op uw kruis.
Wat u beven doe of schromen,

volg Hem naar huis.

 

Koor:

Neem uw kruis en volg uw Koning,

blik naar omhoog;
over ‘t kruis rust op Zijn kroning,
mens, dan uw oog.

 

2.

‘s Meesters eis is zelfverlooch’ning;

neem op uw kruis.
Luister naar geen zinsbegooch’ling,
volg Hem naar huis.

 

3.

Wat u dreige of nederbuige,
bid en weersta;
Jezus, van uw strijd getuige,

spreekt: volg Mij na.


1.

Hoort de stem van Jezus roepen:
“komt vermoeiden, komt tot Mij!
Ziet, Ik bied u ‘t eeuwig leven,
vrede en rust, komt nu tot Mij!”

 

Koor:

Komt tot Jezus!
Komt tot Jezus!

Redding schenkt Hij u en mij!
Komt tot Jezus!
Komt tot Jezus!
Redding schenkt Hij u en mij!

 

2.

Luistert naar de stem des Heren,
die u nodigt: “komt tot Mij!”
Zondaars, hoort de blijde tijding:
‘t bloed des kruises maakt u vrij!

 

3.

‘t Leven vindt gij slechts in Jezus,
‘t Is Gods gave, neemt haar vrij!
Zonder geld of prijs verkregen,
maakt zij arme zondaars blij!


1.

Teder en vriendlijk roept Jezus de Zijnen,
ernstig weerklinkt Zijne stem:
“zondaars, bekeert u en wordt toch de Mijne”.

Ga vol geloof nu tot Hem.

 

Koor:

Kom thuis, kom thuis.
Zondaars, kom thuis bij uw Heer;
teder en vriendlijk roept Jezus de Zijnen,
roepend: O zondaars, kom thuis!

 

2.

Jaren reeds wacht Hij en klopt aan uw harte,
laat Hem zo lang toch niet staan:

weet dat uw aarz’ling de Heiland zal smarten.
Laat Hem vol vreugd binnengaan.

 

3.

Snel vliedt de tijd, zondaar, laat u toch raden.
Alles op aarde vergaat!
Wil toch de Heiland niet langer versmaden,
straks is ‘t voor eeuwig te laat.


 

  1.  

Ver van zijn huis en ‘t Vaderhart,

dwaalt een verloren zoon
gelokt, verleid door ‘s werelds pracht,
ontving hij ‘t zondeloon.

 

Koor:

Kom weer verloren zoon, kom weer!

Kom weer, kom weer naar ‘t Vaderhuis!
Kom weer verloren zoon, kom weer!
Kom weer, kom weer naar ‘t Vaderhuis!

 

2.

Hij voedt zich met der zwijnendraf,
in diepste nood en smart;
ach, ga terug, op huis weer af,
daar aan uws Vaders hart.

 

3.

Eén weg maar tot de vrede leidt,
die Jezus Christus heet.
Daar reeds uw Vader u verbeidt,
met al uw zond’ en leed.

 

4.

Ga heen, Hij biedt vergeving u.
En liefde o zo veel;
kom maak u op en neem dan nu,
aan zijn genade deel!

 


1.

Kom tot Jezus, moede zwerver,
ga tot Hem, Hij noodt u;
wacht u, als uw Heiland;

draal dan niet, maar kies NU.

 

2.

Hij des zondaars vriend op aarde,
is dezelfd’, ook voor u;
hoe kunt nog gij dralen,
toef niet meer, maar ga NU.

 

3.

Hij is machtig tot verlossen,
Zijn “een ieg’lijk” geldt u,
niet één sluit Hij buiten;

och, geloof in Hem NU.

 

4.

Hij is machtig, Hij gewillig,
al zijn heil biedt Hij u;
Zijn naam is Ontfermer,

hoor zijn stem; volg Hem NU.


1.

Kloppend, kloppend, — wie is daar?

Wachtend, wachtend — wonderbaar!
Kloppend, wachtend staat een pelgrim
één uit duizend, ‘s mensdoms keur;
‘t Hoofd gekroond — o, welk een wonder!
Haast u, ziel! Ontsluit de deur.

 

2.

Kloppend, kloppend, — wat nog daar?

Wachtend, wachtend? — zegt mij, waar

neem ik kracht, de deur t’ ontgrendlen?
‘k Zelf kan niets, doch ik bespeur,
door die Vorst vermag ik alles:
ziet, mijn God is voor de deur.

 

3.

Kloppend, kloppend, — nog steeds daar?

Wachtend, wachtend? — ik ervaar,
Heer! Uw kracht en strek mijn hand uit,
dat ik U met vreugd onthaal’;
neem al ‘t mijne, geef mij ‘t Uwe,
kom, en houd het Avondmaal.


1.

Rouwe had mij diep gebogen,
wakend, biddend, zag ik uit,
vrucht’loos opziend naar de Hoge,
daag’lijks meer de smart ten buit.

Maar een fluist’rend woord van boven
stemde op eens mij blij te moe:
moed, mijn broeder, blijf geloven,
waak en bid ten einde toe.

 

2.

Christen, als gij troost blijft derven,

zondaar, wenend om uw schuld,
‘t zien op Jezus, op Zijn sterven,
schept vertrouwen, schenkt geduld.
Broeders, worstelt in gebeden
tot uw ziele zegepraalt;
tot u ‘t licht uit ‘s hemels Eden
in zijn volle glans omstraalt.

 

3.

De eng’len in Gods vaderwoning
juichen als een sterv’ling bidt,
en in heil’ge moedbetoning
biddend streeft naar ‘t hemels wit.
Hoort dan naar de stem van boven,
stemme u ‘t fluist’ren blij te moe:

moed, mijn broeder, blijf geloven,
waak en bid ten einde toe.

 


1.

Richt op mij Uw oog, mijn Heiland,

ga mij niet voorbij ;

Heer, zo vriendlijk en genadig,
help en red ook mij.

 

Koor:

Jezus, Heiland, help en red ook mij,

goede Herder, neen, Gij gaat ons kleinen niet voorbij.

 

2.

Zwakken kunt Gij krachten geven,

sterkte, hoop en moed;
richt, waar ik alleen zou dwalen,
in uw spoor mijn voet.

 

3.

‘k Wil aan U mij toevertrouwen
altoos en geheel;
neem mij aan, en zij mijn leiding,

waar ik ga, mijn deel.

 

4.

Trouwe Heiland, bron van leven,
die in liefde ons hoort,
tot mijn einde wil ik bouwen,
Jezus, op Uw woord.

 


 

1.

O God, met bevend hart, bevreesd
en met door angst verbroken geest,
hoop enig ‘k op Uw medelij:
“mijn Vader, wees genadig mij.”

 

2.

Waar bergde ik mij, wanneer naar recht

mijn lot en rechtzaak werd beslecht,
maar Uw genade is rijk en vrij:
“mijn Vader, wees genadig mij.”

 

3.

Zie mij in rouw van verre staan;
och, toon U met Uw kind begaan;
hoor hem, ziend’ op het kruis, bidt hij:
“mijn Vader, wees genadig mij.”

 

4.

Wat als gerechtigheid ik deed,
is nu mij een wegwerp’lijk kleed;
een reuk des doods bleef alles bij:
“mijn Vader, wees genadig mij.”


1.

De Heer ontledigt eerst het hart,
voor hem geheel onrein,
eer Hij ‘t naar Zijn genade vult
uit ‘s levens heilsfontein.

 

2.

Eerst werpt Hij onze zelfzucht uit
en alle hoogmoed mee,
eer Hij opnieuw ons als Zijn kind
verblijdt met hemelvree.

 

3.

Geen sterv’ling kan voor God bestaan,

de vloek der wet ontvliên,
zolang niet Christus in hem leeft
en ‘t vaderhart doet zien.

 

4.

Hebt daarvoor Gij Uw bloed geplengd,

mijn Heiland, ook voor mij;
och, dat U trouw tot in de dood
mijn hart en wandel zij.

 


1.

Zoals ik ben in zond’ en schuld.
Maar hopend op uw dierbaar bloed.
Uw liefde aan het kruis onthuld.
Buig ik mij neder aan Uw voet.

 

2.

Zoals ik ben, geheel onrein,
en zonder hoop op eigen kracht,
kom ik tot U, mijn Heilsfontein,
vertrouwend steeds op Uwe macht.

 

3.

Zoals ik ben, doch in ‘t geloof,
op Uw beloften, in Uw Woord,
voor wat mij dreige, blind en doof,
geef ik aan U alleen gehoor.

 

4.

Zoals ik ben, in al mijn strijd,
mijn angst en nood en wankelmoed,
ben ik, o Heer! in U verblijd,
en pleit ik op uw dierbaar bloed.

 

5.

Zoals ik ben, wilt Gij, o Heer!
Dat ik aan U mij toevertrouw;
ik ben nu d’ Uwe immermeer,
mijn Heiland, houd mij toch getrouw.


 

1.

‘k Leg aan de voet Uws troons
mijn smeekgebeden neer;
‘k voel veilig in de naam uws Zoons
mij daar, mijn God en Heer.

 

2.

Daar pleitend op uw woord,
voel ik mij onvervaard,
en trekt Gij als met liefdekoord
mijn ziele hemelwaarts.

 

3.

‘k Vrees daar de Satan niet;

wat snoods hij fluist’ren moog’,
het hart, dat biddend op U ziet,
leeft als bij U omhoog.

 


1.

Och, of ik nauwer met mijn God
in ootmoed wand’len mocht,
zodat geen ander vreugdgenot
ik voor mijn hart ooit zocht.

 

2.

Schenk, Geest, die in de waarheid leidt

mijn oog zo held’re blik,
dat meer tot zelfbedwang bereid
ik in Gods weg mij schik.

 

3.

Doe Gij mij zien, hoe eigen wil
altijd mijn hoop bedroog,
en ‘k veilig ging, zolang ik stil

mijn blik hield naar omhoog.

 

4.

Nabij mijn God vond mijne ziel
genieting, vrede en kracht,
en wat mij deerde of mij ontviel,
‘t werd nimmer in mij nacht.

 

5.

Doe, Geest van God, die waarheid mij

met held’rer blik steeds zien;
hoe zwak dan, ‘k vrees niet meer, als Gij
m’ Uw licht en hulp blijft biên.

 


1.

Och, bracht mij ieder dag, o Heer,
een schrede U naderbij,
ik kende een voorsmaak daag’lijks meer
van ‘t hemels feestgetij.

 

2.

Dat is mijn wensen, mijn gebed;
maar als weer de avond daalt,
hoe machtig trok mij ‘s werelds net,
hoe vaak heb ik gedwaald.

 

3.

‘t Is soms mij, of ik achterwaarts
in plaats van opwaarts ga;
wat werd van mij, kende ik bewaard
mij niet door uw genâ.

 

4.

Mijn hoop, mijn leven, Heer zijt Gij,

Die mij als wijnrank voedt,
och, maak aan vrucht steeds rijker mij,
mij heil’gend door uw bloed.

 


 

1.

Tot Jezus kwam Nikodemus bij nacht,

maar ‘t vleien zijns monds had op Jezus geen macht;
“gij moet,” sprak de Meester, die wars is van schijn,
“van nieuws geboren zijn.”

 

Koor:

Verlost van zonde en schijn,
van nieuws geboren zijn,
moet ieder, die ‘t koninkrijk Gods zal aanschouw’n
en ‘s Konings vreugdfestijn.

 

2.

Gij, kind’ren der mensen, verstaat ‘s Meesters woord,
Gij moet, eer uw hart er Zijn Amen op hoort,
dat u ook de waarheid verlost heeft van schijn,
van nieuws geboren zijn.

 

3.

Bedenkt, gij, wier harte naar zaligheid vraagt,
gij moet, eer u ‘t Godsrijk in heerlijkheid daagt,
uw ziele verlossend van doodsangst en pijn,
van nieuws geboren zijn.

 

4.

Verlangt gij naar ‘t leven en ‘t loflied omhoog,
naar ‘t weerzien van hen, die de dood u onttoog,
gij moet, om te delen in ‘s Konings festijn,
van nieuws geboren zijn.

 



1.

Geen zondaar zal het godsrijk zien
dan met vernieuwd gemoed,
en die herschepping wrocht Gij, Heer,
door ‘t offer van Uw bloed.

 

Koor:

Trek’ ons, o Heer, Uw dierbaar bloed,

dat ons, onreinen, rein verklaart,
als nieuw geboor’nen met U één
tot U, en met U hemelwaart.

 

2.

Herschepper, Heiland, is Uw naam;

nieuw maakt Gij wat bestaat;
nieuw ook mijn hart, dat in Uw kracht
de zonde vliedt en haat.

 

3.

In Uwe kracht verwinnaars nu,
Leeft Gij in ons, en breidt
Uw rijk tot ‘s aardrijks grenzen uit
en heerst in majesteit.

 

4.

Gij zijt met ons, Gij blijft ons bij,
tot alle duisternis
verwonnen, en Uw Vader weer
in allen alles is.

 


1.

Eens daalde ook in der waat’ren vloed

Gods Zoon als Heiland af;
voor ons onreinen trad Hij rein,
ons heil’gend, in hun graf.

 

2.

Zo rukte Hij de scheidsmuur neer,
die Israël omving,
en gaf Hij rang en eenheid weer,
aan aller volk’ren kring.

 

3.

Geen Jood of Griek, Scyth of Barbaar

zijn in Gods rijk gekend;
in Christus is Gods heilswoord waar
en ‘t oordeel afgewend.

 

4.

Genade brengt eens allen saam
op ‘s Konings bruiloftsfeest;
doopt dan de volken in de naam
van Vader, Zoon en Geest.

 


1.

Gedoopten tot des Heilands dood,
één met Hem door ‘t geloof,
zijn wij, Zijns stervens deelgenoot,
de dood niet meer ten roof.

 

2.

Met Hem gestorven en herleefd,
herboren uit Zijn Geest,
maakt ons het leven, dat Hij geeft,
voor ‘t sterven onbevreesd.

 

3.

Met Hem verenigd door ‘t geloof
draagt weer ons leven vrucht,
en neemt, niet langer vrees ten roof,
ons hart steeds hoger vlucht.

 

4.

Het leven, dat ons Christus is,
geheiligd door Zijn zin,
doet delen in Zijn erfenis,

maakt sterven ons gewin.

 

5.

Wiens hart dan nog de wereld dien’,

ons leven is Gods Zoon;
al ons verwachten Hem te zien
verheerlijkt op zijn troon.


1.

Met willig hart gaan wij
U, Heer en Heiland na;
richt onze voet, dat U nabij,

in ‘t rechte spoor, hij sta.

 

2.

In U, in U alleen,
is onze hoop en kracht,
die met ons zondaars lotgemeen

het al voor ons volbracht.

 

3.

Ook leggen wij de hand,
aanbiddend op uw kruis,
verlosser, op uw offerand’
in hoop op ‘t Vaderhuis.

 


1.

Mijn Heiland, die voor mij Uw bloed
als offerbloed vergoot.
Opdat ik met vernieuwd gemoed
zou leven door Uw dood.

 

Koor:

Help mij, mijn Heiland, dat ik trouw

tot in de dood U zij.
Hoor mij, die red’loos op U schouw,
gedenk, mijn Koning mij.

 

2.

Om mijne zonde, die onrein
mij uitbande uit Gods huis,
gaaft Gij Uzelf ons ten fontein
des levens door Uw kruis.

 

3.

Duur, eind’loos duur, hebt Ge ons gekocht,
verlost van slavernij;
neen, wij niet hebben U gezocht,
maar ons zoekt, Jezus, Gij.

 

4.

Neen, nimmer wordt de schuld betaald,

die U ons harte heeft;
want als ons niet Uw licht bestraalt,
is ‘t nacht voor al wat leeft

 


1.

Toen Jezus in de laatste nacht
aan ‘t heilig Paasmaal nederzat,
bleek ‘t heerlijk met wat teed’re macht
Hij ons ten eind’ heeft liefgehad.

 

2.

Ziend’ op zijn naad’rend’ offerdood
en tot Zijns Vaders wil gereed,
nam, brak en zegende Hij ‘t brood,
en sprak, het brekend: “neemt en eet”.

 

3.

“Dit is Mijn lichaam, neemt en eet;

mijzelven geef Ik u daarin,
opdat gij u Mijn broed’ren weet,
in Mij vernieuwd tot kinderzin.”

 

4.

Toen nam Zijn hand de Paschakelk

en zeeg’nend, als Zijn bloed, de wijn,
sprak Hij: “drinkt allen, en moge elk
deez heil’ge teug ten leven zijn.”

 

5.

Zo zitten op Uw woord wij aan
en wachten op Uw zegen, Heer;
U beiden wij, dale eer wij gaan
Uw volle zegen op ons neer.

 


1.

Wie is het, die de wijnpers
in Gods kracht heeft getreên,
die Zich geheel voor allen gaf,
Zijn strijd streed gans alleen?

‘t Is de Heer, die voor ons leed;
door liefdes macht
‘t offer, dat met God verzoent,
voor ons volbracht.

 

Koor:

Zijn liefdemacht,
die ‘t al volbracht,

Zijn liefdemacht
heeft aan ‘t kruis op Golgotha
het al volbracht.

 

2.

De strijd zag Hem verwinnaar,
Hij heeft zijn volk verlost;
maar ‘t heeft een strijd, als niemand streed,
Aan ‘t kruishout Hem gekost.
Door een elk verlaten stierf

Hij in de nacht,
toen aan ‘t kruis, als Priestervorst,
Hij ‘t al volbracht.

 

3.

Heer, Offerlam, ons Pascha,
voor ons aan ‘t kruis gedood,
U klink’ ons lied, Die ‘t Vaderhuis
en hart ons weer ontsloot.
Lof en dank zij toegebracht
Uw liefdemacht,

die ons aan Gods Vaderhart
heeft weer gebracht.


1.

Middelpunt van ons verlangen,
trooster van ‘t ontrust gemoed,
Jezus! onze dankb’re zangen
loven Uwe liefdegloed.
Gij woudt van de hemel dalen
op deez’ diep bedorven aard’,
en voor ons de schuld betalen,

die ons bang gemoed bezwaart.

 

2.

Liefde, Gij moest spottaal horen,
die U drong door merg en been;
ja, Gij droegt Uws Vaders tooren,
Gij voor allen, Gij alleen.

Welk een beker moest Gij drinken
op het aak’lig Golgotha!
Daar liet G’ U aan ‘t kruishout klinken,
daar aanbidden w’ Uw genâ’.

 

3.

Liefd’! In U is al ons leven,
Gij, Gij zijt ons hoogste goed;
ja, Uw kruis heeft ons gegeven,
wat ons eeuwig juichen doet.
O, hoe zijn w’ aan U verbonden,
Jezus, Redder, ‘s Vaders Zoon,
onze harten, onze monden,

juichen dankbaar tot Uw troon.

 


1.

Door een blik op het kruis is er leven en heil,
is er leven voor u en voor mij;
zie gelovig op Hem, word behouden en leef,
want verlossing biedt Jezus u vrij.

 

Koor:

Zie, zie, zie en leef!
Door een blik op het kruis is er leven en heil,
is er leven voor u en voor mij.

 

2.

O, waarom droeg dan Jezus de zonde en de smaad,
als uw schuld niet op Hem werd gelaân?
O waarom heeft het bloed uit Zijn zijde gevloeid,
als uw schuld niet door Hem werd voldaan?

 

3.

Niet uw tranen, gebeden, bekering, berouw,
maar Zijn bloed wrocht verzoening voor u;
werp op Hem dan ‘t gewicht van uw zonde en uw schuld;
vlied tot Jezus, o zondaar, vlied nu.

 

4.

Neem nu aan in ‘t geloof en met vreugde het heil,

neem het leven, dat Jezus u geeft!

Wees verzekerd, dat nimmer de dood u meer treft,
daar de Heer, uw Gerechtigheid, leeft.

 

5.

Weg dan twijfel en vrees, want Gods Woord heeft verklaard,
dat uw Heiland het werk heeft volbracht;

in de volheid der tijden kwam Jezus, de Heer,
als het Lam voor de zonde geslacht.


1.

Vorst des levens, ‘t is Uw dood,
die een schuilplaats mij ontsloot,
die voor zond’ en doodsgeweld,
mij, verloorne, veilig stelt;

mij, melaatse, die Uw bloed,
reinigt en herleven doet.

 

2.

Offerbloed, noch ‘t ee’lst metaal,
wat in angst berouw betaal’,
wist de minste onreinheid niet;
maar, Lam Gods, wie op U ziet,
maakt van zondenslavernij,
van de dood Uw zoenbloed vrij.

 

3.

Heer, Uw kruis, Uw stervenspijn
zal alleen tot steun mij zijn,
als hier alles mij begeeft;
Heer, in wien mijn ziele leeft,
Gij alleen, en Gij geheel
zijt mijn hoop, mijn eeuwig deel.


1.

Mijn Heiland heeft Zijn bloed geplengd,

der aard ten heilfontein,
en zondaars met dat bloed besprengd
zijn in Hem vrij en rein,
zijn in Hem vrij en rein,
zijn in Hem vrij en rein;
en zondaars met dat bloed besprengd
zijn in Hem vrij en rein.

 

2.

Heeft niet dat bloed op Golgotha
de boet’ling uitgered?
Zo delgt in mij ook Gods genâ
tot d’ allerlaatste smet.
Tot d’ allerlaatste smet.
Tot d’ allerlaatste smet.
Zo delgt in mij ook Gods genâ
tot d’ allerlaatste smet.

 

3.

O heilig Lam, Uw kostbaar bloed
bewaart Zijn waarde en kracht,
tot G’ eenmaal ‘t laatst onrein gemoed
tot reinheid hebt gebracht.
Tot reinheid hebt gebracht.
Tot reinheid hebt gebracht.
Tot G’ eenmaal ‘t laatst onrein gemoed
tot reinheid hebt gebracht.

4.

Dan zingen wij met voller toon
de wond’ren van uw kruis,
als Gij, Gods eengeboren Zoon,
ons leidt in ‘t Vaderhuis.

Ons leidt in ‘t Vaderhuis.
Ons leidt in ‘t Vaderhuis.
Als Gij, Gods eengeboren Zoon,

ons leidt in ‘t Vaderhuis.

 

5.

Mijn hart gelooft, ik weet, o Heer,
ook ik zal daar U zien;
mij, zondaar, zult G’ een plaats der eer,
een gouden harp mij biên.

Een gouden harp mij biên.
Een gouden harp mij biên.

Mij, zondaar, zult G’ een plaats der eer,
een gouden harp mij biên.


1.

Ginds op de heuvel Golgotha,
werd ‘t wonderwerk volbracht.
Want Jezus’ bloed bracht redding aan
en licht in duist’re nacht.

 

Koor

Hoe is de Heiland groot en goed,
hoe zalig Zijn te zijn!
Vertrouw op Zijn verlossinigsbloed:
kom tot de Heilsfontein!

 

2.

Niet één van ons kan ‘t recht verstaan,

hoe Hij geleden heeft,
maar redding bracht Zijn offer aan,
Zijn bloed vertroosting geeft.

 

3.

Geen and’re prijs was hoog genoeg,
tot delging onzer schuld,
dan Jezus’ rein en dierbaar bloed,
Zijn liefde en geduld!

 

4.

Hij stierf voor u, Hij stierf voor mij,

zachtmoedig droeg Hij ‘t kruis!
En Hij bereidt voor u en mij,
een plaats in ‘t Vaderhuis!

 


1

Zelf leiddet, Heer, G’ Uw leven af,

Gaaft willig U ten offerand,
en welk een heil Uw dood ons gaf,
zegt ons Uw dis als Iiefdespand.
En welk een heil Uw dood ons gaf,
zegt ons Uw dis als liefdespand.

 

2

Uw lichaam wijddet Gij de dood
en deed zijn macht op ons te niet;
Uw sterven maakt ons deelgenoot,
van ‘t leven in Uw rijksgebied.
Uw sterven maakt ons deelgenoot,
van ‘t leven in Uw rijksgebied.

 

3.

Genade en waarheid zijt Gij, Heer,
ons leven werd Gij door Uw kruis;
zo brengt Gij ons verloornen weer,
als kind’ren Gods in ‘t Vaderhuis.

Zo brengt Gij ons verloornen weer,
als kind’ren Gods in ‘t Vaderhuis.


1.

Dat mij de viering van Uw lijden,
O mijn Verlosser, heilig zij.
Zij lere mij de zonde mijden,
en maak van wereldzin mij vrij!

Zij leer’ mij U mijn hart te wijden,

Wiens hart nog stervend voor mij sloeg
en die in Uw geduldig lijden,
de straf, ook voor mijn zonden droeg.

 

2

Ja, ik wil al mijne dagen,
mijn Heiland! op uw kruishout zien,
en voor al ‘t geen Gij hebt gedragen,

in ‘t hart geroerd, mijn dank U biên.

O, dat mag eerst ontferming heten,

wat Gij voor zondaars hebt gedaan!
Laat nooit ondankbaar mij vergeten
wat Gij voor mij hebt uitgestaan!

 

3.

Ik wil vol eerbied op U staren,
Gethsemané en Golgotha,
waar wij ons zagen openbaren
de volle rijkdom der genâ;
waar mijn Verlosser heeft geleden,
waar Hij versmachtte, waar Hij stierf.
Ik eer, met lofzang en gebeden,
Hem, die mij ‘t eeuwig heil verwierf.

 


1.

Jezus, Heer, Wiens liefdemacht
redding ons heeft aangebracht,
‘t harte, dat Uw liefde smaakt,
dat Gij door Uw geest volmaakt,
rank weer in Gods wijnstok nu,

leeft, draagt vrucht alleen door U.

 

2.

‘t Pascha, Heer, van Uw gemeent’,
‘t Lam, dat ons met God hereent,
wilt Gij in genade zijn;
en Uw dis, zijn brood en wijn,

zij verzeeg’len ons gemoed,
dat wij rein zijn door Uw bloed.

 

3.

Rein voor God en d’eeuwigheid,
hemelwaarts door U geleid,
heilig eens in eng’lenrij,
priestervorsten aan Uw zij,
Heer, zelfs ‘t lied in ‘t Vaderhuis,
roemt naar waarde nooit Uw kruis.


1.

Heer, de teek’nen van Uw dis
maken ‘t voor ons hart gewis,
dat Uw zoenbloed ons gemoed
wederbaart en leven doet.

 

2.

In onszelf ten dode onrein,
zijt Gij ons de heilfontein;
Priestervorst, die zondaars redt,
rein in U van ied’re smet.

 

3.

Bij ‘t gedenken van Uw dood
maken w’ Uw genade groot;
beiden wij Uw wederkeer:
„kom, kom haastig, Jezus, Heer!”

 


1.

Rots der eeuwen, troost in smart,
vaste grond voor ‘t wank’lend hart,
goed bestand voor storm en vloed,
Jezus, is m’ Uw dierbaar bloed;

daarin vond ‘k steeds al mijn kracht,

zelfs in d’ allerbangste nacht.

 

2.

Die op eigen kracht vertrouwt,
heeft op losse grond gebouwd,
eigen werken baten niet.

Slechts die tot de Rotssteen vliedt,

komt gewis aan ‘s hemels kust,
Jezus geeft alleen de rust.

 

3.

Vaste Rots in elke nood,
schuilplaats, zelfs tot in de dood,
G’ ondersteunt, die wanklend viel.

Trooster der bedroefde ziel,

Jezus, Heiland, Zone Gods,
Ja, Gij zijt der eeuwen Rots.


 

1.

Jezus, Heiland, ‘t is Uw bloed,

dat mij Gode leven doet,

ook voor mij hebt G’ U verzaakt;

Heer, stel mij in U volmaakt,

opdat willig ik als Gij

tot de minste een dienstknecht zij.

 

2.

Wastet Gij, die ‘t al gebiedt,

Uwer jong’ren voeten niet!

Wee mij, boog ik niet mijn knie,

als ik op Uw liefde zie,

om te winnen ‘t hoge hart,

dat verblind Uw goedheid tart.

 

3.

Dan te bukken, Heer, als Gij
mij niet plicht maar ere zij,
Uw genâ waarin ik roem,
als ik mij Uw dienstknecht noem;

dienstknecht nu, maar door Uw dood

eens bij God Uw troongenoot. 

 


1.

De herdenking van Uw lijden
in de breking van het brood
en het drinken van de beker,
was voor mij aandoenlijk groot.

 

2.

Ik breng U mijn dank Heer Jezus,
dat Gij stierft voor mij aan ‘t kruis
en mij door Uw dood en lijden
weer ontsloot het Vaderhuis.

 

3.

Nooit genoeg kan ik het prijzen,
wat voor mij Gij hebt gedaan;
maar ik wil uit wederliefde
in uw voetspoor dankbaar gaan.

 

4.

O, mijn Heiland schenk mij daartoe

Uwe kracht en bijstand nu!
Opdat ook in strijd en lijden
ik getrouw mag zijn aan U.

 

5.

Geef dat ik niet af mag wijken
van het enig juiste spoor;
wil mij aan Uw hand toch leiden
heel mijn verder leven door.


1.

Nog eenmaal, Heer, voor wij Uw huis

verlaten, zien wij op Uw kruis,
op ‘t daar door U bestreden pleit,
dat d’ Uwen van de wereld scheidt.

 

2.

Och, zij ‘t met onuitwisbaar schrift

diep in ‘t gemoed ons ingegrift,
dat, wat nog oog en lust bekoort,
ons hart aan U alleen behoort.

 

3.

Zo zie in ons, die duur Gij kocht,
de wereld wat Uw liefde wrocht
in zondaars, wie Uw offerdood
opnieuw Gods paradijs ontsloot.

 



1.

Waak, Christen, wees wakker, de Heer roept ten strijd,
de trouwe, die hart Hem en zwaard heeft gewijd;
de vijand dreigt tartend het erf van uw Vorst,
ga, toon, als een held, uw gelaat hem en borst.

 

Koor:

Toon, als een held,
toon, als een held,
toon, als een held,
Uw gelaat hem en borst.

 

2.

Hoe groot ook ‘t gevaar zij, versaag niet in moed;
uw Koning heeft recht op uw liefde en uw bloed.
Keer palstaand de boze in de naam van uw Vorst,
en toon, als een held, uw gelaat hem en borst.

 

3.

De strijd voor uw Koning is wettig en schoon;
Gods waarheid en recht zijn de grond van Zijn troon;
bekamp dan de wereld en vrees niet haar vorst,
maar toon, als een held, uw gelaat hem en borst.

 

4.

Ga moedig, uw Helper, de Heer, is nabij;

waar ‘t strijden het heetst is, daar, Christen, is Hij.
Zie immer de vijand u ‘t dichtst bij uw Vorst,
ja, toon, als een held, uw gelaat hem en borst.

 


 

1.

Zoek die daar roekeloos dwalen,
‘t hart, dat zijn hartstochten dient,
leer de verdoolden te kennen
de trouw huns liefd’rijkste Vriend.
Kniel, waar verstoten zij lijden,
help met ontfermend geduld;
leer hen de liefde van Christus’
kracht tot verlossing vervuld.

 

Koor:

Neen, niemand gun’ slaap,
niemand gun’ slaap,
neen! niemand verzuime of drale
noch zoek’ daar buiten zijn taak.

 

2.

Werk, hoe de vijand moog’ lachen.
Hoe hij uw trouwe bespot;
de blijdschap, die nimmer eindigt,
is dan uw deel eens bij God.

Staat in ‘t gelove van Jezus,
wacht van de hemel uw kroon;
nooit zullen wijken of vallen
die volgen hun Heer, Gods Zoon.

 

3.

Offer uw hart op Gods altaar.
U, niet uw hulp, vraagt de Heer!
En ‘t lied in zwakheid gezongen
brengt lichtglans en blijdschap weer.
Offer uw hart in uw zangen.

Toon, dat genâ u geschiedt,
als voor uw Koning g’ moet lijden
roem’ tot het eind’ Hem uw lied.

 


1.

Laat vereend ons heilig streven
naar het liefdevolle leven
ons in Jezus’ kruis getoond.
Enkel liefde was zijn lijden,
liefde na ‘t verwinnend strijden,
met een eeuw’ge kroon gekroond.

 

2.

Jezus’ volgers staan en kampen,
waar bij ‘t wicht van ‘s levens rampen
overmoed de zwakken hoont;
ziende op Jezus staan zij palle,
en wie moed’loos wijk of valle,
eenmaal wordt hun trouw gekroond.

 

3.

Wie de strijd met God beginnen,
zullen met hun God verwinnen,
die ten troon heft en onttroont;
laat dan, ziende op Jezus’ lijden,
zo de strijd der liefde ons strijden,

dat eens ‘s Vaders hand ons kroont.


 

1.

Zijt gij Gods kind? Brandt heet in u

het liefdevuur, weet gij het nu?
Zodat gij zegt in vreugd of smart:
de Heer alleen behoort mijn hart!
De Heer alleen behoort mijn hart!

 

2.

Zijt gij Gods kind? Waarom dan traag,

rust stil uw hand de ganse dag?
Sta op, brengt ‘t evangeliewoord,
verkond het luid in ieder oord.
Verkond het luid in ieder oord.

 

3.

Zijt gij Gods kind? Zoek in ‘t gebed
de Heer, die altijd helpt en redt.
Hij laat de bidder nimmer staan,
wil dus vrijmoedig tot Hem gaan.
Wil dus vrijmoedig tot Hem gaan.

 

4.

Zijt gij Gods kind? Beproef u nauw,

dient gij de Heer voorwaar getrouw?
‘t Geloof in Hem en in Zijn bloed,
brengt rust en vrede aan ‘t gemoed.

Brengt rust en vrede aan ‘t gemoed.

 

5.

Licht der wereld, verlicht ook mij,
dat vrij van duisternis ik zij.
Dat ik getrouw tot in de dood,
U volg en dien als kind van God.

U volg en dien als kind van God.

 


1.

Neen, toon niet uw lijden,
want elk heeft zijn deel; —
bloedt u ook het harte,

en schijnt het te veel,
ga dan tot de Heiland

met al uw geween;
klaag ‘t enig aan Jezus,

Hij troost u alleen.

 

2.

Klaag ‘t enig aan Jezus,
Hij kent uw verdriet; —
zeg ‘t alles aan Jezus,
Die laaf’nis u biedt.
Hij, ‘t licht dezer wereld,

geeft vrede u en kracht,
steunt u in het Iijden
met hemelse macht.

 

3.

Heeft Jezus getroost u,
ga dankbaar dan heen, —

en laat in zijn lijden,
geen broeder alleen.
Zeg, wat Gods genade
voor u heeft gedaan,
en dat Hij geen boet’ling

ooit troost’loos laat staan.

 


 

1.

Ga, predik ‘t evangelie, ga,
verkond de volkeren genâ
in Hem, die uit de dood verrees,
en zich de Christus Gods bewees.

Zich de Christus, zich de Christus,
en zich de Christus Gods bewees.

 

2.

Dat Hij de dood ten onder bracht,
stave aan heel de aard, dat alle macht
als Vorst des levens Hij ontving,
ons heil’gend tot één broederkring.

Ons heil’gend tot, ons heil’gend tot,

ons heil’gend tot één broederkring.

 

3.

Geen Jood, of Griek, of Scyth nu meer;

Eén allen in de éne Heer,

bindt ‘s Vaders Geest ons in zijn naam
tot één gezin voor ‘t Godsrijk zaam.

Tot één gezin, tot één gezin,

tot één gezin voor ‘t Godsrijk zaam.

 

4.

Heil, Christus, die voor allen leed,
Die dood en vloek te niete deed,
blijf met ons, sterk ons door genâ
tot ‘s werelds eind. Halleluja!

Tot ‘s werelds eind, tot ‘s werelds eind,

tot ‘s werelds eind. Halleluja!

 


 

1.

Der wereld zij genoeg deez’ aard,
ons wacht ‘s hemels troon,
het pand door Jezus ons bewaard
op zijn glorietroon.

 

Koor:

Zijn werk is ons genot,
Zijn strijd bij ‘s werelds spot
ons pand, naar ‘t Woord van God,
van priesterkleed en kroon.

 

2.

Wiens hart naar aards genot slechts vraagt,
ons wacht ‘s hemels kroon;
ons de eerkroon, die ‘t geloof eens draagt
op des Heilands troon.

 

3.

Deez’ aard’ en heem’len gaan voorbij,

ons wacht ‘s hemels kroon;
dan juicht ons hart met de eng’lenrij
op des Heilands troon.

 

4.

Spoedt jaren, maanden, dagen voort,

ons wacht ‘s hemels kroon;
wij beiden naar des Vaders Woord
plaats op Jezus’ troon.

 


 

1.

Hoe lief’lijk is uw voet,
gezanten van de Heer,
die ons de heilmaar horen doet

van leven, vrede en eer.

 

2.

Hoe welkom is ons ‘t woord,
de maar der zaligheid.
Door Christus ons in beter oord
als erfschat toebereid.

 

3.

Heeft koning en profeet
eens naar dat woord gedorst,
ons hart, dat Jezus Koning weet,
roemt Hem als Levensvorst.

 

4.

Nu uit de slavernij
van zonde, wet en dood
verlost, maakt door Zijn offer vrij

ons hart en lied Hem groot.

 

5.

O, hoe zal ‘t dan ons zijn,
als we eenmaal ‘s Vaders Zoon,
omstraald door ‘s hemels zonneschijn,
aanbidden op zijn troon.

 


 

1.

Gij, knechten van de Heer,
in alles wat gij doet,
betracht zijn woord, waakt voor zijn eer
met heil’ge liefdegloed.
Betracht zijn woord, waakt voor zijn eer
met heil’ge liefdegloed.

 

 2.

Houdt uwe lampen rein,
verspreidt een helder licht,
bij ‘t wijzen op de heilsfontein

en ‘t komend Godsgericht.
Bij ‘t wijzen op de heilsfontein
en ‘t komend Godsgericht.

 

3.

Waakt, is uw Meesters woord,
Zijn komen steeds nabij,
dat ernst, waar gij tot waken spoort,
dan in u zichtbaar zij.
Dat ernst, waar gij tot waken spoort,
dan in u zichtbaar zij.

 

4.

Welzalig, trouwe knecht,
want heerlijk is uw loon,
de kroon der eer is weggelegd

voor uw Verlossers troon.
De kroon der eer is weggelegd
voor uw Verlossers troon.

 


1.

God gaf tot roeping mij,
dat ik mijn Heiland na,
Hem hart en weg en leven wij,

gehoorzaam vroeg en spâ
ons trekt des Herders stem,
en volgend op zijn woord,

gaan we ied’re dag meer één met Hem
een schrede huiswaarts voort.

 

Koor:

Huiswaarts voort, huiswaarts voort.

Een schrede huiswaarts voort.

 

2.

Ja, ‘t is mijn heilig werk,
geheel mijn leven lang,
dat ook door mij deez’ tijd zijn merk
mijn God tot eer ontvang.
Steun, Heer, mijn liefdegloed
en volgend op Uw woord,
ga ‘k elke dag met blijder moed
een schrede huiswaarts voort.

 

3.

Vermeer ons tot gebed
en waken kracht en lust;
zo zij Uw liefde ons hart tot wet,

Uw dienst ons levenslust.
Ons trekt des Herders stem
en volgend op zijn woord,
gaan we ied’re dag meer één met Hem
Een schrede huiswaarts voort.

 


1.

Herauten van de Levensvorst,
verkondt Zijn naam uit volle borst;
toont Christ’nen, tot Zijn dienst gereed,
dat g’ u uws Konings broeders weet.

 

2.

Het offer, dat voor u Hij bracht,
dat u bekleedt met vorstenmacht,
dring tot getuigen vroeg en spâ
u van Zijn liefde en Gods genâ.

 

3.

Weerhoude ons dan geen haat of spot

gemeente, dienstmaagd van uw God,
wijd goed en tijd, uzelf de Heer
tot Hem heel d’aard als Koning eer.

 


 

1.

Kunt gij naast de stoutste zeilers
u niet wagen in de strijd,
waar de golf nu berghoog wentelt
en zich straks als afgrond splijt;

ook aan ‘t strand staan schepelingen

draag hun zorg en arbeid mee;
kunt gij al de hand slechts lenen
waar een vaartuig steekt in zee.

 

2.

Hebt gij al geen goud of zilver
voor uw weldoen steeds gereed,
buigt zich vaak in u uw ziele,
daar gij niet te redden weet;

wenen kunt gij met de droeven,
zonnestraal der hoop hun zijn,
door uw handdruk, door uw bidden
balsem schenken voor hun pijn.

 

3.

Schoon gij in de dag des oogstes
ook geen schoven binden kunt;
is u niet het deel des rapers,
d’ opgelezen aar gegund?
En van ‘t aandeel, dus vergaderd
bij de hete zonnegloed,
wordt na ‘t stillen van uw honger
licht nog wees of weeûw gevoed.

4.

Hoop niet leegstaand en hoogmoedig

op wat groot en glansrijk heet,
tot gij eind’lijk werk en roeping
in een trage slaap vergeet.
Ga, en werk en zwoeg zo lange

tot het uur der rust mag slaan:
als uw hart naar arbeid hunkert,
wijst God zelf uw taak u aan.

 



1.

Toon zacht u, waar uw broeder dwaalt;

blijft, waar g’ een struik’ling ziet,
hij, ook als in zijn plicht hij faalt,
uw naaste, uw broeder niet?

 

2.

Eén erfgoed is met u zijn deel,
één Vader nam u aan,
dat dan uw trouw zijn trouwbreuk heel
en weer hem vast doe staan.

 

3.

Vergeet het nimmer, dat alleen
genade u krachten geeft,
opdat gij, met uw broeder één,
in waarheid Gode leeft.



 

1.

Gij knechten Gods, verliest geen moed,

weest sterk in ‘s Heren kracht;
hoe grimmig hier uw vijand woed’,
meer is uws konings macht.
Hoe grimmig hier uw vijand woed’,
meer is uws konings macht.

 

2.

Al is uw tal slechts twee of drie,
gij geldt een legerschaar,
en kent, wat om u deinze of vliê,
Gods heilbeloften waar.
En kent, wat om u deinze of vliê,
Gods heilbeloften waar.

 

3.

Uw Heer is met u ongezien,
bestuurt u door zijn geest;
toont, steunend op Zijn hulpe biên,
dat gij geen weerstand vreest.
Toont, steunend op zijn hulpe biên,
dat gij geen weerstand vreest.

 

4.

Uw wapenrusting is van Hem,
bestand in ied’re nood;
hoort dan alleen des Veldheers stem,
Hem trouw tot in de dood.

Hoort dan alleen des Veldheers stem,
Hem trouw tot in de dood.

 


1.

Heer, geef mij meer reinheid,
meer kracht van omhoog; —
meer losheid van ‘t aardse,
richt opwaarts mijn oog.
Geef lust tot de waarheid,
meer vrucht dan voorheen,

meer zien op mijn Heiland,
op Jezus alleen.

 

2.

Heer! geef meer geloof mij,
meer vrede in Uw raad,
meer vrees voor Uw oordeel,

meer afkeer van ‘t kwaad.
Meer trouw aan mijn Heiland,
meer oog voor Zijn smart,

meer ernst in mijn wandel,
meer liefde in mijn hart.

 

3.

Heer! maak mij meer dankbaar,
meer need’rig en klein,
meer dorstend naar waarheid,
meer biddend en rein.
Meer willig tot dienen;
meer vijand van schijn,
meer vaardig tot troosten,
meer stil onder pijn.

4.

Heer! ware ik meer liefd’rijk,
meer lijdzaam en sterk,
meer vast in geloven,

meer ijv’rig tot werk, —
meer licht zou ik kennen
op ‘t pad waar ik ga,
vermeerder, mijn God! mij
Uw kracht en genâ!

 


1.

Deed Gij naar recht, waar bleef ons, Heer,

een schuilplaats reeds op aard?

Maar in vergeven is Uw eer,
zelf trekt G’ ons hemelwaart.

 

2.

Dies zoeken wij Uw aangezicht
bij ‘t worst’len in gebeên,
en smeken, Vader, leid ons, richt

in ‘t heilspoor onze schreên.

 


1.

Buig niet voor verzoeking;

wie ‘t kwade weerstaat,
steunt als overwinnaar
door voorbeeld en raad
zijn broeders in ‘t strijden,
volheerlijk is ‘t loon;
zie immer op Jezus,
‘t geldt leven en kroon.

 

Koor:

Zoek uw steun bij de Heiland,
heb vertrouwen op Jezus;
blijf volharden tot ‘t einde,
zie, dan wankelt gij niet.

 

2.

Vlied immer de spotters,
daar ‘t gif van hun tong,
reeds menige zwakke
tot Godslast’ring dwong.
Steun niet op uzelve,

zoek geen eigen eer;
schuil in Zijne armen,

blijf dicht bij uw Heer.

 

3.

In elke verzoeking
is Jezus nabij,

daar ook Hij Zelve
verzocht is als wij.
Zo kan Hij ons troosten,
steunen door zijn hand,

tot ons zijn genade
brengt in ‘t Vaderland.


1.

Wandel in ‘t licht en God verkondt

Zijn liefd’ u door Zijn geest.
Hij geeft Zijn eeuwig heilsverbond,
wie Hem gelooft en vreest,
wie Hem gelooft en vreest.

 

2.

Wandel in ‘t licht en door Zijn kracht

zal duisternis vergaan;
want door Zijn glans en oppermacht
kan twijfel niet bestaan,

kan twijfel niet bestaan.

3.

Wandel in ‘t licht, dan heeft het graf

voor u geen afschrik meer,
het rukt de dodensluier af,

werpt alle droefheid neer,

werpt alle droefheid neer.

 

4.

Wandel in ‘t licht, want ‘s Vaders Zoon,

zal steeds uw hart verblij’n,
Hij leidt u tot de hemeltroon,
daar zult gij zalig zijn,

daar zult gij zalig zijn.

1.

Wij dwaalden allen, wars en blind,

weerstrevend als ‘t moedwillig kind:
en wie vond ooit, Heer, ‘t rechte pad
als Ge ons in toorn verstoten had,
als Ge ons in toorn verstoten had.

 

2.

Maar schoon ons vaak Uw tucht verdroot,
gaaft G’ ons niet over in de dood
en droeg het meerd’ren onzer schuld
ontfermend met het teerst geduld.
Ontfermend met het teerst geduld.

 

3.

Blijf, Vader, met de tederheid,
die ons, verloornen, zoekt en beidt,
ons dragen, tot van liefde ontgloord
ons hart geheel U toebehoort.
Ons hart geheel U toebehoort.

 

4.

Trek telkens meer naar Golgotha
en ‘t offer, pand van Uw genâ,
naar onze Middelaar ons heen;
Zijn kruis is onze hoop alleen.

