HET GROTE CONFLICT

INHOUD

Klik op gewenste titel

Dit werk begint op de scheidingslijn van twee tijdperken. Aan de oudtestamentische periode is een einde gekomen. God heeft de mens, die door zijn eigen verkeerde beslissing het kwaad in zijn leven toeliet, vele malen en op vele manieren van zijn heilloze weg willen afbrengen. Daartoe koos Hij onder meer een volk uit dat onder zijn leiding een toonbeeld voor alle naties moest worden.
Ondanks zijn geestelijke rijkdom faalde Israël echter herhaaldelijk en zijn definitieve mislukking werd bezegeld door een tragisch dieptepunt: de bloedige strijd om Jeruzalem en de verwoesting van de tempel in het jaar 70 na Chr. Enkele decennia daarvoor was in de heilsgeschiedenis evenwel een nieuw tijdvak ingeluid; de door Christus gestichte zuivere, geestdriftige, apostolische gemeente begon haar vreedzame opmars en onstuitbare triomftocht te midden van het Grieks-Romeinse heidendom, „overwinnende en om te overwinnen”. (De handelingen van de eerste gemeente worden uitgebreid behandeld en toegelicht in E.G. White’s boek “Van Jeruzalem tot Rome”).

In die begintijd waren er echter reeds krachten aan het werk die tot volle ontplooiing zouden komen na het verdwijnen van de remmende tegenkracht. De „mens der wetteloosheid” heeft het christendom daarna eeuwenlang in zijn greep gehouden en heeft op rampzalige wijze bijgedragen tot de ontluistering van de gemeente. E.G. White behandelt de oorzaken en achtergronden van deze verwording en wijst met name op de belangrijkste momenten in de eeuwenlange strijd om de gewetensvrijheid en op de leiders die in dit tijdvak ondanks hun tekorten en gebreken mochten meewerken aan de bouw van de geestelijke tempel.

Met veel sympathie worden de moedige Waldenzen – de gemeente in de woestijn -, de integere en geleerde John Wyclif – de morgenster van de Hervorming -, en de heilige martelaar Johannes Hus beschreven. Door hun baanbrekend werk kon de Hervorming in de zestiende eeuw als een vloedgolf over Europa spoelen. „De beroerlycke tyden”, zoals de kroniekschrijver Marcus van Vaernewyck deze periode van godsdienstige en politieke troebelen in onze gewesten noemde, worden grondig ontleed. De bespreking van deze zwarte bladzijden uit de kerkgeschiedenis is zelfs, en misschien vooral, in een tijd van oecumene en schijnbaar onbegrensde gewetensvrijheid zinvol omdat hierdoor kan worden voorkomen dat sommigen „de ouden paden” verlaten en in een roes van inschikkelijkheid beginselen en vrijheden prijsgeven die door onze geestelijke erflaters vaak ten koste van hun eigen leven zijn verdedigd of afgedwongen.

Na de moeilijke beginperiode van de Reformatie werden verschillende kerken door de burgerlijke overheid „officieel erkend” of „tot staatskerk verheven”. De noodlottige gevolgen van deze samenwerking tussen twee instellingen met wezenlijk verschillende doelstellingen bleven niet uit; de verdrukten en vervolgden werden verdrukkers en vervolgers, de kerk verburgerlijkte en de Hervorming kwam tot stilstand.
Aan deze geestelijke slaap komt een einde bij het ontwaken – het Réveil – in het begin van de negentiende eeuw. Zowel in Europa als in Amerika ontstaan opwekkingsbewegingen die met name worden gekenmerkt door een grote belangstelling voor en een grondig onderzoek van de bijbelse profetieën, in het bijzonder de apocalyptische boeken Daniël en de Openbaring. Door dit speurwerk krijgt men inzicht in de profetische tijdrekening en ontdekt men dat „de tijd van het einde” is aangebroken. De wederkomst van Christus „de zalige hoop” van de eerste christenen, wordt weer de enige verwachting van de gemeente. Om de gebeurtenissen rond deze snel naderende ontknoping beter te begrijpen, bespreekt de auteur de oorsprong, de inzet en de “dramatis personae” van het eeuwenoude conflict, waarna de bondgenootschappen, de strategie en het verloop van de eindstrijd in hoofdtrekken worden geschetst.