Zijn kruis is onze hoop alleen.


 

1.

U behoort mijn leven, Heer,
U te dienen is mijn eer;
U te volgen, waar Gij leidt,

mijner ziele zaligheid.

 

2.

Wijd mijn ogen, dat hun zien
elke doolweg mij doet vliên;
wijd mijn oren, laat Uw woord
klank zijn, die hun ‘t meest bekoort.

 

3.

Wijd mijn handen, maak ze sterk
tot uw heil’ge strijd en werk;
wijd mijn voeten om te gaan
waar uw voetstap heeft gestaan.

 

4.

Wijd mijn stem, opdat mijn mond
zondaars winnend U verkondt;
wijd mijn tong, geef dat mijn spraak
Uw genade kenbaar maak’.

 

5.

Wijd mijn have; goed en geld
U ten dienst zij ‘t al gesteld;
toon het mijn gedrag altijd,
dat Gij, Heer, mijn Leenheer zijt.

 


 

1.

Eén wens slechts ken ik, slechts één doel,
dat Jezus’ volger ‘k mij gevoel;
gezind als Hij, die voor mij leed,
en ‘s Vaders wil in alles deed.

 

2.

Dan zal ‘t mij goed en vrede zijn,
doet weerstand, tegenspoed en pijn
slechts meer mij leven onder ‘t kruis
voor ‘t eeuwig heil in ‘t Vaderhuis.

 

3.

Vergeten is daar alle smart,
waar ‘t voor zijn God, herboren hart
met engelen en zaal’gen saam
de lof zingt van Gods vadernaam.

 


1.

Heer! door goedheid aangedreven,
zijt Gij mild in ‘t schuld vergeven;
wie U aanroept in de nood,
vindt Uw gunst oneindig groot.
Heer! neem mijn gebed ter oren
wil naar mijne smeking horen;
merk, naar Uw goedgunstigheên,
op de stem van mijn gebeên!

                        

2.

Leer mij naar uw wil te hand’len,
‘k zal dan in uw waarheid wand’len;
neig mijn hart, en voeg het saam
tot de vrees van Uwe naam.
Heer! mijn God! Ik zal U loven,

heffen ‘t ganse hart naar boven;
‘k zal Uw naam en majesteit
Eren tot in eeuwigheid!


1.

‘t Zijn blaad’ren, kaf en nergens vrucht,

is ‘t zuchten van Gods Geest,
waar, hoe de Heer tot waken riep,
‘t geweten vast en vaster sliep,
bij ‘t zorg’loos wereldfeest;

ach, blaad’ren, kaf en nergens vrucht.

 

2.

‘t Zijn blaad’ren, kaf! En zelfs geen zucht
naar ‘t hoogst en enig goed;
maar tegen bede en vriendenraad
een dieper zinken slechts in ‘t kwaad
bij meer verhard gemoed.
Ach, blaad’ren, kaf, en nergens vrucht.

 

3.

O vrees’lijk uur, als voor Zijn troon
de Heer de zondaar daagt,
en dan ontwakend, maar dan te laat,
hij angstig op de borst zich slaat
en luid zijn wanhoop klaagt:

“Ach, blaad’ren, kaf en nergens vrucht.”

 


 

1.

Ik wil streven, rein te leven,
volgend steeds uw wil;
In mijn handel en mijn wandel,
need’rig zijn en stil.
Kom, met moed de vijand tegemoet,
met het zwaard des Geestes hem begroet;
vlees en zinnen ‘t overwinnen,
dat is ‘s Heren wil.

 

2.

Eens verloren, ben ‘k herboren
tot de zaligheid;
Jezus’ sterven deed mij erven,

d’ eeuw’ge heerlijkheid.
Daarom dat ‘k getuig van Jezus’ naam,
en mij ‘t Evangelie gans niet schaam;
na dit lijden komt verblijden

tot in eeuwigheid.

 

3.

‘k Richt mijn ogen naar de hoge,
waar mijn Heiland is;
‘k ben onmachtig, Hij is krachtig,
Zijne hulp gewis.
Nimmer, dat vergeefs ik Hem iets vroeg,
Zijn genâ is altijd genoeg.

‘k Blijf geloven, mij wacht boven

d’eeuw’ge erfenis

1.

Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is ‘t dat zonen
van ‘t zelfde huis als broeders samen wonen,
daar ‘t liefdevuur niet wordt verdoofd;
‘t is als de zalf op ‘s Hogepriesters hoofd,
de zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
die door haar reuk het hart verblijdt.

 

2

Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,

als d’ olie die, van Arons hoofd gedropen,

zijn baard en klederzoom doortrekt;
z’ is als de dauw, die Hermons kruin bedekt,
die Zions top met vruchtbaar nat besproeit,
en op zijn bergen nedervloeit.

 

3.

Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen;
daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,
en ‘t leven tot in eeuwigheid!

 


 

1.

Wie koos ‘s Heren zijde?
Wie werd vrij?
Koost gij ‘t pad ten leven?
Waar staat gij?

 

Koor:

Kiest nu, kiest nu;
blijft God niet weerstreven,
Hij maakt vrij.
Kiest nu, kiest nu;
winnen of verliezen.

wat wilt gij?

 

2.

Koost gij reeds de Heiland
hier op aard?
Heeft Hij reeds uw harte?
Hij is ‘t waard.

 

3.

Blijft niet staan van verre,
komt tot Hem.
Wilt toch tot Hem naad’ren,
hoort Zijn stem.

 

4.

Geeft de Heer uw leven,
heel uw lot;

immers is Hij Midd’laar
tot uw God.

 

 


1.

Zou de wijsheid mij volkomen
tot de bodem zijn onthuld,
had ik al Gods raad vernomen
en zijn ganse wil vervuld.
Ach! wat ware al mijn pogen,
al mijn wijsheid, al mijn licht,
zonder liefde uit de Hoge,
voor des Heren aangezicht?

 

2.

Troonde ik in koningszalen,
ware ik ook nog zo rijk,
sprak ik zelfs der eng’len talen,
gaf van alle gaven blijk;
waar’ ik meester in de rede,
in de kunst; wat baatte dat,
als de liefde ook niet mede
deel had aan deez’ rijke schat?

 

3.

Kon ik elke zin verklaren
heden nog in duisternis,
daarenboven openbaren
‘t diepst geloof, dat er maar is,
zodat berg en rots verrezen,
zich verplaatsten op mijn woord,
ach! hoe leeg zou ‘t alles wezen,

ging geen liefd’ er mee accoord.

4.

Zou ik al mijn goed’ren geven
aan de armen in hun nood,
ja, al gaf ik zelfs mijn leven,
ging voor and’ren in de dood,
ach! wat zou het alles baten,
‘t ware al vergeefs gedaan
werd de liefde nagelaten,
die er samen mee moet gaan.

 

5.

Liefde is de grootste gave,
zilver, goud, ja  alle goed,
kan een mensenziel niet laven,
slechts de liefde die dat doet.
Alles hier op aard zal tanen,
is vergank’lijk op zijn tijd,
liefde blijft haar weg zich banen
Zij bestaat in eeuwigheid.

 


1.

‘t Hijgend hert, de jacht ontkomen,

schreeuwt niet sterker naar ‘t genot
van de frisse waterstromen,
dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar de Heer.

God des levens, ach, wanneer,
zal ik naad’ren voor Uw ogen.
In Uw huis Uw naam verhogen.

 

2.

O mijn ziel! wat buigt g’ u neder?

Waartoe zijt g’ in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
zoek in ‘s Hoogsten lot uw lust:
want Gods goedheid zal uw’ druk
eens verwiss’len in geluk.
Hoop op God; sla ‘t oog naar boven;
want ik zal Zijn naam nog loven.

 

3.

Maar de Heer zal uitkomst geven,
Hij, die ‘s daags zijn gunst gebiedt:
‘k zal in dit vertrouwen leven,
en dat melden in mijn lied.
‘k Zal Zijn’ lof zelfs in de nacht,

zingen daar ik Hem verwacht.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen
tot de God mijns levens heffen.

 


1.

O, toon ons Jezus, want het einde nadert,

des levens schaduw groeit al meer en meer,

o, toon ons Jezus, ons geloof te sterken,

voor de laatste strijd, ‘t geldt des Heilands eer.

 

2.

O, toon ons Jezus, Rotssteen van verlossing
waarop ons huis wij bouwden in ‘t geloof,
ons verschrikt dan niet ‘t loeien van de stormwind,
voor Satans woeden houdt ons oor zich doof.

 

3.

O, toon ons Jezus, dat is ons begeren,

wij worden sterk, als wij op Jezus zien.
O, toon ons Jezus, spreek ons van zijn komen,

dat wij Hem spoedig onze hulde trien.


1.

Keer weer, mijn dwalend harte, keer;

jaag naar geen schaduw langer meer,

maar zoek een eenzaam plekje uit,
opdat g’ uw hart voor God ontsluit.

 

2.

Mijn God en Vader, voor Uw oog,
dat op mij neerziet van omhoog,
voel ‘k elke dag mij meer onrein,
reikhalzend naar Uw heilsfontein.

 

3.

Mijn pogen wist geen enk’le smet;

steeds dieper oordeelt mij Uw wet,
maar, heil mij, ziende op Golgotha
wijkt vloek der wet voor Uw genâ.

 

4.

Ontzondig, Heer, en heilig mij,
opdat ik door genade vrij
van zondenlust en wereldmacht,
verwinnaar worde in Uwe kracht.


1.

Heer, hoe heb ik U van node,
om te blijven op uw pad;
dwalen voert gewis ten dode,
o, houd toch mijn hand gevat.

 

Koor:

Elke dag, ied’re stond
dringt mij meer op U te bouwen;
trouwe Heer, d’ een’ge grond
van mijn hoop is uw verbond.

 

2.

Aan mijn schijnbaar schoonste daden,

kleeft de zonde als doodsreuk aan;
maar Gij slaat in liefde ons gade,
en behoedt ons voor vergaan.

 

3.

Zelfs hebt G’ U voor mij gegeven,

liefdes heil’ge taak volbracht,
en uw offer wordt ten leven,
wie van U zijn heil verwacht.

 

4.

Juich, gemeent’, uw Heer en Koning

stierf voor u als vloek aan ‘t kruis;
Zijn verneed’ring is uw kroning,
is uw recht op ‘t Vaderhuis.

 



1.

Mijn God, bewaar mij, dat ik niet,
mijn heil miskennend, U ontvlied’,
en door mijn wereldzin bekoord
mijn oren sluite voor Uw Woord.

 

2.

Hoe kan ik, van uw trouw bewust,
nog luist ren naar des vleeses lust,
nog hechten aan wat buiten U
ik als gevaar en vijand schuw.

 

3.

Alleen in U zoek ik mijn kracht;
maak Vader, Gij mijn zwakheid macht
tot wand’len op het heilig pad,
dat voor mij Jezus’ voet betrad.

 

4.

Zwak zijn wij, zwak en licht vervaard,

maar ziende op U, door U bewaard,
wordt door des Geestes hulp ons biên,
des Meesters beeld in ons gezien.


 

1.

Gelijk een hert, ter dood toe afgejaagd,

om water schreeuwt, schreit mijne ziele en vraagt
vertroosting, Heer, verkwikking, kracht en licht
van ‘t naad’ren voor uw vriend’lijk aangezicht.

 

2.

Als ik gedenk aan vroeger, blijder tijd,

toen, Heer, in ‘t huis aan Uwe dienst gewijd,

‘k met uw gemeent’ mocht opgaan tot Uw lof,
Buigt zich mijn ziel rouwklagend neer in ‘t stof.

 

3.

Wat buigt ge u neer, mijn ziel, hoe zo ontrust?
Zijt van Gods trouw ge u langer niet bewust?
Verhef u, hoop en geef d’ Algoedheid eer;
God is getrouw, wat wilt, wat vraagt gij meer?

 


1.

Mijn God, U meer nabij,
U meer nabij,

en komt in kruis ook Gij
meer dicht tot mij,
dat toch mijn smeeking zij,
maak door uw tucht mij vrij,
breng zij me U meer nabij,
U meer nabij.

 

2.

Waar ook mijn reispad zij,
Heer, breidt maar Gij
Uw vleug’len over mij,
‘k voel mij dan vrij;
wien ‘s werelds lust verblij’,

ik zing: “blijf mij terzij,
mijn God, kom meer nabij,
meer mij nabij.”

 

3.

En maakt Uw machtwoord mij
eens eeuwig vrij
van zonde’s slavernij,
Heer, dan nog zij

in hemelmelodij
‘t mijn lied met de eng’lenrij:
“mijn God, U meer nabij

U meer nabij.”

 



 

1.

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
in al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,

o God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid,
opnemen in Uw heerlijkheid.

 

2.

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, daar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart
of bange nood mijn vlees en hart,

zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

3.

Wie, ver van U, de weelde zoekt,
vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
en U de trotse nek toekeren.
Maar ‘t is mij goed, mijn zaligst lot,
nabij te wezen bij mijn God!
‘k Vertrouw op Hem geheel en al,
de Heer, Wiens werk ik roemen zal.

 


1.

O Lam van God, voor mij op aard’ gekomen,
Gij naamt de zonde van de wereld weg!
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen,
alzo verlangt mijn ziel naar U, o Heer, mijn God!

 

Koor:

Aan Uw voeten, Heer, leg ik mijn leven neer;
ik sterf en leef en lijd voor U, gekruist voor mij!

 

2.

‘k Betreur, ‘k betreur mijn schuld, die U verjaagde
en donkerheid in mijne ziel deed zijn;
nu geef ik alles op wat U mishaagde

en kom nog eens tot U; maak Gij mij nu gans rein.

 

3.

Kom, Heil’ge Geest, wil mij Uw hulpe schenken;
verbreek des Satans werken nu in mij!
Wees steeds mijn Licht en Gids op al mijn wegen,
bereid mijn hart voor Hem, Die stierf aan ‘t kruis voor mij!

 

4.

Als eens ‘t heelal vergaat en zangers zwijgen,
dan heb ‘k een plaats bij U, Die mij bemint;
gelijk de wachters naar de morgen hijgen,
zo wacht mijn ziel op U, bij Wie ik vrede vind!

 


 

1.

U nabij, U altijd nader
trekk’ ons, Heer, Uw naam en kruis;
wees ons Leidsman tot de Vader,
op de weg naar ‘t Vaderhuis.

 

Koor:

U nabij, U nabij,
nader, nader, immer meer;
tot verlost, Heer, door Uw kruis,
haast we U zien in ‘t Vaderhuis.

 

2.

Gij alleen kunt ons verlossen,
als de vijand ons belaagt;
maar wat hij besta, blijkt ijdel,
als uw hand ons, zwakken, schraagt.

 

3.

Doe ons in uw kracht volharden,
maak ons in uw heilsnaam groot;
leer ons U, als Leidsman, volgen,
trouw U houdend tot de dood.

 


1.

‘k Heb geloofd — en daarom zing ik,

daarom zing ik van genâ,

van ontferming en verlossing,
door het bloed van Golgotha.

Daarom zing ik U, Die stervend
alles, alles hebt volbracht,
Lam Gods, dat de zonde wegneemt,
Lam van God, voor ons geslacht!

 

2.

‘k Heb geloofd — en daarom hoger,

hoger dan Calvarie’s top,
zie ik boven lucht en wolken,
Hogepriester, tot U op;
Die in ‘t ware tabernakel
voor Gods aanschijn t’ allen tijd,
als Haar Hoofd, voor uw gemeente
strijdend bidt en biddend strijdt.

 

3.

‘k Heb geloofd in U, Wie d’ aarde
met haar doornen heeft gekroond;
maar Die nu, gekroond met ere,
aan Gods rechterzijde troont;
U, aan Wiens doorboorde voeten

eenmaal in het gans heelal,
hier, daarboven en hieronder,
alle knie zich buigen zal.

 4.

Ja ‘k geloof — en daarom zing ik,

daarom zing ik U ter eer,
‘s werelds Heiland, Hogepriester,
aller Heren Opperheer!
Zoon van God en Zoon des mensen,
o, kom spoedig in uw kracht
op des hemels wolken weder!

Kom, Heer Jezus, kom! ik wacht.

 


1.

Genadig God, alleen Uw kracht,
het steunen van Uw hand,
maakt tegen ‘s vijands overmacht
ons zwak geloof bestand.

 

2.

Slechts in Uw licht zien wij het licht,

in U ook zijn wij sterk,
wordt zoet ons ied’re levensplicht
en zaligheid uw werk.

 

3.

Neig dan ons hart, richt onze voet;

waar Gij Uw hulp verleent,
vergelden zelfs wij kwaad met goed,
als ‘t past aan uw gemeent’.

 

4.

Dan leeft in ons des Meesters zin,
gaan met zijn medelij
wij in des naasten smarten in,
hoe zwaar hun schuld ook zij.

 

5.

Zijn liefde aan zondaars grootgemaakt,

ons deel ook uit genâ,

blijkt heerlijk dan in ons ontwaakt
en werkzaam vroeg en spâ.

 


 

1.

Dreigend woeden wind en golven
om mijn ranke boot;
in der branding schuim bedolven,
klimt gestaag mijn nood.

 

Koor:

Vrees niet, zie uw Heiland, Jezus is nabij;
vrees niet, vrees niet, zie uw Heiland,
uw Heiland, Jezus is nabij;

ja, vrees niet, vrees niet, zie uw Heiland,
uw Heiland, Jezus is nabij.

 

2.

Nooit verlaten of begeven
heeft zijn liefde mij;
Hij, de bron van kracht en leven,

staat getrouw ter zij.

 

3.

Heer, laat nooit in mij verdoven
‘t klemmen aan uw woord;
opdat ‘k altijd blijv’ geloven,
dat Gij zijt aan boord.

 

4.

Blijft dan woeden, wind en baren,
in Hem ben ‘k gerust;
‘k zal de haven haast ontwaren,
ginds aan d’eeuw’ge kust.

 


1.

Bouw op God en wacht Zijn zegen,

bouw op God in elke nood;
altoos kan Hij uitkomst geven,
redding van een wisse dood.

 

Koor:

Bouw op Hem, Die wondt en heelt,

Die ons goed en kwaad bedeelt, —

ons door lief en leed bereidt
voor de vreugd der eeuwigheid.

 

2.

God zal nimmer hem begegeven,
die op Zijn beloften bouwt,
en zich in de naam van Jezus,
gans en al Hem toevertrouwt.

 

3.

Aardse vriendschapsbanden breken,

deze wereld gaat voorbij.
Gods genade alleen is duurzaam,
staat ten eind toe ons terzij.

 

4.

Bouw op God, de rots der eeuwen,

bied uw voet een vaste grond;
bouw op God en gij hebt vrede
tot uw jongste levens stond.

 


1.

Wie bouwt op de Rots, de Zone Gods,

heeft stortvloed noch storm te vrezen;
het uur van gevaar toont ‘t Godswoord waar:
Ik zal uw toevlucht wezen.

 

Koor:

Ons heil is de Rots,
ons heil is de Rots,
ons heil is de Heer, is de Zone Gods;
Hij is der eeuwen Rots.

 

2.

Maar allen, wier hand hier bouwt op zand,
zij zullen te laat aanschouwen,
wat uitkomst hem beidt, die schijn verleidt
op ‘s werelds grond te bouwen.

 

3.

Ons heil is de Rots, de Zone Gods,
waar bergen en heuv’len wijken,
de Rots, door Gods hand in Hem geplant,
zal nimmermeer bezwijken.

 


1.

Dreigen u vaak stormen op de levenszee,
sleept u soms ontmoediging en twijfel mee,
zie op al uw zegeningen, groot en klein,

en ge zegt: “Hoe kon ‘k zo kleingelovig zijn!”

 

Koor:

Tel uw zegeningen, één voor één!
Tel ze alle, en vergeet er geen!
Tel ze alle, noem ze één voor één,
en ge ziet Gods goedheid en genade alleen!

 

2.

Gaat gij onder zorgen menigmaal, gebukt,
schijnt het kruis te zwaar, dat op uw schouders drukt,
zie op al uw zegeningen! Grijp slechts moed!
en ge kunt weer vrolijk zingen: God is goed!

 

3.

Ziet ge soms op rijken met hun overvloed,
denk: mij wacht daarboven ‘t onverganklijk goed,
zegeningen, die geen rijkdom kopen kan,
des getrouwen loon in ‘t hemels Kanaan.

 

4.

Zo in strijd en moeite steeds het hoofd omhoog!
God bestuurt uw leven; op u rust zijn oog.
Laat u door Hem leiden, van zijn trouw bewust!
Veilig voert zijn hand u naar des Hemels kust.

 


1.

Wij spreken van ‘t leven omhoog,
van ‘t eens ons daar wachtende lot.
Van ver blinkt zijn glans ons in ‘t oog;
maar ‘t zijn daar, wie peilt dat genot?
Wij weten ‘t, Hij zit daar ten troon
Wiens kruis ons verzoend heeft met God,
en eens schenkt zijn hand ons de kroon;
maar ‘t zijn daar, wie peilt dat genot?

 

2.

Wij spreken van vrijheid en rust,
en hoe ons de wereld bespot,
God dienen is vreugd ons en lust;
maar ‘t zijn daar, wie peilt dat genot?
En viert ook, als eens aan de Heer
de wereld haar haat aan ons bot,

Zijn liefde en genade is ons meer;
maar ‘t zijn daar, wie peilt dat genot?

 

3.

O Heer, die Gods wil hebt volbracht
in spijt van der moorderen rot,
genoeg is Uw troost ons in nacht;
maar ‘t zijn daar, wie peilt dat genot?
Kom haastig dan, Heiland en Heer,
wij dorsten naar ‘t volle genot,

geef Eden in volheid ons weer,
maak zalig ons met U bij God.

 


1.

Voor mij ook sprak de Levensvorst:

vermoeide kom tot Mij,
leg ‘t matte hoofd aan Mijne borst
en rust van angsten vrij.

Gelijk ik was, vermoeid, bezwaard,
ging ik op Jezus’ stem;
en heb met blijde dank ontwaard
wat rust er is bij Hem.

 

2.

Voor mij ook is Zijn woord geschied:

“komt tot Mij gij, die dorst,
en ken Mij, die u laaf om niet,
als Vrede- en Levensvorst.”

Ik heb dat vriend’lijk woord geloofd,
en nu, verkwikt, gedrenkt,
roem ik met opgeheven hoofd
in Hem die ‘t leven schenkt.

 

3.

Nog sprak Hij: “kind, wat wanhoopt gij;
blik opwaarts, zie Mij aan,
het licht der wereld is in Mij
voor altijd opgegaan.”

Ik zag op Jezus, en mijn nacht
vlood als een schaduw heen;
bij Hem is rust, is kracht en licht,
ja, heil bij Hem alleen.


 

1.

Al rolt de zee en loeit de wind
in ‘t holle van de nacht,
‘t geloof weet, waar ‘t zijn steunsel vindt,
van wie het bijstand wacht.
Al licht geen maan, al blinkt geen ster,
wij worst’len nooit alleen,
de trouwe Helper is nooit ver,
Hij leidt ons huiswaarts heen.

 

2.

Zo dreigend hoog klimt nooit de nood,

of sterker is Gods hand;
bij Hem is uitkomst in de dood
en ons Zijn woord verpand.

Geloofsproef is ‘t wat ons weervaart;
hoe bang ‘t vooruitzicht scheen,
ons oog blikt hoopvol hemelwaart,
God leidt ons huiswaarts heen.

 

3.

Wie sidd’re en beef’ als zonder hoop,

Gods kind’ren vrezen niet;
zij weten, wie der waat’ren loop,
der stormen kracht gebiedt.

Licht’ al geen maan en blinkt geen ster,

nooit is hun trouwe Helper ver,
God leidt hen huiswaarts heen.

 


 

1.

Te midden der worst’ling van duister en licht
houd ‘t oog op de haven der rust ik gericht,
waar ‘t lijden te boven ‘k ten leven ontwaak,
waar ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak, rust ik smaak,
waar ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak.

 

2.

Geen plekje op aard is van droefenis vrij;
de zonde is de dood en haar dienst slavernij.
Mijn tocht voert naar boven, Gods Woord is mijn baak,

tot ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak, rust ik smaak,
tot ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak.

 

3.

Die hoop is mijn leven, mijn starlicht bij nacht,
zij schenkt m’ in de worst’ling vernieuwing van kracht,
terwijl in volharding naar d’ eindpaal ik haak,
waar ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak, rust ik smaak,

waar ‘k eeuwig bij Jezus Gods sabbatsrust smaak.


1.

Mijn rust is hierboven, mijn sabbatsrust daar,
hoe zou ik dan deinzen voor strijd en gevaar;
wees stil, mijne ziele, uw lijden en kruis
verkort slechts de worst’ling, brengt eerder u thuis.

 

2.

Neen, ‘t is niet mijn roeping te jagen naar ‘t goed,
dat wereldzin, hoogmoed en vijandschap voedt;
mijn burgerschap is, waar mijn Koning mij wacht,
de stad, die geen zonde, geen rouw kent of nacht.

 

3.

Bemoeilijk dan distel en doornstruik mijn tred,
ik wens mij geen rozen tot peluw of bed;
het deel mijner hoop is omhoog bij mijn Vorst,

is ‘t zien van mijn Heiland, de rust aan Zijn borst.

 



1.

Ik heb de vaste grond gevonden,
waarin mijn anker eeuwig hecht
de grond in Jezus’ bloed en wonden,
vóór ‘s werelds aanvang reeds gelegd.
Die grond zal onverwrikt bestaan,
schoon aard’ en hemel onder gaan.

 

2.

Die grond is ‘t eindeloos erbarmen,

dat al ons denken overtreft,
van Hem, die met zijn vaderarmen
ons, arme zondaars, opwaarts heft,
die op ons diep meedogend ziet,
al achten wij zijn roepstem niet.

 

3.

God wil, dat wij niet gaan verloren,

en schonk tot redding ons Zijn Zoon;
dies werd Hij mens, Gods Eengeboren,
en voer straks op tot ‘s hemels troon;
en Hij met onze nood begaan,
klopt nu gedurig bij ons aan.

 

4.

O diepte, die der wereld zonden
door Jezus’ dood verslonden heeft!
Nu is der zielen wond verbonden;
wie wil verdoemen? Jezus leeft,

wiens offerbloed bestendig pleit:

“barmhartigheid! barmhartigheid!”

 

5.

Daarop wil ik gelovig bouwen,
gerust, getroost, wat mij weervaart,
en m’ aan Gods Vaderhart vertrouwen,
wanneer mijn zonde mij bezwaard.
Steeds vind ik daar m’ opnieuw bereid
oneindige barmhartigheid.

 

6.

Wordt m’ alles op deez’ aard’ ontnomen,

wat blijdschap en genoegen schenkt, —
mag zelfs geen enkle troostbron stromen,
wier lavend vocht mijn ziele drenkt, —
schijnt hoop op redding mij ontzeid, —
toch blijft mij Gods barmhartigheid.

 

7.

Als, van de avond tot de morgen,
des levens leed mij kommer baart,
wanneer mijn ziel door ijd’le zorgen
en aardse lasten wordt bezwaard,
verward wordt in der dingen loop,

is Gods barmhartigheid mijn hoop.

 

8.

Moet ik in mijne beste werken,
in wat ik denk en wat ik zeg,
veel onvolkomens steeds bemerken, —
ach, dan valt alle roem mij weg.
Maar dan is mij tot troost bereid:

ik hoop op Gods barmhartigheid.

9.

‘t Ga mij dan zoals Hij moog’ willen,

mijn God, wiens naam “Ontfermer” heet;
Hij moge zelfs mijn harte stillen,
opdat het dit slechts niet vergeet’,

En — ‘t zij mij vreugd of smarte beidt —
slechts steun op Zijn barmhartigheid!

 

10.

Op deez’ geloofsgrond zij mijn leven

gebouwd, zolang mij ‘t licht beschijnt!
Dus wil ik denken, doen en streven,
totdat mijn laatste kracht verdwijnt.
En eeuwig juich ik dan, verblijd:
“o diepte van barmhartigheid!”

 


1.

In al mijn doen en laten
wil ik m’ op God verlaten,
Die alle ding vermag.
Wat ooit werd ondernomen
was niet tot stand gekomen,
als Hij niet zeeg’nend nederzag.

 

2.

Of zorg mij steeds verzelle,
of ‘k mij met arbeid kwelle, —

ik vind daarbij geen baat.
‘k Wil alles in mijn leven
mijn Vader overgeven.
Daar ik mij op Zijn zorg verlaat.

 

3.

Geen angst kan mij doen schromen.

Want niets kan m’ overkomen
Dan naar Zijn wijze raad;
en ‘k heb nooit stof tot klagen,

daar steeds Zijn welbehagen
in ‘t zoeken van mijn heil bestaat.

 

4.

‘k Vertrouw op Zijn genade,
die mij voor alle schade
en alle kwaad behoedt.

Leef ik naar Zijn geboden, —
Hij redt m’ uit alle noden
en schenkt mij liefd’rijk ‘t eeuwig goed
 

5.

Moog’ Hij ‘t geen ‘k heb misdreven
mij in genâ vergeven,
en over mijne schuld,

hoe groot die zij gebleken,
niet aanstonds ‘t vonnis spreken,
maar mij nog dragen met geduld.

 

6.

Zijn engel zal mij hoeden

voor ‘s vijands toornig woeden;
dies strijd ik blij te moe.

Ik zag mij voor gevaren
altijd door Hem bewaren —

ik weet het bijna zelf niet, hoe.

 

7.

Bij slapen of bij waken,
bij wat mij mag genaken,
blijf ik of trek ik voort, —

in zwakheid of in banden, —
nooit maakt Hij mij te schanden;
altijd troost mij zijn krachtig woord.

 

8.

En heeft Hij het besloten,
dan zal ‘k ook onverdroten
betreen de lijdensbaan.

Het zwaarste deel van allen
zal mij te zwaar niet vallen:
met God wil ik het ondergaan.

 

9.

Ik wil geheel mijn leven
Hem willig overgeven;
en roept eens, vroeg of laat,

Zijn stem mij op tot scheiden, —
‘k zal ‘t zonder zorg verbeiden,
daar ik het aan Hem overlaat.

 

10.

Moog’ ik de Zijne wezen,
vertrouwend zonder vrezen
Hem, die mij nooit verlaat!
Wat staat of vallen moge, —
mijn Vader in de hoge
weet altoos en voor alles raad.

 


 

1.

Hoe heuglijk is des Christens hoop,
die wat als kruis hem treft,
die, hoe hem alles tegenloop,
slechts meer zijn hart verheft

die, hoe hem alles tegenloop,
slechts meer zijn hart verheft.

 

2.

Die hoop wijst hem op ‘t land der rust,

dat alle lijden endt,
waar hij naar volle hartelust
de vreugd’ van ‘t kindschap kent

waar hij naar volle hartelust
de vreugd’ van ‘t kindschap kent.

 

3.

Daar dreigt en pijnt geen zonde meer,

heeft vlees noch wereld macht;
daar drukt geen last van zorgen neer,
daar kwelt geen ziekte of nacht.
Daar drukt geen last van zorgen neer,
daar kwelt geen ziekte of nacht.

 

4.

Die hoop is hier reeds zaligheid,
het zoet van werk en plicht,
met blijdschap in de vreugd’, die beidt,
tot ‘s Vaders eer verricht.
Met blijdschap in de vreugd’, die beidt,
tot ‘s Vaders eer verricht.

 


 

1.

Och, dat ik een geloof bezat,
dat hoe bedreigd, benard
nooit deinsde uit vrees op ‘t doornig pad
van weerstand, spot en smart.

 

2.

Het stil geloof, dat nimmer mort
bij ‘t moeilijkst levenslot;
dat hoe mijn naam gelasterd word’,
in ootmoed bouwt op God.

 

3.

Het kloek geloof, dat kalm zich toont,

Als ‘t dreigend noodweer woedt,
omdat het weet, daar boven woont
mijn Vader, die mij hoedt.

 

4.

Schenk dat geloof mij, ja, vermeer
‘t mij naar mijn strijd en nood,
opdat, Heer, ik U waardig eer
in trouwe tot de dood.

 


1.

Nooit kan ‘t geloof te veel verwachten,

des Heilands woorden zijn gewis;
‘t faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
maar nooit een vriend als Jezus is:
wat zou ooit Zijne macht beperken?
‘t Heelal staat onder Zijn gebied,
wat Zijne liefde wil bewerken,

ontzegt Hem zijn vermogen niet.

 

2.

Die hoop moet al ons leed verzachten:

komt reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!
Voor hen, die ‘t heil des Heren wachten,
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid, niet af te meten!
O vreugd, die alle smart verbant!

Daar is de vreemd’lingschap vergeten:
en wij, wij zijn in ‘t Vaderland!

 


1.

Nader, mijn God, bij U,
zij steeds mijn beê;
zij ‘t levenspad soms ruw,
gaat Gij maar mee,
dan kent mijn ziele rust;
mij van Uw trouw bewust.
Wacht ik, aan blijder kust,
Uw sabbatsvree.

 

2.

Al zie ik ‘t licht verdoofd
haast voor mijn schreên,
en wacht tot rust mijn hoofd

straks slechts een steen.
Als dan maar in mijn droom
Uw licht mij tegenstroom’;

wat dan mij overkoom’,
‘k ben niet alleen.

 

3.

Wanneer voor mijn gezicht
de ladder rijst,
die naar U, Bron van licht.
Mijn ziele wijst,
‘k zie dan in ‘t bangst gevaar
Uw heil’ge eng’lenschaar.
Die U, Alzegenaar,

al dienend prijst.

4.

En wenkt Uw eng’lenstoet
eens opwaarts mij,
in ‘s hemels zonnegloed,
verjongd en vrij,
‘k juich dan op hoger toon,

bij ‘t naad’ren van uw troon.
‘k Ben eeuwig nu uw zoon
en U nabij!


 

1.

Mijn Heiland, Zielevriend,
Die op mijn smeken let,
U kent elk, die U zoekt en dient,

als Hoorder van ‘t gebed.

 

2.

Schenk mij een rein gemoed,
een onderworpen wil,
en onder alles, wat God doet,

een hart in ootmoed stil.

 

3.

Ik vraag geen ander lot
dan, Heer, Gij zelf U koost;
nabij U en nabij mijn God

is al mijn vreugd en troost.

 


 

1.

Heiland bron van alle leven,
Die voor mijne zonden leed.
Aan uw voeten kniel ik neder,
als voorheen Maria deed.
Aan uw voeten kniel ik neder,
als voorheen Maria deed.

 

2.

Leid mij, Heiland! door het leven,
zonder U kan ik niet gaan:
‘k wil geheel aan U mij wijden,
neem mij als Uw volg’ling aan,
‘k wil geheel aan U mij wijden,
neem mij als Uw volg’ling aan.

 

3.

Gij alleen zult mij besturen,
voert mijn weg door moeit’ en strijd
schenk mij slechts uw liefd’ en vrede,
ben uw kind in eeuwigheid.
Schenk mij slechts uw liefd’ en vrede,

ben uw kind in eeuwigheid.


1.

Wil ons door Uw Geest gedreven,
Jezus, uwe liefd’ ons geven.
Wil z’ ons in het harte gieten.
Door ‘t geloof ons doen genieten!

 

2.

Heiland, onze Heer en Koning!
Wilt Gij maken bij ons woning!
Laat uw Geest de kracht ons geven,
gans en al voor U te leven.

 

3.

Wie kan zeggen of beschrijven,
wat het is in U te blijven,
in ‘t geloof U aan te hangen,
U in liefde te ontvangen?

 

4.

O, oneindig dierbaar Wezen,
dat ons allen wil genezen,
maak ons waard U te ontmoeten,
en de hemel te begroeten!

 


 

1.

“Hier is mijn hart, mijn God, ik schenk het U,
Die mij genadig schiep”
“Geef Mij uw hart, mijn kind, geef het Mij nu
daar ‘k heden tot u riep.”
Het komt U toe Heer, door uw lijden,
het U te schenken maakt mij blijde,
hier is mijn hart, hier is mijn hart!

 

2.

“Hier is mijn hart, neem het genadig aan
met ied’re smet en vlek;
ik wijd het U, zoveel ik kan voortaan,
zie niet op mijn gebrek.
Het is vervuld van boze lusten,

en zonde en schuld er steeds op rusten,
mijn zondig hart! mijn zondig hart!”

 

3.

Hier is mijn hart! O Heer, herschep het rein,
vernieuw het toch geheel.
Opdat het U een tempel Gods kan zijn
en gans alleen uw deel.
Gereed steeds naar uw stem te luist’ren,
als Gij uw wil erin komt fluist’ren,

in ‘t nieuwe hart — in ‘t nieuwe hart.


1.

‘k Heb, mijn Heiland, opgenomen
‘t kruis mij wachtend naar uw woord;
‘k wil, wat me ook moog overkomen,
tonen wie mijn hart behoort.
Hoe de wereld mij moog noemen,
wie ik in haar oordeel schijn,

‘k zal U als mijn Koning roemen
en in liefde Uw volger zijn.

 

2.

Heeft uw volk U niet verlaten,
niet voor U de dood gezocht;
blijft U niet de wereld haten,
omdat z’ U niet overmocht?

Dat G’ alleenlijk wildet weten
wat de Vader U gebood,
deed uw wonderdaân vergeten,

hunk’ren, jagen naar Uw dood.

 

3.

Zou ik naar de gunst dan trachten
van wie U de rug toekeert;
zegen in de kring verwachten,
die Uw naam en rijk niet eert?

Neen, mijn zoeken en mijn vragen,
‘t pleiten van mijn smeekgebeên,
zij alleen het U behagen
en het volgen in uw schreên.

4.

Uw verschijnen wil ik beiden
Als een bruid haar brui’gom wacht;
op Uw komst mij voorbereiden
steunend op Uw liefde en macht.
‘k Weet, Gij zult mij niet begeven,

bijstaan tot mijn jongste stond,
tot ook ik in ‘t eeuwig leven
Uw genade en trouw verkond.

 

5.

Brenge u elke dag een schrede

‘t heilig doelwit naderbij,
waar Gods sabbatsrust haar vrede
schenkt tot eeuwig feestgetij.
Daar zijn moeite en smart vergeten,
waar de Heiland voor altijd
door een vreugd niet af te meten
‘t hart, dat Hem behoort, verblijdt.

 


1.

Mag niet een enkel ijdel woord
mijn lippen overgaan,
hoe zal, o God, die alles hoort,
dan ik voor U bestaan?

 

2.

Voor U bestaan? Ach, moest mijn hoop

zijn op wat zelf ik deed,
vergeefs, tot schade was mijn loop,
de bron van enkel leed.

 

3.

Maar, Heer, die zwakheid maakt tot kracht,
Gij zijt mijn hart genoeg,
ik weet wie in mijn zondennacht
op ‘t kruis mijn zonden droeg.

 

4.

Och, dat Uw Geest mijn hart bewaak,

elk ijdel woord voorkom,
en rein in U mij priester maak
voor ‘t eeuwig heiligdom.

 

 

 

1.

Ik vernam mijn Heilands spreken,
en dat was voor mij een teken,
ja, ik doe graag naar zijn smeken:
kom en volg mij waar ‘t ook henengaat.

 

Koor:

Ja, ik neem mijn kruis en volg Hem,

o, mijn Heiland wil ik volgen,
waar Hij voorgaat, wil ik volgen,
ik ga met Hem, waar ‘t ook henengaat.

 

2.

Jezus gaat steeds voor mij henen,
Jezus hoort ook al mijn stenen,
Jezus weet van al mijn wenen,
daarom volg ‘k Hem waar ‘t  ook henengaat.

 

3.

En al wordt het kruis ook zwaarder

ook het uitzicht wordt al klaarder,
lijdzaam word ik en bedaarder
volg ik Jezus, waar ‘t ook henengaat.

 

4.

Zo ga ‘k veilig door zijn hoede,
en al word ik wel eens moede,

en al voel ik ook Zijn roede,
toch volg ‘k Jezus, waar ‘t ook henengaat.

 

5.

Door het doodsdal wil Hij leiden,
mij aan stille waat’ren weiden,

en een groene wei mij spreiden,
dies volg ‘k Jezus waar ‘t ook henengaat.


 

1.

Wil heil’gen uw leven,
spreek vaak met uw Heer,
blijf in Hem volharden,
put kracht uit Zijn leer.
Mijd vriendschap der wereld,
sta zwakken steeds bij;
zorg, dat Godes zegen
steeds zeker u zij.

 

2.

Wil heil’gen uw leven,
deez’ aard gaat voorbij;
waak in de gebeden,
ken God van nabij.
Op Jezus steeds ziende,
wordt gij Hem gelijk,
en blijde ontmoet gij
Hem straks in Zijn Rijk.

 

3.

Wil heil’gen uw leven;
met Hem aan uw zij
is veilig het pad steeds
en wandelt gij blij.
En komen ook zorgen,
volg gij maar Uw Heer,
blijf zien steeds op Jezus

en leef naar zijn leer. 

4.

Wil heil’gen uw leven;
heb Vree met uw lot,
uw danktoon, uw smeekbee,
koom’ stil voor uw God.
Met zijn Geest als gids dan

en Zijn Woord als baak,
wacht u, trouwe dienstknecht,
een hemelse taak.

 


1.

‘k Wil U volgen, U, mijn Heiland,
waar ook ‘t levenspad mij leidt.
Waar Gij voor gaat, wil ik volgen.
U ten dienst zijn steeds bereid.

 

Koor:

Heer, wij volgen U als Leidsman;

kocht ons niet Uw zoen-bloed vrij?

Buiten U voor ons geen leven;
houd ons, Heiland, U nabij.

 

2.

Ruw en doornig blijve ons reispad,
ongebaand als d’ oceaan;
toch zal steeds Uw bloed ons wijzen
‘t voetspoor, om U na te gaan.

 

 3.

Wacht mij ‘t bitter wederstreven
van de haters van uw naam,
Gij die zwaarder hebt verdragen,
maakt tot volgen mij bekwaam.

 


 

1.

Wij schamen ons de Koning niet,
Die voor ons leed en stierf
en in Zijn eeuwig rijksgebied
een plaats der eer verwierf.
En in zijn eeuwig rijksgebied
een plaats der eer verwierf.

 

2.

Wie deinzen moog’, zich Uwer schaam’,

ontzet door ‘s werelds trots,
wij roemen Jezus, in Uw naam
in U der eeuwen Rots.

Wij roemen Jezus, in Uw naam
in U der eeuwen Rots.

 

3.

Voor ons verwinnaar van de dood,

maakt U als Levensvorst
de schaar van Uw verlosten groot
en juicht uit volle borst.

De schaar van Uw verlosten groot
en juicht uit volle borst.

 

4.

“De Koning leev’,” juicht hart en stem;

“lof, eer zij Hem en macht
Die in het nieuw Jeruzalem
ons als Zijn broed’ren wacht!”

Die in het nieuw Jeruzalem
ons als Zijn broed’ren wacht!”


1.

Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht voor de zijnen!
Al drukt het leed al dreigt het lot,
Hij doet Zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan:
hij draagt zijn rusting nog

van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!

 

2.

Geen aardse macht begeren wij;
die gaat welras verloren!
Ons staat de sterke Held ter zij
Die God ons heeft verkoren.

Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods Eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon!
De zeeg’ is ons beschoren!

 

3.

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid

en zal geen duimbreed wijken.
Beef, Satan! Hij, die ons geleidt,
Zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kindren ‘t graf

neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin:
wij gaan ten hemel in

en erven koninkrijken!

 


1.

Gelegerd in des Heilands licht,
gij Christenstrijders waakt,
dat Gij, voordat het daglicht zwicht,
de overwinning smaakt.
De vijand loert en wenst uw dood,
waakt dan op Jezus’ woord,
al klimt steeds hoger ook de nood,
strijdt moedig, dapper voort.

 

Koor:

Verwinnen in ‘t geloof,
verwinnen in ‘t geloof,
zegevieren in ‘t geloof,

over zonde en dood.

 

2.

Zijn liefde is ons een banier,
ons zwaard is ‘s Heren Woord,
wij wand’len dies blijmoedig hier
met onze Heiland voort.

De heil’gen uit het boek van God
reeds gingen deze baan,
ons wacht met hen een heug’lijk lot,
als wij hun wegen gaan.

 

3.

De vijand loert aan ied’re kant
in toorn en grimmigheid;
te wapen naar der heil’gen trant,
het loon is zaligheid.
Der waarheid gordel aangedaan,
de helm des heils op ‘t hoofd,
neem bovenal het schild ook aan,
dat schut al wie gelooft.

4.

De overwinnaar wacht een kleed,
gans rein door Jezus’ bloed,
waarin, al wie gelovig streed,
geniet het hemels goed.
Al zal de Satan tegenstaan.
Met heel zijn legermacht:
voor Salem zal hij ondergaan
door Jezus’ oppermacht.

 


1.

Rust u toe, gordt u ten strijde,
gij, Christ’nen, want ten alle tijde
is Satan op uw neêrlaag uit!
Wapent u met ‘t Woord des Heren,

strijdt ernstig om u te verweren,

opdat gij hem niet wordt ten buit!
Al is de vijand snel, —
hier is Immanuel!
Hosianna!
Voor deze Held
wijkt zijn geweld.

Met Hem behouden wij het veld!

 

2.

Reinigt u, bewaart uw leden,
verwint al uw begeerlijkheden,
en staat zo in des Heren kracht!
Zoekt in Jezus’ naam uw sterkte,
In Hem, die ‘t heil in u bewerkte,

Ziet toe, dat g’ u voor struik’len wacht!
En als gij bijkans zwicht,
op ‘t einddoel ‘t oog gericht!
Dáár is vreugde!
Welaan, zo zijt

ten kamp bereid!
U wacht de kroon der eeuwigheid.

 3.

Strijdt dan recht de wein’ge jaren,
voordat het graf uw stof komt garen:
met snelheid loopt het leven af.
En als ‘t uur eens heeft geslagen,
dan rijzen w’ op de dag der dagen
als overwinnaars uit het graf.
Wij zijn verzoend met God!
Godlof! der wereld spot
duurt niet lange:
ons heeft Zijn Zoon

op Zijne troon
reeds lang bewaard de erekroon.

 

4.

Jezus, sterk Gij Uwe kind’ren!
Moog’ niets de zegepraal verhind’ren
van die gekocht zijn door Uw bloed!
Wil Uw werk in ons volenden
en nieuwe levenskracht ons zenden,
als ons ontzinken zou de moed!
Stort in ons uit Uw Geest,
Uw liefde ‘t allermeest

in ons harte!
Dan blijven wij,
getrouw en blij,

in dood en leven U terzij!

 


1.

Als Christus, de Heer, tot mensen zich buigt,
de smekende Zich Beschermer betuigt,
al wijkt dan het leven, al nadert de dood,
God is onze Helper; voor zinken geen nood!

 

2.

Als ‘t leed ons genaakt, als wankelt wat staat,
de traan ons ontvliet, de vreugde vergaat,
tot Hem, onze Vriend, u gewend dan alleen,
Tot Hem u gewend, en tot Hem dan gebeên.

 

3.

Vertrouw aan geen mens de drukkende smart,
bedroefde, verhef ten hemel het hart;
daar wonen de wijsheid, de goedheid, ‘t geduld,
van daar komt genade voor al onze schuld.

 

4.

Dus nader de troon des Heilands der aard’
met vuur’ge begeert’, Hij sterkt en bewaart.
Hij heeft hier gewandeld, en aan ons gedacht;
Hij heeft, naar Gods raad, ons de vrede gebracht.

 


1.

Wees niet vervaard, gij kleine stoet!

Hoe luid des vijands overmoed

zijn zegelied doe klinken,
en reken’ op uw ondergang,

hij zingt dat zegelied niet lang.
Laat gij de moed niet zinken!

 

2.

‘t Is Godes zaak, waarvoor gij strijdt.

op Hem vertrouwd, gehoopt altijd;
laat rustig God regeren!
Hij zal gewis’lijk op Zijn tijd
U doen verwinnen in de strijd,

Zijn Woord doen triomferen.

 

3.

Zo waar God God is, is ‘t gewis,
dat al wat macht des bozen is
ons nooit zal kunnen krenken.
‘t Zal worden al tot hoon en spot;
God is met ons en wij met God;

Hij zal de zeeg’ ons schenken!


1.

Op Christenschaar, gord u ten laatste strijde
sluit uw geleed’ren, trek uw rusting aan.
Het bloed eens vloeiende uit Jezus’ zijde,
is ‘t teken op uw heil’ge legervaan!

 

Refrein:

Waarom nog voedt gij haat en nijd
o keer terug tot enigheid.

 

2.

Daarom bad Jezus in zijn laatste uren

als Hogepriester smeekte Hij ‘t van God,

die eenheid; ach hoelang nog zal het duren,

dat ons beschoren wordt dat zalig lot?

 

3.

Hoelang nog Christ’nen wilt g’ elkander richten?
Waarom deelt gij niet in uws naasten smart?
O, laat Zijn Geest uw zwakke hart verlichten
Staat als één man, hoe u ook Satan tart.

 


1.

Alles wel, alles wel,
ook in ‘t felste van de strijd,
alles leidt tot heerlijkheid.

Alles wel, alles wel, alles wel.

 

2.

Alles wel, alles wel,
ook als Hij een offer vraagt,
dat mijn vlees steeds heeft behaagd.

Alles wel, alles wel, alles wel.

 

3.

Alles wel, alles wel,
geen gevaar voor dood en hel,
Satan wijkt op zijn bevel.

Alles wel, alles wel, alles wel.

 

4.

Alles wel, alles wel,
hier reeds in de aardse strijd,
meer nog straks in heerlijkheid.

Alles wel, alles wel, alles wel.

 


 

1.

Houdt Christus Zijne Kerk in stand,

zo mag de hel vrij woeden;
gezeten aan Gods rechterhand,
kan Hij haar wel behoeden;
Hij is in alle leed

tot hare hulp gereed,
Hij staaft Zijn’ roem alom,
en waakt voor ‘t Christendom:
dies mag de hel vrij woeden.

 

2.

God ziet zelfs Vorsten op de troon
zich tegen Hem verzetten,
Hij ziet hen Zijn gezalfde Zoon
versmaden in zijn wetten;
zij schamen zich de leer
van Jezus onze Heer,

Zijn kruis is hun ten spot;
maar hoe belacht hen God!
Zij mogen zich verzetten.

 

3.

De spotter mag de waarheid smaân,

ons kan hij haar niet roven,
d’ onchristen mag haar tegenstaan,
wij blijven haar geloven:
U Jezus, U zij d’ eer!
Die U verkiest tot Heer,
Uw woord oprecht betracht,
die kan geen helse macht
de zaligheid ontroven.

4.

Gij, Christen, die op Hem vertrouwt,

gij moet geen dreigen vrezen;
die God, die van de hemel schouwt,
zal ons een toevlucht wezen;
der legerscharen Heer

waakt voor Zijn woord en eer,
geeft ons geduld in nood,

en kracht, en moed in dood,
wie zou dan dreigen vrezen?

 


1.

De dag, de grote dag breekt aan,
de dag der heerlijkheid,
waarin, bij ‘t voor Gods vierschaar staan,
elk hart Zijn oordeel beidt.

 

2.

Gemeente, aan wie de Heer Zijn woord,

Zijn strijd heeft toebetrouwd,
hebt steeds gij ‘s Veldheers stem gehoord,
en op Zijn macht betrouwd?

 

3.

Nog rest een ure u, koopt de tijd

koopt de ogenblikken uit;
wint, gans u gevend tot de strijd,
uw Koning eer en buit.

 

4.

De tijd is kort, de wereld woedt
met wanhoops drift en haat;
pleit dan op Jezus’ naam en bloed,
houdt aan, — straks is ‘t te laat!

 


1.

God is voor ons een sterkt’ en slot,

een toevlucht in ellenden!
Wij vrezen niet in ‘t hachlijkst lot:
God zal ons onheil wenden,
al davert op zijn grond
geheel het wereldrond,
al storten van hun stee
de bergen in de zee, —

God zal ons uitkomst zenden!

 

2.

De golven mogen in haar woên
de bergen voor onz’ ogen
op hunne grondslag wanklen doen, —
Gods stad blijft onbewogen.
De bronnen blijven fris,
waar ‘s Hoogsten woning is.
God, die de stad bewoont

En haar genâ betoont,

hoedt haar door Zijn vermogen.

 

3.

Geen rijk kan tegen Hem bestaan;

Zijn stem verschrikt de volken;
Het sidd’rend aardrijk moet vergaan,
als d’ Almacht uit de wolken
door Zijne donder spreekt
en aller trots verbreekt;
maar d’ Oppermajesteit
stelt ons in veiligheid.
Wij vrezen vuur noch kolken.

4.

Komt herwaarts! ziet Gods wonderkracht,

die schrik baart in de landen,
verwoesting aanricht door Zijn macht
en legt de krijg aan banden.
Hij zendt de vrede neer;
Zijn hand breekt boog en speer;
nu zwijgt het moordgekrijt;
de wagens in de strijd
doet Hij met vuur verbranden.

 

5.

“Laat af! zwijgt stil!” dus spreekt de Heer,
“erkent Mijn alvermogen:
heel ‘t aardrijk geev’ M’ als Koning eer,
aanbiddend neergebogen!”
De hoogste Majesteit
stelt ons in veiligheid.
Schoon ‘t al in puin vergaat,
God blijft een toeverlaat.
Laat ons Zijn naam verhogen!


1.

Eenzaam en moede, van droefheid bezwaard,
schuldgevoel torsend met lust steeds gepaard,
hatend de wereld en vrezend haar macht,
derf tot de strijd ‘k in mijzelf alle kracht;
maar als van de aarde ik ‘t oog opwaarts sla,
luist’rend naar ‘t woord van Gods liefde en genâ;
wegvluchten vrees dan en angstig bezwaar;
‘t Zion Gods wacht mij, o was ik reeds daar!

 

2.

Zion daarboven, volheerlijk in pracht,

stad, waar mijn Koning Zijn dienaren wacht,

‘k zie reeds van ver op uw torens en poort,

paarlen en jaspis van lichtglans doorgloord;

goud zijn uw straten, het zuiverste goud,
wie uit deez’ diepten van ver u aanschouwt
vreest bij die aanblik geen last of gevaar;
juicht vol verwachting: “o, was ik reeds daar!”

 

3.

Waat’ren des levens, het zilverreinst nat,

schenken hun glanzen u, hemelse stad;

scheem’ring of nacht daalt op u nimmer neer,

zon aan uw hemel is zelf God de Heer;

woning des vredes, door Golgotha’s kruis

zondaars herwonnen als eeuwig tehuis,
stad, waar aanbiddend in hoop ik op staar,
‘k zucht naar u opziend: “o was ik reeds daar!”

 


1.

‘t Is in dit worstelperk vaak zwaar

voor ‘s Heren zaak te staan,
en ziende op weerstand en gevaar
kloekmoedig voort te gaan.

 

2.

Of is het menigmalen niet
bij ‘t klimmen van de nood,
als gaf Hij, die ‘t heelal gebiedt,
zelf ons aan ‘t lijden bloot.

 

3.

Wanneer ons elke steun ontzinkt,
waar ‘t harte hoop op vest,
kan ‘t zijn, of niet één star meer blinkt
en licht noch hoop ons rest.

 

4.

Maar ‘t is zo niet, ‘t is enkel schijn;

hoelang Hij toeven moog,
wat steunsel wegval en verdwijn,
steeds is op God ons oog.

 

5.

Zijn recht en waarheid zegepraalt
maar op Gods eigen tijd;
Hij kent, hoe stout zijn vijand praalt,
Zich Meester van de strijd.

 


1.

Als, moede en mat van ‘t zwoegen
en ‘t hete zonnevuur,
ik hijg naar de avondkoelte
in ‘t rustaanbrengend uur,
troost mij een vriend’lijk fluist’ren
en stemt mijn harte blij:
“Versaag niet, blijf volharden, uw rusttijd is nabij.”

 

Koor:

Juich, mijn ziele, blij;
uw rusttijd is nabij,
uw dagtaak spoedt ten einde,

haast stelt de Heer u vrij;
uw innig zielsverlangen
vervult genadig Hij;

dan neemt Zijn hand de last u af;

uw rusttijd is nabij.

 

2.

Dit leven heeft zijn zorgen
tot temp’ring van de lust;
‘t is Liefde’s voorbereiding

voor reiner, blijder rust.
Toon, dienstknecht, dan u moedig;
hoe zwaar de taak ook zij,
gij hebt een goede Meester;
de rusttijd is nabij
 

3.

Als u de Meester werk geeft,
zie dan op and’ren niet,
die gij tot lichter arbeid

door Hem geroepen ziet.
Hij kent der zijnen krachten,
en ieders taak weegt Hij;
gedenk dan aan Zijn goedheid
en ‘t rustuur u nabij.

 

Koor:

Juich, mijn ziele, blij;
uw rusttijd is nabij,
uw dagtaak spoedt ten einde,

haast stelt de Heer u vrij;
uw innig zielsverlangen
vervult genadig Hij;

dan neemt Zijn hand de last u af;

uw rusttijd is nabij.

 

4.

Uw oog blikke over d’ akker;
hoe zou Zijn kostbaar graan
door uw in ‘t werk verslappen
des Meesters schuur ontgaan?

Denk aan het heuglijk oogstfeest,
dat wacht in eng’lenrij,
en wie u plaats bereid heeft

aan ‘t feestmaal ons nabij.


1.

Wie overwint, mag van de boom vrij eten,
die in het hemels paradijs reeds staat:

van leed noch rouw noch dood zal hij meer weten.
Wie hier getrouw op ‘s Heren wegen gaat.
God zal hem laven

met ‘s hemels gaven.
In veil’ge haven
rust hij dan uit.

In veil’ge haven
rust hij dan uit.

 

2.

Wie overwint, ontvangt het eeuwig leven,

de tweede dood zal van hem moeten vliên.

Het kost’lijk voorrecht zal hem zijn gegeven,

Gods aangezicht van oog tot oog te zien.
Op gelovig strijden,
volgt dan verblijden,
God zal hem weiden
in ‘t zalig oord.

God zal hem weiden
in ‘t zalig oord.

 

3.

Wie overwint, voor die zal God bereiden

het levensmanna, dat verborgen is,
de Heiland Zelf zal zijne naam belijden,
de stad zijns Gods is zijne erfenis.
Hij zal dan loven,

in hemelhoven,
De Heer daarboven
in eeuwigheid.

De Heer daarboven
in eeuwigheid.

4.

Wie overwint ook in de laatste dagen,

zal hulp ontvangen van Gods een’ge Zoon.

De kroon des levens zal hij mogen dragen,

en eenmaal zitten in des Heren troon.
Heer, leer mij strijden,
mij gans u wijden,
U trouw belijden,
Tot in de dood.

U trouw belijden,
Tot in de dood.

 


 

1.

O wat smart  en bitt’re wroeging;

zwarte tijd, nu lang voorbij,
toen mijn hoogmoed Jezus afwees;
‘t ik mijn al was en niets Hij,

‘t ik mijn al was en niets Hij,
‘t ik mijn al was en niets Hij,
toen mijn hoogmoed Jezus afwees;
‘t ik mijn al was en niets Hij.

 

2.

Maar ‘t werd anders, toen ik opzag
tot Zijn wreed doorstoken zij,
werd vertederd ‘t in mij allengs;
iets mijn ik maar iets ook Hij,

iets mijn ik maar iets ook Hij,
iets mijn ik maar iets ook Hij,
werd vertederd ‘t in mij allengs;
iets mijn ik maar iets ook Hij.

 

  1.  

Dag bij dag kreeg uw ontferming
de overmacht, Heer, over mij,
en ik stamelde aan Uw voeten:
“dood mijn ik, Heer, leef in mij,”
“dood mijn ik, Heer, leef in mij,”

“dood mijn ik, Heer, leef in mij,”
en ik stamelde aan Uw voeten:
“dood mijn ik, Heer, leef in mij.”
 

4.

Heil mij, Gij hebt overwonnen:
zalig is m’ Uw heerschappij,
zalig is ‘t mij niets te wezen:
“Heer, mijn al zijt enig Gij,”

“Heer, mijn al zijt enig Gij,”

“Heer, mijn al zijt enig Gij,”
zalig is ‘t mij niets te wezen:

“Heer, mijn al zijt enig Gij.”

 


1.

Waak, geest der eerste helden,
waak op ten heil’ge strijd,
en doe de boodschap gelden,
die ‘t hart van schuld bevrijdt.
Ofschoon van alle kanten,
de haat u weerstand biedt,
deinst, Jezus’ heilgezanten,
voor ‘s werelds dreigen niet.

 

2.

De macht der wereldgroten,
de wijsheid dezer eeuw,
heeft tot zijn bondgenoten

geweld en marktgeschreeuw;
maar wat de Satan poge,
hoe roeme op list en kracht,

die zetelt in de hoge
regeert met overmacht.

 

3.

Wijkt, evangelieboden,
voor Jezus’ haat’ren nooit;
wie hun geweld moog’ doden,

hun heirmacht wordt verstrooid.
De Heer zal zegepralen,
Hij staaft zijn heilsverbond,

in alle tong en talen
wordt eens Zijn rijk verkond.
 

4.

Waak, geest der oude helden,
waak op in deze tijd,
laat woord en daad vermelden,

wie met en voor ons strijdt
hoe haat en list u tarten,
rust, boden Gods, rust niet,
eer de evangeliemare
het Godsrijk komen ziet.


1.

Wie maar de goede God laat zorgen,

en op Hem hoopt in ‘t bangst gevaar,
is bij Hem veilig en geborgen,
die redt Hij godd’lijk, wonderbaar,
wie op de hoge God vertrouwt,
heeft zeker op geen zand gebouwd.

 

2.

Wat baat ons al’ zwaarmoedig vrezen?

Wat baat ons ‘t zuchten, wee en ach!
Vergeefs zou al ons zuchten wezen,
al kermden w’ ook de ganse dag.
De last des jammers, die men draagt,
drukt maar te meer, hoe meer men klaagt.

 

3.

Men blijv’ eerbiedig God verbeiden,
en zwijg’ de Heer ootmoedig stil;
Hij zal ons naar Zijn raad geleiden,
‘t is goed en heilig, wat Hij wil.
Vertrouw het aan Zijn wijsheid vrij,
Hij weet, wat elk het nuttigst zij.

 

4.

Treed vrolijk voort op ‘s Heren wegen,

en neem uw plicht getrouw in acht;

‘t wordt eind’lijk alles u ten zegen,
wanneer gij biddend daarop wacht.
Wie steeds gelovig op Hem ziet,
begeeft, verlaat Hij eeuwig niet

 



1.

De grote Schepper aller dingen
ziet uit het het ongenaakbaar licht,
het gans gedrag der stervelingen;
niets is bedekt voor Zijn gezicht.
Uit Zijn vaste woning,
daar Hij heerst als Koning,
daar Zijn lof, Zijn eer
klinkt door al de bogen,
zien Zijn godd’lijk ogen
op al ‘t mensdom neer.

 

2.

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,

en redt hun zielen van de dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen,
in dure tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
blijven onze harten
in de Heer gerust;
‘k zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,

al mijn hoop en lust.


1.

‘k Sla d’ ogen naar ‘t gebergte heen,

vanwaar ik dag en nacht
des Hoogsten bijstand wacht.
Mijn hulp is van de Heer alleen,
Die hemel, zee en aarde
eerst schiep, en sinds bewaarde.

 

2.

Hij is, al treft u ‘t felst verdriet,
uw wachter, Die uw voet
voor wankelen behoedt;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet:

geen kwaad zal u genaken,
de Heer zal u bewaken.

 

3.

Zijn wacht, waarop men hopen mag,

zal, daar zij u bedekt,
en u ter schaduw strekt,
de maan bij nacht, de zon bij dag,

in koud’ en gloed vermind’ren,
opdat zij u niet hind’ren.

 

4.

De Heer zal u steeds gadeslaan,
opdat Hij in gevaar
uw ziel voor ramp bewaar’;

de Heer, ‘t zij g’ in of uit moogt gaan,
en waar g’ u heen moogt spoeden,
zal eeuwig u behoeden.

 


1.

Gaat Gij op de levenszee,
trouwe Heiland, met ons mee,
hoe dan storm en golfslag woed’,
door Uw liefde en trouw behoed,

kennen wij, wat ons verbeid’,
zielerust en veiligheid.

 

2.

Schrik heerste op de ranke boot,
die ‘t aposteltal besloot,
ver van U in nood alleen;

maar Uw tot hen nadertreên,
Uw “Ik ben het”, schonk hun, Heer,
‘t kinderlijk vertrouwen weer.

 

3.

Wees, zo met mij in de stond,
als al wat me aan de aarde bond
in de jongste strijd m’ ontzinkt;
Heer, als dan geen star meer blinkt
schraag mij, waar elk steunsel vliedt,
Uw “Ik ben het, vrees gij niet.”


1.

Ik hoorde des verzoekers spot:
“er is voor u geen hulp bij God”;
maar machtiger was Jezus’ stem,
Hij riep me en ik geloofde in Hem.

 

2.

Gij kendet, Heer, des vijands macht;

blijf, als hij mij te winnen tracht,
als hij mij last’rend treedt ter zij,
mij naar mijn zwakheid reddend bij.

 

3.

Met U is veilig ieder pad,
en wie de list des Satans vat,
nooit hem, die hoe hij dreigt en vleit,
op Uw genade en trouwe pleit.

 

4.

Met U, schoon niets door eigen kracht,

vrees wereld ik noch duiv’lenmacht:
Gij hebt verwonnen en ik sta
als op een rots op Uw genâ.

 


1.

Heer, die als  Woord Gods, ‘s Vaders beeld
en ons het licht des levens zijt,
Die ons als waarheid en genâ,
met volle stromen heils verblijdt,
U roemen en U danken wij

in ‘t aan Uw naam gewijde lied,
Verlosser, Midd’laar, Heer en Hoofd,
in Wie ons hart de Vader ziet.

 

2.

Ontvingt Ge in hemel en op aard
als loon Uws strijdens alle macht,
voor ons was ‘t, voor wie Ge op Uw kruis
de raad des Vaders hebt volbracht,
Herschepper zijt Ge ons, Heer; Uw dood
werd een nieuw leven ons, Uw bloed
doorstroomt des Vaders wijnstok nu,
wiens ranken uit Uzelf Gij voedt.

 

3.

Heer, ‘t delen in Uw offerdood,
begraving en verrijzenis,
Uw strijd en zegepraal, maakt ons
van plaats in ‘t vaderhuis gewis.

Uw prikkel, dood, uw schrikbeeld, graf
ontnam u in Zijn kruis de Heer,
en nu scheidt van de liefde Gods
in Christus ons geen schepsel meer.


1.

Ik heb een Vriend, o welk een Vriend!

Hij mind’ mij, eer ‘k Hem kende;
Hij trok mij met het liefdekoord,
tot ik mij tot Hem wendde.
En om mijn hart ligt vast en hecht,

de band, die liefde smeedde;
want ik ben Zijn en Hij is mijn,
voor alle eeuwigheden.

 

2.

Ik heb een Vriend, o welk een Vriend!

Almacht is Hem gegeven,
Om mij te schenken aan het eind,
het eeuwig, zalig leven.
Zijn arm is sterk, Zijn hand bereid
om mij met kracht t’ omkleden.
Op dan ten strijd, straks volgt de rust,
voor alle eeuwigheden.

 

3.

Ik heb een Vriend, o welk een Vriend!

Zo lieflijk en waarachtig,
een goede Raadsman in de strijd,
een Helper, oppermachtig.

Wat kracht kan scheiden mij en Hem,
nog tussenbeide treden?
Of dood of leven? Neen! ‘k ben Zijn

voor alle eeuwigheden.

 


 

1.

God leidt ons, leidt met Vaderhand

Zijn kind’ren naar ‘t hun beidend land;
juich’ dan ons hart in ootmoed blij;
God leidt ons, onze God is Hij.

 

Koor:

God leidt ons, onze trouwe God
behoedt ons, o! wat heilgenot;
wat onverdiende zaligheid,
dat Hij met Vaderhand ons leidt.

 

2.

Gaat soms door diepten ‘t reispad heen,

nadat de zon zo vrolijk scheen,
‘t zij ‘t nacht of middag om ons zij:
God leidt ons, onze God is Hij.

 

3.

Heer, zo Gij onze hand maar vat,
zij goed ons ‘t ruw of effen pad;
dan roemen w’ ook in droefheid blij:
God leidt ons, onze God is Hij.

 

4.

En, broeders, is de tocht volbracht,
en zien wij d’ eerkroon die ons wacht,
dat onze zegepsalm nog zij:
God leidt ons, onze God is Hij

 


1.

Kalm op mijn Verlosser leunend, heb ik vree, ja vree;
op de gunst des Vaders steunend, heb ik vree, ja vree.
Klotsen om mij heen de baren,
toch zal mij geen vrees vervaren;
als Gods armen mij bewaren,
heb ik vree, ja vree.

 

2.

Nu mij, moede, rust bereid wordt, heb ik vree, ja vree;
Nu in God mijn hart verblijd wordt, heb ik vree, ja vree.
Nu ‘t geheim mij is ontsloten,
heerlijk voor Gods gunstgenoten,
Zijn genâ op me uitgegoten,
heb ik vree, ja vree.

 


 

1.

O goedheid Gods! nooit recht geprezen!

Heet hij een mens, die Gij niet treft?
Hoe snood ondankbaar moet hij wezen
die ‘t hart niet vrolijk tot U heft!
Neen! alles aan God dank te weten
zij steeds mijn plicht, mijn werk, mijn lied!

De Heer heeft nimmer mij vergeten;
vergeet, mijn ziel! de Heer ook niet!

 

2.

Wie wou mij wonderbaar bereiden?
Die God, die mij niet nodig heeft.
Wie wou mij zo geduldig leiden?
Hij, wie mijn hart zo vaak weerstreeft.
Wie sterkt in mijn gemoed de vrede,
wie schoort mijn’ geest met nieuwe kracht,
wie deelt mij zo veel zegen mede?

Is ‘t niet zijn arm, zo sterk van macht?

 

3.

En deze God zou ik niet eren,
ik zou zijn goedheid niet verstaan?
Hij zou mij raden, ik niet leren?
De weg, die Hij mij wijst, niet gaan?
Zijn wil bestier’ mijn hart en zinnen,
Zijn woord blijv’ mij bestendig bij!

God moet ik boven alles minnen,
en mijne naasten, zoals mij.

4.

Dat uwe zorg en trouwe hoede,
mijn God! mij steeds voor ogen zij!
Die sterke mij gestaag in ‘t goede,
dat ik U heel mijn leven wij’!
Die leide mij in blijde dagen,

die trooste mij in tijd van nood,
en leer’ mij zonder schrik verdragen
het ak’lig denkbeeld van de dood!

 


1.

Des Heren heil’ge Engel legert

zich om Gods volk, lichtende wolk
allen, die hun Koning dienen,
dag en nacht.

 

Koor:

Leid, Engel des lichts, schild ons en gids,
leid ons bij dag en bij nacht

naar ‘t oord, waar na strijd rust ons verblijdt,
waar Gods kroon zijn kind’ren wacht.

 

2.

Als nood en doodsnacht ons omringen,

schenkt Zijn macht geestdrift en kracht ons,

wachten wij van Zijne hoede

zegepraal.

 

3.

Blijf onze gids, ons aller hoeder,
blijf, Engel Gods, burcht en rots ons,
tot ons zwerven en ons strijden
is volend.

 



1.

Hoe vast is de grondslag voor ‘t hart, dat gelooft
in Christus als Leidsman, als machtgevend Hoofd,
of heeft niet bij ‘t scheiden Hij plechtig verklaard:
“Mijn macht, als uw Heer, omvat hemel en aard’.”

 

2.

“Vrees niet. Ik ben met u, uw Heer en uw God
als Zoon van de Vader; Ik deelde in uw lot
en lijden, om u in uw onrust en pijn

een broeder en priester tot redding te zijn.”

 

3.

“In ‘t diepste der waat’ren deert u niet de vloed,
te midden der vlammen zengt u niet hun gloed,
want Ik, die uw zonden op ‘t kruis voor u droeg,
Ik ben tot in de ure des doods u genoeg.”

 

4.

Mijn Heiland, zo sprak Gij voor allen, voor mij;
vermeer mij ‘t gelove, houd dicht m’ U nabij;
Heer, maak Gij ‘t mijn leven, mijn blijdschap, mijn lied:
“Schoon m’ allen verlaten, mijn Middelaar niet.”

 


1.

Jezus, ga ons voor
op het levensspoor!
Wij, als Uw getrouwe leden,
volgen U op al Uw schreden.
Voer ons aan Uw hand,
tot in ‘t Vaderland!

 

2.

In de grootste smart,
och, versterk ons hart!
Doe ons in de bangste dagen
nimmer over lasten klagen!
Want door smarten heen

vinden w’ U alleen.

 

3.

Moet onz’ eigen baan
door veel diepten gaan,
zijn w’ om and’rer leed bewogen,

och, stel Gij ons dan voor ogen
‘t einde dat ons beidt,
waar G’ ons henen leidt!

 

4.

Regel onze gang,
Heiland, levenslang!

Moog’ de weg ook moeilijk wezen, —
met U is er niets te vrezen.
Wij gaan moedig voort

naar Uw hemelpoort.

 


1.

Morgenglans der eeuwigheid,
Licht uit licht van God geboren!
Sterk ons door uw majesteit;
wil naar onze beden horen,
en verdrijf door uwe kracht
onze nacht!

 

2.

Als de dauw op ‘t dorstend veld,
daal’ Uw rust ons neer in ‘t harte,
rusteloos dag en nacht gekweld,
ach, door eigen schuld en smarte!
Laaf ons met Uw zoete troost

onverpoosd!

 

3.

Heer! geef dat Uw liefdegloed
d’ ijskou onzer ziel verdrijve;
geef haar nieuwe lust en moed,
duld niet, dat zij weer verstijve;

wek in ons een trouw, wier vuur
eeuwig duur!

 

4.

Blijf bij ons, als d’ avond daalt:
moog’ Uw glans ons dan omschijnen,
die de doodsvallei bestraalt
en de neev’len doet verdwijnen!
Waar Gij heerst in volle pracht,

daalt geen nacht.


1.

Als op een wereldzee zwerven wij rond,

maar ‘t vaderhuis eindt de tocht;
stormwind en golfslag dreigt ons te aller stond,
maar ‘t vaderhuis eindt de tocht;
zij dan de haven nog ver in ‘t verschiet,
wetend, wie stormwind en golfslag gebiedt,
deren ons noodweer en duisternis niet,
want wij zijn Gode gekocht.

 

2.

Wel speelt de storm met de boot, die ons draagt,
maar ‘t vaderhuis eindt de tocht;

dreigend, of angst ook ons ‘t harte versaagt

maar ‘t vaderhuis eindt de tocht;
schenk en vermeerder, o Heer, ons geloof,
maak voor elk dreigen volstandig ons doof,
zeker, dat nooit Gij ons laat tot een roof,
ons, die Gij duur hebt gekocht.

 

3.

In de haven brengt haast Uwe hand,

en ‘t vaderhuis eindt de tocht;
schonkt niet Uw bloed Gij Uw broed’ren ten pand
van ‘t heuglijk eind van de tocht?
Ere zij God, klinkt de jubelzang daar;
Heil ons, doorworsteld is strijd en gevaar,
‘t woord der belofte ons in sabbatsrust waar;
Gij hebt ons Gode gekocht.

 



1.

Heer Jezus, neem mijn handen,
en leid mij voort
langs steile afgrondsranden
naar ‘t hemels oord.
‘k Kan zonder U niet leven,

niet gaan of staan;
als Gij mij zoudt begeven
zou ‘k ras vergaan.

 

2.

Al wat U eertijds griefde,
verzoend door ‘t bloed,
verborgen in Uw liefde,
is ‘t mij thans goed.
Ik zit nu aan Uw voeten

zo kalm en stil:
daar leer ik U ontmoeten,

verstaan uw wil.

 

3.

Behoed mij voor verkoelen,
door Satans macht;
doe mij Uw hand gevoelen
in donk’re nacht.
Heer Jezus, neem mijn handen

in Uwe hand,
om veilig aan te landen
in ‘t Vaderland;

 


1.

De Heer is mijn Herder, die veilig mij leidt,
die zorgend in grasrijke streken mij weidt,
en neer mij doet liggen, waar stil bij een vliet
haar water in ‘t lommer verkwikking mij biedt.

 

2.

Al moest ik van mensen verlaten, alleen

een afgrond in schaduw des doods hier betreên,
mijn Herder gaat met mij, Zijn stok en Zijn staf
keert, wat mij belage, ‘t gevaar van mij af.

 

3.

Ik vrees geen vervolgers, verblijd in de geest
geniet ik Gods gaven, is ‘t binnen mij feest;
wie zuchtend en zwoegend de levensweg ga,
mij zalft als met olie der vreugd, Gods genâ.

 

4.

Al klimmen mijn dagen, geen grijsheid veroudt

het hart, dat in God leeft, Zijn leiding betrouwt;
elke avond, die neerdaalt, zegt troostvoller mij:
het doelwit der reis is een dag meer nabij.

 


1.

Ons hart verheugt zich, dat bij God
‘t bestuur is van geheel ons lot,
dat Hij ons vreugd of ongeval,
naar wij behoeven, zenden zal.

 

2.

Hij, Die ons gans bestaan doorziet,

houdt ook de schaal van ons verdriet;
Zijn wijsheid weet, waar ongeneugt
ons ‘t best bereidt voor hemelvreugd.

 

3.

Hij, die zijn eigen weg wil gaan,
ziet dwaallicht vaak voor sterren aan;

en — gaat hij op dat schijnsel door —
dan dwaalt hij vaak van ‘t rechte spoor.

 

4.

God kent alleen het naaste pad,
dat uitloopt op de hemelstad;
Hij weet, wanneer in ons gemoed
of smart of blijdschap voordeel doet.

 

5.

Daar die verwachting in ons leeft,
behaagt ons alles, wat Hij geeft,
wijl elke last, ons opgeleid,
ons vormt tot hoger zaligheid.

 

6.

Hij, Die ons leidt door ‘t aardse dal,
Die, nimmer ons verlaten zal,
heeft Zijne liefd’ en trouw verpand
voor onze komst in ‘t Vaderland.
 

7

Waar ons geen schepsel helpt, helpt Hij;

als alles vlucht, staat Hij nabij;
in rust en vreugd, in nood en strijd,
blijft Hij dezelfde ‘t allen tijd.

 

8.

Als wij de doodsvallei betreên,
laat ons elke aardse vriend alleen;
maar Hij, de beste vriend in nood,
verzelt ons over graf en dood.

 

9.

Komt, treên wij dan blijmoedig voort,

in vast vertrouwen op Zijn woord!
Hoe moeilijk ons de weg ook schijn’, —
het eind zal zeker zalig zijn.


1.

Lang ik hield aan ‘t kruis geklemd mij

als de macht, die wanhoop keert,
en ‘k gevoelde ook bij dat klemmen
wanhoop uit mijn hart geweerd.
Toch hield zo de strijd des levens
mij bij schuld van vrees bewust;

al mijn aan het kruis mij klemmen
schonk mijn ziel niet ‘s Heilands rust.

 

Koor:

Heil mij, ‘t is niet meer het teken
van mijns Heilands liefdetrouw,
‘t is Hijzelf nu, op wie ziende,
ik alleen mijn hope bouw.

 

2.

‘k Klem mij nu aan ‘t kruis niet langer

schuld en vrees kwelt mij niet meer;
‘k heb het kruis zelfs losgelaten
en zie enig op de Heer.
‘t Is Hijzelf op wie ik bouwe,
op zijn liefde, die in ‘t kruis
beeld mij is van ‘s Vaders liefde,
en de weg naar ‘t vaderhuis.

 

3.

‘k Klem niet meer mij aan het teken,

sinds in ‘s Meesters vriend’lijk oog
ik aanschouwde, welke ontferming
tot Zijn offer Hem bewoog.
‘k Rust, gedragen door Zijn liefde,
aan Gods vaderharte nu;
zondaar, ken uws Vaders liefde,
‘t kostbaarst pand gaf Hij voor u.

 


1.

Droef en donker zij de hemel,
storm en guurheid ons voor oog,
Christen, hoe u de angst omwemel’,
duizel niet en blik omhoog!
Voor Gods troon bestaat geen duister

‘t licht daalt uit Zijn woonstee af,
schenkt de nacht zijn starrenluister,
en straalt leven tot in ‘t graf.

 

2.

Onze Vader hoort het smeken,
van ‘t Hem zoekend kinderhart,
Hij zal van vertroosting spreken,
naar het klimmen onzer smart.

Altijd staat Zijn troon ons open,
open in Zijn lieve Zoon,
die ons moed geeft om te hopen,

tot in ‘t pijnlijkst schuldbetoon.

 

3

‘t Duister is de vrucht der zonde,
‘t licht de gift van Gods genâ;
liefde heelt de diepste wonde,
leert ons danken vroeg en spa.

Liefde draagt ons, telt de haren
van ons arm en schuldig hoofd;
Vaderzorg blijft ons bewaren;
eeuwig zij Gods trouw geloofd!

 


1.

Woeden stormen om uw hoofd,
toon in wie uw hart gelooft
en Hij fluistert u nabij:

“Vrees niet, Ik sta u terzij.”

 

2.

Die Uw kruis gedragen heeft,
voor u stierf en eeuwig leeft,
Jezus kent, als man van smart,
al de noden van uw hart.

 

3.

Op Gods troon verhoogd met macht

schenkt Hij naar uw dag u kracht,
tot g’ eens na doorstreden strijd
eeuwig bij Hem zalig zijt.

 


1

Jezus, zielevriend in nood,
leen mij schuilplaats in Uw schoot,
als op ‘s levens oceaan
dreigend hoog de golven gaan.
Geef dan aan mijn ziele rust
in het bange noodgetij,
tot Uw hand behouden mij
landen doet aan ‘s hemels kust.

 

2

Buiten U, waar zou ik gaan?
Hulp’loos hangt mijn ziel U aan;
laat mij naar mijn smeekgebeên,
machtig helper, niet alleen;

als de laatste lichtstar dooft,
‘k neerzink zonder tegenweer,
dek dan met Uw vleug’len Heer,
Gij mijn arm en weerloos hoofd.

 

3.

Meer dan alles, Heer, is mij

Uw genade en medelij,
die hier in hun angst en nood

reddelozen redding bood;
red’loos ben ‘k door eigen schuld,
maar Gij, zonder vlek of smet,

hebt Gij ‘s Vaders heil’ge wet,
och, zij ‘t ook voor mij vervuld.

 


1.

Leid, Jezus, ons op ‘s levens kronkelpaan,

U volgen wij;
‘t is veilig ons in ‘t spoor Uws voets te gaan;
U volgen wij.
Zij donker ‘t pad, of stormt het om ons heen
U volgen wij;

ons hart kent rust, Heer, nabij U alleen,

U volgen wij.

 

2.

Hoe duister ‘t zij, hoe dreigend ‘t noodweer loei,
U volgen wij,
hoe woest en fel ‘t gehuil der winden loei,
U volgen wij;
meer dan d’ orkaan is d’ U gegeven macht,
U volgen wij;
al beeft ons hart, ‘t rust, Heer, in Uwe kracht,
U volgen wij.

 

3.

En dreige ons straks de schrik van dood en graf,

U volgen wij,
ons hoedt ook dan Uw stok en herderstaf,
U volgen wij.

In ‘t dal des doods gingt Ge ons ten leven voor,
U volgen wij;
ook daar ziet ons geloof Uw veilig spoor,
U volgen wij.

 

 

 

1.

Mijn goede Herder is de Heer,
die als Zijn ooilam trouw en teer
van jongs aan mij heeft opgekweekt,
door Wie mij ‘t goede nooit ontbreekt.

 

2.

Hij geeft mij spijs, Hij biedt mij rust,

en leidt mij naar mijn hartelust
in grazig, schaduwrijke oord
langs hel’dre waterstromen voort.

 

3.

Al ga ik door een rotsdal heen,
Gij laat mij nimmermeer alleen;
maar blijft in schaduw van de dood
mijn helper, gids en tochtgenoot.

 

4.

Het vrezen zelfs voor naad’rend kwaad

keert Gij, mijn troost en toeverlaat,
door Uw nabijheid van mij af,
en schraagt mij door Uw herderstaf.

 

5.

Zo leef ik voor Uw oog en troon!
Ook zal Uw heil Uw gunstbetoon
mij volgen, tot mijn brekend oog,
Heer, U aanschouwt in ‘t licht omhoog.

 


1.

Goede Herder, leid en voed ons,
Uwe trouw zijn we ons bewust;
maak ons volgzaam en behoed ons
tegen eigen wil en lust;

heil’ge Jezus, goede Herder,
in U is ons hart gerust,
heil’ge Jezus, goede Herder,
in U is ons hart gerust.

 

2.

D’ Uwen zijn wij, Uwe schapen;
weerloos als niet Gij ons leidt,
maar Uw liefde is ons wapen
borg voor onze veiligheid;
heil’ge Jezus, goede Herder,
heil ons, dat Uw staf ons weidt.
Heil’ge Jezus, goede Herder,
Heil ons, dat Uw staf ons weidt.

 

3.

Wat gevaren ons omringen,
nooit zal mensenlist of kracht
ons aan Uwe hoede ontwringen;
meer dan allen is Uw macht.

Goede Herder, veilig leidt G’ ons
huiswaarts heen door storm en nacht.

Goede Herder, veilig leidt G’ ons
huiswaarts heen door storm en nacht.


 

1.

Tot hier heeft mij de Heer geleid
en mij naar Zijn goedgunstigheid
op ‘t pad, gebakend voor mijn voet,
gesteund, gezegend en behoed.

 

2.

‘k Vond ied’re avond nieuwe stof
tot dankend juichen, Hem tot lof,
Die onverdiend en onverplicht
mij heeft doen wand’len in Zijn licht.

 

3.

Wellicht ben ‘k reeds niet verre meer

van ‘t levensdoel in reiner sfeer,
waar na mijn laatste strijd en nacht
mijn Koning en Zijn kroon mij wacht.

 

4.

Hem ingeplant, die voor mij leeft,
die al mijn schuld gedragen heeft,
leg ik van zijn genâ bewust,
elk’ avondstond mijn hoofd ter rust.

 

5.

In Hem altoos nabij mijn God,
vrees ik geen wisselkeer van ‘t lot;
door Hem bewust, dat eens de dood
maakt plaats voor ‘s Vaders liefdeschoot.

 


1.

Mag zachtkens voorwaarts gaan
ons scheepje op de oceaan,
van storm en hoge golfslag vrij,
U, machtig Opperheer,
Uw liefde ons in genâ nabij
zij daarvoor dank en eer.

 

2.

Maar als soms storm ons tref’,
zich wind en zee verhef’,
geen enk’le star zelfs in de nacht
ons hoop op uitkomst biedt,
o, toon dan ons geloof zijn macht
tot horen: “Vrees gij niet.”

 

3.

Waar Ge in nood en strijd,
o Heer, nabij ons zijt,
betaamt ons kloekheid, past ons trouw
in ‘t volgen op Uw woord,
opdat, wie U weersta, aanschouw’
aan wie ons hart behoort.


1.

Genadig, barmhartig is de Heer,
altoos bereid om genâ te schenken.
Hij twist niet immer, noch wil immermeer
Zijne straffende gramschap gedenken.

 

2.

Geen vader is voor zijn kind geweest

zo vol van lietd’, als God voor de Zijnen!
Hij is de erbarmer voor die Hem vreest;
doet voor eeuwig hun zonden verdwijnen.

 

3.

Hij weet toch van wat maaksel wij zijn,

zwak en broos, gebootst uit ‘t stof dezer aard’!

De mens is als ‘t gras der dorre woestijn;

hij bloeit en verwelkt als bloemen der gaard’.

 

4.

Maar voor eeuwig rust ‘s Heren genâ

op allen, die Hem in waarheid kennen.
Hun kindskinderen slaat zeeg’nend Hij gâ
en allen, die hun bondseed niet schenden.

 


1.

De Heer is nimmer van ons ver,
Zijn liefde steeds nabij,
ons leidend als zijn wonderster
door ‘s werelds woestenij.

 

2.

Gelijk wij Hem op aarde zien
is Hij in eeuwigheid,
een herder, die ons hulp wil biên,

ter aller uur bereid.

 

3.

Wie tot Hem hart en handen strekt,

Zijn bijstand biddend vraagt,
voelt tot een nieuw bestaan gewekt,
hoe liefde ons hoedt en draagt.

 

4.

Hem klinkt der kind’ren staam’len zoet;

aan moederschoot geknield
voelt biddend reeds hun teer gemoed
tot liefde zich bezield.

 

5.

Zij, Heer en Meester, dit ons deel,
wat ook hier ‘t vlees bekoor’,
dat U alleen en U geheel
ons harte toebehoor’.


1.

Ik heb een goede, trouwe Leidsman
Hij baant de weg mij hier beneên;
Hij schenkt zijn blijdschap mij en vrede,
met Hem ben ik nimmer alleen.

 

Koor:

Door U geleid, mijn trouwe Leidsman,

ga ‘k moedig voort op ‘t smalle pad,

Gij zijt mijn hoop, mijn vreugd, mijn leven,
mijn borg, mijn Gids ter hemelstad.

 

2.

Soms gaat mijn pad door ‘t nachtlijk duister,
verlicht geen ster mijn somb’re baan;

en als mijn hart ontmoedigd wankelt,
blijf ‘k door Uw kracht gelovig staan.

 

3.

Als zond’ en Satan mij beloeren,
het pad mij moeilijk valt en steil.
Beschermt Gij mij, mijn Overwinnaar
en fluistert zacht “Ik ben uw heil”.

 

4.

Leid steeds mij voort, getrouwe Leidsman,
naar ‘t eeuwig zalig Vaderhuis;
met U geen vrees, geen nood, geen twijfel,
Gij baant mijn weg en brengt mij thuis.

 


1.

Veilig in Jezus’ armen,
veilig aan Jezus’ hart;
dáár, in zijn teer erbarmen,
dáár rust mijn ziel van smart.
Hoor! ‘t is het lied der eng’len,
zingend van liefd’ en vree,

ruisend uit ‘s hemels zalen,
over de glazen zee.

Veilig in Jezus’ armen,
veilig aan Jezus’ hart;
dáár, in zijn teer erbarmen,
dáár rust mijn ziel van smart.

                           

2.

Veilig in Jezus’ armen,
vrij bij mijn Heer en Borg,
vrij van ‘t gewoel der wereld,

vrij van verdriet en zorg;
Vrij van de vrees en twijfel,
vrij van der zonden macht;
nog slechts een weinig lijden,
nog slechts een korte nacht.

Veilig in Jezus’ armen,
vrij bij mijn Heer en Borg,
vrij van ‘t gewoel der wereld,

vrij van verdriet en zorg;

3.

Jezus, mijn dierb’re Toevlucht,
Jezus, Gij stierft voor mij!
Dat op die Rots der eeuwen,
eeuwig mijn hope zij.
Heer, laat mij lijdzaam wachten,
totdat het duister vliedt,
en ‘t oog aan gindse kusten
Uw heillicht gloren ziet.

Jezus, mijn dierb’re Toevlucht,
Jezus, Gij stierft voor mij!
Dat op die Rots der eeuwen,
eeuwig mijn hope zij.

 



 

1.

“Nimmer zal Ik u begeven,
nooit verlaten” zegt de Heer;
“Ik zal, wat u ‘t hart doe beven,
met u zijn, Mijn naam ter eer;

wat u dreige, ja wat dreige,
Mijn bescherming blijkt u meer.

 

2.

Roep Mij, als de stormen woeden,
met een vast vertrouwen aan;
Mijne hand zal u behoeden,
hoe de golven hoger gaan;
in het noodweer, ja in ‘t noodweer,
doe ‘k als op een rots u staan.

 

3.

Beeft g’ in de ure der verleiding,
als u vlees en wereld vleit,
Mijne tucht verhoedt, dat scheiding
door hun arglist u verbeidt,

doet u weten, ja doet weten,
dat Mijn hand u veilig leidt.

 

4.

Voelt g’ u angstig, droef te moede,

schijnt het om en in u nacht,
bouw op Mij, Mijn liefde en hoede
maakt der zwaksten zwakheid kracht;
Mijn genade, Mijn genade

schenkt tot zegepralen macht.”

 


 

1.

Naar ‘t levend water zij ons vragen,

daar Jezus ‘t allen biedt;
ons laven is Zijn welbehagen,
Hij geeft het elk om niet.

 

Koor:

Naar ‘t levend water zij ons vragen,

‘t water, dat de goede Herder
allen, die ‘t in ootmoed vragen,
als Zijn schapen volop biedt.

 

2.

De goede Herder drijft Zijn schapen

vaak door een woeste dreef,
maar veiligheid schenkt hun Zijn wapen,
schoon doodsgevaar ze omzweef.