Alles wijst erop dat „de tijd der benauwdheid” voor de deur staat. Maar het unieke van de godsopenbaring is dat ook de eeuwige morgen komt: „De grote strijd is dan ten einde. De zonde en de zondaren zijn er niet meer. Het ganse heelal is gereinigd. Overal in de schepping is er eendracht en blijdschap. Van Hem die alles geschapen heeft, komen stromen van leven, licht en vreugde, die alle delen van de oneindige ruimte bereiken. De kleinste atomen en de grootste werelden, alle levende wezens en alle levenloze voorwerpen verkondigen in hun oneindige schoonheid en volmaakte vreugde: “God is liefde”.

De uitgevers hopen dat de volledig nieuwe vertaling en uitgave van dit standaardwerk, dat de periode bestrijkt tussen de ondergang en de smeulende puinhopen van het oude Jeruzalem, mag bijdragen tot de herleving van de aloude christelijke hoop en zekerheid.

Vóór de zondeval stond Adam persoonlijk in contact met zijn Schepper, maar de mens heeft zich door zijn overtreding van God afgescheiden en heeft dit grote voorrecht nu niet meer. Door het verlossingsplan kunnen de bewoners van de aarde echter weer met God in verbinding treden. God staat door zijn Geest in contact met de mens en door openbaringen aan zijn uitverkoren boodschappers heeft de wereld goddelijk licht ontvangen. „Door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken” (2 Petr. 1:21).

Tijdens de eerste vijfentwintig eeuwen van onze geschiedenis was er geen geschreven openbaring. Mensen die door God waren onderricht, deelden hun kennis aan anderen mee en zo werd deze kennis van vader op zoon en van generatie op generatie doorgegeven. De voorbereiding van het geschreven woord begon in de tijd van Mozes, toen geïnspireerde openbaringen in een geïnspireerd boek werden samengebracht. Dit werk is zestien eeuwen lang voortgezet: van Mozes, de geschiedschrijver van de schepping en de wetgeving, tot Johannes, die de meest verheven waarheden van het evangelie heeft opgetekend.

De bijbel zegt van zichzelf dat hij van God komt en toch is Gods Woord door mensenhanden geschreven. In de uiteenlopende stijlvormen van de verschillende boeken komen de karaktertrekken van de vele schrijvers duidelijk tot uiting. De geopenbaarde waarheden zijn alle „van God ingegeven” (2 Tim. 3:16), en zijn toch in menselijke woorden uitgedrukt. De Oneindige heeft door zijn Heilige Geest licht laten schijnen in het verstand en in het hart van zijn boodschappers. God heeft dromen en gezichten, symbolen en beelden gegeven, maar de personen aan wie de waarheid werd geopenbaard, hebben zelf de gedachten in menselijke taal gegoten. De tien Geboden werden door God uitgesproken en met zijn eigen hand geschreven. Ze komen van God en niet van de mensen, maar in de Bijbel, met zijn door God geschonken waarheid die in menselijke taal is uitgedrukt, vormen het goddelijke en het menselijke een eenheid. Zo’n eenheid bestond ook in de natuur van Christus, die de Zoon van God en de Zoon des mensen was. Wat van Christus gezegd is – „het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (3 Joh. 1:14) – geldt dus ook voor de Bijbel.

De Bijbel is in de loop van vele eeuwen geschreven door mensen die in maatschappelijke functie en beroep, in verstandelijke en geestelijke gaven, veel van elkaar verschilden. Daarom vertonen de boeken van de Bijbel een groot verschil in stijl en een grote verscheidenheid in de aard van de behandelde onderwerpen. De verschillende schrijvers drukken zich op verschillende manieren uit en vaak wordt dezelfde waarheid treffender belicht door de ene schrijver dan door de andere. Daar verscheidene schrijvers een onderwerp vanuit een verschillend oogpunt en in een verschillend verband benaderen, kan de oppervlakkige, onverschillige of bevooroordeelde lezer de indruk krijgen dat er onjuistheden of tegenstrijdigheden in de Bijbel staan, terwijl de aandachtige, eerbiedige lezer met een scherper inzicht de harmonie ontdekt die eraan ten grondslag ligt.