 

3.

Zijn wijsheid kent en kiest de paden

naar beek en weidegrond:
al wie Hem volgen beidt verzaden
en rust in de avondstond

 


1.

Land in ‘t zicht en bloem en vruchten

rijk gestrooid door ‘t welig groen,
en een geur van balsemluchten,
die het hart herleven doen.

 

Koor:

Noodweer, rotsen, stormen, nacht,
‘k vrees niet meer uw moed en macht,

als ik ank’rend daar in ‘t zand,
‘t welkom hoor van ‘t beet’re land.

 

2.

Voorwaarts, moedig, de open haven,
‘t lied der eng’len noodt en wenkt;
‘k reikhals hemel, naar uw gaven,
naar de vrede die gij schenkt.

 

3.

Laat daar blijde ‘t anker vallen
in het effen, zilv’ren nat,
en doe mede ‘t danklied schallen
in de psalm der vredestad.

 

4.

Daar zijt ge alle nood te boven.
Daar geen vrees meer voor vergaan:
‘t Sabbatslied van wie geloven
vangt in ‘t huis des Vaders aan.

 


1.

Hemelwaarts gaat hier ons pad;
wij zijn gasten hier beneden,
tot wij in de hemelstad
komen, in het zalig Eden.
Pelgrims in het dorre land!
Boven is ons Vaderland!

 

2.

Hemelwaarts loopt onze baan;
slechts wat hemels is, heeft waarde.
Nooit was ‘t doel van ons bestaan
slechts te leven voor deez’ aarde:
‘t hart, vernieuwd door zijne Heer,
zoekt gewis zijn oorsprong weer.

 

3.

“Hemelwaarts!” zo roept Gods Woord;

‘t wijst mij op de blijde kusten;
‘t wijst mij naar het zalig oord,
waar ik thuis ben en mag rusten.
Dat belooft, verzekert Hij.
‘t Wordt eens waarheid ook voor mij!

 

4.

“Hemelwaarts!” denk ik altijd,
als God mij ‘t zo wèl wil maken,
mij een tafel toebereidt,
hier reeds hemelvreugd doet smaken.
Spijst Hij lichaam hier en geest,

boven volgt het bruiloftsfeest!

 

 

LIED 235 (vervolg)

 

 

5.

Hemelwaarts! mijn zalig lot
toont ‘t geloof mij reeds van verre;
‘t hart verlangt reeds naar zijn God.
Schoner blinkt noch zon, noch sterre
dan de glans dier heerlijkheid,

in zijn stille majesteit.

 

6.

“Hemelwaarts!” ja, “Hemelwaarts!”

Dat zal steeds mijn leuze blijven.
Alle lusten dezer aard’
zal ‘k door hemelzin verdrijven.

Slechts de hemel trekt mij aan,
tot ‘k hem eens mag binnengaan.


1.

Vrees niet, o mijn ziele,
wacht op de Heer!
Wat u ook ontviele,
toch blijft u veel meer!
Weest onversaagd!
Zie, de morgen daagt,
en een nieuwe lente
brengt al wat gij vraagt.
in alle stormen,
in alle nood
zal Hij u beschermen,
God goed en groot.

 

2.

Vreest niet, o mijn ziele,
wacht op de Heer!
Wat u ook ontviele, —
toch blijft u veel meer.
Wat u verliet, —
God begeeft u niet.
Groter dan de Helper
is de nood toch niet.
Eeuwig Getrouwe,
redder in nood,
red ook onze ziele,
God, goed en groot.


1.

Lang zwierf moed’loos  op de bergen,

Heer, Uw kudde in bange vrees,

angstig starend in het duister,
of niet haast haar ‘t licht verrees;
heil, daar blinken d’ eerste stralen,
blijde gloed verguldt het Oost;

Heer, heb dank, ‘t is Uw genade,
die ons harte sterkt en troost.

 

2.

Kracht’loos zijn wij in onszelven,
zonder macht tot wederstaan,
maar Uw tucht deed door kastijden
ons in Uwe wegen gaan
zo leert ons Gij ‘t zoete smaken,
Vader van Uw heilsgebod
en Uw geest maakt meer ons daaglijks

plicht en kruis zelfs tot genot.

 

3.

O, hoe zal ‘t ons dan eens wezen,
als volmaakt, in Christus één,
wij, U met Uw bloed gekochten,
Uwe hemel binnentreên;

als daar in Uw huis w’ aanschouwen
onzes Konings heerlijkheid,
en de plaats ons door Zijn trouwe,
Vader, in Uw huis bereid.

4.

Zaal’ge ure van verlossing,
feestuur juub’lend haast begroet,
kom en voer ons in Uw lichtglans
onze Koning tegemoet.
Kom Heer Jezus, ja kom haastig;
Uw gemeente, die u beidt,
reikhalst, brandt om U te aanschouwen
in uw volle heerlijkheid.

 

 


1.

Zouden eenmaal wij ook komen,
waar de levensstroom ontspringt,
en aan altoos groene zomen
Christus’ kerk haar hallel zingt?

 

Koor:

Ja, wij zullen eenmaal komen,
daar aan de zilv’ren, zilveren stromen,

waar aan haar lommerrijke zomen

Christus’ kerk ‘t hosanna zingt.

 

2.

Heilig, heerlijk zal ‘t ons wezen,
daar verlost van zonde en pijn,
rein, van alle smet genezen,
met Gods eng’len één te zijn.

 

3.

Laat ons in die hope leven;
God die ons haar vreugde biedt,
wil Zijn Geest als pand ons geven,
dat genade ons is geschied.

 


 

1.

Boven waar de levensbomen,
ruisen aan ‘t kristallen meer;
is des pelgrims ware woning.
Boven ‘t ganse sterrenheir;
boven waar de eng’len scharen.
Vormen saam een liefdeband.
Ach hoe gaarne zou ik toeven

in dat ware Vaderland!
In dat ware Vaderland.

 

2.

Hier nog leef ik in de vreemde,
en nog in het stoflijk kleed.
Boven wacht mij Jezus’ woning
Die mij daarin welkom heet.
O! hoe zeer verlangt mijn harte,
eeuwig bij de Heer te zijn.
Waar de overwinnaars juichen

vrij van zonde, dood en pijn.
Vrij van zonde, dood en pijn.

 

3.

O! dat alle moede zielen,
door hun lasten zwaar belaân,
tot dat Vaderland zich spoeden,
dáár toch mochten henengaan!

Wie zijn hart aan God wil geven,
en de Heiland maakt het rein.
Mag voorzeker eenmaal boven,
eeuwig dan bij Jezus zijn.

Eeuwig dan bij Jezus zijn. 

4.

Ach Heer Jezus, help voleinden,
trouw en hoopvol mijne gang;
dat ik met U overwinne,
‘tgeen ik ‘t allermeest verlang.
Ach! hoe zal ik groot U maken,
dáár voor Uw genadetroon.
Met miljoenen die daar juichen,

ere brengen aan Gods Zoon.
Ere brengen aan Gods Zoon.


1.

Reeds onttrekt de kruin der bergen
‘t dalend zonlicht aan onz’ aard’,
langzaam groeit het waas der scheem’ring
die weer ‘t werk gedaan verklaart.
Zo wordt ieder dag doorworsteld
met zijn zorgen, moeit’ en kruis,

maar elk’ avond brengt gestadig
nader ons bij ‘t vaderhuis.

 

Koor:

Nader bij huis, ‘t vaderhuis,
nader bij de eeuw’ge rust,
die ons Gods Zoon, als Zijn eerkroon,
heeft bereid aan blijder kust.

 

2.

“Een dag nader,” zegt de scheep’ling,

die van ver de haven speurt.
Waar hij zich aan vrouw en kind’ren
tot zijn zwerftocht heeft ontscheurd.
Zo paart op zijn tocht de Christen
ook zijn lied aan ‘t windgesuis,

als hem de avondstond doet zingen:
“Weer een dagreis meer bij huis.”

 

3.

Moede en mat begroet de pelgrim,

wie nauw kracht tot voortgaan rest,
‘t gloeien van de zonnestralen
aan de verre kim in ‘t west,
zo voelt moeit’ en pijn niet langer

hoe de wereld ons verguiz’,
‘t Christenhart bij ‘t lied in de avond:
“Weer een dagreis meer bij huis.”
 

4.

Naderbij, een dagreis nader
aan de rust in ‘t vaderhuis;
dat maakt nacht en noodweer draag’lijk,
hoe soms zee en stormwind bruis’;
straks zal zich het wolkfloers scheuren,
en, bij ‘t wijken van de nacht,
daagt ons de eeuw’ge levensmorgen,
waar ons ‘t huis des Vaders wacht.

 


1.

Waarheen, Pelgrims, waarheen gaat gij,

‘t oog omhoog en hand in hand?
Wij gaan op des Konings roepstem
naar ons huis en vaderland.
Over bergen en door dalen
gaan wij naar de blijde zalen,
gaan wij naar de blijde zalen
van Gods huis in ‘t Vaderland.

Gaan wij naar de blijde zalen
van Gods huis in ‘t Vaderland.

 

2.

Storm en duisternis bedreigt u;
zijt gij voor ‘t gevaar bestand?
Waarom zou ons harte vrezen,
wand’lend aan des Heren hand?
Jezus zelf zal voor ons strijden,
Hij in storm en nacht ons wijden,
Hij in storm en nacht ons wijden
voor Gods huis in ‘t Vaderland.
Hij in storm en nacht ons wijden

voor Gods huis in ‘t Vaderland.

 

3.

Zegt ons, Pelgrims, wat verwacht gij,

als uw deel aan ‘t beet’re strand?
Koningskroon en priesterkleding
wacht ons uit des Heilands hand.
God, de Heil’ge, Ongeziene,

zullen wij met de eng’len dienen,
zullen wij met de eng’len dienen
in der eng’len huis en land.
Zullen wij met de eng’len dienen
in der eng’len huis en land.

4.

Pelgrims, zegt ons, mogen wij ook
met u trekken naar dat land?
Komt, weest welkom, volgt ons allen,
‘t oog omhoog en hand aan hand.
Bij der eng’len vreugdezangen

zal ons Jezus zelf ontvangen,
zal ons Jezus zelf ontvangen
in Gods huis in ‘t Vaderland.

Zal ons Jezus zelf ontvangen
In Gods huis in ‘t Vaderland.

 


 

1.

Slechts met Jezus wil ik voortwaarts treden,
slechts met Hem draag ‘k willig ieder kruis,
Hij de leidsman mijner zwakke schreden,
Hij alleen brengt heil in hart en huis,

Hij alleen brengt heil in hart en huis.

 

2.

Ga ‘k door woud en stroom, ik zal niet vrezen,
vrolijk wand’lend aan zijn liefdehand,
maar zou Hij niet mijn Geleider wezen,
nimmer vond ik ‘t ware Vaderland,

nimmer vond ik ‘t ware Vaderland.

 

3.

Bij die trouwe Heer wil ‘k steeds verkeren,
met Hem in en uit en samen gaan;

Hem te dienen, zij mijn hoogst begeren,
Hem beveel ‘k met lijf en ziel mij aan,
Hem beveel ‘k met lijf en ziel mij aan.

 

4.

Tot voor mij ook d’ avondstond gaat dalen,
tot Hij mij verlost van alle kruis,

en ik met Hem inga tot de zalen,
van het eeuwig, heerlijk Vaderhuis,
van het eeuwig, heerlijk Vaderhuis.

 


1.

Tehuis, waar niets verand’ring kent,

waar ied’re last is afgewend,
vreemd aan de schaduw zelfs der smart,
naar dit tehuis verlangt mijn hart.

 

Koor;

Wacht stil,

zie op Hem, wanneer gij lijdt;
wacht stil,

Hij is met u in de strijd;
wacht stil,

wacht stil,
God geeft tot dragen kracht.

 

2.

Als onder ‘t lijden, dat mij trof,
mijn ziel al dieper buigt in ‘t stof,
zucht naar uw rust als eind van ‘t kruis,
mijn hart, o heerlijk Vaderhuis.

 

3.

Tehuis, waar plaats mij is bereid,
waar ‘k deel in Jezus’ heerlijkheid,
ik smacht naar u met heil’ge dorst
en naar ‘t aanschouwen van mijn Vorst.

 

4.

Wat zijt g’ in mij, mijn ziel, ontrust?

Vind in uws Meesters werk uw lust;
al baart u ‘t kruispad daag’lijks pijn,
te zoeter zal u ‘t rusten zijn.

 


1.

Komt, laat ons voortgaan, kind’ren,

want d’ avond is nabij;
het stilstaan kan licht hind’ren
in deze woestenij.
Komt, sterkt opnieuw de moed!
De wandelstaf geheven

om hemelwaarts te streven;
zó wordt het einde goed.

 

2.

Zij zal ons niet berouwen,
de keus van ‘t smalle pad;
wij kennen de Getrouwe,

Die ons heeft liefgehad.
Vest al uw hoop op Hem!

Dat ieder ‘t aangezichte
ginds naar de Godsstad richte:
daar ligt Jeruzalem.

 

3.

Komt, broeders, voortgetreden:
een Gids gaat aan uw zij;
die, wank’len soms uw schreden,
staat met zijn hulp nabij
Ziet! ‘t zonlicht schenkt ons moed,
alsof de zoete blikken
eens vaders ons verkwikken:
voorwaar, wij hebben ‘t goed
 

4.

Wij reizen met elkander;
wij wand’len hand aan hand:
d’ een zij tot troost de ander
op weg naar ‘t Vaderland.
Zijn wij als broed’ren één!
Geen strijd om beuzelingen

daar eng’len ons omringen
en zweven voor ons heen!

 

5.

Treedt moedig voorwaarts, kind’ren!

De reis kort op naar ‘t graf;
wij zien de afstand mind’ren,
ras valt ons ‘t reiskleed af:

nog slechts wat meerder moed!
Wat rustiger en blijer,
van aardse banden vrijer,

gestreefd naar ‘t eeuwig goed!

 


1.

God der trouwe, help, geleid mij
pelgrim door dit dorre land;
ik ben zwak, maar Gij zijt machtig,
steun mij door Uw sterke hand,
Uw genade, Uw genade,
Houde in mij Uw kracht in stand,
Houde in mij Uw kracht in stand, kracht in stand,
Houde in mij Uw kracht in stand.

 

2.

Open Gij de steenrotswanden,
geef Uw levend water mij,
dat Uw wolk- en vuur- kolomme
mij een gids en trooster zij;
God der trouwe, God der trouwe,
al mijn hoop zijt enig Gij.
Al mijn hoop zijt enig Gij, enig Gij,
al mijn hoop zijt enig Gij.

 

3.

Als ik de Jordaan genaderd
‘t einde mijner reis aanschouw,
en hier allen mij verlaten,
God, op wie in nood ik bouw,
schraag ook dan mij, schraag ook dan mij
dan ook mij uw vadertrouw.
Dan ook mij uw vadertrouw, vadertrouw,
dan ook mij uw vadertrouw.


1.

Hoor, hoor, mijn ziel een harptoon van Gods eng’len
ruist ‘s avonds zacht langs graanveld, woud en strand;
hun juichtoon mag in Jezus’ woord zich meng’len,
ons van genâ ten dubbel onderpand.

 

Koor:

Boden van Jezus
eng’len houdt wacht,
zingt moed in ‘t hart ons,

ons pelgrims hier in nacht.

 

2.

Voorwaarts met moed! de Heer spreekt in die tonen:
“Komt, moeden, komt, Ik geef uw zielen rust;”
zo roept ons ‘t oord, waar vrede en liefde wonen,
en maakt ons hart zich van zijn hoop bewust.

 

3.

Eens wordt die hoop na stil geloof aanschouwen;
hoe lang de dag, hoe bang het zwerven viel,
een welkom wacht wie op hun Heiland bouwen,
in Hem herleeft de moe gestreden ziel.

 

4.

Moed dan gevat, mijn ziel! Zie zilv’ren stralen
zendt voor ‘t geloof de Heer op ‘s levens zee,
de vonken licht, die op de golven dwalen,
zijn lichtglans Gods, beloften ons van vree.

 

5.

Zingt, eng’len, zingt, Gods dankb’re kind’ren luist’ren;
straal, zilv’ren glans, wijs lichtend ons het spoor;
hoe storm dan woed’, en wolken ‘t pad verduist’ren,
wij volgen, gaat slechts gij als licht ons voor.

 


1.

Wanneer zal, nieuw Jeruzalem,
uw heerlijkheid ik zien
en binnen u der heren Heer,
mijn Vader, hulde biên?
Ik zucht naar u, de haven Gods,
waar ‘t leed der reistocht endt,
en ‘t hart, dat daar zijn Heiland vindt,
geen pijn of rouw meer kent.

 

Koor:

Daar heerst geen ziekte, welt geen traan in ‘t oog;
in ‘t Vaderhuis, zijn zonde en kruis
voor eeuwig weggedaan.

 

2.

Hoe heerlijk, zalig zal ‘t mij zijn
bij ‘t staren op uw pracht,
Op u, Gods eeuw’ge tempelstad,
bij zonlicht zonder nacht;

want God wil zelf uw zonne zijn;
en in Zijns wezens licht
zijt gij de wederglans van Hem,
wiens woord u heeft gesticht.

 

3.

Wanneer o! zal mijn oog u zien,
U en mijn dierb’ren Vorst;
wanneer vervult uw heerlijkheid
mijn liefde- en levensdorst?

Geduld, mijn ziel, geloof en beid,
haast klinkt des Meesters stem,
en gij, voor eeuwig vrij gemaakt,
gij leeft en woont in Hem.

 


1.

De Heer is mijn licht, dies ken ik geen vrees;
in Hem is mijn heil, die gunst mij bewees;
zijn Geest, die ten Trooster, ten leven mij is,
Maakt, wat mij weervaart, van zijn trouw mij gewis.

 

Koor:

De Heer is mijn licht, mijn blijdschap en lied;
Gods Zoon is mijn heil, genâ mij geschied.
De Heer is mijn licht, mijn blijdschap en lied;
Gods Zoon is mijn heil, genâ mij geschied.

 

2.

De Heer is mijn licht, Zijn liefde mijn kracht,
ik weet, wie voor mij het al heeft volbracht;
Zijn offer, dat leven en zaligheid biedt,
is grond mijner hope, genâ mij geschied.

 

3.

De Heer is mijn licht, wat rouwfloers verrijs’,
‘t geloof heeft in ‘t kruis ‘t voldingend bewijs,
dat Jezus ons gids blijft op ‘t donkerste pad,
de Leidsman, wiens hand onze hand houdt gevat.

 

4.

De Heer is mijn licht, het al voor mijn hart;
van Hem scheidt niets meer mij, zonde noch smart,
beroving noch doodsangst, geen macht, die mij scheidt,
van ‘t zien van mijn Heiland en ‘t heil, dat mij beidt.

 


1.

God heb ik lief, want die getrouwe Heer

hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;
Hij neigt zijn oor; ‘k roep tot Hem al mijn dagen;
Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

2.

Ik lag gekneld in banden van de dood,

daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen;
ik was benauwd, omringd door droefenissen,
maar riep de Heer dus aan in al mijn nood:

 

3.

“Och Heer! och, wierd mijn ziel door U gered!”
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig;
de Heer is groot, genadig en rechtvaardig,
en onze God ontfermt Zich op ‘t gebed.

 

4.

d’ Eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;

‘k was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.

Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder;
gij zijt verlost; God heeft u wel gedaan!

 

5.

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,

die trouwe God voor zijn genâ vergelden?

‘k Zal, bij de kelk des Heils, Zijn naam vermelden,
en roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

6.

Ik zal met vreugd in ‘t huis des Heren gaan,
om daar met lof Uw groten naam te danken.
Jeruzalem! Gij hoort die blijde klanken,
elk heff’ met mij de lof des Heren aan.


‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên

 

1.

Zalig hij, die ‘t smalle pad,
dat ten leven voert, wil lopen,
die hoe moede ook en mat,
op des Heren hulp blijft hopen.
Zalig wie die loop begint,
bidt en strijdt en overwint!

 

2.

Wie getrouw is tot de dood
zal God overrijk belonen,
wie de wereld vreugd ontvlood
met Zijn overwinning kronen.
Naar die zege over ‘t graf
hijgt, wie zich aan Christus gaf.

 

3.

Neem ons in Uw armen Heer!
Moede zijn wij van het strijden,
ach, de storm verschrikt ons zeer,
wil ons met Uw licht verblijden.
Sterker nog dan graf en dood

schijn’ des levens morgenrood.

 

4.

Medepelgrims, ‘t hoofd omhoog!
Zie, nog zet g’ uw moede schreden
op ‘t woestijnpad, dor en droog,
maar de strijd is haast volstreden,
en in zwakheid wordt volbracht

Jezus Christus’ grote kracht.

 


1.

Zo ‘k al de luister malen kon,
die in mijn Heer als levenszon
en beeld des Vaders straalt,
ik zong op reine hemeltoon
met eng’len in mijn lied ten kroon
der hulp, die nimmer faalt,
der hulp, die nimmer faalt.

2.

Ik zong dan van Zijn levensbloed,
dat ons, voor God herboornen, voedt,
als ‘t moedergraan de plant
uit eigen leven vruchtbaar maakt,
zo ook heeft Hij zichzelf verzaakt,

niet tellend kruis en schand,

niet tellend kruis en schand.

 

3.

Hij zondenloos heeft onze dood
uit een ontferming naamloos groot
voor ons als vloek doorstaan;
in Hem gestorven, opgewekt,

zien w’ ons des Vaders liefde ontdekt,
de dood te niet gedaan,

de dood te niet gedaan.

 

4.

Niet donker is nu langer ‘t graf,
niet vreeslijk meer als zondes straf,
maar ‘t pad, dat Jezus ging,

toen als ons Hoofd en ‘s Vaders Zoon
Hij d’ ereplaats op ‘s Vaders troon
en ons ten erve ontving,

en ons ten erve ontving.

 


1.

‘k Zal Hem zien met eigen ogen;
Heer, mijn God, hoe zal ‘t mij zijn,
als ik eens U mag aanschouwen,
die mij maakt van zonden rein.

 

Koor:

‘k Zal Hem zien, met eigen ogen

dan aanschouwen van nabij
in de hemelse landouwen.

Jezus die eens stierf voor mij.

 

2.

Welk een vreugde dan te leven
in het rijk dat eeuwig blijft;
als ‘t aanschouwen van mijn Heiland
al de duisternis verdrijft.

 

3.

‘k Kan nu vaag slechts onderscheiden.

Nu nog dekt een sluier mij,
doch de dag is niet meer verre,
die mij zien doet van nabij.

 

4.

‘k Zal Hem zien met eigen ogen,
kennen, die eens voor mij stierf,
en aanschouwen mijn Verlosser.
Die de hemel mij verwierf.

 


1.

Er is een plaats van vree en rust,
dicht bij het hart van God,
een plaats, waar zonde ons niet ontrust,
dicht bij het hart van God.

 

Koor:

O, Jezus, mijn Verlosser,
Gij ‘s Vaders een’ge Zoon,
breng ons, die op U wachten
eens bij des Vaders troon.

 

2.

Er is een plaats van rein genot
dicht bij het hart van God,
bij Jezus wacht ons ‘t heerlijk lot,
dicht bij het hart van God.

 

3.

Er is een plaats waar wij bevrijd,
dicht bij het hart van God.
Eens wonen tot in eeuwigheid,
dicht bij het hart van God.

 


1.

U bid ik aan, o God der liefde,
die zich in Jezus openbaart,
die mij gezocht heeft hoe ‘k Hem griefde,
die ‘k zoeken mag schoon gans onwaard’.
‘k Vergeet mij zelf, waar ‘k in de golven
dier zee van liefde word bedolven.

 

2.

Hoe zijt Gij mij zo zeer genegen.
En hoe verlangt Uw hart naar mij!
Gij komt mij met Uw liefde tegen,
opdat ik gans Uw eigen zij.

Gij, trouwe Heer! hebt mij verkoren,
en ik, ik wil U toebehoren.

 

3.

U wil ik zoeken, U mij geven;
bij U slechts vind ik lafenis;
in U alleen heb ik het leven,
en niet in ‘t geen geschapen is;

bij U is rust, bij U verblijden;
aan U wil ook mijn hart zich wijden!

 

4.

Aan U in eeuwigheid mijn leven,
Verlosser, Gij, mijn enig Goed,
die, mij tot heil, U zelf gegeven,
vergoten hebt Uw harte bloed.
Mijn Heiland! diep was ik gevallen;

thans kiest mijn hart U boven allen.


1.

Van U zijn alle dingen,
van U, o God! alleen,
van U de zegeningen,
o Hoorder der gebeên!
Uw liefd’ en trouw omringen,
mijn wankelende schreên,
en wat w’ ooit goeds ontvingen,
het is van U alleen!

 

2.

Reeds vóór wij U iets vragen,
voorkomt Gij onze beê;
Gij hoort ons, als wij klagen,

Gij schenkt aan ‘t hart Uw vree;
Gij heelt zelfs in Uw plagen,
Giet balsem uit in ‘t wee;
Gij helpt niet enkel dragen,
maar draagt onszelven mee!

 

3.

Hoe heerlijk is bevonden
Uw rijkdom van genâ,
verloornen toegezonden
in ‘t veld van Efrata!
Ook mij sloegt G’ in mijn zonden

met medelijden gâ,
en Christus droeg Zijn wonden,
voor mij op Golgotha!

4.

O, mocht Ik U beminnen,
gelijk Gij mij bemint,
een heil’ge vrees van binnen
mij leiden als uw kind!
Mocht ik die rijkdom winnen,
die roest noch mot verslindt
en werden nooit mijn zinnen
door ijd’le glans verblindt!

 

5.

U zal ik eeuwig eren,
die eeuw’ge goedheid zijt!
U blijv’, o Heer der Heren,
geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen,

wanneer Uw hand mij leidt;
wat vuriger begeren
dan uwe heerlijkheid?

 


 

1.

De Zijnen kent de Here
in alle volk en land
‘t zij groot of klein in ere.
In elke rang en stand
Hij laat hen niet verderven.

Hun gangen regelt Hij:
in leven en in sterven
staat Hij hen vriendlijk bij.
In leven en in sterven,
staat Hij hen vriendlijk bij.

 

2.

De Heer kent Zijne schare
aan haar geloof, dat bouwt
op Hem, de Onzichtbare.

Alsof het hem aanschouwt:
dat bij het Woord wil leven.
Waardoor het is ontstaan.
Daaraan steeds eer wil geven.
Daarmee ten strijde gaan.
Daaraan steeds eer wil geven.

Daarmee ten strijde gaan.

 

3.

Hij kent hen aan de klaarheid
der hoop, zich steeds bewust.
Dat zij op deze waarheid:
“dat Hij de Heer is”, rust:
die plant uit ‘s Hemels gaarde.
Die altijd groent en groeit
en vrolijk op onz’ aarde
voor aller ogen bloeit.
En vrolijk op onz’ aarde
voor aller ogen bloeit.
 

4.

Hij kent hen als Zijn vrinden
aan hunner liefde gloed,
die de als Hij gezinden

doortintelt het gemoed;
die andren steeds bejegent
zó als Zijn hart dat vraagt;
die zelv’ gezegend, zegent,
en, zelv’ gedragen, draagt.
Die zelv’ gezegend, zegent,
en, zelv’ gedragen, draagt.

 

 5.

Heer! help ons tot geloven
en houdt ons vast daarbij!
Dat niets de hoop moog’ roven,

de liefde vurig zij!
Komt eens de dag der dagen,
die ons wordt voorbereid,
geef ons dan — wat we vragen —
plaats in uw heerlijkheid!
Geef ons dan — wat we vragen —

plaats in uw heerlijkheid!

 


1.

Toen ‘t hemelheir blij het loflied deed horen:
“Ere zij God, heil de mensen op aard,”
werd ook voor mij de Verlosser geboren,
Hij droeg mijn last, heeft mijn zonden aanvaard.

 

Koor:

O vreugd des hemels, dat Jezus mij mint.
Hij stierf voor mij aan het kruishout der schand’.
Verrees uit de dood, maakt mij tot Gods kind,
en voert mij straks naar het waar vaderland.

 

2.

Toen aan het kruis zich de Levensvorst strekte,
wies Hij mij rein van mijn zonden en schuld;
‘t was zijn genâ, die ten leven mij wekte,
Hij, Hij alleen, heeft het voor mij vervuld.

 

3.

Toen Hij verrees als de grote Verwinnaar,
was het gedaan met ‘t geweld van het graf.
Vreze des doods kan mij niet meer bevangen,
eeuwig leeft Hij, die het leven mij gaf.

 


1.

Mijn Jezus, ik min U! Ik weet: Gij zijt mijn
en ik wil voor eeuwig de Uwe ook zijn.

Mijn dierb’re Verlosser, mijn kracht is in U!

Als ‘k ooit U beminde, dan is ‘t Heiland, nu!

 

Koor:

Steunend op U,
steunend op U,

mijn dier’bre Verlosser,

‘k ben steunend op U!

 

2.

Ik min U, want Gij, Heer, heb ‘t eerst mij bemind
en leed ook voor mij, eens Uw afgedwaald kind.
Gij droeg ook voor mij eens die doornen zo ruw;
als ‘k ooit U beminde, dan is ‘t Heiland, nu!

 

3.

Ik wil U steeds minnen, in leven en dood,
en prijzen, o Heiland, Uw liefde zo groot!
In ‘t stervensuur, Heer, is mijn kreet nog tot U:
als ‘k ooit U beminde, dan is ‘t Heiland, nu!

 

4.

En eenmaal daarboven, daar juich ik altijd
en zal U, Heer, prijzen in alle eeuwigheid!
‘k Zal zingen, als ‘k daar ene kroon ontvang van U:
als ‘k ooit U beminde, dan is ‘t, Heiland, nu!

 


 

1.

Mijn Jezus is mijn leven.
Hij is mijn grootst gewin,
naar Hem gaat al mijn streven
in dankb’re kinderzin.

 

2.

Van alles wat op aarde
ook ooit mag zijn mijn deel,
heeft niets zo grote waarde,

als Gij, Emmanuel.

 

3.

Als Hij woont in mijn harte
met zijn genâ en heil,
geniet ik zelfs bij smarte
een vreugde zonder peil.

 

4.

Van al mijn zware zonden,
wast Hij mij door Zijn bloed,
Hij heelt ook al mijn wonden,
maakt alle schade goed.

 

5.

Hij is de ware spijze,
mijn Licht te aller tijd.
Mijn Leidsman op mijn reize,
mijn helper in de strijd.

 

6.

Gij zijt mijn Vorst en Herder,
mijn priester en rantsoen.
Regeer mijn leven verder,
mijn denken, woorden, doen.
 

7.

De grootste aller zegen,
O, Jezus, trouwe Heer,
heb ik in U verkregen,
U zij lof, dank en eer.

 



1.

Ach, Here Jezus, moest ik U ontberen

en zou Uw bloed niet al mijn jammer keren,

waar vond ik redding van al mijne zonden.

Dan in uw wonden?

 

2.

Indien Uw liefde ooit van mij zou wijken,
Dan zou mijn zondenlast mij doen bezwijken,
mijn sterke toevlucht in al mijn tegenheên,
zijt, Here, Gij alleen.

 

3.

Ik dank U, Heer, dat heil ik heb gevonden
Gij hebt door uwen Geest mij nauw verbonden,
met Uw gemeente, die Gij hebt verkregen,
o, welk een zegen!

 

4.

In Uw gena-verbond, Heer, laat mij leven,
tot Gij de rustplaats boven mij zult geven,

daar wil ik eeuwig Uwe liefde prijzen,
U dank bewijzen.

 


1.

Woont Hij in mijn harte,
staat Hij mij terzij.
Is mij steeds in angst en smarte
Zijne liefd’ en trouw nabij?
Waar kan ‘t leed dan toeven?
Niets op aard kan mij dan meer bedroeven.

 

2.

Woont Hij in mijn harte,
niets bekoort mij meer,
hoe de vijand mij dan tarte,
‘k volg gewillig mijnen Heer,
ook als and’ren treden
op d’ aanlokkelijke brede wegen.

 

3.

Woont Hij in mijn harte,
‘k slaap dan spoedig in,
zachtkens rustend in zijn krachten,
in zijn trouwe Herderszin,
die het al doordringen,
boze machten ganselijk bedwingen.

 

4.

Woont Hij in mijn harte,
alle goeds is mijn;
nergens langer naar te smachten,

doet mij blij en dankbaar zijn,
opwaarts wil ‘k steeds blikken,
niets ter wereld zal mij dan verschrikken.

5.

Waar Hij woont in ‘t harte,
daar is ‘t vaderland,
‘t erfdeel zelf blijf ik verwachten

uit zijn trouwe Vaderhand,
lang vermiste vrinden
zal ik dan in and’ren wedervinden.

 


1.

Schalt, gij hemelklokken heden, schalt met vreugd:
want een dolend hart is weergekeerd!
Ziet, hoe zich de Vader over ‘t kind verheugt!
Hoe Hij het liefkoost, omarmt en eert!

 

Koor:

Halleluja! zusters, jubileert!
Halleluja! broeders triomfeert!
Al der heil’ge eng’len niet te tellen schaar.

Prijzen God en loven immer daar.

 

2.

Schalt gij hemelklokken! welk een vreugdedag!

Vrij is nu de mens, die eerst geknecht

en in zond’ gebonden, krank terneder lag,

is verlost en vrijgekocht met recht.

 

3.

Schalt gij hemelklokken, zust’ren weest verblijd!
Broed’ren stemt een loflied aan met macht!
En verkondigt nu de mare wijd en zijd:
“een verdwaalde ziel is thuisgebracht!”

 


1.

Op uw kruis is, Heer, mijn hoop;
arm, verlaten blind en naakt,
waar vergeefs mijn strijd en loop,
had niet Gij mijn dood gesmaakt.

 

Koor:

Dierb’re Heiland, Gij alleen
zijt ons leidstar, in Uw licht.
Gaan wij opwaarts, hart en schreên
naar de stad des heils gericht.

 

2.

Eens was ik mijzelf genoeg;
ach, van ijd’len trots vervuld;
maar bij ‘t kruis, dat, Heer, U droeg,
zonk ik neer verplet door schuld

 

3.

Had niet Gij mij aangezien,
Heer, als eens Gij Petrus deedt,
‘k had niet tot U durven vliên,
Redder, mij tot hulp gereed.

 

4.

Al mijn vrede, liefde en hoop,
dank ik, Heer, aan U alleen;
maak ‘t voleinden van mijn loop
mij ook eeuwig met U één.

 


1.

O, kon ons ruste zoekend hart,
dat naar Gods vrede dorst,
zich meer ontworst’len aan zijn smart
door opzien tot zijn Vorst!

 

2.

Een blijdschap, als geen oog ooit zag,

geen geest hier vatten kon,

zijn voor ons de uitkomst van den dag,
toen Jezus overwon.

 

3.

Wat zonde’s macht vernielen mocht

niet Zijne heerschappij;

te niet deed Hij, toen Hij ons kocht,
haar wrede slavernij.

 

4.

Verlosten, juicht, aan Hem behoort
de toekomst door zijn kruis,
de star der hoop, die voor ons gloort,
toont reeds ons ‘t vaderhuis.

 


 

1.

Met mijn zware val bewogen
bood Gods liefde mij de hand;
o ontfermend mededogen,
liefde boven mijn verstand!
Vijandschap was mijn bedenken,
vlees’lijk, onder ‘t kwaad verkocht,
had ik nimmer Hem gezocht,
Hij wou m’ eerst Zijn liefde schenken:

God is liefd’, o Englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

 

2.

Zo, zo lief had God de wereld,
dat Hij Zijnen eigen Zoon
voor die afgevallen wereld
overgaf aan smaad en hoon;
ja, toen wij nog zondaars waren,
schonk d’ Ontfermer ons genâ,
stierf zijn Zoon op Golgotha,

stierf voor ons, die zondaars waren:
God is liefd’, o Englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

 

3.

Kan een vrouw haar kind vergeten,
als haar zuigling schreit van pijn?
Zou z’ een ware moeder heten,
en zo weinig moeder zijn?
Maar, al kon dit moog’lijk wezen,

Vader! die mijn noden ziet;
Vader! Gij vergeet mij niet;
neen, dit heb ik nooit te vrezen;
God is liefd’, o Englenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

 


1.

Ik spreek van verlossing zo gaarne,

verlossing door ‘t bloed van het Lam.
Ik roem zijne liefd’ en erbarming,
dat Hij mijne schuld op zich nam.

 

Koor:

Verlost, verlost,
verlost door het bloed van het Lam.
Verlost, verlost,

daar Hij mijne schuld op Zich nam.

 

2.

Verlost van de zonden door Jezus,
o, welk een volkomen genot.
Neen, nimmer naar waarde te prijzen,
vermag ik dat hier voor mijn God.

 

3.

Verlost ook van ‘t vlees door mijn Heiland;
Hij geeft mij daartoe zijne kracht,
en daag’lijks nog steunt mij Zijn bede,
door Hem voor den Vader gebracht.

 


1.

O blijde dag, o zaal’-ge stond,
toen ‘k Jezus als mijn Heiland vond,
om Zijn genade, mij geschied
juicht steeds mijn ziel in dankbaar lied.

 

Koor:

Blijde dag, zaal’ge stond,
toen ‘k Jezus als mijn Heiland vond,
toen voor mijn slavenboei en kleed,
Zijn vrijheid Hij mij kennen deed.
Blijde dag, zaal’ge stond,

toen ‘k Jezus als mijn Heiland vond.

 

2.

‘k Weet, dat ‘k de Zijne nu mag zijn,

en eeuwig, eeuwig is Hij mijn;
Hem ingeplant en met Hem één,
ben ‘k eeuwig met Hem lotgemeen.

 

3.

O zaligheid, waarvan geen tong
naar hartelust in volheid zong;
zij werd om niet mijn deel, mijn schat,
door Hem, die mij heeft lief gehad.

 

4.

O blijde dag, o zaal’ge stond,
als eens ik voor Zijn troon verkond,
met reiner, heil’ger feestgeklank,
dat aan mijn Jezus ‘t al ik dank.


1.

Uw liefde is mij genoeg.
Uw trouw, die ‘t al volbracht
en ‘t kruis voor mij verdroeg,

maakt, Heer, mijn zwakheid kracht.

 

Koor:

Jezus heeft vervuld
‘t Woord, dat hopen doet;
bloedrood was de smet der schuld,
heil, sneeuwwit maakt Zijn bloed.

 

2.

Heil, waar geen schijn van recht
ik vinde op enig goed,
ken ik mij toegezegd

de vrijspraak in Uw bloed.

 

3.

Uw macht, en die alleen,
wist der melaatsen smet,
en maakt het hart van steen

gewillig tot Gods wet.

 

4.

O, dat mijn stervensspond,
mijn jongste levenskreet,
‘t nog allen luid verkond’,

wat G’aan mijn ziele deedt.

 

5.

En uit de dood ontwaakt,
leg, Heer ik voor Uw troon,
alleen in U volmaakt,

mijn dank, mijn werk, mijn kroon.

 


 

1.

Welk een naam gaf God mijn Heiland!

Zaligmaker heet Gods Zoon;
Hij, de Immanuel der hope,
koos ons sterflijk vlees ter woon.

 

Refrein:

Uw naam, Uw naam
ons als pand der hoop gegeven,
Uw naam, Uw naam
is verlossing ons en leven.

 

2.

Neen, geen naam als die mijns Heilands

troost ons zo in droefenis;
God met ons, God onze Vader,
is ons in Zijn naam gewis.

 

3.

Wat geeft niet Zijn naam te hopen,

welk een heil zien we ons bereid;
na ‘t hier delen in Zijn strijden,
‘t erven van Zijn heerlijkheid.

 

4.

Heer, die in Uw heil’ge wijngaard
naar Uw liefde een taak ons geeft,
mogen in ons trouw betonen
allen zien, dat Ge in ons leeft.

 

5.

Zonder U zijn wij gans macht’loos,
in Uw kracht, hoe zwak ook, sterk;
ootmoed leert op U ons bouwen;
toon Uw naam, Heer in ons werk.   


 

1.

Heer Jezus, mijn Verlosser,
Gij zijt mijn vreugd en lied;
mijn Helper en mijn Trooster,
waar ‘t oog geen uitkomst ziet.

 

Koor:

Mijn Jezus, Zaligmaker,
in U verlost en vrij,
zijt, vriend van arme zondaars,
ons alles eeuwig Gij.

 

2.

Gij zijt mijn hoop, mijn sterkte,
waar alles mij ontzinkt;
mijn leid-star, die in nacht mij

zo vriend’lijk tegenblinkt.

 

3.

Ik bouw op U, mijn Koning,
in ‘t uiterst van de nood;
maak Gij slechts meer Uw liefde
aan mij, Uw volg’ling, groot.

 

4.

Mijn feestzang en mijn jubel
blijft eeuwig, Jezus, Gij;
hier met uw kruisgemeente,
ginds in der eng’len rij.

 


 

1.

Moet gij steeds met onspoed strijden,

Christen! treur niet om uw lot;
hulp ontbreekt u nooit in ‘t lijden:
moet gij steeds met onspoed strijden,
wees tevreden met uw lot,
o, uw Redder is uw God!

 

2.

Is de nood zo hoog gerezen,
dat gij nergens uitkomst ziet,
nog hebt gij geen kwaad te vrezen:
is de nood zo hoog gerezen,

dat gij nergens uitkomst ziet,
God, uw God, vergeet u niet.

 

3.

Vest in bang’ en droeve dagen
al uw hoop op Hem alleen;
schroom niet, Hem om hulp te vragen:
vest in bang’ en droeve dagen
al uw hoop op Hem alleen,
Hij kan helpen, Hij alleen.

 

4.

‘k Weet, Zijn woord is Ja en Amen,

Zijn beloften feilen niet,
nimmer zal Hij ons beschamen:
‘k Weet, Zijn woord is Ja en Amen,
Zijn beloften feilen niet,
zalig hij, die tot Hem vliedt!

 


1.

‘t Zij vrede mijn deel is, of smart mij verteert,
en stormwind en nacht mij verschrik’,
Gij hebt mij, mijn Heiland, te roemen geleerd:
” ‘t is mij goed, wat mijn God mij beschik’.”

 

Koor:

‘t Is mij goed, wat mijn God,

‘t is mij goed, wat mijn God mij beschik’.

 

2.

Uw deel hoeveel zwaarder is ‘t hier niet geweest,
vergeefs spreidde U Satan zijn strik,
en ziende op Uw kruis roemt in mij ook mijn geest:
” ‘t Is mij goed, wat mijn God mij beschik’.”

 

3.

Och, of in mijn sterven Uw troost mij nabij
mijn ziele uit Uw volheid verkwik’,

dan dank ik, hoe bang mij de doodstrijd ook zij:
” ‘t Is mij goed, wat mijn God mij beschik’.”

 


1.

O, matten en moeden,
begeeft u de kracht
bij ‘t zien op het woeden
der wereldse macht?
Waarheen ook uw pad leidt,
de Heer zal voorzien;
in ziekte en droefheid
zal hulp Hij u biên.

 

Refrein:

De Heer zal voorzien,
de Heer zal voorzien;

geloof de belofte,

de Heer zal voorzien.

 

2.

Verlaten door vrinden,
gehaat om uw deugd,
in God zult ge vinden
uw vriendschap en vreugd.
Een schild is Zijn zorg u,

Zijn woord blijft gestand;
vertrouw dan op Hem nu,
O, grijp Zijne hand!

 

3.

Schoon donker ‘t vooruitzicht,
toch komt straks de tijd,
dat Jezus u voorlicht

en ‘t hart u verblijdt.
Gedenk dus in stoornis

wie hulp u wil biên;
de Heer zal, als ‘t goed is,
in alles voorzien.

 


1.

Rust, mijn ziel! uw God is Koning,
heel de wereld Zijn gebied;
alles wisselt op Zijn wenken,
maar Hij zelf verandert niet.

 

2.

Ieder woelt hier om verand’ring,
en betreurt ze dag aan dag,
hunkert naar hetgeen hij zien zal,
wenst terug ‘tgeen hij eens zag.

 

3.

Rust, mijn ziel! uw God is Koning,

wees tevreden met uw lot;
zie hoe alles hier verandert,
en verlang alleen naar God.

 


 1.

Mijn Vader, Die de tranen droogt
van ‘t U betrouwend kind,
ik weet, dat al wat Gij gedoogt,
slechts meer aan U mij bindt.

 

2.

Door U gesteund, door U verlicht,

waait mij, hoe mat en moe,
tot in ‘t verschrikkendst tijdsgewricht
een hoger leven toe.

 

3.

Uw Geest, de Trooster, maakt de smart

een wolk met zilv’ren rand,
een liefdebode voor mijn hart,
die spreekt van ‘t vaderland.

 


 

1.

Wat God doet dat is welgedaan;
Zijn wil is wijs en heilig.
‘k Zal aan Zijn hand vertrouwend gaan;
die hand geleidt mij veilig.
In nood is mij

Zijn trouw nabij,
ja, Hij, de Heer der Heren,
blijft eeuwig wijs regeren.

 

2.

Wat God doet, dat is welgedaan.
Zijn woord eist mijn vertrouwen.
Hij leidt mij op de rechte baan;
‘k mag daar zijn lief d’ aanschouwen.
Hij geeft mij kracht;

Zijn hulp, Zijn macht

redt mij uit smart en banden.

Mijn lot rust in Zijn handen.

 

3.

Wat God doet, dat is welgedaan.
Hij luistert naar mijn klachten.
Zou mij Zijn liefde gadeslaan,

en ik Zijn hulp niet wachten?
God kent mijn hart;
Geen ramp, geen smart
is ooit voor Hem verborgen.
Hij zal als Vader zorgen.

4.

Wat God doet, dat is welgedaan.
Zijn trouw blijft mij behoeden.
Zijn liefde doet geen kwaad ontstaan;
‘t werkt alles mee ten goede.
Als God mij leidt,
zal ‘k wel bereid,

het doel van mijn verlangen,
in d’ eeuwigheid ontvangen.

 

5.

Wat God doet, dat is welgedaan,
nooit zal de moed m’ ontzinken.
Biedt Hij de lijdenskelk mij aan, —
‘k zal die gewillig drinken.
God, wijs en goed,
mengt zuur en zoet,
naarmate wij ‘t behoeven;
Hij troost ook in ‘t bedroeven.

 

6.

Wat God doet, dat is welgedaan.
Dat blijft de vreugd mijns levens.
God plant wel doornen op mijn paân,
maar rozen ook daarnevens.
Met smart paart God
vaak rein genot;
Zijn Vaderlijk’ ontferming
blijft eeuwig mijn bescherming.

 


1.

Mijn God en Vader, zie mij aan
in mijn al worst’lend opwaarts gaan,
opdat wat hindernis mij bied’,
ik immer bid: „Uw wil geschied’!”

 

2.

Wanneer in ‘t felle van de strijd
ik afgemat door krankheid lijd
en wankel als ‘t gekrookte riet,
och, bidde ik slechts: “Uw wil geschied’!”

 

3.

Wanneer ik alles off’ren moet,
dat dierbaar m’ is als vlees en bloed,
bezwijk’ maar mijn geloof dan niet
bij ‘t smeken “God, Uw wil geschied’!”

 

4.

Och, wone zo Uw Geest in mij,
dat wat mij neerdruk’ of verblij’,
mijn hart, dat kruis en eerkroon ziet,
U de eer geef in ‘t “Uw wil geschied’ !”

 


1.

‘k Vond een rustplaats in de schaduw

van het kruis op Golgotha.
Lang vermeden, maar gezocht nu,
troost uit volheid van genâ.
Wat zijn ‘s werelds eer en schatten,

eens mijn vreugd en heerlijkheid,
bij het heil des eeuw’gen levens
ons in Jezus’ kruis bereid?

 

Koor:

Heil’ge rustplaats, plek geheiligd

door ‘t betoon van Gods genâ,

schenk Uw rust mij in de schaduw

van uw kruis, O Golgotha.

 

2.

Schijn’ mij somtijds hard de reistocht,

bang en zwaar het moeilijk pad,
‘s Hemels rust niet eer te smaken
dan in d’ eeuw’ge vredestad!
Mor ondankbaar niet, mijn ziele,

roem in danklied Gods genâ,
rust schenkt God u in de schaduw
van het kruis op Golgotha.

 

3.

O hoevele moede pelgrims
op de weg naar ‘t Vaderhuis
vonden veerkracht, zielsverkwikken
in de schaduw van het kruis.

Zoek, mijn ziele, daar uw laaf’nis,
sterk u daar in Gods genâ;
rusten moogt gij in de schaduw
van het kruis van Golgotha.

 

1.

Beveel de Heer uw wegen,
al wat u ‘t harte krenkt
Hem die Zijn kind genegen,

naar kruis ook krachten schenkt
Hij, die miljoenen starren
bewaart in eigen baan,

steunt u bij ‘t dichtste warren
van doornen in uw gaan.

 

2.

God zal een pad u banen,
God, die, wat er weerstreeft.
Als zon en starren tanen

Zijn licht tot gids u geeft.
Wie zal ‘t Zijn hand verhind’ren,
waar vorst of legermacht
Hem tarten, om Zijn kind’ren,
te redden onverwacht!

 

3.

Mijn hart, zeg dan uw zorgen,
zeg alle vrees vaarwel,
opdat in God geborgen
u angst noch kommer knel’.
Wees blijde, ja, wees blijde,
want ziende op Jezus’ kruis,

ziet ge ook ten allen tijde
de vreugd van’ ‘t vaderhuis.
 

4.

Heer Jezus, trouwe Herder,
mijn Heiland, Hoofd en Heer,
U na ga ‘k rustig verder
en ducht geen vijand meer.
Door doornen, nacht en stormen
strekt Gij mijn trouwbetoon,
zal mij Uw liefde vormen
voor hemelvreugd en kroon.


1.

Ik wil Jezus volgen
hier beneên op aard.
Zelfs op ruwe wegen
volgen onvervaard.
Jezus’ voetspoor volgen
leidt mijn zwakke schreên.
Naar het huis van vrede

rust en blijdschap heen.

 

2.

Ik wil Jezus volgen,
klinkt ook ‘s werelds spot;
dragen, dulden, lijden,
naar de wil van God.
‘t Ruwe pad betreden,
ijlen, blij te moe,
vol van Zijn genade,
naar de Hemel toe.

 

3.

Ik wil Jezus volgen
tot de reis voleind,
en de strijd volstreden
Jezus’ dag verschijnt.
Waar vanaf de wolken
Hij mij vriend’lijk wenkt
en mij vol genade
eeuwig leven schenkt.

 


1.

Wij vragen, Heer, geen lichter last
op ‘t enge en steile pad.
Maar enig, dat Gij onze hand,
ons steunend houdt gevat.

 

2.

Hoe doorn en distel telkens wondt,
hoe scherp de rotsgrond blijk,
help ons, dat door de pijn niet één
van ‘t rechte voetspoor wijk.

 

3.

Wat zal ons deren, Heer, wat schaân,

hoe bang en vreeslijk ‘t schijn,
als in geloof maar ‘t hart beseft,
dat we in Uw hoede zijn.

 

4.

Gij waart der Uwen toevlucht steeds,

Gij hun der eeuwen Rots,
wij weten, wie ons hate of vlied’,
in U ons kind’ren Gods.

 

5.

Och, help Gij meer ons waardig zijn

dien heil’gen naam en eer,
verander meer in heerlijkheid
ons naar uw beeld, o Heer.

 

6.

Gij doet ons door Uw Geest U zien
met ongedekt gezicht,
och, trek tot U steeds groter kring
ons wand’Ien in Uw licht


1.

Zalig, zalig, niets te wezen.
In ons eigen oog, voor God.
Eigen zin en lust te vrezen.

Steeds te rusten in ons lot.
Ned’rig, kinderlijk en stil,
ons te voegen naar zijn wil!

 

2.

Wat wij hebben of vermogen,
wat ons lief is, wat ons lust,
al ‘t begeren onzer ogen,
ons genoegen, onze rust,
wat men denke, spreke, doe,
alles hoort de hemel toe.

 

3.

Mag uw naam maar eer ontvangen —

‘t ga ons slecht, of ‘t ga ons goed —

dat alleen is ons verlangen,
trouwe Vader! wat Gij doet.
Onze hoogste lust, o Heer!
Is te leven tot Uw eer!

 


1.

Tot U, o Jezus, roept ons hart
tot U, die voor ons leed,
Heer, Die in alles zijt verzocht
en onze zwakheid weet.

 

2.

Als Man van smarten hier veracht
verworpen en gehaat,
weet onze ziele, dat haar angst
en worst’len Gij verstaat.

 

3.

O welk een troost, wat nieuwe kracht

stroomt tot ons van Uw kruis,
Heer, door wat diepten baandet G’ ons
De weg naar ‘t Vaderhuis!

 

4.

Gemeente, die zo duur Hij kocht,
toon dan geen wankeling;
ban elk versagen, ziende op ‘t pad,
dat hier uw Heiland ging.

 

5.

Als priesterkoningen in Hem
zijt gij der aard te groot,
ook vraagt Hij u, en ‘t is Zijn recht
getrouwheid tot den dood.


 

1.

Op U is al mijn hoop,
getrouwe Middelaar,
Gij steunt mij in mijn aardse loop

en hoedt mij in gevaar.

 

2.

In U ook rust mijn hart;
mij redt uw trouwe hand,
eer mij des vijands net verwart
en hoop’loos maakt te schand’.

 

3.

Wat mensen boosheid doe,
wie ontrouw mij verlaat,
Uw koningswil beschikt de roe

en onzer rampen maat.

 

4.

Heb ik dan U maar, Heer,
mag maar ik de Uwe zijn,
‘k smaak dan met ied’re dagreis meer
van ‘s hemels zonneschijn.

 


1.

Ons hart te voegen naar Uw wil,
te volgen, waar Gij leidt,
‘t moest, Heer, ons keus en lust steeds zijn,

als ‘t pad tot heerlijkheid,
als ‘t pad tot heerlijkheid.

 

2.

En toch, hoe licht’lijk klaagt ons hart,

onbuigzaam voor Uw raad,
als had niet liefde ‘t pad gebaand,
waar onze voet op staat.

Waar onze voet op staat.

 

3.

Hoe vluchtig is de bangste pijn
van ‘t ons zo nodig kruis,
en eindeloos de heerlijkheid
ons deel in ‘t vaderhuis.
Ons deel in ‘t vaderhuis.

 

4.

O God, hetzij Gij geeft of neemt,
Uw, doen is majesteit,
is liefde, die Uw kind’ren vormt
voor d’ eeuw’ge zaligheid.
Voor d’ eeuw’ge zaligheid.


1.

Rust nu maar zacht in uwe stille groeve,

waar ge een korte wijl nog moet toeven;

kost’lijke slaap, verstoord door geen lijden
wij klagen niet, God troost ons bij ‘t scheiden.

Rust nu maar zacht!

 

2.

Rust nu maar uit, uw strijd is gestreden,

vrede uw deel! al ‘t leed is geleden,
tranen gedroogd; geen smart meer noch zorgen,
slapende zijt g’ in Jezus geborgen.
rust nu maar uit!

 

3.

Rust nu maar zacht! Op heerlijke wijze

wekt u de Heer tot de hemelreize.
‘t Scheiden duurt kort — wij willen niet wenen,
snel gaat de tijd: God zal ons verenen.
Rust nu maar zacht!

 


1.

Als ons de eng’len welkom heten
in Gods vaderhuis omhoog;
vreugde ons alles doet vergeten,
wat op aarde knellend woog;

zullen wij dan ouders, vrinden
in der vrijgekochten schaar,
hen herkennend wedervinden?
Kent het hart de zijnen daar?

 

Koor:

Kent het hart de zijnen?
Kent het hart de zijnen?
Kent het hart de zijnen,
kent het hart de zijnen daar?

 

2.

Als de nu ontslapen vrienden,
strijders onder Jezus’ vaan,
die met ons de Heiland dienden,
daar met ons ter reie gaan.
Zullen wij in oog en wezen,
in hun juub’lend feestgebaar,
weder de oude liefde lezen?
Kent het hart de zijnen daar?

 

3.

Heil, mijn ziele, wat u treffe
en in kommer bui’gen doe,
dat die hoop uw geest verheffe,
en leer juichen blij te moe:
wat haar stem u leer geloven,
vindt uw hart ten volle waar:
wederzien wacht ons hier boven,
‘t hart herkent de zijnen daar.
 

4.

Komt, belasten en vermoeiden.
Heft in hope ‘t oog naar gind,
waar ge u van de zorg ontboeiden,
en voor eeuwig wedervindt.

Hier doe dood en scheiding wenen,
allen zal Gods jubeljaar
in het vaderhuis herkennen

‘t Hart herkent de zijnen daar.  

 


1.

Ontslapen in de Heer; rust zacht,
gij, doden, die uw Heer verwacht
en in Zijn arbeid hebt gewaakt,
nu na uw dagtaak rust gij smaakt.

 

2.

Ontslapen in de Heer; hoe zacht
zal u gebrokenen van kracht,
na ‘t doorstaan van de laatste pijn,
u ‘t in de Heer ontslapen zijn.

 

3.

Ontslapen in de Heer; rust zacht
nu in uw lange, stille nacht,
tot u des engels roepstem wekt,
en u ‘t u wachtend heil ontdekt.

 

4.

Ontslapen in de Heer; geloofd,
Verlosser, Mid’laar, Heer en Hoofd,
zij eeuwiglijk Uw naam en kruis:
Gij wekt ons op voor ‘t vaderhuls.

 


 

1.

Jezus, als met bloedend harte
‘t oog op dierb’re doden ziet,
leert G’ ons staam’len bij de smarte:
“Vader, dat Uw wil geschied’ !”

 

2.

Hoe verbroken, hoe in ‘t donker,
hoop doet, buigend voor ‘t verdriet,
bidden bij haar zacht gefluister:
“Vader, dat Uw wil geschied’ !”

 

3.

Rest zelfs, hoop’loos onder rouwe,
niet een lichtstraal in ‘t verschiet,
‘t blijft ons woord, sterk in Uw trouwe:
“Vader dat Uw wil geschied’ !”

 

4.

Welk een kwaad dan dreigend nader

onze ziel blijft in U stil;
bidt in ‘t stof U na: “Mijn Vader,
mij geschiede naar Uw wil.”

 


1.

Wat God doet, dat is welgedaan;
al schijne ‘t ons, dat ons gemis
door niets op aard herstelbaar is,
‘t geloof doet vast in hope staan.

 

2.

‘t Geloof weet, wie de wonde sloeg,
wie troosten wil naar onze smart,
en stamelt met gebroken hart:
“God, uw genâ is mij genoeg.”

 

3.

Blijf, trouwe Vader, ons nabij;
zie ‘t hart aan, dat berusting smeekt,
zo vaak de dood een band verbreekt;
op Uwe liefde bouwen wij.

 



1.

Doodslaap wacht ons niet voor immer;

eens wekt ons des Heren stem;
Zijn hereenden scheiden nimmer,
leven eeuwig eens met Hem.
Uit der zeeën diepste dalen,

uit de verste woestenij,
maakt, bij ‘t heug’lijkst morgenstralen,
 ‘s Vaders Zoon Zijn doden vrij.

 

Koor:

Doodslaap wacht ons niet voor immer;

eens wekt ons des Heren stem;
Zijn hereenden scheiden nimmer
leven eeuwig eens met Hem.

 

2.

Rukt de dood op ‘s Vaders wenken
ons een kostb’re bloem, van ‘t hart,
God zal ons haar wederschenken,
maar geheiligd door die smart.
Tranen, die ‘t gemis doen wenen,

wraakt des Vaders liefde niet
waar Hij, door die tranen henen,
‘t stil zijn in Zijn trouwe ziet.

 

3.

God is Heer van dood en leven,
en bij onzer dierb’ren graf
zij Zijn wijsheid eer gegeven,
als Hij weervraagt wat Hij gaf.
In het Vaderland hierboven
komen dood en zonde niet,
kunnen nooit ze ons ontroven

‘t Heil van Jezus’ rijksgebied.

 


1.

Eens breekt in mij het zilv’ren koord,

dan wordt mijn aardse zang verstoord,
maar op volmaakter, schoner wijs,
klinkt eens mijn lied in ‘t Paradijs.

 

Koor:

O wat zal ‘t zijn,
volmaakt en rein,

voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.

 

2.

Eens wordt verbroken ‘t aardse huis

en leg ik af mijn pelgrimskruis.
Doch Jezus heeft welk zalig lot,
een plaats voor mij in ‘t huis van God.

 

3.

O, soms vervult door stille smart,
het heimwee naar die plaats mijn hart.
Maar ‘k weet, mijn werk moet hier gedaan,
en eerst als God roept, mag ik gaan.

 

4.

Straks breekt de gulden lamp aan stuk’;

voorbij is dan al ‘t aards geluk;
doch spoedig komt mijn Heiland weer,
dan ben ik zalig bij de Heer.

 


 

1.

Zuster, gij waart zacht en vriend’lijk,

mild door ‘s Vaders Geest bedeeld,
goed ons als het avondkoeltje,
dat door ‘t geurig bosloof speelt.

 

2.

Vredig in de stille groeve

zij na ‘s levens taak uw rust,
van de stormen dezer wereld,

van uw pijn niet meer bewust.

 

3.

Blijvend zullen wij u missen,
missen ‘t voorbeeld uwer trouw;
maar om ‘t nemen, ‘s Vaders geven
wij voorbij niet zien in rouw.

 

4.

Ziend’ op u, op uw geloven
in uw Heer, de Christus Gods,
doe steeds meer uw beeld ons bouwen
enig op der eeuwen Rots.

 

5.

In uw Koning rust gij veilig,
eng’len waken voor uw stof;
eng’len zullen ons herenen
eeuwig in Gods hemelhof.

 


1.

Als ‘t veldgebloemt, dat ‘s morgens geurt

en ijlings op zijn stengel treurt
en wegdort, wordt door ‘t doodsgeweld
zo menig teder kind geveld.

 

2.

De Heer neemt naar Zijn liefderaad
de kleinen weg, eer hun het kwaad,
in ‘t van nature onrein gemoed,
zijn overmacht gevoelen doet.

 

3.

Zij nimmer boos ons hart en oog
omdat Gods liefde hen onttoog
aan al de strijd, die wij doorstaan;
wat God doet, dat is welgedaan.


1.

Er rest een troost als ‘t harte bloedt

om ‘t missen onzer doôn;
de hoop, die ‘t neergedrukt gemoed
het wederzien aanschouwen doet
voor ‘s Vaders liefdetroon.

 

2.

‘t Geloof ziet door de tranen heen
op der getrouwen loon,
op ‘t heil, dat in Gods Zoon verscheen,
en kent zijn dierb’ren lotgemeen
met Hem voor ‘s Vaders troon.

 

3.

De Heer, die ons is voorgegaan,
draagt voor ons staf en kroon;
Hij, uit de doden opgestaan,
nam zondaars zich tot broeders aan

en wacht ons voor Gods troon.

 


1.

Zalig weerzien voor altijd,
kroon ons op de levensstrijd,
welk een balsem schenkt ge ons hart
bij de pijn der scheidenssmart.

 

2.

Wederzien, — volheerlijk woord,
‘t allen weerzien in het oord,
waar ons loflied nimmer endt;
zalig wie Uw voorsmaak kent.

 

3.

Uw verschijnen schonk, o Heer,
aan der Uwen rouw een keer,
zo wilt ons ook troost Gij biên
in de hoop op wederzien.

 

4.

Heiland, die dezelfde zijt
gist’ren heden, t’ allertijd,
‘t hart weent zonder hope niet,
dat in U op ‘t weerzien ziet.

 


1.

Dag van oordeel, van beslissing
van der mensen eeuwig lot;
dag van sidd’ren en verschrikking,
dag van stoorloos heilgenot;

zalig allen, die in Christus
dan verzoend zijn met hun God.

 

2.

Onze Heer is ‘t, Jezus Christus,
hier aan ‘t hout des vloeks gedood,
maar nu komend op de wolken
als des Vaders troongenoot,
hun ten leven, die geloofden,
maar hardnekkigen ten dood.

 

 3.

Op Zijn woord, ontwaakt gij doden,

opent zich der graven mond,
geeft de zee de doden weder,
die haar diepe kolk verslond;
en met beven wachten allen
‘s Rechters oordeel in die stond.

 

4.

Zalig, zalig, wie geloofden
in de dag der zaligheid;
met verheugen zien hun Koning
zij bekleed met majesteit,
en zijn woord is: “gaat, getrouwen,
tot Mijn vreugd in, die u beidt.”

 


 

1.

O Jezus! dat ik nooit vergeet,
dat G’ over alles, wat ik deed,
hierna de Rechter eens zult wezen;
opdat ik hier, bij elke plicht,

bij ieder werk, door mij verricht,
Uw uitspraak afwacht’ zonder vrezen,
en juich’, daar ik Uw toekomst eer:
kom, Jezus! ja kom haastig, Heer!

 

2.

Mijn Heiland! dat Uw toekomst mij
tot troost in mijne loopbaan zij;
tot baak en richtsnoer van mijn handel,
ter noordstar, die mij veilig leidt
op mijne reis naar d’ eeuwigheid;
opdat ik als een wijze wandel’.

en juich’, daar ik Uw toekomst eer:
kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer!

 


1.

De tijd genaakt, dat Sions psalm
weerklinken zal met blijde galm,
naar ‘t woord de zieners eens betrouwd:
God zelf heeft ons een stad gebouwd,

God zelf heeft ons een stad gebouwd.

 

2.

Ontsluit u, poorten, laat de Heer,
uw heil’ge Koning, in met eer
Zijn dienaars volgen. Eng’len, groet
die schare; juicht hen in ‘t gemoed,

die schare; juicht hen in ‘t gemoed.

 

3.

Rechtvaardigen, verlost geslacht,
rein in uw Vorst, die ‘t al volbracht
wat u verzoend heeft met uw God,
gaat in tot eeuwig heilgenot,

gaat in tot eeuwig heilgenot.

 

4.

Heer, van Gods tempel hoekgesteent,

in U leeft, wortelt Uw gemeent’;
met God herenigd door Uw bloed,
beidt zij uw komst met jubelgroet,

beidt zij uw komst met jubelgroet.

 


1.

Reeds verkondt de top der bergen.
Dat de nacht ten einde spoedt,
enkel goud is reeds hun sneeuwkruin,
badend in der zonnegloed;

‘t is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.
‘t Is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.

 

2.

Dierb’re Heiland, lang verwachte,
o hoe heuglijk, welkom is
aan Uw kruisgemeente ‘t teken
na zo lang en droef gemis;
‘t maakt ons harte
van Uw naad’ring meer gewis.

‘t Maakt ons harte
van Uw naad’ring meer gewis.

 

3.

Ver van U is ‘t koud en duister,
worstelen in angst en pijn;
U nabij kent onze ziele
enkel vreugde en zonneschijn;
o hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!
O hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!

4.

Maar het daagt reeds, en wij naad’ren

tot Uw gloriedag steeds meer,
als Gij d’ Uwen zult doen delen
in Uw heerlijkheid en eer;

dierb’re Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.
Dierb’re Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.

 

5.

Broeders, houdt uw lampen brandend,

dat geen sluimer u bevang;
laat ons samen biddend waken,
ook al toeft de Bruigom lang,
welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.

Welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.

 


1.

Waak, want uw tijd is kort;
haast is uw dag voorbij;
waak, want uw vijand loert

spiedend uw zwakke zij;
zwak zijn uw vlees en wil;
zoek bij de Heer uw kracht;
enig door Hem weerstaat,
Christen, gij ‘s vijands macht.

 

Koor:

O waak . . . . en bid . . . .
o waak en . . bid, . . .
o waak in het duister en waak in het licht;
Christen, waak en bid.

 

 

2.

Geef aan geen sluim’ring toe,
vrees twijf’lend ongeloof;
hoe u de vijand vlei,

houd hart en oren doof;
waak, Christen, waak en bid,
voor u waakte eens de Heer;

denk aan Gethsemane;
uw trouw zijn is Zijn eer.

 

3.

Houd Jezus’ hand gevat;
in Hem is veiligheid;
door Hem in ‘t vaderhuis
u plaats en vreugd bereid.
Ga, druk des Herders spoor,
Hij baande ‘t met Zijn bloed,
en schenkt, wie waakt en bidt,
eens ‘s hemels eeuwig goed.

 

1.

Wachter, die op Sions muren
‘t komen van de morgen wacht,
kunt gij moed in ‘t hart ons spreken,
zeg, wat is er van de nacht?
Heeft de schemer

hoop op uitkomst reeds gebracht?
Heeft de schemer
hoop op uitkomst reeds gebracht?

 

2.

Zeg, o zeg ons, mag de branding,
om ons scheepje aan elke zij,
ons een blijde boodschap wezen;
zijn wij ‘t vaste land nabij?

Zeg, is ‘t waarheid,
naderen de haven wij?

Zeg, is ‘t waarheid,
Naderen de haven wij?

 

3.

Trouwe wachter, wij begroeten
met u ‘t welkom kerend licht;
niet meer verre is reeds de haven,
‘t land der ruste ons in ‘t gezicht;

moedig, strijders,
op de haven koers gericht.

Moedig, strijders,
op de haven koers gericht.

4.

God was ‘t die de rechte richting

schonk aan onze ranke boot,
die in nacht en noodweer waakte,
ons behoedde in ied’re nood;

make ons danklied
eeuwig onze Redder groot.

Make ons danklied
eeuwig onze Redder groot,

 


1.

Wachter, zeg ons, breekt de morgen

haast voor ‘t beidend Sion door.
Zaagt gij in het Oost reeds teek’nen
van een eersten morgengloor?
Heil u, pelgrims, ziet rondom u,

hoe de neev’-len opwaarts gaan;
gordt uw lend’nen, stemt een lofzang,
juicht: “de dageraad breekt aan.”

 

2.

Juich, gemeente, zie de lichtglans,
‘t oosten, dat in goud zich baadt,
bode van de komst uws Konings
van des Godsrijks dageraad.
Wat de profetie verkondde,
ziet straks uw geloof vervuld,
‘s Vaders raad tot uw verlossing
in zijn heerlijkheid onthuld.

 

3.

Zalig, zalig, wie mag ingaan
in des Konings vreugdestad,
die, schoon hier Hemzelf niet ziende,
dankbaar Hem heeft liefgehad.
Daar geen nacht, geen zon, geen tempel,
waar God zelf het alles is,
en zijn gunstgenoten delen
in huns Konings erfenis.

 


 1.

Wij weten het uur niet, dat Jezus ziet keren;
toch kunnen de teek’-nen der tijden ons leren,
dat dra komt de dag van des Konings regeren;
maar zijn tijd weet niet één.

 

Koor:

Ziet, Hij komt! laat ons toezien en waken,
ziet, Hij komt! Halleluja! Halleluja!
Heil, dan zullen de Zijnen

de bruiloftsvreugd smaken,
maar Zijn tijd weet niet één.

 

2.

Zijn licht straalt op hen, die hun Koning erkenden;
meer licht zal in teek’-nen der tijden Hij zenden
voor hen, die Zijn werk in geloof hier volenden;
maar Zijn tijd weet niet één.

 

3.

Blijft waken en bidden en steeds Hem verbeiden;
blijft steunen op ‘t Woord, dat Hij sprak bij Zijn scheiden;
laat elk dan zich wakend en biddend bereiden;
maar Zijn tijd weet niet één.

 

4.

O blijft dan toch steeds op uw Koning hier wachten;
Hij geeft zijn getrouwen vernieuwing van krachten.
Zijn licht straalt hun toe in de donkerste nachten;
maar Zijn tijd weet niet één.


1.

Het oordeel is daar, Gods boek ligt ontsloten;
wat zal het deel zijn, dat ons beidt,

als ied’re daad en woord en denken
‘t lot beslist voor d’eeuwigheid?

 

Koor:

Wat zal het lot zijn, dat, ons beidt?

Hoe zijn wij voor die stond bereid?

Behoren w’ onrein nog ons zelven,
of rein de Heer voor d’eeuwigheid?

 

2.

Werd Jezus’ verlossing ‘t deel onzer harten?
Zijn van verzoening w’ ons bewust?
Is ‘t Vaderhart, de liefde des Vaders
weer ons deel; wacht ons Zijn rust?

 

3.

Klem vast dan aan ‘t kruis met dankbaar geloven,
broeders, ons geldt ook Jezus’ bloed,
dat ons bereidt de hoop des levens,

die in God ons roemen doet.

 


1.

In wat tijd, hoe groot en heerlijk
zagen wij het levenslicht,
is dit niet het eind der eeuwen,
voorboô van het godsgericht?
Zie de natiën ontwaken,
Israël vraagt naar zijn Heer
‘t schepsel zucht! Spreekt niet reeds alles,
Jezus van Uw wederkeer?

 

2.

Gord, gemeente, uw wapenrusting
om de leên, tot feller strijd;
helm en borstplaat schild en slagzwaard
toon, wiens erve en deel gij zijt
als uw Vorst zijn heirmacht monstert,
ziet Hij ieder onzer ‘t aan,
dat het eer ons is en vreugde
onder zijn banier te staan.

 

3.

Ook de boze spitst ten krijg zich;
‘t voorgevoelen van zijn val
doet hem worst’len tot vermeerd’ren
van zijn slinkend strijd’ren tal;
machtigen lokt hij met vleitaal,
zwakken wint hij door zijn list,
waak, gemeente, ‘t is uw ere,
als de hel haar doelwit mist.

4.

Laat de boze u niet verschrikken
door zijn groot en dreigend woord;
sluit uw oor voor d’ aartsbedrieger,
sta hem, waar hij zielen moordt.
Jezus heeft zijn macht gebroken

aan zijn heersen perk gezet;
vrees de slang niet, met haar listen
weldra wordt haar kop verplet.

 

5.

Waak, gemeente, tone uw strijden,

wiens banier en naam gij draagt;
dat ‘t nabij zijn aan uw Koning
de eer is, die gij ‘t vurigst vraagt.
Hore elk onzer ‘t van Zijn lippen,
als eens voor Zijn troon wij staan:

“wees Mij welkom, gij getrouwe,
Wat gij deed, was wel gedaan.”

 


 

1.

Wij wachten U, o Zoon van God!
O wil toch haast verschijnen!
Dan delen wij in ‘t heerlijkst lot
en zal ons leed verdwijnen.

Die U gelooft,

verheft het hoofd,
U, Heiland, vrolijk tegen,
Gij komt met rijke zegen.

 

2.

Wij wachten U; Gij hebt ons. Heer!
Het hart reeds ingenomen.
Uw woord verklaart ons telkens weer,
dat Gij welhaast zult komen.
Dan zullen wij

aan Uwe zij
in ‘t eeuwig, zalig leven,
U lof en ere geven.

 

3.

Wij wachten U, Gij komt gewis!
Haast is de tijd verschenen,
dat Gij, naar Uw beloftenis,
met U ons zult verenen.
Als w’ U dan zien
en hulde biên,
dan is ook ‘t aardse lijden
verwisseld met verblijden.

 


1.

Dat elke lamp nu helder licht,
de donkerste ure nadert,
waarin de Koning ten gericht
de volkeren vergadert.

 

Koor:

Geeft, allen, die de Heer verwacht,

dan op uw kleed en feestlamp acht

reeds ver verstreken is de nacht;

haast zal uw Koning komen.

 

2.

Al slapen duizend om u heen
en weten niet van waken,
‘t mag ons, wien hoger licht bescheen
niet traag of zorg’loos maken.

 

3.

Waakt dan, de Bruigom is niet ver,

haast zal Zijn stem ons troosten;
reeds lonkt ons toe zijn gloriester
in ‘t heilverkondend oosten.

 


1.

O blijde dag, als ‘s Heren woord
tot in de graven wordt gehoord,
en Zijner heil’gen priesterstoet

Hem tegengaat met jubelgroet.

 

Koor:

Blijde dag, blijde dag,
die biddend, wakend ingewacht,
de strijd verzoet, het leed verzacht,
Gij kent geen zonde, dood of nacht;
blijde dag, blijde dag,

welzalig, wie in hope U wacht.

 

2.

O blijde dag, wanneer weer d’ aard’

een glans en luister openbaart,
als eens bij heilig morgenrood
haar Eden ter aanschouwing bood.

 

3.

O blijde dag, als aller mond
weer ‘s Allerhoogsten lof verkondt,
en, één in Christus, in hun lied
met kinderhart Hem hulde biedt.

 

4.

O blijde dag, gemeente, beid
die morgen uwer heerlijkheid,
als die, door ‘s Vaders Zoon bevrijd,
nu burgers reeds van ‘t Godsrijk zijt.

 


1.

Nog luttel jaren meer
en pelgrimskleed en staf
wisselen wij voor feestgewaad
en gouden kronen af.

 

Koor:

Houd daarom mij, o Heer,
voor Uwe komst bereid,
en vorm mij naar Uw heilig beeld
voor ‘s hemels zaligheid.

 

2.

Nog luttel malen keert
na ‘t werk voor ons de nacht,
en breekt voor ons een morgen aan
met nooit gestoorde pracht.

 

3.

Nog luttel hitte en storm
en door de branding landt
ons vaartuig aan de veil’ge kust
van ‘t hemels bloemrijk strand.

 

4.

Nog luttel worst’lens hier
bij bange scheidenspijn,
en sabbatsrust en wederzien

zal ons ten erfdeel zijn.

 

5.

‘t Is slechts een korte wijl
en Hij, die voorging, keert,
en aard’ en hemel huldigt

Hem, De Heer, Die ‘t al regeert.

 



1.

Gemeente juich, uw Koning leeft
tot eeuw’ge heerschappij;

juich, waar uw lied Hem ere geeft:
Zijn komen is nabij!

Juich, waar uw lied Hem ere geeft:
Zijn komen is nabij!

 

2.

Al weten wij ook d’ ure niet,
die ‘t luchtruim scheuren zal,
Hij komt; vermeld het in uw lied,
als Koning van ‘t heelal.

Hij komt; vermeld het in uw lied,
als Koning van ‘t heelal.

 

3.

Dies klinke ons lied met blijde galm;

gemeente, ‘t geldt Zijn eer.
Der wereld melde uw koningsplan
uw wachten op uw Heer.

Der wereld melde uw koningsplan
uw wachten op uw Heer.

 

4.

Hij komt, uw Heer, uw Bruidegom;

wacht Hem met vreugdbetoon!
Als Bruid geeft in Gods heiligdom
Hij plaats u op Zijn troon.

Als Bruid geeft in Gods heiligdom
Hij plaats u op Zijn troon.

 


1.

‘t Kan zijn in de morgen bij ‘t zwichten van ‘t duister.
Als ‘t zonlicht de neev’len verdrijft door zijn luister.
Dat Jezus terugkeert, en Hij ied’ren kluister
der zijnen voor altijd verbreekt.

 

Koor:

Jezus, Heiland, hoe lang, hoe lang,

eer U ons feestgezang

tegen jubelt: halleluja! halleluja! amen,

halleluja! amen.

 

2.

‘t Kan zijn op de middag of als reeds bij ‘t dalen.
De zon ‘t west verguldt met haar gloeiende stralen
dat Jezus Zijn grens stelt aan ‘t zwoegen en dwalen
Zijns volks in de rust hun bereid.

 

3.

O blijdschap, dan dreigt ons geen smart meer of sterven.
Dan zullen Gods strijders hun eerkroon verwerven.
Als God met Zijn Zoon ons de vreugde doet erven
die ‘t kruis onzes Konings bekroont.

 


1.

Wanneer zal ‘k U aanschouwen,
mijn Jezus, trouwe Heer,
en ook mijn zangtoon mengen
in ‘t loflied U ter eer.
Wanneer als een verloste
van ‘s werelds ijdelheid,
volop de heilstaat kennen
mij door Uw kruis bereid?

 

Koor:

Zoet is Gods rust omhoog
in het blijdst morgenrood;
zoet is ‘t rusten,

zoet is ‘t rusten
zoet is God’s rust omhoog.

 

2.

Wanneer klinkt de bazuine,
die Uwe komst vermeldt,
de doden in hun graven

ontrukt aan ‘t doodsgeweld;
als die in U ontsliepen
ontwaken op Uw stem,
en als Uw volgers ingaan
in ‘t nieuw Jeruzalem.

 

3.

O blijde, zaal’ge ure,
als Jezus’ stem ons wekt
en Hij aan zijn gemeente
Zijn heerlijkheid ontdekt;
als zij, het Lam ter ere

mag zingen ‘t nieuwe lied,
dat Hem in blijde koren
voor eeuwig hulde biedt.


1.

Hoelang, o Heer en Koning,
toeft Gij, Uw wederkeer
is ‘t biddende verlangen
der Uwen meer en meer.
Mocht haast die heilstond dagen,
de U afgebeden tijd,
die komend Uw gemeente
Voor de eeuwigheid verblijdt.

 

2.

Hoelang, geliefde Meester,
duurt nog het droef gemis
van ‘t weder U aanschouwen,
dat zaligheid ons is?
Zo zwak, zo licht bewogen
is onze trouw, o Heer,
dies zuchten vol verlangen
wij naar Uw wederkeer.

 

3.

Wek onze trage harten
tot heilig ijvervuur,
opdat wij biddend waken
U wachtend te aller uur.
Voor ons hebt Gij doorleden

versmaadheid, angst en pijn,
daarom moogt, Heer, G’ ook toeven,
wij zullen wakker zijn.

 



1.

Hoe zal ik U ontvangen,
hoe wilt Gij zijn ontmoet,
o, ‘s werelds hoogst verlangen,

des sterv’lings zaligst goed?
Dat ons Uw geest verlichte!
Houd zelf de fakkel bij
die, Heer, ons onderrichte
wat U behaaglijk zij.

 

2.

Uw Zion strooit U palmen
en twijgen voor de voet,
en ik breng U in psalmen,

mijn jubelende groet;
mijn hart zal ‘t feestkleed dragen,
van altijd jeugdig groen,
en van Uw lof gewagen,
zoveel mijn lied kan doen.


 1.

Kom, Heer Jezus, lang verwachte,
zalig maken is Uw eer;

‘t Hart, dat naar Uw komen smachtte,
vindt in U zijn vrede weer.

Abrams zegen, Jacobs sterre,
keerpunt van der Heid’nen smart,
meest begeerde na en verre,
troost van ‘t Gode zoekend hart.

 

2.

Is Uw ere zaligmaken,
Koning zijn in heerlijkheid,
doe die eer, die macht ons smaken,
kom en heers in majesteit!
Laat Uw Geest ons zo bedeeld zijn,
Heiland, Gods- en mensenzoon,
dat wij eens Uw kroon en beeld zijn,
deelgenoten van Uw troon.

 


1.

Wanneer, o zult gij komen,
gij dag der heerlijkheid,
als ons aan Edens stromen

weer zelf de Herder weidt?
Daar is de grens der smarte,
daar woont geen angst of rouw,

daar baadt zich oog en harte
in Jezus’ liefdetrouw.

 

2.

Daar zijn de groene dalen
vol kleur en geur en glans,
daar enkel zonnestralen
aan onbewolkten trans.
Daar siert een koningskrone,
daar ‘t sneeuwwit priesterkleed,
wie één met ‘s Vaders Zone
Zijn schande en smaadheid leed.

 

3.

Gemeente, welk ontmoeten
wacht daar ons in de dag,
als aan des Herders voeten

Zijn kudde rusten mag.
Heer, eer die dag des feestes
verschijnt in heerlijkheid,
maak, vol des Heil’gen Geestes,
ons voor uw komst bereid.

 


 

1.

Een korte wijl nog en de Heer
komt op de wolken tronend weer,
en leidt ons in de heerlijkheid,
waar Hij een plaats ons heeft bereid.

 

2.

Een korte wijl nog, — ernstig woord,

Zijn kloppen aan des harten poort,
opdat bij waken en gebed
de bruid op ‘s Bruigoms komen let.

 

3.

Een korte wijl nog, — ieder uur
verkort des wachtens moeite en duur,
en zalig is de vreugd gesmaakt
door wie ten eind toe heeft gewaakt.

 

4.

Een korte wijl nog; — Jezus kom,
leid ons in ‘s hemels heiligdom;
ons hart, dat vol verlangen beidt,
dorst naar Uw komst en heerlijkheid.

 


1.

De Heiland roept; gemeente, hoor,
wees op Zijn komst bereid;
volg op Zijn kruisweg, in Zijn spoor
het pad der heerlijkheid.

 

2.

Nog heerst in schijnmacht ‘s werelds trots;
haast is haar rijk gedaan

en breekt voor ons de heildag Gods,
de vreugd des hemels aan.

 

3.

Heer Jezus, kom, Immanuel,
dien Uw gemeente beidt;
Uw zegepraal op dood en hel
is onze zaligheid.


1.

Dreunen zal eens ‘t feestgeluid,
als zich ‘t luchtgewelf ontsluit,
en d’ archangel doet verstaan:
Jezus komt, zijn dag breekt aan,

Jezus komt, zijn dag breekt aan.

 

2.

Dan meldt, bij ‘t bazuingeschal,
‘t lied der eng’len aan ‘t heelal,
dat Gods Zoon in ‘t eeuwig licht,
Zich het rijk des vredes sticht,

Zich het rijk des vredes sticht.

 

3.

Zalig, wie Zijn reddend Woord
tot behoud en vrede hoort;
‘s Konings komst in majesteit,
kroont ook Hem met heerlijkheid,

kroont ook Hem met heerlijkheid.

 

4.

Juicht, verlosten door Gods Zoon,

Zijn genâ schenkt u de kroon,
en in ‘t nieuw Jeruzalem,
heerst voor eeuwig gij met Hem,

heerst voor eeuwig gij met Hem.

 


1.

Jezus, Heer der heerlijkheid,
Uw gemeente bidt en pleit;
och, verhaast de blijde stond,
die Uw zegepraal verkondt.

 

2.

Al het schepsel zucht en smacht;
Uw gemeente waakt en wacht;
kom, Heer Jezus, kom, regeer,
kom ten oordeel haastig, Heer.

 


1.

Haast komt de Heer, heft op uw hoofd,

gij allen, die in Hem gelooft;
klaag, zuchtend schepsel, klaag niet meer,
uw morgen daagt, haast komt de Heer.

 

2.

Haast komt de Heer! Heil, wie dan staat

in ‘t rein gehouden feestgewaad,
zijn lampe brandend, bij de maar:
“De Bruigom komt, de Heer is daar!”

 

3.

Haast komt uw Koning; bidt en waakt,

gij, die Zijn goedheid hebt gesmaakt,
maak eeuwig u Zijn woord verheugd:
“gaat in getrouwen tot mijn vreugd.”

 


1.

Juich, aarde, juich, de Koning komt,

de Christus Gods keert weer,
bereid uw hart, gemeente, juich
en wacht als bruid uw Heer,

en wacht als bruid uw Heer,
en wacht als ‘s Konings bruid uw Heer.

 

2.

Juich, aarde, juich. Hem is het rijk,

Hij komt als Vredevorst;

gemeente, die Hem liefhebt, juich,
en zing uit volle borst,
en zing uit volle borst,
en zing zijn lof uit volle borst.

 

3.

Voor doorn en distel groenen nu
gebloemte en dadelpalm;
in huis en hof zing jong en oud
een blijde koningspsalm,
een blijde koningspsalm,
Zijn naam een blijde koningspsalm.

 

4.

Dan nergens leed meer of verderf,
maar liefde en heiligheid,
als over de aard’ de kennis Gods
alom is uitgebreid,
alom is uitgebreid,
tot al wat leeft is uitgebreid.

 


1.

Hef uw bazuin nu en luid schal het uit:

Jezus komt haastiglijk weer!
Waakt op, gij pelgrims, verkondt het besluit:
Jezus komt haastiglijk weer!

 

Koor:

Haastiglijk weer, haastiglijk weer,

Jezus komt haastiglijk weer!

 

2.

Bergen en dalen, weerschalt het alom:

Jezus komt haastiglijk weer!
‘t Lam van voorheen keert als Koning weerom:
Jezus komt haastiglijk weer!

 

3.

Bruisende zeeën, verkondt het met kracht:

Jezus komt haastiglijk weer!
Ja, Hij verschijnt straks met engelenmacht:
Jezus komt haastiglijk weer!

 

4.

Bevende aard’, kondt de boodschap ook mee:
Jezus komt haastiglijk weer!
Huilende stormwind, zegt landen en zee:
Jezus komt haastiglijk weer!

 

5.

Jezus’ gezanten verkonden het woord:

Jezus komt haastiglijk weer!
Overal dringt thans de blijmare voort:
Jezus komt haastiglijk weer!

 


1.

De Koning komt, dus zij dit woord
al onzer psalmen vreugdakkoord;
bij scheiden en bij wederzien
zal die verwachting troost ons biên.

 

2.

De Koning komt, o zegt dat voort
van oost tot west, van zuid tot noord,
moet die verwachting zonneschijn
in aller hart en leven zijn.

 

3.

De Koning komt, gij heil’gen, juicht,

zingt tot Zijn glorie en getuigt,
dat Zijn verneed’ring tot op ‘t kruis
de weg ons baant naar ‘t Vaderhuis.

 

4.

De Koning komt, ja Jezus, Heer,
wat om ons wissel en verkeer,
in banden en in stervenspijn
zal dit Uws volks triumfkreet zijn.

 



1.

Vol verwachting blijf ik uitzien,
tot die dag eens dagen zal,
dat de Heiland op de wolken
weerkomt met bazuingeschal.
Welk een vreugde zal het wezen
als mijn oog Hem schouwen mag,
en mijn oor Zijn stem zal horen
Op die grote, blijde dag!

 

Koor:

Welk een uitzicht, Bruidsgemeente!

Eeuwig Hem ten eigendom.
“Maranatha” blijv’ ons wachtwoord,
“Amen, ja Heer Jezus, kom!”

 

2.

Al de teek’nen onzer dagen
zeggen mij: de komst genaakt
van de Bruigom, Die zijn liefste
tot zich roept en haar volmaakt.

O, hoe blijde zal ik wezen,
op te trekken met die stoet,
juichend, met ontelb’re zaal’gen,

onze Bruigom tegemoet

 

3.

O, soms voel ‘k een sterk verlangen,

heimwee in mijn hart ontstaan;
‘k vraag mij af dan, dierb’re Heiland,
zijt Gij reeds op weg gegaan?
Neen, het zal niet lang meer duren:
Hij verlangt nog meer dan wij.

Maranatha! blijve ‘t wachtwoord
voor een elk, maar ook voor mij.

 


1.

O wat wonderschoon land trekt omhoog

door zijn lichtglans ons hart toch en oog,

als de ziel in haar kommer en nacht
naar verlossing en zaligheid smacht.

 

Koor:

Ja, weldra doet genâ
ons aanschouwen dat heerlijke strand;
ja, weldra leidt genâ,
ons als Gods kind’ren in t vaderland.

 

2.

Ons tehuis is dat land daar omhoog,

wat vergank’lijk ontzinken ons moog’
nooit het deel, dat geloof in Gods Zoon
ons verzekert in ‘t licht voor Zijn troon.

 

3.

Oog en hart dan voor immer omhoog,

waar vooruit onze Koning reeds toog.
Hij, verwinnaar, heeft daar ons bereid
‘t eeuwig heil, dat Gods kinderen beidt.

 


1.

Leen het oor aan mijn zang, aan een lied van het land
waar Jezus ons plaats heeft bereid;
waar Hijzelf, onze Vorst, aan het bloemrijke strand
met de feesttooi der heem’len ons beidt,
met de feesttooi der heem’len ons beidt;
waar Hijzelf, onze Vorst, aan het bloemrijke strand

met de feesttooi der heem’len ons beidt.

 

2.

‘k Heb dat land, huis mijns Gods, waar mijn Heiland zijn troon
op edelgesteent’ heeft gesticht,
als gezien door ‘t  geloof en beluisterd de toon
van de zang zijner kind’ren in ‘t licht,
van de zang zijner kind’ren in ‘t licht;
als gezien door ‘t geloof, en beluisterd de toon
van de zang zijner kind’ren in ‘t licht.

 

3.

Er is plaats in dat huis ook voor u en voor mij,
waar Jezus gebied voert met macht;
waar de Heer Zijn verlosten, voor eeuwig daar vrij,
als Zijn broeders met heerlijkheid wacht,
als Zijn broeders met heerlijkheid wacht;
waar de Heer Zijn verlosten, voor eeuwig daar vrij,
als Zijn broeders met heerlijkheid wacht.

 

4.

O hoe goed zal ‘t ons zijn in de ontelbare schaar,
die eenmaal daar Jezus omringt,

als ons hart, zonder vrees meer voor strijd of gevaar,
‘t halleluja der zaal’gen Hem zingt,

‘t halleluja der zaal’gen Hem zingt;
als ons hart, zonder vrees meer voor strijd of gevaar,
‘t halleluja der zaal’gen Hem zingt.

 


1.

Tehuis, o welk een dierbaar woord!