Daar de waarheid door verschillende personen wordt behandeld, worden haar verschillende facetten belicht. De ene schrijver is meer getroffen geweest door één aspect van het onderwerp en haakt in op de punten die met zijn ervaring of met zijn observatievermogen en waardering overeenstemmen. Een andere gaat in op een ander aspect en elk van hen behandelt onder leiding van de Heilige Geest het onderwerp dat de grootste indruk op hem gemaakt heeft. Bij elke schrijver is dat een ander aspect van de waarheid, maar er is een volmaakte harmonie tussen de onderdelen. De waarheid die op deze manier is geopenbaard, wordt samengevoegd tot een volmaakt geheel, dat beantwoordt aan de behoeften van alle mensen in alle levensomstandigheden.

God heeft zijn waarheid door middel van mensen aan de wereld bekend gemaakt en heeft ze door zijn Heilige Geest toegerust en in staat gesteld om dit werk te doen. Hij heeft hun verstand geleid in de keuze van de onderwerpen waarover ze zouden spreken en schrijven. De schat werd aan „aarden vaten” toevertrouwd en komt toch uit de hemel. Het getuigenis wordt meegedeeld in onvolmaakte, menselijke taal, maar komt toch van God en het gehoorzame, gelovige kind van God, ontdekt de heerlijkheid van de goddelijke kracht, vol van genade en waarheid.

God heeft in zijn Woord de mensen kennis ter zaligheid gegeven. De Heilige Schrift moet worden aanvaard als een gezaghebbende, onfeilbare openbaring van Gods wil. Zij is de maatstaf voor het karakter, zij openbaart de leerstellingen en toetst de ervaringen. „Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” (2 Tim. 3:16,17).

Toch maakt het feit dat God zijn wil door middel van zijn Woord aan de mensen heeft geopenbaard de voortdurende tegenwoordigheid en leiding van de Heilige Geest niet overbodig. Integendeel! Jezus had de Geest beloofd om het Woord aan zijn boodschappers uit te leggen en de bevelen van de Bijbel nader te verklaren en toe te passen. Aangezien Gods Geest de Bijbel heeft geïnspireerd, kunnen de opdrachten van de Geest onmogelijk in strijd zijn met die van het Woord.

De Geest is niet gegeven en kan ook nooit worden gegeven ter vervanging van de Bijbel, want de Schrift zegt uitdrukkelijk dat het Woord van God de maatstaf is waaraan elke leer en elke ervaring moet worden getoetst. De apostel Johannes zegt: „Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan” (1 Joh 4:1). En Jesaja zegt: „Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad” (Jesaja 8:20).

Door de dwalingen van mensen die beweren dat ze door de Geest zijn verlicht en denken dat ze de leiding van Gods Woord niet meer nodig hebben, is er veel afbreuk gedaan aan het werk van de Heilige Geest. Deze mensen worden geleid door indrukken, die ze beschouwen als de stem van God tot hun hart. Maar de geest die hen leidt, is niet de Geest van God. Dit volgen van indrukken, terwijl men de Schrift gewoon opzij zet, kan alleen tot verwarring, misleiding en geestelijke ondergang leiden. Het bevordert slechts de plannen van de Boze. Daar de werking van de Heilige Geest van het allergrootste belang is voor Christus’ gemeente, is het één van Satans plannen om het werk van de Heilige Geest door de dwalingen van extremisten en fanatici in het gedrang te brengen en Gods volk ertoe aan te zetten deze bron van kracht, die God ons zelf geschonken heeft, te verwaarlozen.