Tehuis, o welk een lieflijk oord!
Niets kan mij toch zo zeer verblij’n,
dan eeuwig bij de Heer te zijn!

 

2.

Al houdt mij hier in ‘t vreemde land

omvangen menig liefdeband,
toch roept mijn hart, hier ‘t leven moe:
naar huis! naar huis! naar Jezus toe!

 

3.

En valt de weg naar huis soms lang?

Klopt mij het harte moe en bang!
O zeg, mij klinkt ‘t dan keer op keer:
ben ‘k ver van huis nog van mijn Heer?

 

4.

Tehuis, daar wenst mijn hart te zijn,

tehuis, bevrijd van zorg en pijn.
Bevrijd van ziekte, zond’ en schuld,
waar ook geen spot meer wordt geduld.

 

5.

Naar huis! roept ‘t heimweezieke hart,

daar lenigt Jezus alle smart!
Naar huis! doch stil, mijn hart, zwijg stil,
naar huis! alleen als God het wil!


1.

Meer kome, o God, Uw koninkrijk!
Dat meer U de aard gehoorzaam blijk,
zich buigend voor Uw hoog gezag,
is, Heer, ons bidden dag aan dag.

 

2.

O blijde dag, als eens ons lied
met d’ eng’len jubelt: ‘t is geschied.
De Christus heerst, in liefde vrij
buigt alles voor Zijn heerschappij.

 

3.

Haast komt Hij heerlijk, ‘s Mensenzoon,

dan kerend op zijn wolkentroon,
en leidt als heilig Godsgezin,
in ‘t Vaderhuis Gods kind’ren in.

 

4.

Gemeente, ken, roem in uw lied

uw deel in Christus’ rijksgebied:
toon uw geloof bij kruis en strijd,
wiens naam gij draagt, wiens volk gij zijt.

 



1.

Zal ‘k u weerzien bij de springbron,

bij des Heren heilfontein,
onder Jezus’ uitverkoor’nen,
en in Hem, uw Koning, rein?

‘k Weet, dat daar de eng’len wonen,
die mij ‘t welkom zullen biên;
‘t welkomstlied klinkt bij de springbron,

zal ik dáár u wederzien?

 

Koor:

Ja, ik volg u naar de springbron.

Naar des Heren heilfontein.
Ja, ik volg u naar de springbron,
God geheiligd vrij en rein.

 

2.

Zal ‘k u weerzien bij de springbron,

waar, na ‘s levens laatste nacht,
voor de hemel weergeboren,
weerzien en herkennen wacht?
Zoeter zal mij ‘t loflied klinken,

van der zaal’gen jubelkoor,
als ik in de heil’ge reien,
psalmend ook uw danktoon hoor.

 

3.

Zal ‘k u weerzien bij de springbron,

met u nad’ren hand aan hand,
in de morgen als ons Jezus
welkom heet in ‘t vaderland?

O hoe zalig zal het wezen,
hulde en dank Hem daar te biên!
Broeder, zeg mij, zal bij Jezus,
u, ik ook u, wederzien?

 


1.

Waar vindt toch de ziel eens haar Vaderland weer?
Wie dekt haar met vleug’len beschermend en teer?
Ach biedt nu de wereld geen vrijplaats meer aan.
Waar zonde niet woont en men veilig kan gaan?
Neen, neen! neen, neen! hier is zij niet:
zij blinkt slechts hierboven is ‘t heerlijk verschiet.

 

2.

Hoe zalig de rust, die deez’ lichtstad ons biedt!
Dood, zonden en smarten, — die kent men daar niet.
Het ruisen der harpen, de lieflijkste klank,
verwelkomt de ziel daar in lof en in dank.
Rust, rust! rust, rust! hemelse rust
aan ‘t harte van Jezus! — gij zijt al mijn lust.

 


1.

Eens juicht rondom des Konings troon,

talloos in tal, met feestbetoon
de schaar, door Jezus’ bloed en kruis
gekocht, verlost voor ‘t vaderhuis.
Gekocht, verlost voor ‘t vaderhuis.

 

2.

Verdrukking, schande, kruissmart, haat

was hier hun deel; veracht, gesmaad
om hun getrouwheid aan hun Heer,
wacht nu bij Hem hun eeuw’ge eer.
Wacht nu bij Hem hun eeuw’ge eer.

 

3.

Bij ‘t wand’len in der heem’len licht

zien zij altijd Zijn aangezicht;
En dag en nacht is ‘s Konings lof
hun lied bij nieuwe juichensstof.
Hun lied bij nieuwe juichensstof.

 

4.

Richt, Heer, bevestig onze voet
op ‘t pad, gemerkt ook door hun bloed;
van hun geloofsstrijd deelgenoot
blijk onz’ banier: trouw tot de dood.
Blijk onz’ banier: trouw tot de dood.

 


1.

Er is een blijde kust,
hoog, hoog, omhoog;
daar stralen vrede en rust
uit aller oog.
t Lied van der zaal’gen koor
klinkt daar zacht de heem’len door,
Gods eng’len gaan hen voor
hoog, hoog, omhoog.

 

2.

Zie op dat zalig oord
hoog, hoog, omhoog,
door liefde en hoop ontgloord,
altoos ons oog.
Jaagt naar der helden loon,
of met moed en trouwbetoon
eens ook ons d’ erekroon
Daar winnen moog’.

 

3.

Daar aan die blijde kust
straalt ‘s hemels boog
haar blijdschap, liefde en rust

in ieders oog;
Heer, U verwachten wij,

breng ons dan van zonden vrij,
eens in Gods eng’lenrij
daar, hoog, omhoog.


1.

Er is een land van vrede en licht,
waar nimmer ‘t nachtfloers daalt,
en ‘t Zion, door God zelf gesticht,
een eeuw’ge glans omstraalt;

‘t is morgenrood en lente daar,

‘t zijn bloemen, waar men ziet,
In ‘t land waar ons de Middelaar
voor eeuwig toegang biedt.

 

2.

Vermeerder in ons, Heer, ‘t geloof
in wat Uw liefde wrocht,
opdat ons niets de vrede roof,
zo duur voor ons gekocht.
Doe ons ook als op Nebo staan,
en zien het vaderland,
als kroon ons van Uw lijdensbaan
ten eeuwig deel verpand.

 


1.

Er is een land, een stad omhoog,
die rijzen voor mijn geestesoog,
als biddend aan de voet van ‘t kruis,
Heer, ‘k denk aan U en ‘t vaderhuis.

 

2.

‘t Voor ons verloren paradijs,
mijn Heiland, is voor ons de prijs,
de kroon, die na de worsteling
Uw liefde uit ‘s Vaders hand ontving.

 

3.

De dood en ‘t graf, het Godsgericht,
een toekomst zonder straal van licht,
was ons vooruitzien, toen Uw dood
verloor’nen ‘t Godsrijk weer ontsloot.

 

4.

Nu is ons burgerschap bij U,
de hemel vaderland ons nu;
een wijle nog, dan ziet ons oog
het Zion Gods, de stad omhoog.

 


1.

O denk aan het huis bij de Heer,
aan het oord, waar geen nacht is of leed,
waar Gods heil’gen, hun Koning ter eer,
in het smetteloos wit zijn gekleed.

 

Koor:

Bij de Heer, bij de Heer,
o denk aan het huis bij de Heer,
bij de Heer, bij de Heer,
o denk aan het huis bij de Heer.

 

2.

O loof nu uw Heiland en Heer,
die ons voor is gegaan tot Gods troon,
waar nu ‘t loflied, de Koning ter eer,
Jezus dank zegt op juub’lende toon.

 

3.

In ‘t land onzer rust wacht de Heer,

wachten eng’len en Serafs ook mij;
ja, ook ik zing mijn Koning ter eer,
eerlang in de zalige rei.

 

4.

Hoe goed, o hoe zalig, mijn hart,
dat de tijdstroom ten einde haast spoedt;
dat ‘k ontsterf’lijk, ontworsteld aan smart,
U dan heilig en zalig ontmoet.

 


1.

Schoon als de hof was van Eden,
pas uit des Makers hand,
zó zal de wildernis bloeien,
spreidend haar geur door ‘t land.

 

Koor:

Kom, o gij dag aller dagen,
lang door Gods volk verbeid;
hoe dikwerf te midden der moeiten,
hijg ik naar Uw zaligheid.

 

2.

Kreupelen zullen dan springen,
doven weer spraak verstaan;
blinden de lichtglans aanschouwen,
blijde in ‘s Heren daân.

 

3.

Dan zal de tonge des stommen
zingen een jubellied;
allen hun danktoon doen horen,
ere zij Gods gebied.

 


 

1.

Hoe zal ‘t mij zijn, als Jezus’ stem ik horen,
als in Zijn oog ik dankbaar staren mag;
volzalig dan in Hem, die mij verkoren,

ten feest gewijd heeft voor Zijn bruiloftsdag.

 

2.

Als engelen en zaal’gen hoogtij hou’en,

omdat Gods Zoon, der mensheid middelaar,

Zijn volk, de vrucht Zijns kruises mag aanschouwen
voltallig in hun niet te tellen schaar.

 

3.

‘t Blijft schemer hier, en stil maar zeker hopen,
als in gebed het hart omhoog zich richt,
maar eerlang gaat voor mij de deur ook open
en baad ik mij in ‘t volle hemellicht.

 

1.

Vanwaar die schaar, die brede rij,
die eens Johannes zag,
in vorstendos en feestkledij
gekroond ten jubeldag?

 

2.

Sneeuwwit was aller lang gewaad,
van ‘t zuiverst goud hun kroon,
verlosten naar Gods vrederaad
en ‘t erfdeel van Gods Zoon.

 

3.

Verdrukking, onverpoosde strijd,
in kloek geloof doorstaan,
deed, zegepralend nu door ‘t kruis,
hen tot hun Koning gaan.

 

4.

‘t Was moeite hier en enkel rouw,
versmaadheid, kruis en schand’,
maar helden tot de dood getrouw,
kroont nu hen ‘s Konings hand.

 

5.

Gemeente, ken en roem uw deel
volg en heb lief uw Heer;
zwaar zij uw strijd, uw lijden veel,
haast wacht u eeuw’ge eer.

 


1.

Eng’len wachten ons bij ‘t komen
op het heerlijk hemels strand.
Leiden langs de levensstromen,
juub’lend ons in ‘t vaderland.

Juub’lend wachten eng’len koren;
met hun harpen in de hand
doen ze in volle tonen horen
‘t welkomstlied in ‘t vaderland.

 

2.

In der heem’len blijde dalen
door de Gods rivier besproeid.
Waar in eeuw’ge zonnestralen
rijk de boom des levens bloeit.
Daar wacht rust ons, rust en vrede,
door geen zonde of zorg gestoord,
en ons hart stemt luider mede
in der eng’len vreugdakkoord.

 


 

1.

Wij hebben hier geen stad, die blijft,

geen schat of ere, die beklijft,
maar, vreemden, zwervers op deez aard,
richt onze voet zich hemelwaart.

 

2.

‘t Jeruzalem, dat boven is,
is onze hoop en erfenis;
vooruit ging ons tot heerlijkheid

de Koning, Die ons plaats bereidt.

 

3.

Heil, stad des vredes, waar Hij troont,

voor eeuwig priestervorst gekroond,
stad onzer hoop, eind aller strijd,
haast schenkt g’ ons vrede voor altijd.

 

4.

Wij hopen, maar wij haasten niet;
Uw werk te doen bij bede en lied
is goed ons, Vader ‘t pand der rust,
die trouwheid wacht aan blijder kust.

 


1.

Heiland, wij zijn hier vergaârd,
om Uw dierbaar woord te horen;
slechts Uw woord kan op deez’ aard
ons de ziel en ‘t hart bekoren;
zij leert zond’ ons overwinnen,
en vernieuwt ons hart en zinnen.

 

2.

Al ons weten en verstand
is door duisternis bevangen,

tenzij uit Uw Geestes hand,
wij het zuiv’re licht ontvangen.
Goed te denken, doen en dichten,
moet Gij Zelf in ons verrichten.

 

3.

Glans van ‘s Vaders heerlijkheid,
licht van ‘t Licht, uit God geboren,
maak ons al te saam bereid;
open Gij ons hart en oren!

Leer ons zingen, spreken, bidden,
Heer, wees Zelf nu in ons midden.


1.

Heer,  Die  ons  leven  hebt  gespaard,
die weer ons in Uw huis vergaart,
wij naadren U met bede en lied
voor ‘t heil, dat ons Uw goedheid biedt.

 

2.

Uw naam te prijzen is ons goed;
och, vure Uw geest in ons gemoed
de liefde, door ‘t U trouw verstaan,
tot immer blijder geestdrift aan!

 

3.

Zo loov’ U Uw gemeent’ om strijd
in daden aan Uw dienst gewijd,
tot U elk hart van zelfzucht vrij,
een welbehaaglijk offer zij.

 


1.

O hoe heerlijk is ‘t en fijn
broederlijk vereend te zijn.
En op onze levensreis,
God te brengen lof en prijs
door Gods heil’ge liefdeband
zijn wij onderling verwant.

Steeds ten dienst voor God bereid.
Dat is onze zaligheid.

 

2.

Op des levens kronkelpaân,
grijpt de een de ander aan,
voorwaarts gaat het dag en nacht
totdat wij de reis volbracht.
Jezus’ goedheid en geduld
is ‘t die ons met dank vervult,
want Hij helpt uit nood en pijn,
en wast ons van zonden rein.

 

3.

Halleluja, prijst de Heer,
zingt Hem psalmen telkens weer,
want Hij is ‘t Die ons bekeert,
en ons vreê en eenheid leert.

Leidt ons trouw aan Uwe hand
naar het hemels Vaderland.
Dank zij U in deze tijd,

lof en eer in eeuwigheid!

 


1.

Heer, Uw gemeente bidt en wacht
vermeerd’ring van geloof en macht,
vernieuwing van de heil’ge gloed,
die door Uw Geest Gij wekt en voedt.

 

2.

Maak ons als Abram tot Uw vriend,
een dienstknecht, die uit liefde dient;
als Paulus, die in boeien zong,
omdat hem, Heer, Uw liefde drong.

 

3.

Maak ons Uw martelaars gelijk,
die lijdend, in U vrij en rijk,
U prezen als hun Heer en God
in vuurvlam en op ‘t moordschavot.

 

4.

Breng, Heer, die oude dagen weer;

doe lijden, strijden U ter eer,
vorm, vol geloof en Heil’ge Geest,
ons voor Uw hemels bruiloftsfeest.

 


1.

Zijn grondslag, Zijn onwrikb’re vastigheden
heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd!
De Heer, die Zich in Zions heil verblijdt,
bemint het meer dan alle Jacobs steden.

 

2.

Men spreekt van u zeer herelijke dingen,

o schone stad van Isrels Opperheer!
‘k Zie Rahab, ik zie Babel, tot uw eer,
bij hen geteld, die mijne grootheid zingen

 

3.

De Filistijn, de Tyrier, de Moren,

zijn binnen u, o Godstad! voortgebracht;
van Zion zal het blijde nageslacht
haast zeggen: “Deez’ en die is daar geboren”.

 

4.

God zal hen zelf bevestigen en schragen,

en op Zijn rol, daar Hij de volken schrijft,

hun tellen, als in Isrel ingelijfd,

en doen de naam van Zions kind’ren dragen.

 

5.

Dan wordt Mijn naam met lofgejuich geprezen;

dan zullen daar de blijde zangers staan,

de speelliên op de harp en cimbel slaan,

en binnen u al Mijn fonteinen wezen.

 


1.

Weer gaan w’uit eigen huis en werk

naar Uwe voorhof, Heer,

en zetten ons aan ‘s Meesters voet

Uw zegen wachtend, neêr.

 

2.

Ook ons ten Herder kent ons hart

U in Uw liefdezorg;

en van verhoring des gebeds

is reeds Uw naam ons borg.

 

3.

Neem weg al wat Uw vadergunst

voor ons verbergen zou,

en strale in volle heerlijkheid

voor ons Uw vadertrouw.

 

4.

Gevoele diep in ons kinderhart

Al wat voor ons Gij zijt,

dan roemen wij in Uw genâ

tot in de jongste strijd.

 



1.

God, enkel licht,

voor Wiens gezicht

niets zuiver wordt bevonden,

ziet ons bevlekt,

met schuld bedekt,

misvormd door duizend zonden.

 

2.

Der sterren pracht

is bij Hem nacht,

hoe hel zij schit’ren mogen,

en wij, belaân

met euveldaân,

wat zijn wij in Zijn ogen.

 

3.

Heer! Waar dan heen?

Tot U alleen,

Gij zult mij niet verstoten,

Uw eigen Zoon

heeft tot Uw troon

de weg ons weer ontsloten.

 

4.

Ja, amen, ja,
op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden:
en door Zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.
 

5.

Wil, U ter eer,
steeds meer en meer

‘t geloof in ons versterken!
Dan zullen wij

gereed en blij,
uit liefde ‘t goede werken

 


1.

Genadig God, wees ons nabij,
maak zelf ons hart bij ‘t luistren vrij
tot een geloven aan Uw woord,
dat Uwe stem aanbiddend hoort.

 

2.

Doe uit ons hart wat U mishaagt,
een zin, die ongeduldig klaagt,
verstrooidheid al wat stug en koud
ons Vader, verre van U houdt.

 

3.

Geef allen helder ons te zien
‘t gevaar dat G’ ons wilt doen ontvliên,
en leer ons vord’ren daag’lijks meer,
in ‘t spoor van Christus onze Heer.

 

4.

Dat, roemend in Uw heilgenâ,
Zijn beeld ons steeds voor ogen sta,
en maak zo in Uw koninkrijk
aan Hem, ons allen, ook gelijk.

 


1.

In Sions tempel klonk eens, Heer,
de psalm uws Isrels U ter eer.
En schonk ontfermend Uw geduld
verzoening hun voor zonde en schuld.

 

2.

Voor ons bestaat geen plek op aard,

waar enig Gij Uw gunst verklaart;
nabij zijt Gij, waar ‘t hart, dat smeekt,
tot U in geest en waarheid spreekt.

 

3.

Aan elke plaats, in ieder oord
toont G’ U een God, die ‘t bidden hoort,
een Vader, die op ons gebed,
al staamlen wij, goedgunstig let.

 

4.

De grijsaard en het teder kind
kent, God, in U zijn beste vrind,
als ziend’ op Jezus en Zijn kruis
Z’ U zien en ‘t wachtend vaderhuis.

 


1.

Onze Vader, zie Uw kindren.
Zijn vergaderd aan dit oord.
Hoor naar onze smeekgebeden,
en verkwik ons door Uw woord.

 

Koor:

Heer, schenk genade ons en licht
van Uw vriend’lijk aangezicht.

 

2.

Schenk Uw rijke zegenstromen,
leid naar Uwe raad ons voort.
Laat Uw Geest, Heer, op ons komen
maak ons levend door Uw Woord.

 

3.

Help ons, Heer, naar Uw genade,
trek ons door Uw liefdekoord.
Wil verlichten onze paden
en vertroost ons door Uw Woord.

 


1.

Hoe lieflijk is Uw huis mij, Heer,
Uw voorhof, wat ik meest begeer,
verlangend naar Uw heilgenot
roept mijne ziel tot U, mijn God.

 

2.

De mus, de zwaluw zoekt Uw huis,
niet angstig zelfs voor ‘t feestgedruis
en bouwt zijn nest bij Uw altaar,
door U beveiligd voor gevaar.

 

3.

Welzalig, wie dat voorrecht deelt,
wie ‘t lieflijk licht Uws aanschijns streelt,
waar, volgers van huns Konings vaân,
zij in Uw rechte wegen gaan.

 

4.

Eén dag is in Uw huis mij meer
dan duizend, waar ik U ontbeer;
de minste er liever, dan gewend
aan d’ overvloed van ‘s bozen tent.

 

5

Gij toch zijt onze hoede en heil,
een bron van zegen zonder peil,
Heer, die het goede nooit onthoudt
aan ‘t hart, dat op Uw liefde bouwt.

 


 

1.

Reeds nu gunt u een voorsmaak God

van ‘t eeuwig heil omhoog,
opdat ons hart naar ‘t vol genot
Zijns huizes dorsten moog,

Zijns huizes dorsten moog.

 

2.

Als ik der duiven vleug’len had,
zo sterk en onvermoeid,
ik snelde naar de vredestad,
waarvoor mijn harte gloeit,
waarvoor mijn harte gloeit.

 

3.

Mijn denken en mijn dorsten is,

te leven bij mijn Heer;
te delen in Zijn erfenis,
des hemels vreugd en eer,
des hemels vreugd en eer.

 

4.

Geduld, mijn ziel, de levenskroon,
uw deel in ‘t vaderhuis,
siert dubbel als genadeloon
na stil gedragen kruis,
na stil gedragen kruis.

 


1.

Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
o Heer, der legerscharen God,
zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên,
om ‘s Heren voorhof in te treên!
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen.
Mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
en aan mijn ziel het leven geeft.

 

2.

Welzalig hij, die al zijn kracht
en hulp alleen van U verwacht,
die kiest de welgebaande wegen.
Steekt hen de hete middagzon
in ‘t moerbeidal, Gij zijt hun bron
en stort op hen een milde regen,
een regen, die hen overdekt,
verkwikt, en hun tot zegen strekt.

 

3.

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort,
elk hunner zal in ‘t zalig oord
van Zion haast voor God verschijnen.
Let Heer der legerscharen! let
op mijn ootmoedig smeekgebed!
Ei! laat mij niet van druk verkwijnen;
leen mij een toegenegen oor,
o Jacobs God, geef mij gehoor.

Want God, de Heer, zo goed, zo mild,

is t’ allen tijd een zon en schild;
Hij zal genaad’ en ere geven;
Hij zal hun ‘t goede niet in nood
onthouden zelfs niet in de dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer, die op U bouwt,
en zich geheel aan U vertrouwt.

 


1.

God is tegenwoordig!
Laat ons Hem aanbidden,
Die wil wonen in ons midden.

Buigen w’ons eerbiedig,
aller ziel zij stille

en verneme Zijne wille.
Wie Hem roemt,

Zijns zich noemt,
sla de ogen neder,
wijde zich Hem weder.

 

2.

God is tegenwoordig,
wie de hemelingen
‘t heilig, heilig, heilig zingen:
voor Wie engelvorsten
zich aanbiddend buigen,

als zij Hem hun lof betuigen.
Sla ons gâ,

in genâ,
waar ook wij, geringen,
U, de Here, zingen.

 

3.

Wij verzaken willig,
‘s werelds ijdelheden,
lusten en begeerlijkheden;
daarom onze wille,
ziele, lijf en leven
U ten eigendom gegeven
rein en vrij
willen wij,
onze God en Here,
leven U ter ere.

4.

Maak mij recht eenvoudig;
houd van mij gescheiden,
wat van U mij af zou leiden.

Maak mij rein van harte,
dat ‘k in geest en waarheid,
U aanschouwen mag met klaarheid;
vrij van d’ aard,
hemelwaart,
als een ad’laar zweven,
en in U steeds leven.

 

5.

Kom, aanbidd’lijk Wezen,
woning bij mij maken,
doe mij van uw liefde blaken.

In verstand en harte
sta de wet geschreven,

die Gij wilt dat ‘k na zal leven.
Waar ik ga,

zit of sta,
word’ Uw naam geprezen
in mijn doen en wezen.

 


1.

Breek Gij het levensbrood ons allen, Heer!
Als Gij het brood gebroken hebt aan ‘t meer,
boven Uw heilig Woord zoeken wij U,
schenk ons dat levensbrood rijkelijk nu.

 

2.

Zegen de waarheid Gods, ons aangezegd,

als op het brood Gij die eens hebt gelegd,

dan eindt de slavernij van zond’ en schuld,

en sterk zijn wij door U met kracht vervuld.

 

3.

Leven en geest zijn ons Uw woorden, Heer!
Help dat wij wand’len steeds naar Uwe leer.
Gij slechts zijt onze hulp, sta Gij ons bij!
Volgens Uw heilig Woord, verwinnen wij.

 


 

1.

Leid, behoed ons, trouwe Vader,
tot een and’re Sabbat keert,
en waar ons verzoeking nader’,
houd haar met Uw schild geweerd.

 

2.

Dank zij U voor troost en zegen,
voor Uw heil deez’ dag gesmaakt;
strale ‘t gans de week ons tegen,
als Uw licht, dat zalig maakt.

 

3.

Wat ons dreig of moog verschrikken,

met U kent ons hart geen nood;
Uw genade is zielsverkwikken,
leven midden in de dood.

 


1.

Hoe zoet, Heer Jezus, klinkt Uw naam

in ‘t U gewijd gemoed;
— Gij bondt weer aard en hemel saam
door ‘t off’ren van Uw bloed.

 

2.

Geen hart. werd ooit zo diep gewond,

zo afgemat in rouw,
— dat Gij zijn leed niet helen kondt
door Uw genaad’ en trouw. —

 

3.

De rots, waarop, onwankelbaar
in nood en strijd ik sta,
is tot in ‘t allerbangst gevaar,
mijn Heiland, Uw genâ.

 

4.

Mijn Koning, Midd’laar, Herder, Vriend,

mijn alles, Heer, zijt Gij;
een Meester, die Zijn dienaars dient,
behouder zijt G’ ook mij.

 

5.

Nooit breng ik U naar waarde dank,

als ik Uw kruis aanschouw;
hoe koud en zwak toch blijft de klank
mijns loflieds op Uw trouw.

 



 

1.

Aanbiddend zien we op U;
Heer Jezus, spreek uw woord
tot ieder hongrend harte nu,
dat U in ootmoed hoort.

 

2.

Ontdek ons Uw genâ
en waarheid meer en meer,
opdat ons leven vroeg en spâ
U, onze Leidsman, eer’.

 

3.

Leer zelf ons bidden, leid
ons in Uw effen paân,
opdat eens Uw gerechtigheid

ons kroon’ aan ‘t eind der baan.

 

4.

Houd zo ons U nabij,
en innig met U één,
tot w’ eenmaal met Gods eng’lenrij
Uw feestzaal binnen treên.

 


1.

‘t Is het woord van God en tot allen geschied:
“Wie in Jezus gelooft is behouden om niet.”

 

Koor:

Halleluja, God zij ere,
halleluja, amen;
halleluja, Jezus, Here,
vernieuw ons gemoed.

 

2.

Is de levensweg al een kruisweg altijd,

onze Jezus is nabij, tot hulp in de strijd.

 

3.

Hij, de Heer, geleidt ons, en ziend’ op Zijn kruis,
zijn wij zeker van ‘t voetspoor naar ‘t hemels tehuis.

 

4.

Weerklink’ dan de jubel van u en van mij
eens in ‘t koor van die dankbaar God lovende rij.

 


1.

Ach, blijf met uw genade,
Heer Jezus ons nabij;
opdat ons nimmer schade
des vijands heerschappij.

 

2.

Woon met Uw levenswoorden,
Verlosser! bij ons in,
en trek ons met de koorden

van uwe zondaarsmin.

 

3.

Ach, licht ons met Uw stralen,
Gij, licht der wereld, voor,
opdat wij nimmer dwalen

of struik’len op ons spoor.

 

4.

Ach, blijf Gij met Uw zegen
nabij ons, rijke Heer!
En zend op onze wegen
Uw kracht en goedheid neer.

 

5.

Ach, neem ons in Uw hoede,
Gij, onverwinbre Held!
En weer des bozen woede

en ‘s werelds boos geweld.

 

6

Ach, blijf ons met Uw trouwe
nabij, God, goed en groot,
op Wie ons harte bouwe,
in allen nood en dood.

 


1.

Daal bij ‘t huiswaarts gaan Uw zegen,

Vader op ons van omhoog,
‘t zij langs ruwe of effen wegen
‘t levenspad ons voeren moog’
laat Uw zegen, laat Uw zegen,
leidstar blijven voor ons oog.

 

2.

Lof, aanbidding, dank en ere,
Vader, zij U toegebracht,
en tot ‘s aardrijks eind regere
Uwe heerschappij en macht.
Uw genade, Uw genade
Blijv’ in zwakheid onze kracht.

 


1.

Heer, eer van hier wij gaan,
bevestig ons, versterk
ons in ‘t geloof en doe ons staan

bestand in strijd en werk.

 

2.

Geef vrede in ons huis
en liefde’s broederzin,
dan worden zorgen, ziekte en kruis

ons zegen en gewin.

 

3.

Waarheen ons ‘t levenspad
als aan Uw hand dan leidt,
‘t vormt al ons voor Uw vredestad
en voor haar zaligheid.

 


1.

Lof en dank vervul ons zingen
voor Gods waarheid ons betrouwd,
voor de schat, die wij ontvingen,
rijker dan al ‘s werelds goud.

 

2.

Heer, Uw waarheid is ons heilig,
als een gids op ‘s levens paân,
die ons bij Uw lichtglans veilig
‘t rechte spoor, hoe steil, doet gaan.

 

3.

Leer ons naar Uw raad te luist’ren,

doof voor eigen wil en lust;
wat dan om ons moog verduist’ren,
‘t blijft bij ons van binnen licht.

 

4.

Wat ons ‘s levens keer doe derven,
zij het nooit die kinderzin;
U te leven, U te sterven
blijv’ in Christus ons gewin.

 


1.

Halleluja! eeuwig dank en ere,
lof, aanbidding, wijsheid, kracht,
word’ op aard en in de hemel Here!
Voor uw liefd’ U toegebracht.
Vader, sla ons steeds in liefde gade;

Zoon des Vaders! Schenk ons Uw genade;
Uw gemeenschap, Geest van God!
Amen! zij ons eeuwig lot

 


1.

Wees met ons, Heer, waarheen wij gaan;

doe ons Uw wil en raad verstaan,
en ‘t enge pad met vaste schreên
in ‘s Meesters voetspoor willig treên.

 

2.

Duld in ons hart geen overmoed,
en waar het boze ranken voedt,
laat daar uw tucht, al doet zij pijn,
ons welkom en tot heling zijn.

 

3.

Dring zo Uw liefde in vreugde en smart

tot altijd dankbrer liefde ons hart,
tot eens ‘t bij strijd en kruis volmaakt
de volheid van Uw goedheid smaakt.


1.

God des levens, ruste Uw zegen
op ons bij het huiswaarts gaan,
leer ook daar ons op Uw wegen
als Uw kind’ren pal te staan.

 

2.

Vlees en wereld zal ons trekken,
vleiend, dreigend keer op keer;
moge dan Uw Geest ons wekken
trouw doen zijn aan naam en eer.

 

3.

Dan brengt ied’re dag ons nader,
meest door moeite, strijd en kruis,
aan de plaats, die ons, o Vader,
met Uw Zoon wacht in Uw huis.

 


1.

Dat, Here Jezus, Uw genâ,
‘s Vaders trouwe liefde,
en de zaal’ge gemeenschap des Geestes
blijve met ons allen, blijve met ons allen,
met ons allen, amen.
Blijve met ons allen,
met ons allen, amen.


1.

Looft God, de bron van alle goed;
looft Serafts hem en englenstoet;
gemeente, jubel onbevreesd;
looft Vader, Zoon en Heilge Geest.

 


1.

Heer, eer wij scheiden,
vragen w’ Uwe zegen,
wil ons geleiden,
ieder op zijn wegen.
Laat toch de zonde
nimmer ons verheren,
‘t kwaad ons niet deren.

 

2.

Wees ons weldadig,
ie’dre dag van ‘t leven,
wil ons genadig

elke schuld vergeven.
Breng ons in welstand
allen weer te zamen.
Hoor, ons Heer! Amen.

 


1.

Laat, Heer, ons met Uw zegen gaan,

en doe ons zo Uw woord verstaan,
dat U ons hart recht kennen moog,
tot reinheid voor Uw heilig oog.

 

1.

Weêr zijn zes dagen werks verricht:

en nu, mijn ziel, baad u in ‘t licht,

in Gods genâ u opgegaan:
uw sabbat, ‘s Heren dag brak aan.

 

2.

Loof nu de Heer, die rust u biedt;
waarheen uw dankb’re oogblik ziet,
aanschouwt g’ een God, die u gedenkt,
en als Zijn kind deez’ Sabbat schenkt.

 

3.

Toon’ ook uw vreugd- en dankgevoel,

steeds heil’ger jagen naar het doel,
u voorgesteld in Christus’ kruis,
de sabbatsrust van ‘t Vaderhuis.

 

4.

Een korte wijl duurt werk en strijd,

dan daagt, van ‘t zondig vlees bevrijd,
voor allen, die in Christus zijn,
de dag van eeuw’ge zonneschijn.

 


1.

Weêr kleurt de zon met gouden gloed

de verre westerkust,

en boodschapt Heer, aan ons gemoed
Uw dag en Sabbatsrust.

 

2.

Zou dan ons hart niet vrolijk zijn
en jubelen in lied,
als ‘t in die avondzonneschijn
reeds op Uw Sabbat ziet.

 

3.

Wees, Vader, met ons in de nacht
en heilig onze zin,
dan stort uw rust ons levenskracht
en hoop en blijdschap in.

 


 

1.

Een heilig uur brak voor ons aan,
de sabbatsrust is ingegaan,
de rust van moeite, zorg en strijd,
opdat ons hart aan God zich wijd’.

 

2.

Wees zelf ons, Heer, in gunst nabij;

maak waarlijk ons van zonden vrij,
opdat in volheid elk geniet
de rust, die Gij Uw kind’ren biedt.

 

3.

Dit rusten is ons onderpand
van hoger heil in ‘t Vaderland;
van goed’ren, waarvan in dit vlees
nooit voor de geest het beeld verrees.

 

4.

Heer Jezus, die, ons voorgegaan,
ons door Uw geest terzij wilt staan,
leid ons, geheiligd door Uw zin,
eens rein in U, Gods hemel in.

 


1.

Heerlijke Sabbat! hoe lieflijk en zoet,

brengt gij ons telkens uit Eden een groet,

als wij vergaad’ren van ver en nabij,
schenkt God verkwikking voor u en voor mij

 

Koor:

Heerlijke Sabbat! gij zalige rust!

Heerlijke Sabbat! ons vreugde en lust!

Heil en aanbidding, lof, ere en dank

zij onze Koning in vrolijke klank!

 

2.

Heerlijke Sabbat!  verheugd weer van zin,
treden wij dankbaar Gods bedehuis in,

wijden de Heiland de harten geheel,
die door ‘t geloof is ons heerlijkste deel.

 

3.

Heerlijke Sabbat! gij hemelse rust,
Gij wilt ons trekken naar d’ eeuwige kust,
om daar te toeven voor immer bij God,
O, welk een heerlijk, welk zalig genot!

 


1.

O Heer, in deze morgen
buig ik mijn hart voor U:
bevrijd van alle zorgen,

rust ik geheel in U.
Hoe groot was mijn verlangen
naar ‘s Heren huis te gaan:

dus hef ik vrij en vrolijk
een blijde lofzang aan.

 

2.

Wij bidden, dat nu dalen
Gods Eng’len bij ons neer,
en dat wij ons bepalen
bij ‘s Heren heil’ge leer.
Vervul met Geest de harten!
Met kracht Uw dierbaar Woord!

En laat ons allen voelen
dat Gij ons staam’len hoort.

 

3.

Wij willen ook gedenken
hem, die het Woord verkondt;
wil Heer hem zegen schenken,
wees zelf hem hart en mond.
Zo laat nu deze ure,
tot zegen voor ons zijn
en laat ons allen drinken
uit ‘s hemels heilsfontein

 


1.

O stille Sabbatmorgen,
vol rust en Sabbatsvrêe;
deel aan mijn rustloos harte,

iets van uw vrede mee!
Breng mij in ‘t huis des Heren,
bij ‘s levens zorg en kruis,
een glimlach van de hemel,
een groet uit ‘t Vaderhuis!

 

2.

O stille Sabbatmorgen,
spreek van de Heiland mij!
Spreek mij van Gods ontferming,
en eind’loos medelij!
Richt oog en hart naar boven,
naar ‘s hemels blijde kust,

en wil m’ een voorsmaak geven,
van d’ eeuw’ge Sabbatsrust.

 


1.

Godes zegen, Sabbatsstilte,
kom omlaag van ‘s hemels troon!
Geef ons hart de kracht van boven,
Geest van Vader en van Zoon:
leer ons horen, bidden, zingen
niet naar aardse schatten dingen!

 

Koor:

Maak ons voor Uw dienst bereid,

altijd Heer, in eeuwigheid.

 

2.

Heilig Gij nu onze zielen,
geef Uw licht in donk’re nacht.
En als aardse zorgen drukken,
Geest van God, geef ons Uw kracht,

waarheid, leven, licht en sterkte,
slechts te zien hoe Gij het werkte.

 

3.

Laat in heil’ge vreugdezangen,
ons verkondigen Uw eer,
laat zich toch geen dwaling mengen
in Uw evangelieleer,
zalf, o Heer, met Geest der waarheid
onze oren, hart en monden.

 

4.

Laat ons, Heer, bij U eens komen,
ja, bij U, o Levensvorst!
Als Gij straks van onze wangen,
tranen droogt en lest de dorst.

Als wij vrij van smart en lijden
met de eng’len ons verblijden.

 


1.

Zie uw kind’ren, trouwe Vader
in deez’ Sabbatschool bijeen;
trek ons hart tot U steeds nader,
leid door Uw Woord onze schreên.

 

2.

Onze Heiland, wilt Gij leren
in de Sabbatschool Uw volk
zich tot God recht te bekeren
en te zijn der waarheid tolk.

 

3.

Doe ons kinderlijk geloven,
wat Uw woord ons leren moog’,
tot de heerlijkheid daarboven
zien zal des verlosten oog.

 

4.

Wil de Sabbatschool bedauwen
over ‘t wijde rond der aard’
met Uw Geest; laat ons aanschouwen
hoe Gij, Heer, Uw volk vergaart.

 

5.

Laat ons niet slechts hoorders wezen,

maak ons daders van Uw Woord;
uit ons leven zij te lezen,
dat ons hart aan U behoort.

 


1.

In de Sabbatschool, o Here,
prijzen wij Uw grote Naam.
Maak ons, Uwe Naam ter ere,
tot Uw dienst steeds meer bekwaam.

 

2.

Veilig kunnen wij ons voelen,
bij ‘t vertoeven aan dit oord.
Ver van ‘s werelds zondig woelen,
luistrend naar des Heren Woord.

 

3.

Zegen leraars en scholieren,
maak ons aan Uw beeld gelijk;
help ons recht de Sabbat vieren.
Breng ons in Uw koninkrijk.

 

4.

Schenk ons, Heer, Uw Sabbatzegen

voorboô van de eeuwigheid,
stort op ons Uws Geestes regen,
maak ons voor Uw komst bereid.

 


1.

De beste van het zevental
der dagen is Uw dag
ons, Vader, als met lofgeschal

ons hart U naad’ren mag.

 

2.

Hoe zalig, tot gebed vereend
en één in Jezus’ kruis,
U ‘t eren als Zijn kruisgemeent’
en de erve van Uw huis.

 

3.

Uw vreed’, in Hem ons eeuwig deel,

verkwikk’ ons in dit uur,
en heil’ge ons aan U geheel,
gelouterd als door vuur.

 

4.

Zo, levend bij de heilsfontein
en door haar laaf’nis sterk,
vinde elke morgen meer ons rein

en willig tot Uw werk.

 


1.

Mijn God en Vader, ‘t is ons goed
als Uw gemeent’ uit vol gemoed
te roemen in de heil’ge dag,
die Uwe rust ons schenken mag.

 

2.

Ban zelf wat aards is uit ons hart;
dat voorspoed, vreugde, rouw noch smart,
waar w’ opgaan naar Uw hoog bevel
zich tussen U en ons ooit stel.

 

3.

Geef, door Uw Heil’ge Geest gesterkt,

door kracht, die Zijn gemeenschap werkt,

Meer vlees en wereld te weerstaan
En goeddoend and’ren voor te gaan.

 

4.

Maak, ziende op U, met Christus één,

het voetspoor drukkend van zijn schreên,

door elke Sabbat meer bereid
ons voor Uw eeuw’ge heerlijkheid.

 


1.

Sabbat, door uw stille vrede,
zijt gij aller dagen kroon!
Hemelboodschap brengt gij mede,
in uw blijder klokkentoon.
Maak ons lied een vrome bede,
Geest van Vader en van Zoon!

 

2.

Laat, in lieflijke gezangen,
ons verkonden Godes eer!
Leer ons naar Uzelf verlangen,
naar Uw troost en liefde Heer!

Wijs ons ‘t pad, stuur onze gangen!
Doe ons U gelijken meer!

 

3.

Als we ons tot luist’ren zetten,
geef dat Satan ons niet stoort.

Leer ons Uw geboôn en wetten,
leer ons buigen voor Uw Woord!
Reinig zelf ons hart van smetten!

Spreek, o Heer, Uw dienstknecht hoort!

 


1.

Heer van de Sabbat, hoor ons lied;

neem ‘t offer, dat ons hart U biedt,
ons roemen in Uw grote daân,
in Uwe trouw, genadig aan.

 

2.

Uw aardse Sabbat is ons goed,
maar dierbaar meer aan ons gemoed
de rust, door U ons toegedacht,
die voor Uw troon ons eeuwig wacht.

 

3.

Dáár, U nabij en in Uw huis,
is ‘t eind van alle moeite en kruis,
dáár brandt geen hitte, nijpt geen kou,
getuigt geen traan van pijn of rouw.

 

4.

O dag der hope, dag van vreugd,
die onvermengd de ziel verheugt,
hoe troost reeds hier Uw zonneschijn,
die haast ons eeuwig deel zal zijn.

 



1.

Heer van de Sabbat, ik begroet
Uw rustdag en zijn heilig zoet,
als laafnis bij mijn levenszorg,
mij van Uw vadergoedheid borg,
mij van Uw vadergoedheid borg.

 

2.

Gij gaaft Uw Sabbat aan de mens,
en heerlijk was Uw zegenwens:
“gezegend is de Sabbatdag,
en hij, die recht hem vieren mag,

en hij, die recht hem vieren mag.”

 

3.

O moog ons, meer dan zonneschijn,
Uw Sabbatdag dan dierbaar zijn;
een voorsmaak, U tot lof en prijs,
van ‘t ons herwonnen paradijs,
van ‘t ons herwonnen paradijs.

 


1.

Met vreugde groeten wij de stond,
als ‘s Heren Sabbat licht,
en op Zijn eeuwig heilsverbond
ons oog en harte richt.

 

2.

Uw tempel maaktet G’ Uw gemeent’.

O Vader, door Uw Zoon;
Hem haar ten eeuwig hoekgesteent’,
Hem haar ten erekroon.

 

3.

Woon door Uw Geest bij ons ook in,

en worde door Uw woord
ons hart steeds meer tot kinderzin
en blijde dank ontgloord.

 

4.

Getuig zo elke dagreis meer,
hoezeer Uw liefde ons bond
en leven doet, Uw naam ter eer,
in ied’ren levensstond.

 


1.

Dit is de dag van heil’ge rust,
van meer dan aardse levenslust,
van voorsmaak van de heerlijkheid,
die voor des Vaders troon ons beidt.

 

2.

Het koor, dat ‘s hemels troon omringt

en Gode ‘t heilig, heilig zingt,
beziel’ ons, en ons jubellied
zing van genade aan ons geschied.

 

3.

Genade blijve ons hart de stof
tot daag’lijks nieuwe dank en lof,
maar luider en met blijder galm
klinkt op de Sabbat onze psalm.

 


1.

Goed is ons hart de sabbatdag,
als onze ziele rusten mag
van arbeid, moeite, zorg en rouw
tot juub’len in des Vaders trouw.

 

2.

Reeds in der schepping morgenstond

schonk God Zijn zegel aan ‘t verbond,
dat van een eeuw’ge erfenis
al wie geloven, waarborg is.

 

3.

Een eeuwig goed, een eind’loos heil,
een vreugde zonder maat of peil
wacht in uw eenheid met Gods Zoon,
gemeente, u voor Zijn hemeltroon.

 

4.

Hoor dan de wereld in uw lied,
hoe zelf ge u Hem ten offer biedt,
Die, “onze Vader”, door Zijn Geest
ons vormt voor ‘s hemels vreugdefeest.

 


1.

Wij treden, o Vader,
ootmoedig thans nader,
en buigen voor U diep ootmoedig het hart.
Bedek door uw liefde
al ‘tgeen U nog griefde;
maak rustig ons en stil,
om Jezus’ wil.

 

2.

Wees Gij in ons midden,
leer Zelf ons nu bidden!
Vervul ons steeds meer met Uw heilige Geest.
Leid door Uw genade

ons steeds in effen paden.
Maak volgzaam ons en stil,
om Jezus’ wil.

 

3.

Leer heilig ons leven,
de naaste vergeven,
o Heer, Die ons alles vergaf door Uw Bloed;
Uw woord te bewaren,
Uw naam ‘t openbaren,

vermijden elk geschil,
om Jezus’ wil.


1.

‘t Zij ons nooit hier plaats van rusten;

waak, gemeente, bid en waak:
u, als aan Zijn uitverkoorne,
u betrouwt de Heer Zijn zaak.

Voor Zijn eer hebt gij te strijden,

draagster van Zijn naam en beeld,
tot zich met Zijn evangelie
heel het aardrijk ziet bedeeld.

 

2.

Neen, de Heer liet ons geen wezen,
is altijd nabij geweest,
woning makend in de harten,
troostend door de Heil’ge Geest;

waar van Hem ons niets kan scheiden,
wereld, dood noch helse macht,
zie de wereld en erkenne
onze sterkte in Zijn kracht.

 


1.

Welk een vriend is ons de Heiland,

‘s Vaders Zoon en troongenoot,
Die door ‘t kruis de vrije toegang,
weder ons tot God ontsloot.
O wat voorrecht ons hergeven,

door de wereld niet verstaan,
dat wij vrij weer als Gods kind’ren
tot de Vader mogen gaan.

 

2.

Wie verstrooiing en bedwelming
als een bron van kracht zich zoek,
ons is trooster, krachtvernieuwer,
‘t Woord van ‘t heilig Bijbelboek;
‘t Woord, dat Jezus ons leert kennen,
‘t Kruiswoord trekt alleen ons aan,

want het leert ons als Gods kind’ren
vrij weer tot de Vader gaan.

 

3.

Heil’ge Jezus, Zaligmaker,
die voor ons Uzelven gaaft,
en ons in Uw kruissmart lijden
‘s Vaders liefde hebt gestaafd,
U zij de eer, U die genadig
ons, hoe zwaar met schuld belaân,
als van nieuws geboren kind’ren
leerdet tot de Vader gaan.

 


1.

Heer, ik hoor van rijke zegen,
die Gij uitstort telkens weer,
laat toch van die geestesregen
dropp’len vallen op mij neer.

Heer, op mij, ja op mij,
stort die dropp’len ook op mij.

 

2.

Ga mij niet voorbij, mijn Vader,
zie mij in mijn zwakheid aan;
trek mij tot Uw hart steeds nader,
Uwe hand doe vast mij staan.

Help ook mij, toon U mij
met mijn nood en angst begaan.

 

3.

Lang wist zonde mij te binden,
was in wereldzin mijn lust,
‘k mocht toen, wat ik zocht, niet vinden,
Uwe trouw liet mij geen rust.
Och, maak mij, maak ook mij
meer steeds van Uw trouw bewust.

 

4.

Heil’ge Geest, gij bron van leven
daal in onze harten neer;
geef, dat wij alleen slechts streven
naar volmaaktheid in de Heer.
Ook in mij. Heer, in mij,
o, verheerlijk U in mij.


1.

Trouwe Vader, hoed Uw kind’ren
voor des vijands list en macht;
leid hen veilig door de guurheid,
die hen dreigt met storm en nacht.
Bang en donker zijn de tijden,

maar wat wissel’ en verkeer’,
Gij, Gij blijft der Uwen Herder,
Gij hun vaste Burcht o Heer.

 

2.

Ziet, wij beiden en verwachten
wat Uw woord ons heeft beloofd;
‘t wederkeren van de Koning,
Die G’ ons gaaft tot eeuwig Hoofd.
Eind’loos zal de nacht niet duren,

hoe ons, zwakken, lang hij schijn’;
onze Koning, die wij beiden,
komt en zal ons alles zijn.

 

3.

Leer ons, Vader, biddend waken
en omgord zijn t’ alleruur,
heenziend over ‘t vluchtig lijden
op de vreugd van eeuw’ge duur.
Als Uw sabbat aan mag lichten,
de aanvang van Uw jubeljaar,
maakt Gij al Uw heilbeloften,
Vader, aan Uw kind’ren waar.

 


1.

Vader, U bidden wij,
wie anders staat ons bij,
als onze hulp niet Gij
ontfermend zijt.
‘t Is voor ons enkel nacht,
maakt niet Uw liefdemacht
ons zwakken door Uw kracht

bestand in strijd.

 

Koor:

Vader, U naad’ren wij
met smeekgebeên,
Helper in nood zijt Gij,
ja Gij alleen.

 

2.

De vijand dorst verwoed
naar Uwer kind’ren bloed,
maar tot geloof en moed

sterkt ons Uw woord;
neen, Gij die ‘t al gebiedt,
begeeft, verlaat ons niet;
Gij hebt, wie op U ziet,
altijd verhoord.

 

3.

Vermeêr ons Uw genâ;
wie trots ons wedersta,
hoe fel de worst’ling ga,
Gij overwint;
‘t gevaar zij dreigend groot,

nooit liet Ge in angst of nood
en banden van de dood
Uw kind alleen.

 


1.

Onze Vader, die de heem’len
hebt tot heilig troonsgebied
en gestadig op Uw kind’ren
over heel het aardrijk ziet.

 

2.

Dankbaar zij Uw naam geheiligd,
kome Uw koninkrijk met macht,
en Uw wil geschiede op aarde
als door eng’len trouw betracht.

 

3.

Schenk bij arbeid U ter ere,
elke dag ons ‘t daaglijks brood,
en een hart tot liefd’rijk delen
in des broeders zorg en nood.

 

4.

Wil wat wij misdoen vergeven;
met voor U verbroken hart
willig ons met elk verzoenen,
die ons oorzaak werd van smart.

 

5.

Weer van ons de aartsverzoeker,
red ons van zijn snood beleid;
U behoort de wereldschepter,
Vader, tot in eeuwigheid.

 


1.

O zaal’ge ure van gebed,
gij rukt mij uit der zorgen net,
gij leidt mij tot mijns Vaders troon,
de helper groot in trouwbetoon;
die voor Zijn kind tot troost gereed,

mijn noden kent, mijn krachten weet,
en bij mijn werk en strijd tot staf
u, ure des gebeds mij gaf.

 

2.

O troostvolle ure, bedestond,
gij loktet uit mijns harten grond,
mijn danktoon en mijn smeekgebeên,
de jubel en het rouwgeween,
dat ik de Vader off’ren mocht;
mijn God, die ‘t eerst mij heeft gezocht,
en meer en meer aan Zich mij bond,
door u, volzaal’ge bedestond.

 

3.

O uur van zoetheid, biddenstijd,
mijn sabbat onder werk en strijd,
blijf, wat mijn ziele hoopt of vreest,
Uw vrede schenken aan mijn geest,
tot ik op Jezus’ woord gereed,

mijn tente saamrol als een kleed,
en rein in Hem van vlek en smet
ontwaak tot eeuwig dankgebed.

 


1.

Kom in mijn hart,
kom in mijn hart,

kom Gij in mijn hart, Heer Jezus;
vervul het nu,
ik bid het U,
kom Gij in mijn hart,

Heer Jezus.

 

2.

En in mijn hart,
en in mijn hart,

daar schijne Uw licht, Heer Jezus;
verlicht het nu,
tot eer van U,
verlicht Gij mijn hart,

Heer Jezus.

 

O zaal’ge ure van gebed,
gij rukt mij uit der zorgen net,
gij leidt mij tot mijns Vaders troon,
de helper groot in trouwbetoon;
die voor Zijn kind tot troost gereed,

mijn noden kent, mijn krachten weet,
en bij mijn werk en strijd tot staf
u, ure des gebeds mij gaf.

 

2.

O troostvolle ure, bedestond,
gij loktet uit mijns harten grond,
mijn danktoon en mijn smeekgebeên,
de jubel en het rouwgeween,
dat ik de Vader off’ren mocht;
mijn God, die ‘t eerst mij heeft gezocht,
en meer en meer aan Zich mij bond,
door u, volzaal’ge bedestond.

 

3.

O uur van zoetheid, biddenstijd,
mijn sabbat onder werk en strijd,
blijf, wat mijn ziele hoopt of vreest,
Uw vrede schenken aan mijn geest,
tot ik op Jezus’ woord gereed,

mijn tente saamrol als een kleed,
en rein in Hem van vlek en smet
ontwaak tot eeuwig dankgebed.

 

 

1.

Geest des levens, bron van zegen,
stem mijn hart tot blijde dank,
leer ons roemen in Gods wegen,
jubelend met blijd geklank;

leer de Vader ons aanbidden,
volgers zijn van ‘s Vaders Zoon;
kom, woon Trooster, in ons midden,
heilig ons tot dankbetoon.

 

2.

Tot hiertoe woudt Gij mij schragen,

troosten, leiden door Uw macht,
‘k wil alleen naar U ook vragen,
als mijn ziel naar uitkomst smacht;
tot hoe hoog mijn nood moog rijzen,
hoe ‘t mij bang en donker schijn’,

Uwe rijke gunstbewijzen
zullen ‘t licht der hoop mij zijn.

 

3.

Nooit kan ik mijn schuld betalen
voor Uw hoede mij verleend,
die reeds met de hemelzalen
hier mijn hart en hoop vereent;

‘k ben reeds hier een burger boven,
waar welhaast naar hartelust
ik mijn trouwe God zal loven,
delend in Zijn sabbatsrust.


1.

Jezus, hoor ons bidden,
zie in liefd’ ons aan;
wilt Gij in ons midden
met ons verder gaan.
Gij wilt ons omringen
met uw liefd’ en zorg;
leer ons dankend zingen,

Jezus, onze Borg.

 

2.

Gij waart ons ten Herder
op ‘t betreden pad;
leid ons nu ook verder
naar Gods vredestad.
Zonder U wordt dwalen,
struik’len hier ons deel;
met U zegepralen
wij tot ‘t eind geheel.

 

 3.

Dies is ons verwachten,
op uw hulpe, Heer;
heilig onze krachten,
sterk ze daag’lijks meer,
tot w’ als ‘s Vaders zonen,
met uw Geest bedeeld,
ons in waarheid tonen

dragers van Uw beeld.

 


1.

Mijn ziel, waak op, sta pal;
bedreigd van elke kant,
het geldt uw zegepraal of val,
houd in gebed dan stand.

 

2.

Waak in gebed en strijd;
toon, dat hoe fel het ga,
gij Jezus dient, Zijn volger zijt

en roemt in zijn genâ.

 

3.

Acht nooit de strijd volend;
ontgesp uw rusting niet,
voor u de Heer Zijn engel zendt

en de eerkroon zelf u biedt.

 


1.

Komt, dankt nu allen God,
met hart en mond en leven;
Hij stuurt en schikt ons lot,

waar wij ons heen begeven.
Hij geeft ons arbeidskracht,
behoedt ons dag en nacht,

geeft kleding, spijs en drank,
brengt Hem daarvoor uw dank.

 

2.

Wil, o Alzegenaar,
een vrolijk hart ons geven,
opdat wij met elkaar,
in vrede immer leven.
Behoed ons land en volk
voor elke oorlogswolk;
geef steeds een wijs beleid
aan macht en overheid.

 

3.

De Vader zij al de eer
in hemel en op aarde;
en Jezus, onze Heer,
verheft Hem naar zijn waarde.
Kom, Heil’ge Geest, en leer,
Uw naam steeds meer en meer
te roemen t’ allen tijd,
tot in der eeuwigheid.

 


1.

Ontwaak, gemeente, richt uw oog,
uw lofzang hemelwaart:
ontwaak, Gods eerkroon wacht omhoog,
scheur los uw hart van de aard,
ontwaak, Gods eerkroon wacht omhoog,
scheur los uw hart van de aard.

 

2.

Als door ‘t gebergt’ de woudstroom spoedt
met altijd sneller loop,
zo nadert ijlings onze voet
ook d’ eindpaal onzer hoop,

zo nadert ijlings onze voet
ook d’ eindpaal onzer hoop.

 

3.

Onzeker, wein’ge uren licht,
en ‘s Heren engel wenkt;
en ‘t heilsoord rijst voor ons gezicht,
dat eeuwig ruste schenkt,
en ‘t heilsoord rijst voor ons gezicht,
dat eeuwig ruste schenkt.

 

4.

Spoedt, jaren, dagen; Gods gemeent’

is zich haar heil bewust;
in Christus met haar God hereend
beidt zij Gods sabbatsrust,

in Christus met haar God hereend
beidt zij Gods sabbatsrust.


1.

Hoog, omhoog, het hart naar boven!

Hier beneden is het niet:
‘t ware leven, lieven, loven
is daar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoor’ of zie op aard,
is ons kostlijk hart niet waard:
wil men leven, lieven, loven;

hoog, omhoog, het hart naar boven.

 

2.

Pracht en schoonheid moog wat schijnen,

‘t is aan ijdelheid gelijk;
bij ‘t gebruik zal ‘t al verdwijnen,
goud en zilver is als slijk;
niets, o Jezus! dan Uw bloed,
Geeft voldoening aan ‘t gemoed;
wat wij lieven in dit leven,
niets kan ons voldoening geven.

 

3.

Zalig heil, dat w’ eenmaal erven!
Gode leven, zonder pijn,
zonder moeite, ziekt’ of sterven,
eeuwig zonder zonde zijn,
leven in volmaakte deugd,
vrolijk zijn in ‘s hemels vreugd;
loven, lieven wij dit leven,
dat ons Gods genâ’ zal geven!

4.

Och! dat aller mensen tongen,
aller Eng’len zang, o Heer!
Samenstemden, samen zongen
eeuwig tot Uw’ lof en eer!
Zonder einde geeft Uw lof,
Jezus! ons de rijkste stof:
trekt tot U ons hart naar boven,
dat w’ U eeuwig lieven, loven.

 


1.

Bouw, zondaar, op Gods Woord;
het bloed van Golgotha
bespreng’ u, spreek’ in u
van kindschap en genâ.
Keer tot de Heer u in uw nood,
en juich, verlost van zonde en dood,
en juich, verlost van zonde en dood.

 

2.

Voor ons leeft voor de troon
de Hogepriester Gods,
voor aller eeuwen hoop
de vaste, heil’ge rots;
toen Hij zichzelf ten offer bood,
verwon zijn liefde zond’ en dood,

verwon zijn liefde zond’ en dood.

 

3.

In Hem is al ons heil,
in Zijn genade alleen;
keer dan zich aller hart
tot Hem ook dankbaar heen;
gemeente, maak uw Heiland groot,
Hij zegepraald’ op zond’ en dood,

Hij zegepraald’ op zond’ en dood.


1.

Een eeuwig en een zeker heil
heeft Jezus ons gebracht!
Mijn hart neem rustig toch uw deel,
der eeuw’ge zaal’ge kracht,

der eeuw’ge, zaal’ge kracht.

 

2.

Het Woord bevestigt met een eed
gesteund door Gods genâ,
in dat, wat Jezus voor ons deed,
ga Christen, tot Hem, ga!
ga Christen, tot Hem, ga!

 

3.

Juist daarom stierf en leeft Hij nu

daarom werkt ook Zijn Geest.
Wat Hij doet dat is welgedaan,
straks komt het vreugdefeest,
straks komt het vreugdefeest.

 


1

O Land, waar mijn Heiland in hemelse pracht,

als Koning Zijn dienaars tot heerlijkheid wacht;
hoe zalig zal ‘t wezen te zingen mijn lied,
in ‘t koor der verlosten, dat hulde Hem biedt.

 

Koor (1—3):

Land van vreed’ en licht,
op u is mijn oog en mijn harte gericht.

 

2.

Tehuis der verlosten, de haven der rust,

waar ‘t einde is der worst’ling met wereldse lust;
geen lijden of smarte wordt daar meer gedoogd,
uw God heeft er zelve hun tranen gedroogd.

 

3.

Daarheen ging, gemeente, uw Koning vooruit:
uw bruigom, die haast u ontvangt als Zijn bruid.
Hij wacht u in liefde; kom aan dan, gewaakt,
en stoorloos genieten wordt door u gesmaakt.

 

4.

Heb dank, o mijn Heiland, Die mij ook bereidt
een eerplaats in ‘t huis, waar Uw liefde mij beidt.
Hebt Gij Uw beloften gestaafd met Uw bloed,
ik steun op Uw heilswoord met vrolijke moed.

 

Koor (4):

Heer, Gij mijn sterkte en licht,

met U is mijn tocht naar de Godsstad gericht.

 


1.

Zeg niet: Heer, laat mij rust,
veel werk wacht ook voor u:
Hem dienen zij uw lust,

zeg: Meester, zend mij nu.
Waar Hij is voorgegaan,
daar pelgrim kunt ook gij
gebaande wegen gaan,
daar wandelt gij ook blij.

 

Koor:

Kom, o kom! zeg niet: Heer laat mij rust.
Kom, o kom, Hem dienen zij uw lust.
Zeg niet: Heer! laat mij rust,

dat u niet tref ‘t verwijt:
in traagheid was uw lust,
Ik weet niet wie gij zijt.

 

2.

Zeg niet: Heer, laat mij rust,
de Meester roept u nu:
zeg niet ik heb geen lust,

want Jezus maant: haast u!
De velden geel als goud,
getuigen: het is plicht,
dat gij aan ‘t werk u houdt,
uw blik op d’ oogst gericht.

 

3.

Zeg niet: Heer, laat mij rust,
in uitstel schuilt gevaar:
nu zoet in slaap gesust,

wekt u straks wreed de maar:
de Heer des oogstes keert,
loont wie volbracht zijn plicht,

doch u, ontrouwe weert,

Hij van zijn aangezicht.

1.

‘k Dorst niet naar aardse schatten,
niet naar zilver of goud;
Heer, mijn heil is Uw komen
zondaars tot zielbehoud.
Doe ‘t mij dankbaar geloven,
dat mijn naam naar Gods raad,
Heiland, in ‘t boek des levens
als uw volg’Iing ook staat.

 

Koor:

Dat mijn naam moge staan
in die heilige blaân,
is de hoop in Uw kruis dood
ook voor mij opgegaan.

 

2.

Ach, in zonden ontelbaar
blijkt mijn hart gans onrein,
maar Uw bloed is, o Jezus,

voor ‘t geloof heilsfontein;
in het bloed der besprenging
spreekt tot ons ‘s Vaders stem:
“Hoort, mijn zoon, eeuwig leven

schenkt Mijn liefde u in Hem.”

 

3.

Zalig wie eenmaal delen,

Zoon Gods, Uw heerlijkheid,
vreugd, die in ‘t U aanschouwen
eeuwig Gods kind’ren beidt.
Heil, Uw kruis is ten pand mij,
dat mijn naam naar Gods raad,
Jezus, in ‘t boek des levens

als uw volg’Iing ook staat.

 


1.

Juich, mijn ziel, in ‘s Vaders woning

waar in eer en heerlijkheid
Jezus leeft en heerst als Koning
is u vrede en rust bereid.

 

Refrein:

Daar is rust, rust van lijden,
daar is rust, rust na strijden,
daar is rust, daar verblijden,
dat geen doornen baart;
aan der waat’ren overzijde,

waar in Edens bloemengaard,
weer de levensboom zijn vrucht geeft,
is uw kroon bewaard.

 

2.

Jezus doet vooruitgetogen,
daar Zijn woord en trouw gestand;
zal voor eeuwig ons verhogen,
daar in ‘t hemels vaderland.

 

3.

Zonden, smarten, ziekte en kwalen

naad’ren tot het rustoord niet,
waar de zon met blijder stralen,
dag en nacht haar lichtglans biedt.

4.

Dood noch graf zijn daar te vrezen,

‘t leven is door Jezus’ kruis
uit Zijn dood voor ons herrezen;
Christus heerst in ‘t vaderhuis.

 

Refrein:

Daar is rust, rust van lijden,
daar is rust, rust na strijden,
daar is rust, daar verblijden,
dat geen doornen baart;
aan der waat’ren overzijde,

waar in Edens bloemengaard,
weer de levensboom zijn vrucht geeft,
is uw kroon bewaard.

 

5.

Psalmzingt, Christ’nen, erfgenamen,

van uws Konings kruis en kroon;
wat zou ooit uw hoop beschamen?
‘t loon des strijds is Jezus’ troon.


1.

Ik vroeg de wachter: zeg mij toch
ben ver van ‘t vaderhuis ik nog?
“Schep moed,” sprak hij, “de morgengloor
breekt reeds in ‘t oosten door.”
Vertraag dan niet, maar rep uw voet,
en wie u hind’rend nog ontmoet

volhard, haast rijst voor uw gezicht
Gods huis in eeuwig licht.

 

2.

Ik vroeg een krijger, oud en grijs,
en vrolijk zong hij, God ten prijs:
“bang was de strijd, maar schild en zwaard
heb worst’lend ik bewaard.
Sta pal dan, elk gevaar ten trots;
g’ ontvingt een wapenrusting Gods,

de Veldheer zelf staat ons terzij,
naar ‘t nood doet ons nabij.”

 

3.

Ik vroeg ‘t der aard’ en zon en maan,

en ‘t was als deed mij elk verstaan:
“Welhaast bepaalt geen tijd ons spoor;
het eeuwig licht breekt door;
schep moed dan en zing blij te moê;
reeds wenkt Gods morgenster ons toe,
die bode van de blijdste stond

de eeuw’ge dag verkondt.”

4.

Niet ver van huis! Gemeente Gods,
zij steil ons pad en scherp de rots
een luttel wijl, en voor altijd
te boven moeite en strijd,

klinkt voor de troon ons zegelied,
dat hulde en dank de Vader biedt:
“In Christus redd’ ons Zijn genâ,
looft God, halleluja!”

 



 

1.

Wie gaan zo armelijk daarheen

Wat trekt en drijft hen aan,

die ginds dat enge pad betreên

met zo oneffen baan?

‘t Zijn kind’ren van een koningsstam;

voor hoger rijksgebied

en ‘t hun tot heil geslachte Lam

klinkt vrolijk steeds hun lied.

 

2.

Maar zie, hoe schamel is hun kleed
en zonder zwier hun vaan!

— ‘t Schort aan de maat, waarmeê gij meet,

gij ziet de schijn slechts aan.

Maar waarom kozen zij een pad

zo lastig voor hun voet? —

‘t Is ‘t spoor, dat eens hun Heer betrad,
hun heilig door Zijn bloed.

 

  1.  

Maar zie daar ginds die brede baan,
‘t zijn bloemen daar en spel. —
De weg die werelddienaars gaan,

eindt in verderf en hel.

Hoe, kunnen wij geen ander pad

tot ons behoud betreên?

De weg naar ‘s hemels vredestad
is Christus, Hij alleen.


1.

“Waakt, ontwaakt!” zo klinkt de horen

des wachters op de hogen toren:

“word wakker, o Jeruzalem!”

“Middernacht!” zo hoort men schallen

met luide klank van Zions wallen,

“waar zijt gij, maagden? Hoort Mijn stem!

Staat op, de Bruigom naakt!

Neemt uwe lampen, waakt!

Halleluja!

Houdt u bereid:

‘t is bruiloftstijd!

Begroet Hem, Wie g’ u hebt gewijd!”

 

 

  1.  

Zion hoort de roep weerklinken;

Haar hart springt op, haar ogen blinken;

Met blijde haast rept zij de voet.

Zie, Hij komt, zo sterk en prachtig,

door waarheid en genade machtig;

‘t wordt licht, zodra zij Hem ontmoet.
Kom, Jezus! onze kroon,
Gods eengeboren Zoon!
Hosianna!
Uw glans bestraal’
de bruiloftszaal,
waar Gij ons noodt ten avondmaal.

3.

Glorie zij U toegezongen
met mensen en met englentongen,
met bekkenklank en harpspeltoon!
Paarlen zijn uw erebogen,
o stad, waarin w’ ons scharen mogen
in ‘t englenkoor rondom Gods troon!
Geen oor heeft ooit gehoord,
geen oog ooit nagespoord

zulk een vreugde!
Zo juublen wij,
en zingen blij
de hallels met der eng’len rei.

 


1.

Broeders, zusters, op ten strijde!
De Koning riep ten allen tijde;
Hij riep ook ons op deze stond.
Neen, wij laten Hem niet wachten;
Hij toch heeft recht op onze krachten.
Hem trouw beloofd met hart en mond!

De Koning van de kerk
begeert, dat wij Zijn werk
doen met vreugde.
O, welk een eer!

Wij komen, Heer!
Gij zult ons in de strijd behoên.

 

2.

Satan woedt aan alle kanten
met zijne duizenden trawanten,
en waant deez’ aard zijn eigendom

met zijn honderdduizendtallen,

zij zullen voor de Koning vallen;
Die geeft heel d’aard aan God weerom.
Hoog waait de kruisbanier,
en ‘t Christenvolk houdt fier

‘t hoofd geheven.
De krijgsroep klinkt,
en geestdrift blinkt
al Jezus’ trouwen in het oog.

3.

Hoort, daar ruist een zee van klachten

dier scharen, die zo lang reeds smachten
in ‘s vijands wreed en loodzwaar juk!
‘t Zijn de slaven van de zonden,
wier harte bloedt uit tal van wonden,
die kwijnen in hun ongeluk.

Zij roepen bij hun lot
in hunne angst tot God.
Op! ter hulpe!
Wij al te zaâm,
in ‘s Heren naam.
De strijd der vrijheid daar gestreên!

 

4.

Heft uw ogen! Ziet de velden,
waar onze zaaiers henensnelden,
beloven reeds een volle schuur.
Maar die arbeid vraagt meer handen.
Op, op dan! naar de heidenlanden!

Voor ‘s Heren toekomst naakt het uur!
Ons allen roept Zijn stem.
Wij willen ons aan Hem
blijde geven;
wij werken meê,
bij ‘s harten beê:
dat ras de heiloogst binnen zij!

 


1.

Als de Zone Gods de eng’len uitzendt over heel de aard,
en Hij Zijn getrouwe dienaars tot Zich gaart;
als de doden uit het graf geroepen worden, groot en klein,
welk een grote toevergaad’ring zal ‘t dan zijn.

 

Koor:

Welk een welkom, welkom,
op de eerste dag van ‘t hemels jubeljaar!

Welk een welkom, welkom,
Hart’lijk  welkom de verlosten zal dat zijn.

 

2.

Als de engel zweert bij Hem, Die macht heeft, dat het is geschied,
en de wereldpracht verdwijnen moet in ‘t niet,
zalig, die dan tot zijn Heer en Zaligmaker wordt vergaard,

kind des hemels, vrij gemaakt van deze aard.

 

3

Op de waag’nen Israels, en naar de Godsstad, wonderbaar,
voert een stoet van eng’len de verloste schaar;
paarlen zijn haar poorten en op t zuiverst eêlgesteent’ gesticht;
voor haar glans verdooft der zonne glinst’rend licht.

 

4.

Aan de oever van het water, dat uit ‘s Heren troon ontspringt,
en in ‘t midden van de schaar, die jubel zingt,
klinkt dan ‘t onnazingbaar loflied der gekochten van deez’ aard:

Waardig, waardig, Heer, Gij zijt de hulde waard!

 


 

De grote Redder is nabij,
de liefdevolle Jezus;
Zijn woord reeds maakt van vreze vrij,
o hoor de stem van Jezus.

 

Koor:

Zoetste toon van ‘t serafslied,
klank, die vrede en hope biedt,
is Uw naam dat woord ons niet,
Jezus, dierb’re Jezus?

 

2.

Vergeven is uw zondenschuld,
zegt reddend tot u Jezus;
omdat Hij alles heeft vervuld,
wacht u de kroon bij Jezus.

 

3.

Zingt, broeders, mede tot Zijn lof,
verheft de naam van Jezus;
waar, zusters, vindt gij schoner stof?
Komt zingt met ons van Jezus.

 

4.

Dat arm en rijk, dat oud en jong,
zich paar in ‘t lied voor Jezus;
Hem roem, die ‘t pleit voor ons voldong,
de Zaligmaker Jezus.

 

5.

Eens loven aarde en hemel zaam,
verloste en engel Jezus;
hun eeuwig loflied meldt Uw naam,
en die alleen, Heer Jezus!

 


1.

Heil’gen, waakt, het tijdstip nadert,
dat de Heer zijn volk vergadert;
houdt uw lampen brandend, vromen,
haastig kan de Koning komen.

 

Koor:

Ziet, Hij komt, Jezus, Hij komt;
Hij verschijnt om eeuwig leven,
zaligheid Zijn volk te geven,
eeuw’ge vreugd bij hunne God.

 

2.

Laat alom Zijn heil maar horen;
bidt hem, die, in schuld verloren,
roek’loos vreugd’ nog vindt in ‘t kwade,
dat hij achte op Gods genade.

 

3.

Koninkrijken zijn gevallen;
ondergang bedreigt ons allen.
Dringt dan tot de Rots te vlieden,
die alleen behoud kan bieden.

 

4.

Zondaars, hoort naar Jezus’ bede;
Zijn verzoening schenkt u vrede;
door Zijn bloed, voor ons vergoten,
is ons ‘t paradijs ontsloten.

 

 

1.

Werk, want de nacht zal komen,
werk van de morgen aan;
laat niet in wufte dromen
‘t ochtenduur vergaan.
Tijd weet van slaap noch rusten;
zie ‘t zonlicht op zijn baan,
en laat u niets gelusten,
voor gij hebt gedaan.

 

2.

Werk, want de nacht zal dalen,
en eer uw hart ‘t vermoedt;

werk door dan ook bij ‘t stralen

van de middaggloed.
Uit al uw macht gedurig
volbracht, wat gij ook doet;

een geest, getrouw en vurig,
maakt uw arbeid zoet.

 

3.

Werk, want het rustuur nadert,
zie, hoe het westen wacht,
van gouden glans dooraderd,
haast komt nu de nacht.
Zo keert ons licht tot duister,
wordt macht’loos onze kracht!
Maar ‘t werk houdt eeuwig luister,
in de Heer volbracht.

 


1.

Gij, die kroonjuwelen zoekt,
weet, dat dikwijls in het slijk
nog de beste paarlen zijn
voor des Meesters koninkrijk.

 

Koor:

Kroonjuwelen, kostb’re zielen,
nog bedekt met stof en slijk,
zoeken wij als kostb’re zielen
voor des Meesters koninkrijk.

 

2.

Zielen, ver verdwaald van God,
zielen, door de smart verscheurd,
zielen, zuchtend, roepen u,
moeten uit het slijk gebeurd.

 

3.

Breng die diamanten Hem,
die Zijn bloed voor hen vergoot;
en gewassen, zuiver, rein,
schitt’ren allen, klein en groot.

 

4.

En straks in de heerlijkheid,
als wij allen bij Hem zijn,
schitt’ren die juwelen schoon,
blinken in Gods zonneschijn.

 


1.

Van Groenlands kille stranden,
van oost- en westergrens,
uit rotskloof, woud en zanden
rijst een gebed, een wens;
waar onder ‘t zondaarslijden
het zondaarshart verbloedt,
daar zucht ook om bevrijden
‘t naar God gevormd gemoed.

                   

2.

Wat baat aan Ceylons dreven
haar geur en specerij,
zolang haar kind’ren leven
in zonde’s slavernij?
Ach, bloem en vrucht getuigen,
maar vrucht’loos van de Heer;
de heid’nen zien ze en buigen
zich blind voor ‘t schepsel neer.

 

 3.

Stuwt, winden, stuwt de stromen
vooruit met dubb’le kracht,
waar ‘s Heren knechten komen
met schatten, lang gewacht.

Helpt ‘s mensen woord getuigen
van uw en hunne Heer;
en hart en knieën buigen

haast in één naam zich neêr.

 


1.

Komt maaiers, ‘t is nu oogsttijd,
ziet aarz’lend niet in ‘t rond,
de tijdstroom kent geen rusten
en haast naar de avondstond;

al zijn de maaiers weinig,
dit is des Heren zaak;
Hij riep u als Zijn knechten
elk tot een eigen taak.

 

2.

Wacht niet tot and’ren komen,
maar sla de sikkel aan,
en bindt tot volle schoven

het rijpend goudgeel graan.
De Meester riep en stelde u
tot werkdoen, waar gij zijt;

een arbeid afgewogen
naar d’ u beschikte tijd.

 

3.

Rept, maaiers, dan de handen;
hoe klein gij zijt in tal,
gelooft, dat God u sterken

en nooit begeven zal.
Hij is de Heer des oogstes,
het geldt Zijn eer en schat,
bedenkt dan met wat liefde
u God heeft liefgehad.

4.

Zijn liefd’ in Christus dring’ u
tot werken zonder rust,
ziend’ op de sabbatsvreugde,
die wacht aan gindse kust.
‘t Is hier een tijd van zwoegen,
van ijv’ren vroeg en laat;
heil, die eens met zijn Koning
gekroond ten oogstfeest gaat.

 


1.

Ik denk zo vaak aan ‘t heidenland,
ver van hier, ver van hier!
Aan ‘t schone, maar afgodisch strand,
ver van hier, ver van hier!

Hoe menig kind buigt zich daar neer,
voor afgodsbeelden keer op keer,
en kent geen and’re God en Heer!
Ver van hier, ver van hier!

 

2.

O hoe beklaag ‘k de kind’ren daar,

ver van hier, ver van hier!
Al is hun land ook schoon voorwaar,
ver van hier, ver van hier
ik zou niet graag mijn kleine hof,

verruilen voor een palmenhof,
waar ‘k niet kon zingen tot Gods lof!
Ver van hier, ver van hier!

 

3.

‘k Wil vurig bidden, dat de Heer
ver van hier, ver van hier!
Zijn Goede Geest zend tot hen neer,
ver van hier, ver van hier!

‘k Geef ook mijn penninkske voortaan,
opdat Gods Evangelieblaân,
Gods boden tot hen mogen gaan!
Ver van hier, ver van hier!

4.

En als dan eens ‘t bazuingeschal
ver van hier, ver van hier!
Van Jezus’ liefde spreken zal,
ver van hier, ver van hier!
Dan vallen d’ afgodsbeelden neer,
de heid’nen brengen Jezus eer,
en prijzen Hem, der heren Heer!
Van van hier, ver van hier!

 


1.

Wie slaat mee de sikkel tot oogsten aan?
Ziet, de akkers zijn goudgeel van ‘t rijpend graan;
de sikkel der waarheid, Gods Woord, geeft macht;
met blijdschap Zijn oogst dan ter schuur gebracht.

 

Koor:

Komt, slaat de sikkel bij ‘t oogstlied aan;
ter ere des Meesters ‘t heuglijk werk gedaan;
na d’ arbeid ‘t oogstfeest, het vreugdemaal
in ‘s Konings feest’lijke vorstenzaal.

 

2.

De wereld is de akker, die God ons wijst,

waar ‘t rijpende graan Hem als landman prijst;
wat onkruid de vijand er werp’ bij nacht,
zijn pogen bleek ijdel door ‘s Heren macht.

 

3.

Nu roept ons Zijn liefde naar ‘t rijpend veld,
waar de aar in haar volheid Zijn trouw vermeldt;
luid klink’ er ons oogstlied, met hart en mond
zij maaiend in psalmen Zijn roem verkond.

 

4.

Als ‘t werk is volbracht, wacht de maaiers ‘t loon;
het feest na de oogst is des arbeids kroon;
welzalig wie trouw zijne taak volendt,
Gods liefde in haar rijkdom bij feestvreugd kent.

 


1.

Waar is des Christens vuur der eerste liefde,
waar is de eenheid en de broedermin.
Waar d’ offergeest, dat ieder zich ontriefde
tot andrer heil, uit ware Christenzin?

 

Koor:

Gaat aan de arbeid
met lust en gebed.
Gaat aan de arbeid
door God u gezet.
Stenen ontbreken
aan ‘t huis van de Heer.
Straks komt de Meester,
komt, toeft nu niet meer.

 

2.

Ziet gij in Gods gemeente niet de armen,

die bitter strijden om hun daaglijks brood.

Hebt gij geen hart voor hen en geen erbarmen?
Komt, gaat dan heen en lenigt hunne nood.

 

3.

Kunt gij, daar gij Gods rijk toch op moet bouwen,
zo ledig staan en neemt geen deel aan ‘t werk.
Klopt uw geweten niet, dit te aanschouwen?
Komt staat dan op, Gods arbeid maakt u sterk.

 

4.

Hoe zegt de Bijbel, wat staat daar geschreven.
Is gierigheid daar niet het ergst van al?
Wat vreugde heeft een rijke na dit leven?
Zo werkt en geeft, dat gij niet komt ten val!

 


1.

‘s Heren volk, let op de teek’nen:
wit ten oogst staat reeds het veld.
Weldra klinkt de roep der maaiers.
D’ akker wordt ten oogst gesteld.
Eng’len worden uitgezonden,
om uit ieder volk en land
rijpe tarwe te vergaad’ren,
doch het onkruid wordt verbrand.

 

2.

Spoedig, bij die grote scheiding
wordt het eind’lijk openbaar
wat het onkruid, wat de tarwe
onder ‘s Heren kinderschaar

schrikt dan Jezus door Zijn rein’ging,
menig mens op uit zijn rust.
O! dan wordt de hoop der zondaars
bij zo velen uitgeblust.

 

3.

De genade spoedt ten einde.
G’loof alleen in Christus’ bloed.
‘t Bruiloftskleed moet gij bezitten
als Gods lout’ring u ontmoet.

‘s Heren volk, let op de teek’nen,
waakt en werkt, steeds houdt u rein.
Jezus zal niet lang meer toeven,
maar zijn komst zal spoedig zijn.

 


1.

Op, aan ‘t werk! De dag vliedt henen!

Zie, hoe d’ avondschaduw naakt,
en hoe ‘t u omhullend duister,
weldra al uw arbeid staakt.
Zielen om u gaan verloren,

zinken neer in ‘t graf weldra.
Nog is ‘t tijd, o ga dan heden
tot hun redding, spoedig ga!

 

2.

Als gij op des Meesters roepstem,
willig aan de arbeid gaat,
vindt ge op ‘s levens kronkelpaden,
meen’ge ziel, die wachtend staat.
O, hoevelen kwijnen henen,
zuchtend onder grievend leed,
die u gaarne zouden volgen,
waart gij tot hun hulp gereed!

 

3.

Zie in ‘t rond! Aanschouw het oogstveld,

wuivend dik met golvend graan!
Waarom bindt ook gij geen schoven?
Waarom laat gij ‘t koren staan?
Zijn de zielen u niet dierbaar?

Is uw rust u meer nog waard?
Werk toch, werk toch voor de Meester,
tot Hij wederkomt op aard!

 


1.

Wie hier gaat en zaait met tranen,
enig ziende op ‘s Vaders eer,
oogst een vreugd die nooit zal tanen,
eeuwig zalig bij de Heer.

 

Koor:

‘s Hemels dauw bevocht zijn akker,

koest’rend stooft de zon het zaad,
tot met volgeladen aren
‘t goudgeel graan te rijpen staat.

 

2.

Wordt dan nooit het zaaien moede,

woeker met uw kracht en tijd;
eens wordt in de dag des oogstes
naar uw werk uw hart verblijd.

 

3.

Ziet in ‘t rond, aanschouwt de velden;

ziet, hoe God er wasdom geeft;
honderdvoudig zal zijn oogst zijn,
hoe de vijand Hem weerstreeft.

 


1.

Hoor des Heilands vriend’lijk noden:

wilt gij tot Mijn akker gaan?
D’oogst is rijp en beidt de maaier,
op zijn sikkel wacht het graan.
Luid en dringend roept de Meester,

en een vorst’lijk loon schenkt Hij.
O, wie hoort Hem en zegt dankbaar:
“Heer, hier ben ik, zend ook mij.”

 

2.

Kunt g’ al niet aan verre stranden
heid’nen winnen door uw woord,
zie, nabij u leven heid’nen
in een nacht van zonde voort.

Mist gij ‘s rijken goud en zilver,
toch der weduw’ penning niet;
Jezus loont zelfs, wie vermoeiden
slechts een beker water biedt.

 

3.

Spreekt gij niet der eng’len tale,
mist gij Paulus’ gave en kracht,
toch kunt gij in eenvoud zeggen,
wat voor u de Heer volbracht.
Derft gij ‘t woord, dat goddelozen

voor Gods oordeel sidd’ren doet,
toch kunt gij de kind’ren zeggen:
“onze God is eind’loos goed.”

4.

Dekk’ u nooit het woord der traagheid:

“wat zou ik, die niets vermag?”
O, genoeg zij ‘t u, dat Jezus
vragend op u nederzag.

Doe, wat Hij begeert, blijmoedig,
dat Zijn werk uw vreugde zij;
laat Hem blijde uw antwoord horen:
“Heer, hier ben ik, zend ook mij.”

 


1.

Zie, negen en negentig keerden weer

tot rust en veilig dak,
maar hoe men ook tellen mocht keer op keer,
het honderdste ontbrak;
het was nog verdoold in bos en kloof,
en ver van zijn stal aan ‘t gedierte ten roof,
en ver van zijn stal aan ‘t gedierte ten roof.

 

2.

Heer, negen en negentig tellen wij,
een enk’le slechts ontbreekt.
“Zwijg stil,” zegt de Herder, “Ik hoor, hoe Mij
die eenling klagend smeekt
‘t is guur op ‘t gebergt’ en donk’re nacht;
ik voel met wat angst die verlorene wacht,
ik voel met wat angst die verlorene wacht.”

 

3.

En weg ging de Herder, maar geen vernam,
hoe hoog het water stond,
en hoe Hij moest worstelen, eer Hij kwam,
waar Hij de zwerver vond.
Geklemd in het hout, van wringen moe,
en kracht’loos van ‘t blaten tot stervens toe,
en kracht’loos van ‘t blaten tot stervens toe.

 

4.

“Maar, Heer, zie die droppelen bloed in ‘t spoor,
dat door de bergen gaat!”
“Ik kocht in de nacht Mij Mijn schaap daarvoor,
‘k heb beek en vliet doorwaad.
Al scheurden Mij doornen hand en voet,
Ik kocht het Mij weder ten prijs van bloed,
Ik kocht het Mij weder ten prijs van bloed.”

5.

En door het gebergte weerklonk de kreet:

“wees nu met Mij verblijd;
Mijn schaap, dat een lokaas verdwalen deed,
is van de dood bevrijd.”
En d’ engel herhaalt het jubelwoord:
“De Heer geeft Zijn bloed voor wat Hem behoort,
  de Heer geeft Zijn bloed voor wat Hem behoort.”

 


1.

Volgers van Jezus, de dag Is nabij,
velden reeds wit tot de oogst toont ons Hij;

merkt op zijn wenken, waakt op tot Zijn werk;

Hij maakt ons, die zwak zijn, tot Zijn taak kloek en sterk.

 

Koor:

Roep Hem aan, Christen, waak en bid;

vraag ‘s Meesters hulp, want Zijn akkers zijn wit;
gader Hem schoven, breng Zijn oogst in de schuur,
haast kroont onze arbeid ‘t feestmaal eeuwig in duur.

 

2.

Veel is het werk, maar het loon ook is groot;
ziet op de maaiers, hun broederzin noodt
ernstig u smekend: “Och, bidt, bidt ook gij,
dat God ons verhoring schenk’, genadig ons zij.

 

3.

Heer, och, verhaast zelf de feeststond der vreugd,
waarin zich zaaier en maaier verheugt;
‘t uur, dat Uw voorraadschuur vol is gelaân
en ‘t feestlied des oogstes U ter eer op zal gaan.

 


1.

Zaaien we in de morgen, eer de zon de gloed geeft;
wie in trouw volharden, beidt het heuglijkst loon;
zaaien we op de middag, tot ons d’ avond moed geeft,
‘s Meesters welbehagen schenkt aan ‘t werk Zijn kroon.

 

Koor:

Zien wij op de oogst,
zien wij op de oogst,
als Gods welbehagen
de arbeid Hem gewijd,
der getrouwen vlijt,    
al hun moeite en strijd
d’ erekroon doet dragen,
is de jubeltijd.

 

2.

Zaaien we als de jonkheid lokt met haar vermaken;
zaaien we als met eer en goud de wereld vleit;
‘t in de trouw volharden doet alleen ons smaken
‘t volle van de vreugde, die de maaier beidt.

 

3.

Zaaien we al met tranen, ‘t oog dan op de Koning,
die als Man van smarten ons is voorgegaan;
na ‘t volhardend zwoegen breekt met vreugdbetoning
voor de wakk’re maaier ‘t feest des oogstes aan.

 


1.

Aan het werk; aan het werk! in de dienst van de Heer;
als wij doen naar Zijn wil, geeft Hij kracht meer en meer;
in de Heer zijn wij sterk en bekwaam tot de strijd;
Hij blijft ons steeds nabij met Zijn Geest ‘t allen tijd.

 

Koor:

Houdt steeds aan,
houdt steeds aan,

houdt steeds aan,
houdt steeds aan,

Jezus brengt,
en Hij geeft,
houdt aan totdat de Meester komt!

 

2.

Aan het werk! aan het werk! zie de hong’rigen aan;
laat vermoeiden met u naar de levensbron gaan!
Onze roem, onze eer ligt in ‘t kruis van de Heer,
en wij juichen alom: “God verlost keer op keer!”

 

3.

Aan het werk! aan het werk! er is werk voor elkeen;
wordt Gods rijk uitgebreid, dan vliedt duisternis heen;
en Gods Naam wordt verhoogd, en Gods volk is dan blij,
als het woord klinkt alom: “God verlost zondaars vrij!”

 

4.

Aan het werk! aan het werk! in de kracht van de Heer;
eens aan ‘t eind van de reis kroont ons Jezus met eer;
in de hemel der zaal’gen klinkt eenmaal ons lied;
en wij juichen dan blij: “Hij verloste ons om niet!”

 


1.

De dag des oogstes naakt,
zijn morgen is nabij,
gij, ‘s Heren knechten, bidt en waakt,
Zijn oogst is ‘t feestgetij.

 

2.

Schoon in een stugge grond
uw zaad met tranen val’,
de Heer des oogstes roemt uw mond

welhaast met lofgeschal.

 

3.

Heft opwaarts hart en oog,
uw Koning, die u beidt,
komt eerlang op der wolkenboog
in volle heerlijkheid.

 


1.

Zaai van de morgenstond
tot d’ avond val’ uw zaad,
God, die u op zijn akker zond,

is wondervol in raad.

 

2.

Wanneer gij ‘t niet vermoedt,
uw kracht en hoop vergaan,
verblijdt u met een overvloed
de Heer, van ‘t deugdzaamst graan.

 

3.

Vergeefs is d’ arbeid nooit
gewrocht in ‘s Heren kracht,
hoe traag gij ‘t zaad, door u gestrooid,
in zijn ontkiemen acht.

 

4.

Verbeid dan ‘s Heren tijd;
wie hier met tranen zaait,
wordt naar zijn moeit’ en zorg verblijd,
als hij met danklied maait.

 


1.

Veel voor anderen te wezen,
hen te helpen, altijd weer,
och, mocht dit de vreugde worden,
die ik boven al begeer,
die ik boven al begeer.

 

Koor:

Zalig, zalig, zalig is hij,
die geeft wat hij heeft

en zich rijk voelt er bij.

 

2.

Liefde alleen maakt waarlijk blijde,
altijd als ‘k mij zelf vergat,
om een ander rijk te maken,
wachtte mij een groter schat,

wachtte mij een groter schat.

 

3.

Schat van vrede en vreugd van binnen,

‘k wens, ik zoek u altijd weer;
heerlijk is het veel te ontvangen,
maar wie geeft, hij wint nog meer,
maar wie geeft, hij wint nog meer.

 


1.

Grijp toch de kansen, door God u gegeven!
Kort is uw zijn hier; de tijd snelt daarheen.
Wat toch blijft over, o zeg van dit leven?
De arbeid der liefde, gedaan om u heen!

 

Koor:

Niets is hier blijvend! Niets is hier blijvend!
Alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan,
maar wat gedaan werd uit liefde voor Jezus,
dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan.

 

2.

Geef dan uw tijd niet aan ijdele zorgen!

Help hen, die vielen; breng troost in hun smart!

O, laat uw licht schijnen blij als de morgen;

spreek van de Heiland, Die rust geeft voor ‘t hart!

 

3.

Weet: al uw arbeid, uw lijden voor Jezus,

‘t wordt door Hemzelve geschat naar zijn waard!
En eens daarboven, daar vinden wij weder
vruchten van ‘t zaad, dat wij strooiden op aard!

 


1.

Zeg, waarom nog wachten, mijn vrienden?
O sluit u tot weldoen toch aan!

Verschrik’lijk zijn nood en ellende,
waar mensen gebukt onder gaan.
Waarom, waarom, waarom blijft ledig gij staan?
Waarom, waarom, grijpt gij niet helpend hier aan?

 

2.

Wat baat u het dralen, o vrienden,

komt lenigt de kwellende nood,
o laat toch uw harte hen vinden,
die smachten naar ‘t daag’lijkse brood.
Waarom, waarom, waarom blijft ledig gij staan?
Waarom, waarom, grijpt gij niet helpend hier aan?

 

3.

Gevoelt g’ in uw harten, o vrienden,

hoe armoê brengt lijden en pijn.
Laat toch dan met blijdschap uw leven
een blijk van weldadigheid zijn.
Waarom, waarom, waarom, blijft ledig gij staan?
Waarom, waarom, grijpt gij niet helpend hier aan?

 

4.

Het weldoen wordt zeker, o vrienden.

Vermeld in de hemelse blaân,
want wat wij hier doen aan de armen,
dat hebben wij Jezus gedaan.
Daarom, daarom, daarom blijft ledig niet staan!
Daarom, daarom, sluiten wij helpend ons aan!

 


 

1.

Gij, die des Heren arbeid deelt,
verkonders van Zijn Woord,
Zijn troostwoord, dat de wonden heelt,
in ‘t hart van angst doorboord.

 

2.

Vertraagt niet, ijlt met liefdedrang,

getuigt met heil’ge gloed;
opdat Gods vrede d’ angst vervang
in ‘t afgepijnd gemoed.

 

3.

Wekt kloekheid, wekt geloof en hoop,

waar moedeloosheid woont;
zo ziet g’ eens na voleinde loop,
uw trouw met eer gekroond.

 

4.

Kort is de tijd en d’ akker groot;
verkondt dan vroeg en spâ
verloren zondaars in hun nood
Gods rijkdom van genâ.

 


1.

O God, die onze Vader zijt
in Christus Uwe Zoon,
geef, dat ons hart, U toegewijd,

Uw liefdebeeld ook toon’.

 

2.

Laat van Uw liefd’ ons spiegel zijn
in ‘t dienen van elkaar;
leer wars ons zijn van vorm en schijn
en in ‘t U volgen, waar.

 

3.

Vereen Gij zelf door hechter band
de dragers van Uw naam,
en breng’ ons eens in ‘t Vaderland,
Uw liefde als broeders saâm.

 


1.

Staat hen bij, die hulp u vragen,
laaft, wie dorsten, bij hun pijn,
willig om wie angst doet klagen,
troosters in hun nood te zijn.

Wijst hen op een Heiland henen,
ons tot in de dood genoeg,
Die, voor ons in ‘t vlees verschenen,
aller, ook hun zonden droeg.

 

Koor:

Heft hoog op de vaan des levens,

Jezus’ heil’ge kruisbanier;
zegt: “De Heer is in ons midden,
komt tot Jezus, Hij is hier.”

 

2.

Wijst verloor’nen op de Herder,
Die voor ons Zijn leven gaf;
bidt hen: “Armen, dwaalt niet verder
van de veil’ge schaapskooi af.”
Uit de rotskloof, uit de doornen

heft Zijn hand ons op met macht;
laat dan redden u, verloor’nen,
Jezus hoort uw jammerklacht.

 

3.

Bidt, wie nog der wereld leven,
toorn vergaad’rend als een schat,
dat hun hart ze aan Jezus geven,
Die zo lang hen wachtte en bad.
Laat het hen in ons aanschouwen,

welk een rust aan ‘t hart Hij biedt,
welk een heil, bij ‘t op Hem bouwen,
‘t Hem behorend hart geniet.

 



1.

Hebt een oog voor hen die treuren,
eer uw dag ten einde spoedt;
haast u droeven op te beuren,
eer uw dag ten einde spoedt;

wat vermag een glimlach niet,
waar de liefde lijden ziet,
en van harte bijstand biedt,

eer haar dag ten einde spoedt.

 

Koor:

Eer uw dag, eer uw dag,
eer uw dag,

eer uw dag,
eer uw dag ten einde spoedt,
toont u voor uw naaste goed.

 

2.

Koopt de tijd uit, mild in gaven,

eer uw dag ten einde spoedt;
weeûw en wezen kunt gij laven,
eer uw dag ten einde spoedt;
waar gij rondziet om u heen,
treft u leiden en geween;
richt, waar nood is, dan uw schreên,
eer uw dag ten einde spoedt.

 

3.

Knoopt door weldoen liefdebanden,
eer uw dag ten einde spoedt;
helpt, waar nacht en storm doet stranden,
eer uw dag ten einde spoedt;
zalig, die bij weldoen leeft,

voor geen offerdienst of beest,
maar zichzelf bij ‘t zijne geeft,

eer zijn dag ten einde spoedt.

1.

Heer wil m’ een hart vol liefde schenken,

een hart dat naar Uw eisen vraagt.
Dat zonder aan zich zelf te denken,
de last van and’ren mededraagt.

Dat zonder aan zichzelf te denken,
de last van and’ren mede draagt!

 

2.

Een hart bereid voor U te strijden,
der zonde macht leert tegen staan.
Dat door Uw liefde zich laat leiden,
zelfs in de dood voor U wil gaan.
Dat door Uw liefde zich laat leiden,
zelfs in de dood voor U wil gaan!

 

3.

Een hart dat als de stormen woeden,

de macht der branding wederstaat.
Met liefd’ en heil de wereld voeden,
die hopeloos ten onder gaat.
Met liefd’ en heil de wereld voeden,
die hopeloos ten onder gaat.

 


1.

Wel hem, die zich verstandig draagt,

waar d’ armoe zit te kwijnen,
of, waar z’ in ‘t donker kermt of klaagt,
een straal van troost doet schijnen,
wiens hart om ‘s naasten lijden bloedt,
en die hem graag met raad of goed,

uit al zijn macht wil helpen.

 

2.

Wil ons op aard, ontfermend’ God!
Voor broodsgebrek bevrijden,
maar geef, dat w’ uit een ruimer lot
d’ ellende mild verblijden:

och laat ons elk in nood of pijn,
of armoe’ straks ter hulpe zijn,
en Jezus’ voorbeeld volgen.

 

3.

O Jezus, troost in alle leed,
getrouwe Vriend der armen!
Al wat Gij hier aan mensen deed
was eindeloos erbarmen;
voor ons zelf gaaft G’ U in den dood,
wat moeten wij dan in de nood
niet graag aan armen geven?

 

4.

Maak ons volvaardig op hun klacht,

tot hulp in hunne smarte,
en, zo ‘t ons ooit ontbreekt aan macht,
‘t onbreek’ ons nooit aan ‘t harte;
elk liefdewerk word’ in Uw kracht,
in Uwe naam, door ons volbracht,

dan zal het God behagen.

 


1.

Van U alleen, o Heer! van Uw goedgunstigheden,
is ‘t dat dit jonge paar geheel zijn heil verwacht,
ootmoedig voor Uw troon tezaam terneer gebogen,
richt zich hun oog en hart op Uwe liefdemacht.

 

2.

Of voorspoed hen omgeeft, of lijden hen komt kwellen.
Het leven vreugde brengt, of droefheid, moeit’ en zorg.
Leer hen het oog op U, als hunne Leidsman houden
blijf steeds hun heil, hun hoop, hun Raadsman en hun Borg.

 

3.

Leer hen gestaag het oog ten hemel op te heffen.
Dat zij in liefde één, uw liefde recht verstaan.
En na hun levenstaak, wat hen ook hier moog treffen.
Zij met U huiswaarts gaan, als de bazuin zal slaan

 


1.

Komt, laat ons in de geest
om ‘s Heren goedheid bidden.
Dat op dit huw’lijksfeest

Hij wone in ons midden.
Zijn tegenwoordigheid,
maakt ons eerst recht verblijd.
Hij voeg’ in Jezus naam,
hier bruid en bruidegom saam.

 

2.

Uw liefde strekt ten borg
van milde zegeningen;
wil met Uw trouwe zorg
hen eeuwiglijk omringen.
Uw vriend’lijk aangezicht
bestraal hen met uw licht,
opdat zij veilig gaan
langs ‘s levens kronkelpaân.

 

3.

Leer, Hemelbruidegom,
ons altijd op U wachten.
Dat ‘t “Here Jezus kom!”
steeds blijv’ in de gedachten.
Leer door dit huw’lijksfeest
ons bidden allermeest:
stort Heer! Uw Geest nu uit!
Bereid ons, Uwe bruid!

 


1.

Dankt, dankt nu allen God,
met blijde feestgezangen!
Van Hem is ‘t heuglijk lot,

het heil, dat wij ontvangen.
Hij ziet in Christus ons
altijd genadig aan,
en heeft ons dag aan dag
met goedheid overlaân.

 

2

Hij, d’ eeuwig rijke God,
wil ons reeds in dit leven
Zijn vrede en heilgenot
door hartsvenieuwing geven.

Hij zal ons, door Zijn Geest,
vermeerd’ren licht en kracht,
en ons uit alle nood
verlossen door Zijn macht.

 


1.

Mijn tijden zijn in Uwe hand,
dit is mijn vreugd en eer,
en dankend leg mijn hart, mijn al

ik aan Uw voeten neer.

 

2.

Mijn tijden zijn in Uwe hand,
‘t zij voor- of tegenspoed,
en wat Uw vadertrouw beschikt,
is altijd wijs en goed.

 

3.

Mijn tijden zijn in Uwe hand;
dies weet ik van geen vrees;
zij rusten in de Vaderhand,
die m’ immer gunst bewees.

 

4.

Mijn tijden zijn in Uwe hand;
dat is mijn vrede en roem,

mijn God, zo vaak in Christus ik
U Abba, Vader noem.

 


1.

God zij met u, tot we u wederzien,

door Zijn raad geleid, geheiligd,
met Zijn kudde steeds beveiligd.
God zij met u, tot we u wederzien!

 

Koor:

Wederzien, — wederzien,
wederzien in heerlijkheid,
wederzien — wederzien.

God zij met u, tot we u wederzien.

 

2.

God zij met u, tot we u wederzien,

in Zijn vleug’lenschaduw veilig,
voedt Hij u met manna heilig!
God zij met u, tot we u wederzien!

 

3.

God zij met u, tot we u wederzien,

waar gevaar aan alle zijden,
u omringt, wil Hij bevrijden.
God zij met u, tot we u wederzien!

 

4.

God zij met u, tot we u wederzien,

bij het zwellen van de baren,

doe zijn liefd’ de storm bedaren.
God zij met u, tot we u wederzien!

 


1.

O God, wie aarde en zee behoort,
bron onzes levens door Uw woord,
U bouwden wij dit huis ter eer,
in dienst van Christus onze Heer.

 

2.

Geef hier ons van Uw’ zegen blijk;

breid uit Uw heil en koninkrijk
door ons gebed en werk en strijd;
toon, Vader dat Gij met ons zijt.

 

3.

In U alleen is onze kracht;
Uw Geest make onze zwakheid macht,
en geve door zijn hulpe biên
ons immer rijker vrucht te zien.

 


1.

Heer, God der trouwe, neem de dank,

die wij met heilig feestgeklank
U bieden, naar Uw goedheid aan;
Gij hebt in liefd’ ons welgedaan.

 

2.

Uw gunst schonk ons dit bedehuis;
hier roemen w’ U bij Jezus’ kruis,
waardoor Hij, Uw geliefde Zoon,
ons weg is tot Uw hart en troon.

 

3

Vereen ons nauwer in Zijn naam,
maak zelf ons willig en bekwaam
tot dienen met de heil’ge zin
van kinderliefde en broedermin.

 



1.

Versmaad niet, Heer, deez’ kleine bouw,

die U de liefde wijdt,
als Uw gemeente, hier vereend,
Uw heil’ge naam belijdt.

 

2

Onwaard is als dit huis ons hart,
o God, Uw majesteit
maar Uw genâ is pleitgrond ons,
is ‘t heillicht, dat ons leidt.

 

3.

Bij need’rigen kiest Gij Uw woon,
en wij, in ootmoed zaam,
wij wijden U ons bedehuis
in Jezus’ heil’ge naam.

 


1.

U geldt de zaak, Uw roem en eer,
de zaak, waarvoor wij staan;
en daarom strijden wij te meer,
steeds door U voorgegaan.
Maar wensen wij de oogst zeer groot,
dan moeten wij gans in de dood.
Ziet maar op ‘t land naar ‘t tarwegraan,
het sterft, om daarna op te staan;
door onze dood

wordt d’ oogst van zielen groot.

 

2.

Uw voorbeeld, Heiland, spoor’ ons aan,

door lijden tot de troon,
dit is de weg door U gegaan
geen kruis, dan ook geen kroon.

Wel aan dan, broeders in ‘t geloof,
houdt hart en oor voor wereld doof;
weerstaat des vleses lust en macht,
o sterft, uw Heer en Heiland wacht!
En door uw dood
wordt d’ oogst van zielen groot.

 

3.

Hij zelf, het ware tarwegraan,
ging voor ons in het graf;
verheerlijkt is Hij opgestaan,
tot Dien, Die Hem ons gaf.
Komt, broeders, wordt dan Hem gelijk.
Wint zielen voor zijn koninkrijk;
uw eigen leven telt niet meer,
vraagt naar Gods wil, naar Jezus’ eer;
en door uw dood
wordt d’ oogst van zielen groot.

 

1.

Zij legden hunne gaven,
gewillig voor Gods troon,
en liefde tot de Heiland,
bleek uit dit eerbetoon.
Ook brachten zij de armen,

met blijdschap ‘t aardse deel,
uit liefde tot de Heiland,
was hun geen gaaf te veel.

 

Koor:

Wilt brengen uwe gaven,
tot Jezus, onze Vriend.
Hij zij met heel ons harte,
in eeuwigheid gediend.

 

2.

Doch eenzaam en verlaten,
van al die gevers stond,
een zwerv’ling zonder gave,

‘t geen hij heel treurig vond.
Hij nadert tot de Heiland.
Beschaamd, daar hij niets heeft,

met tranen in de ogen.
En met een stem die beeft.

 

3.

O Heer, roept hij al zuchtend,
ik weet hoe goed Gij zijt,
mijn trotse hart is ‘t offer,

dat ik U heden wijd.
De Heiland antwoordt vriend’lijk:
die gaaf Ik niet veracht,
gij hebt van alle gevers,
Mij ‘t allermeest gebracht.

 


1.

Voorwaarts,  Christenstrijders,
drukt uws Konings spoor;
met zijn heil’ge kruisvaân
gaat ons Jezus voor.
Weest voor Zijn bevelen,
wat u dreig’, nooit doof;
toont, hoe bang ‘t u worde,
in Zijn woord geloof.

 

Koor:

Voorwaarts, Christenstrijders,
drukt uws Konings spoor;
met zijn heil’ge kruisvaan
gaat ons Jezus voor.

 

2.

‘t Was zijn woord bij ‘t scheiden:
volgt Mij onvervaard.
Ook u wordt verdrukking,

smaadheid niet gespaard
maar Ik heb verwonnen
‘s werelds vorst; zijn macht
zal uw trouw beproeven,
waakt! strijdt in Mijn kracht.

 

3.

Voorwaarts, opwaarts, broeders,
werpt zijn sterkte neer;
velt, wie tegenstreven,

‘t geldt uws Koninigs eer.
Hij heeft overwonnen,
heerst op ‘s Vaders troon;
strijdt, volhardt ten einde,
‘t geldt zijn eer, uw kroon.

 


1.

Ik zend u uit! Ik heb u uitverkoren,

ga, win voor Mij de aard;
Ik zend u uit! ga, red wat is verloren,
wees sterk en niet vervaard!
Zo wandel moedig uwe banen.

Trek uit steeds met gewijde vanen.
Trots Satans macht en felle tegenspoed!
Ik zend u uit! Houdt goede moed!
Ik zend u uit!

Ik zend u uit!

 

2.

Ik zend u uit! Zorgt niet wat gij zult spreken,
Ik geef u Mijne Geest,
die wonderlijk de tong maakt los der leken,
en maakt ze onbevreesd.
Als sluit men voor u deur en straten,
zegt dan: wij kunnen het niet laten,

God wil ‘t, vergaat ook d’ aard in helse gloed!

Ik zend u uit! Houdt goede moed!

 

3.

Ik zend u uit! Al dreigen storm en golven,
zie biddend op tot Mij.
Ik zend u uit! als schapen onder wolven,
maar Ik sta u terzij!
En slaat de wereld u met roeden,

gedenkt, dat Ik voor u moest bloeden.
Hier strijd en kruis, en ginds de zegepraal!
Ik zend u uit! Sta daarom pal.

 


1.

Uren, dagen, maanden, jaren,
vliegen als een schaduw heen;
ach! wij vinden, waar wij staren,
niets bestendigs hier beneên!

Op de weg, die wij betreden,
staat geen voetstap die beklijft;
al het heden wordt verleden,
schoon ‘t ons toegerekend blijft.

 

2.

Vader, onder al mijn noden,
Vader, onder heil en straf,
Vader, ook in ‘t rijk der doden,
Vader ook in ‘t zwijgend graf;
waar ik ooit verand’ring schouwe,
Gij, o God! houdt eeuwig stand;
ook mijn stof rust op Uw trouwe,
sluimert in Uw Vaderhand!

 

3.

Snelt dan, jaren, snelt vrij henen
met uw blijdschap en verdriet;
welk een ramp ik moog bewenen,
God, mijn God, verandert niet;
blijft mij alles hier begeven,
voortgeleid door Zijne hand
schouw ik, uit dit nietig leven,
in mijn eeuwig vaderland.

 


1.

Sikkels klinken,
sikkels blinken,
ruisend valt het graan.
Zie de bindsters garen,

zie in lange scharen
garf bij garven staan,

garf bij garven staan.

 

2.

‘t Heter branden,
op de landen,
meldt de middagtijd.
‘t Windje, moe van ‘t zweven,
heeft zich schuil begeven,
en nog zwoegt de vlijt,
en nog zwoegt de vlijt.

 

3.

Blijde maaiers,
nijv’re zaaiers,
die uw loon ontvingt!
Zit nu rustig neder,

galm’ het mastbos weder,
als gij juichend zingt,
als gij juichend zingt.

 

4.

Slaat uw ogen
naar de hoge,
alles kwam vandaar!
Zachte regen daalde,
vriend’lijk zonlicht straalde
mild op halm en aar,

mild op halm en aar.

 


1.

Op bergen en in dalen,
ja, overal is God!
Waar wij ook immer dwalen
of zitten, daar is God;
waar mijn gedachten zweven

of stijgen, daar is God;
omlaag en hoog verheven,
ja, overal is God!

 

2.

Zijn trouwe Vaderogen
zien alles van nabij;
wie steunt op Zijn vermogen,
die dekt en zegent Hij.
Hij hoort de jonge raven,
bekleedt met gras het dal,
heeft zelfs voor wormen gaven,
ja, zorgt voor ‘t gans heelal.

 

3.

Gij, aardrijks woest gewemel,

gij, die in ‘t water zweeft,

of onder Zijne hemel,

of in Zijn hemel leeft,

gij, alle Zijne werken!

Ontdekt bij dag en nacht,

in ‘t voeden, hoeden, sterken,

de goedheid Zijner macht.

4.

Ja, Christ’nen! gij kunt juichen;

waar ik mij keer, is God;

wat wank’len moog of buigen,

Hij, Hij bestuurt mijn lot!

Ook zelfs in doodse banden,

bij ‘t onherroeplijkst lot, —­

waar trouwe vriendenhanden

niet helpen,  — dáár helpt God.

 


 

1.

‘k Dien onder Jezus krijgsbanier,

voor ‘t godsrijk is mijn strijd;

zelf heeft mijn hart, mijn alles hier

Hij tot Zijn dienst gewijd.

 

2.

Ik vraag niet wat het vlees behaagt,

wat lust en zinnen vleit,

maar enig wat mijn veldheer vraagt,

en volg Hem, waar Hij leidt.

 

3.

Vergeefs dreigt mij de wereldmacht,

haar toornen deert mij niet;

mijn Heiland maakt mijn zwakheid kracht

tot al wat Hij gebiedt.

 

4.

Had voor zijn kampspel Griekenland

niet ieder offer veil?

Hoe bindt tot trouw veel heil’ger band

m’ aan ere zonder peil.

 

5.

Des Heren krijg’ren wacht een eer

als hier geen maatstaf meet,

een kroon als d’ eerkroon van hun Heer

Zijn vorst’lijk priesterkleed.

 

6.

Beziel, mijn Koning, mij altijd

de luister van die dag,

opdat ik na voleinde strijd

Zijn eer ook delen mag.

 


1.

Jonge, vrome helden,

Jezus roept u op!

Laat nu elk zich melden,

heft Zijn vaan in top!

Satan maakt zich vaardig

voor de laatste strijd!

Toont nu onverschrokken,

trouw, wiens man gij zijt!

 

Koor:

Hoe des vijands flitse

om u suiz’ en gonz’

achter Koning Jezus

is de zege ons!

 

2.

Laat de vijand naken,

met de hel in ‘t oog,

zou hij ‘t hart ooit raken,

dat voor Jezus boog?

O, in eigen krachten

is ‘t wis niets gedaan,

zeeg’ is slechts te wachten,

achter Jezus aan!

 

3.

Koninkrijken wank’len,

scepter valt en troon,

eeuwig onbewogen

staat uws Konings troon!

Voorwaarts dan getrouwen,

schaart u in ‘t gelid!

Blijft op Jezus bouwen,

worstelt, waakt en bidt!

 


1.

Waarom, o krijgsknecht, dus vervaard,

waar vlood uw moed, uw kracht,

dat u een vijand vreze baart,

die ‘s Heren vrees niet acht?

Waak op! Als gij op Jezus ziet

is ‘t licht der hoop niet ver,

ja, is Hij zelf, die sterkte biedt,

uw hart de Morgenster,

uw hart de Morgenster.

 

2.

Vlei niet ontijdig u ter rust,

deins niet in wanhoop af;

wees van uw roeping u bewust

en wie de taak u gaf.

De vreugd’ kwam steeds na bang verdriet,

in rouw is troost nooit ver,

zie op tot Hem, die kracht u biedt,

Hij is de morgenster,

Hij is de morgenster.

 

3.

Vooruit dan, hoe de vijand dreig’,
hoe u de worst’ling prang’,
en ‘t daglicht zelfs ten avond neig,
hem wacht geen zegezang.

Hoe zwart uw oog het luchtruim ziet,
uw Helper is nooit ver,
Zijn komen doet de nacht te niet,
Hij is de Morgenster,
Hij is de Morgenster.

4.

Ban dan uw vrees; ga, Christen, ga,

uw broed’ren steeds vooraan.
Gij kunt, vertrouwt ge op Gods genâ,
ten bloede toe weerstaan.
Het offer Gods, voor u geschied,

zij nimmer van u ver,
dan zingt g’, in strijd en zegelied.
De Heer, uw Morgenster,
de Heer, uw Morgenster.

 


1.

Wie wand’len wil met rijk genot.
Ga vóór de zon naar buiten,
en de ochtendstilte zal voor God
zijn hart in dank ontsluiten;

dan bij ‘t zoet, dat hij geniet,
stemt zijn harte mee in ‘t lied,
dat zacht de voog’len fluiten.

 

2.

Geheel de schepping is een boek,
door ‘s Heren hand beschreven,
waarin men, waar onze oogblik zoek’,
Zijn liefdewoord ziet leven.
‘t Oog speurt bloemen heinde en ver,

ziet omhoog de morgenster,
die vrede en hoop ons geven.

 

3.

En dan wanneer de nachtegaal
zijn orgeltoon laat horen,
als in het Oosten de eerste straal
der zon de kim doet gloren,

wordt in ‘t Godgewijd gemoed,
als van manna Gods doorvoed,
een lied des lofs geboren.

 


1.

Zie de leliën op ‘t veld,
zie, hoe schoon zij bloeien!
Wie doet haar, van zorgen vrij,

daar zo heerlijk groeien?
Wie gaf haar die stille pracht.
Wie dat kleed, zo rein en zacht,

zonder zijns gelijke,
zonder zijns gelijke?

 

2.

God, de Heer, riep hen uit d’ aard,
doet zo blij hen tieren;
Hij gaf hun dat schone kleed,
om deez’ aard te sieren;
opdat ik bij zorg en smart
met een stil, gelovig hart,

leer op Hem vertrouwen,
leer op Hem vertrouwen.

 

3.

IJdel mens, wat zorgt gij toch?
Zie toch meer naar boven;
zegt niet Hij toch in Zijn woord:
gij gaat bloemen ver te boven?

Woel toch niet in ‘t aardse slijk;
maar zoek eerst het koninkrijk,
leer in Hem geloven,

leer in Hem geloven.

 


1.

Sta, voor ‘t geen gij plicht weet, pal,

doe als Daniël
zij uw weg langs berg en dal,
gehoorzaam Gods bevel.

 

Koor:

Wees ook gij een Daniël,
sta, al is ‘t alleen
luister steeds naar Gods bevel,
dit leidt ten hemel heen.

 

2.

Heerlijk is God steeds met hem,
die gehoorzaam is;
als wij volgen Zijne stem,

dan is Zijn hulp gewis.

 

3.

Is de vijand nog zo groot,
‘t komt er niet op aan.
Wees gehoorzaam tot de dood,

en God zal voor u staan.

 

4.

Vrees noch leeuwen, noch het vuur,
doe als Daniël;
Christus is u als een muur,
Hij is d’ Immanuel.

 


1.

Op tot de strijd hier beneden;
op tot de heilige plicht.
Straks is de strijd hier volstreden,
straks in Gods wonderlijk licht,

straks is de strijd hier volstreden,
straks in Gods wonderlijk licht.

 

2.

Nu nog een lijden en strijden;
nu nog een moeilijke tijd,
weldra een heerlijk verblijden,
straks in ‘s Heren heerlijkheid,

weldra een heerlijk verblijden,
straks in ‘s Heren heerlijkheid.

 

3.

Dan zal een schaar van bevrijden.
Zingen tot eer van de Zoon.
Die hen uit duisternis leidde
tot voor Gods eeuwige troon,
die hen uit duisternis leidde
tot voor Gods eeuwige troon.

 

4.

‘t Oog dan ten Hemel geheven,
‘t offer der liefde gebracht.
Christus, de Heer van ons leven,
is ook ons Licht in de nacht,
Christus, de Heer van ons leven,
is ook ons Licht in de nacht.

 


1.

De Mei is gekomen
op ‘t zefiergesuis,

nu blijve de kniezer
met zorgen tehuis!

U wil ik doorwand’len,
gij vrije natuur!

Zo blij als de wolken
het hemels azuur.

 

2.

Vooruit nu met luste
op ‘t zonnige spoor,
de heuvelen over,
de graanakkers door!
Hoe heerlijk te zwerven,
des ziens nooit verzaad!
Hoe koelt mij Gods adem

het gloeiend gelaat!

 

3.

Hoe ruisen de blâren,
hoe murmelt de vliet!
Mijn hart, als de leew’rik
zingt juichend zijn lied.
Nu fluistert mijn ziele:

“Zijt gij reeds zo schoon,
gij voetbank des Scheppers!
Wat is dan Zijn Troon?”

 


1.

Laat de harten altijd vrolijk
en met dank vervuld steeds zijn,
want als kind’ren van één Vader

mint God allen, groot en klein.

 

Koor:

Altijd vrolijk, immer vrolijk
alle dagen zonneschijn;
o, hoe heerlijk is reeds hier het leven;
daarom laat ons vrolijk zijn!

 

2.

God leidt ons met Vaderhanden,
en beschermt ons in de strijd;
daarom hebben wij ons leven
willig Hem ten dienst gewijd.

 

3.

De oprechten schenkt Hij vrede,
en hun pad is immer licht;
laat ons daarom Jezus volgen,
op Hem houden ‘t oog gericht.

 


1.

Looft de Heer, want Hij is goed;
looft Hem met een blij gemoed:
want Zijn gunst alom verspreid,
zal bestaan in eeuwigheid.

 

2.

Looft de grote God, wiens troon
hoger rijst dan die der goôn;
want Zijn gunst alom verspreid,
zal bestaan in eeuwigheid.

 

3.

Looft der heren Opperheer!
Buigt U need’rig voor Hem neer!
Want Zijn gunst alom verspreid,
zal bestaan in eeuwigheid.

 


1.

Waarom gehaakt naar geld en goed?

Tevredenheid is meer.
Een vrolijk hart en krachtig bloed
geeft mij de lieve Heer.

Hem prijz’, waar ik zoveel ontvang,
mijn morgenlied en avondzang.

 

2.

Hoe menig leeft in overdaad,
heeft geld en huis en hof,
en toont altijd een droef gelaat.
Gebukt in klagensstof.
Wie boven God de wereld koos,
hij leeft in pijn en zorg altoos.

 

3.

De zon heeft voor mij gouds genoeg,
en ‘t maantje zilverglans;
als ‘t oog bij ‘t werken laat en vroeg
zich heft naar ‘s hemels trans.

Dan zing ik: “Dit en eind’loos meer,
schiep tot mijn vreugd’ en troost de Heer”.

 

4.

Ja, eind’loos meer, want in Zijn Zoon

en Die gekruist voor mij,
wacht priesterkleed en koningskroon
mij in der zaal’gen rij.
Daarom, wien ‘t lust, hij kiez’ de schijn,

maar mij zal God mijn alles zijn!

 


1.

Er gaat door alle landen
een trouwe Kindervriend.
Geen oog kan Hem aanschouwen,
maar Hij ziet ieder kind.
De hemel is zijn Vaderland,
Hij is des Heren afgezant.

 

2.

Hij komt in alle huizen;
en waar een vrolijk kind
zijn vader en zijn moeder
en God, de Heer, bemint,
daar woont Hij gaarne dag en nacht,
en houdt er over ‘t kind de wacht.

 

3.

En gaat het kind ter ruste,
Die Vriend verlaat het niet;
bewaakt getrouw zijn bedje,
dat het geen kwaad geschiedt;
en wekt het in de morgenstond,
en maakt het vrolijk en gezond.

 


1.

Jezus mint mij, want ik weet,
dat Hij kind’ren niet vergeet.
Alle kind’ren, zwak en klein,
wil Hij steeds een Helper zijn.
Jezus mint mij, want ik weet,
dat Hij kind’ren niet vergeet.

 

2.

Jezus mint mij, ‘k weet het goed,
want aan ‘t kruis heeft Hij geboet.
Hij maakt mij van zonden rein.
Daarom kan ik vrolijk zijn.

Jezus mint mij, want ik weet,
dat Hij kind’ren niet vergeet.

 

3.

Jezus mint mij, Hij alleen
hoort steeds op mijn smeekgebeên.
Zijn oor luistert, Zijn oog waakt,
dat is wat mij blijde maakt.

Jezus mint mij, want ik weet,
dat Hij kind’ren niet vergeet.

 


1.

God is de liefde,
wil mij verlossen;

God is de liefde,
Hij mint ook mij.

 

Koor:

Daarom zeg ‘k nog eenmaal:

God is de liefde,
God is de liefde,
Hij mint ook mij.

 

2.

Ik lag in banden
van snode zonden;

ik lag in banden
en kwam niet vrij.

 

3.

Hij zond ons Jezus,
de Dierb’re Heiland;
Hij zond ons Jezus
en maakt mij vrij.

 

4.

Hij wil mij laven
door Zijn genade;

Hij wil mij laven
door Zijne Geest.

 


1.

Als de Heiland als de Heiland tot Koning gewijd,
al de Zijnen als verlosten eens hemelwaarts leidt.

 

Koor:

O, dan zullen zij blinken als edelgesteent
in de kroon van de Heiland voor eeuwig hereend!

 

2.

Hij verzamelt, Hij verzamelt de heilige stoet;
die gelovig zich laat wassen in Zijn dierbaar bloed.

 

3.

En de kleinen, ja de kleinen, drukt Hij aan Zijn borst,
die reeds vroeg hun hartjes gaven, aan Jezus hun Vorst!

 

4.

Daarom groten en wij kleinen, geeft Jezus uw hart;
Hij maakt zalig, Hij maakt zalig, verlost u van smart.

 

Koor (4e vers):

O, dan zullen wij blinken als edelgesteent
in de kroon van de Heiland voor eeuwig hereend!

 


1.

Weet gij hoeveel sterren stralen
aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken dwalen
in de ruimte daar omhoog?

Duizlingwekkende getallen!
Maar de Schepper kent hen allen,
geen ontglipt er aan Zijn oog;
geen ontglipt er aan Zijn oog.

 

2.

Weet gij hoeveel vlinders dart’len
in de hete zonnegloed?
Weet gij hoeveel visjes spart’len
in de heldre watervloed?
God de Heer schiep z’ al te samen,
riep z’ in ‘t leven bij hun namen,

en — Hij maakt hun ‘t leven zoet!

 

3.

Weet gij hoeveel kind’ren d’ ogen

‘s morgens vrolijk openslaan?

Die verkwikt ontwaken mogen,
en hun weg met blijdschap gaan?
D’ eeuw’ge Vader alle dagen
heeft in hen een welbehagen,
neemt hen tot Zijn kind’ren aan!

 


1.

Wij brengen kind’ren samen
uit ied’re straat en wijk,
en voeden ze op voor Jezus,

en voor Zijn hemels rijk.
In liefde saâm verbonden,
smeken wij tot de Heer,
en Hij, de trouwe Leidsman,
zendt ons Zijn zegen neer.

 

2.

Wij brengen kind’ren samen,
opdat Gods heerlijk Woord
door ieder jeugdig harte

vroegtijdig word’ gehoord.
O, mocht Zijn Geest ons leiden
langs ‘t pad der waarheid heen,
en ons genâ verlenen,
te wand’len in Zijn schreên!

 

3.

Wij brengen kind’ren samen
uit liefde tot de Heer;
Hij zal ons daarin steunen,

ons dringen meer en meer.
Al is de arbeid moeilijk,
al valt het wachten lang,
al zaaien wij met tranen,
wij oogsten met gezang.


1.

Luistert, lieve vrienden,
wat ons lied vermeldt:
Jezus onze Leidsman,
Hem behoort het geld.
Klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink,
wie nu is een held,

die geeft alles Jezus,
Hem behoort het geld.

 

2.

Hoort gij ‘t geld nu klinken?
Elke kleine hand
brengt wat geld voor Jezus,

van elk volk en land.
Klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink,
wie nu is een held,
die geeft alles Jezus,
Hem behoort het geld.

 

3.

Wij zijn thans maar kind’ren,
onze gift is klein;
zijn wij echter groter,
dan zal ‘t meer nog zijn.
Klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink,
wie nu is een held,

die geeft alles Jezus,
Hem behoort het geld.

4.

Doch de beste gave,
die ik breng de Heer,
is mijn biddend harte,
luist’rend naar zijn leer.
Klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink, klink,
wie nu is een held,

die geeft alles Jezus,
Hem behoort het geld.

 



 

1.

Uit de hemel teder,
ziet de Here God

op ons, kind’ren neder,
en bestuurt ons lot.

 

2.

Hij hoort onze bede,
trouw bij dag en nacht,
houdt bij elke schrede
over ons de wacht.

 

3.

Hij geeft met erbarmen
ons het daaglijks brood,
sluit ons in Zijn armen,
redt ons uit de nood.

 

4.

Zeg de kind’ren allen,
dat die God ons mint,
die met welgevallen
neerziet op een kind.

 


1.

Ik ben een kleine krijgsknecht,
slechts weinig jaren oud;
toch strijd ik voor mijn Heiland,
die veel van kind’ren houdt.
Ik weet Hij maakt mij blijde,
mint mij te allen tijd.
Ik ben Zijn kleine krijgsknecht
tot Zijne dienst bereid.

 

2.

Ik min de trouwe Heiland,
want Hij stierf ook voor mij;
en in mijn kloppend harte
woont niemand dan slechts Hij.
Hij schenkt mij goede gaven;
mijn bidden hoort Hij steeds;
ondankbaar zou ik wezen

diend’ ik Hem nu niet reeds.

 

3.

Ik ben een kleine pelgrim,
mijn reis vangt nauw’lijks aan;
leid mij dus, lieve Heiland,
aan uwe hand voortaan.
De weg is zeker duister,
en doornig, ruw en steil,

doch als Gij blijft mijn Leidsman,
werkt alles tot mijn heil.

4.

Wel ben ik zwak, o Here!
Heb thans maar kleine kracht,
toch wil ik voor U werken
totdat het werk volbracht.
Doen kan ik nu slechts weinig —

doch ben ik eens een man,
dan doe ik voor mijn Heiland,
zoveel als ik maar kan.

 


1.

Heer, hebt Gij een werk voor mij,
willig zal ik ‘t doen en blij.
Ja, ik min U toch zo zeer,
geef mij dus een kans, o Heer!

Mijne handen zwak en klein
zullen slechts U dienstbaar zijn.
Heer, hebt Gij een werk voor mij,
willig zal ik ‘t doen en blij.

 

2.

Kinderlijk gelovig Heer,
zit ik aan Uw voeten neer.
Open mij het hart en oor,

leid mij op het rechte spoor.
Gaarne en te allen tijd
ben ik tot Uw dienst bereid.
Heer, hebt Gij een werk voor mij,
willig zal ik ‘t doen en blij.

 

3.

Zaaien wil ik ‘t goede zaad,
weldoen wil ik vroeg en laat.
Sta met Uwe kracht mij bij,
dat ik U gehoorzaam zij.
Zo wil ik dan williglijk
dienen Heer, U eeuwiglijk!

Heer, hebt Gij een werk voor mij,
willig zal ik ‘t doen en blij.

 


1.

Er ruist langs de wolken een lief’lijke naam,
die hemel en aarde verenigt te zaam,

geen naam is er zoeter en beter voor ‘t hart;

Hij balsemt de wonden en heelt alle smart.

Kent gij, kent gij die naam nog niet?
Die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied!

 

2

Die naam is naar waarheid mijn Jezus ook waard,
want Hij kwam om zalig te maken op aard;
zo lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf,
genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.
Kent gij, kent gij, die Jezus niet,
die om ons te redden de hemel verliet?

 

3.

Nu buigt zich ook alles voor Jezus in ‘t stof,
en Engelen zingen voortdurend Zijn lof;
en mochten w’ om Jezus verheerlijkt eens staan,
dan hieven wij juichend de jubeltoon aan:
Jezus! Jezus! Uw naam zij d’ eer!

Want Gij zijt der mensen en Engelen Heer!

 


1.

Heer, in de morgen klinkt mijn lied,

klimt opwaarts mijn gebed,
tot U, die op Uw kind’ren ziet
en op hun smeekbeê let.

 

2.

Tot U, bij wie een Middelaar
als broeder voor ons pleit,
Die, machtig, ons door elk gevaar
van ‘s levens strijdperk leidt.

 

3.

Och, moog de Geest, die leefde in Hem,

die nu Zijn plaats bekleedt,
ons luist’ren doen naar ‘s Meesters stem
naar Hem, die voor ons streed.

 

4.

Dan trouw door liefde aan naam en plicht,
u helden door Zijn kruis,
brengt ons een wandel in het licht
tot U en ‘t vaderhuis.

 


1.

Hoe lief’lijk klinkt de toon
van ‘t vroege morgenlied,
als eenzaam knielend voor Gods troon
ons hart Hem hulde biedt.

 

2.

Zend, Vader, ons Uw Geest
als dauw op ‘t veldgebloemt,
dan is het in ons binnenst feest,
terwijl de mond U roemt.

 

3.

Geef, vóór de levensstrijd
voor ons opnieuw begint,
ons ‘t schild en zwaard door U gewijd,

de rusting, die verwint.

 

4.

Koos niet de Man van smart,
als Hij U dankte of prees,
het uur, ook ‘t lief’lijkst voor Zijn hart,
eer nog de zon verrees?

 

5.

Verhoor ons in Zijn naam,
en wat ons heden wacht,
bindt elke dag ons nauwer saâm
door Uw genade en macht.


1.

Laat uit ‘t hart een loflied rijzen,
ziel, die vrolijk zijt ontwaakt,
tot Hem, die de eng’len prijzen
die zo trouw u heeft bewaakt.

 

2.

Ja, mijn God, U wil ik prijzen,
die mij elke dag en nacht
met zovele gunstbewijzen,

hebt omringd en rijk bedacht.

 

3.

Lief’lijk is ‘t als in de morgen
‘t mensenhart brengt dank de Heer,
die bevrijdt van alle zorgen
en ons zegent altijd weer.

 


1.

Lieflijk scheem’rend, gazig donker

daalt weêr ‘t vredig avonduur,
en een zilv’ren stargeflonker
laaft na ‘t blaak’rend zonnevuur;
wijk nu met uw rust’loos woelen,
ijd’le wereld, ga voorbij,
‘t dicht zich nabij God gevoelen
geeft aan d’ avond zijn waardij.

 

Koor:

Uw gemeenschap, zalig’ gemeenschap,

schenkt het harte vreêd en rust;

o, ‘t is zonneschijn daar binnen,

Jezus heeft ‘t gemoed gesust.

 

2.

Nabij U is, Vader, ‘t leven,
ver van U heerst nacht en dood,
o wil ook mijn harte geven
‘t zoet van ‘t rusten in Uw schoot.

Open voor Uw vriend’lijk fluist’ren,
heilbegerig mijn gemoed.
Willig, dankbaar zal ik luist’ren
naar Uw richten van mijn voet,

 

3.

Eerlang zal de maat der uren
van mijn dagtaak zijn vervuld,
als Gij in uw voorraadschuren
ook mijn oogst verzaam’len zult.

Dat hij, Heer, door U geprezen,
U in stil geloof bereid,
zestig, honderdvoud mocht wezen,
vrucht van liefde’s dankbaarheid.


1.

Wanneer aan ‘t einde van de dag,
in kommer doorgebracht,
de slaap, met vriendelijke lach,
mijn moede leden wacht,

Wiens naam dan op mijn lippen zweeft,

Wiens zoete en schone naam,
een naam die vreugde in tranen geeft,
‘t is Jezus’, Jezus’ naam.

 

Koor:

O zoete naam, o schone naam,
een naam die vreugde in tranen geeft:

‘t is Jezus’, Jezus’ naam.

 

2.

De morgen met zo vrolijk licht,
schijnt door mijn venster heen,
als of van Jezus’ aangezicht,
een glimlach mij bescheen.

Verdwijn dan droeve duisternis,
voor ‘t heil van deze naam,
die licht in ‘t zwartste duister is,
voor Jezus’, Jezus’ naam.

 

3.

Mijn ziel stijgt op naar ‘s Hemels troon,

terwijl ‘k in ‘t stof mij buig.
Daar hoor ik, op verrukte toon,
een lof- en dankgejuich.

Wiens naam geroemd in ‘t eng’lenkoor?

Wiens nooit volzongen naam,
die ruist en golft de heem’len door?
‘t Is Jezus’, Jezus’ naam.

4.

Verheug, verheug u dan, mijn ziel!
Hoe treurt gij om uw lot?
Sinds u die naam in ‘t harte viel,
is al uw vreugd bij God.
Haast wordt uw schoonste hoop vervuld,
dat gij in Jezus’ naam
voor eeuwig medejuichen zult,

in Jezus’, Jezus’ naam.

 


1.

‘k Wil U, o God! mijn dank betalen,
U prijzen in mijn avondlied;
het zonlicht moge nederdalen,
maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet.
Gij woudt mij met Uw gunst omringen,

meer dan een Vader zorgdet Gij;
Gij, milde bron van zegeningen!
Zulk een ontfermer waart Gij mij.

 

2.

Uw trouwe zorg wou mij bewaren,
Uw hand heeft mij gevoed, geleid;
Gij waart nabij in mijn bezwaren,
nabij in elke moeilijkheid.

Deez’ avond roept mij, na mijn zorgen,
tot rust voor lichaam en voor geest.
Heb dank! reeds in de vroege morgen
zijt Gij mijn heil en hulp geweest.

 

3.

Laat Uwe hand mij nu ook dekken,
‘k verlaat m’ op U ook in de nacht;
U word’, als Gij mij weer zult wekken,
opnieuw mijn lofzang toegebracht.
En zo ik niet meer mocht ontwaken,
aan U beveel ik dan mijn geest,

om voor de troon die rust te smaken,
die hier mijn uitzicht is geweest.

 


1.

Heer, blijf dicht bij mij, daar d’ avond snel daalt;
‘k ben slechts daar veilig, waar Gij mij omstraalt.
Blijf daarom dicht met Uw licht mij nabij,
licht Gij mij voor, blijf, Heer Jezus, met mij.

 

Koor:

Heer, blijf met mij, daar het noodweer steeds klimt,
waar hulp’loos mij het gevaar reeds begrimt,
rest hoop en moed mij alleen aan Uw zij,
houd Gij mijn hand, blijf, Heer Jezus, met mij.

 

2.

Blijf Gij met mij, dan klopt ‘t harte gerust;
slechts in Uw spoor ben ‘k mij zeker bewust.
Breng mij toch veilig aan d’ andere zij,
blijf mij ook dàn nog, Heer Jezus, nabij.

 


1.

Weer ging een dag daarheen
en voor U buigen wij,
o God, op wiens genade alleen

ons aller hope zij.

 

2.

Op U steune onze hoop,
als op de dag wij zien,
waarin G’ ons na volbrachte loop

plaats voor Uw troon zult biên.

 

3.

Och, worde daar niet één
uit onze kring gemist,
wanneer, maar dan naar recht alleen,
Gij aller lot beslist.

 


1.

Heer, blijf met mij, nu snel reeds de avond daalt;
‘t blijft licht me alleen, als mij Uw licht bestraalt;
dicht houde Uw hand mij daarom U nabij,
schraag Gij mijn kracht: Heer Jezus, blijf met mij.

 

2

Heer, blijf met mij, het noodweer dreigt en klimt;
waar hulploos mij gevaar en dood omringt,
rest hoop en moed mij enig aan Uw zij;
houd, Heer, mijn hand, Heer Jezus, blijf met mij.

 

3.

Blijf Gij met mij, zo klopt mijn hart gerust,
volg ik Uw spoor, het pad naar blijder kust,
waar Sabbatsvreugd als eeuwig feestgetij
Uw gunstvolk beidt: Heer Jezus blijf met mij.

 


1.

Bleker wordt de zonneglans,
scheem’ring dekt de oostertrans,
en ‘k voel meer mij U nabij,

Heer, nu ‘t stil is rondom mij.

 

2.

Met U valt geen last mij zwaar,
met U vrees ik geen gevaar,
‘k weet, dat mij de strijd en ‘t kruis
nader brengt tot ‘t Vaderhuis.

 

3.

Vader, die door d’ avondstond
daag’lijks ons Uw zorg verkondt,
‘k vind ook ied’re avond mij
door Uw liefde U meer nabij