Volgens Gods Woord moest de Heilige Geest zijn werk voortzetten van het begin tot het einde van de evangelieverkondiging. Gedurende de eeuwen waarin de teksten van zowel het Oude als het Nieuwe Testament aan de mensheid werden geschonken, bleef de Heilige Geest licht doorgeven aan enkelingen, onafhankelijk van de openbaringen die in de Heilige Schrift zouden worden opgenomen. De Bijbel zegt zelf hoe de mensen door de Heilige Geest waarschuwingen, vermaningen, raadgevingen en richtlijnen kregen over onderwerpen die volstrekt geen verband hielden met het schenken van de Heilige Schrift. In de Bijbel lezen we over profeten in verschillende tijdperken van wie geen enkel woord is opgetekend. Zo zou de Heilige Geest na het afsluiten van de canon van de Schrift zijn werk ook blijven voortzetten en Gods kinderen licht brengen, waarschuwen en troosten.

Jezus had zijn discipelen beloofd: „Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat ik u gezegd heb”. „Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid… en de toekomst zal Hij u verkondigen” (Johannes 14:26; 16:13). De Bijbel leert duidelijk dat deze beloften helemaal niet beperkt waren tot de tijd van de apostelen, maar dat ze zijn gegeven aan Christus’ gemeente van alle tijden. Jezus geeft zijn volgelingen deze verzekering: „En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” (Matteüs 28:20) en Paulus zegt dat de gaven en openbaringen van de Geest aan de gemeente werden gegeven „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Efez. 4:12,13).

De apostel bad voor de gelovigen te Efeze: „Dat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen (uws) harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt… en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven” (Efez. 1:17-19). Met deze woorden smeekte Paulus de invloed van Gods Geest voor de gemeente te Efeze af om hun verstand te verlichten en hun geest te verhelderen opdat ze de diepten van Gods heilig Woord zouden kunnen begrijpen.

Na de wonderbaarlijke uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren drong Petrus er bij de mensen op aan tot inkeer te komen en zich te laten dopen in de naam van Christus tot vergeving van hun zonden. Hij zei: „En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal” (Handelingen 2:38,39).
God heeft in direct verband met de gebeurtenissen op „de grote dag des Heren” bij monde van de profeet Joël een bijzondere openbaring van zijn Geest beloofd. (Joël 2:28). Deze profetie is gedeeltelijk in vervulling gegaan bij de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren, maar zal ten volle vervuld worden bij de uitstorting van Gods genade, die gepaard zal gaan met de afsluiting van de evangelieverkondiging.

De grote strijd tussen goed en kwaad zal naarmate wij het einde der tijden naderen in hevigheid toenemen. In alle eeuwen heeft Satan zijn toorn tegen Christus’ gemeente geopenbaard, maar God heeft zijn genade en zijn Geest aan zijn volk geschonken om hen te versterken zodat ze de kracht van de Boze zouden kunnen weerstaan. Toen Christus’ apostelen het evangelie aan de wereld moesten brengen en het voor de komende eeuwen moesten opschrijven, werden zij op een bijzondere wijze door de Heilige Geest verlicht. Maar naarmate de gemeente haar uiteindelijke verlossing nadert, zal Satan met grotere macht werken. Hij is nedergedaald „in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft” (Openb. 12:12).
Hij zal te werk gaan „met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen” (2 Tess. 2:9). Zesduizend jaar lang heeft Satan, die eens de hoogste rang bekleedde onder Gods engelen, zich volledig gewijd aan misleiding en vernietiging. Al de diepten van zijn sluwheid en geslepenheid die hij heeft verworven, al de wreedheid die hij heeft ontwikkeld tijdens deze eeuwenoude strijd zullen in de laatste strijd tegen Gods volk worden gebruikt. In zo’n gevaarlijke tijd moeten de volgelingen van Christus de waarschuwing van zijn wederkomst aan de wereld brengen en moet er een volk worden toebereid dat „onbevlekt en onberispelijk” (2 Petrus 3:14) voor Hem zal staan bij zijn terugkeer. In deze tijd is de bijzondere gave van Gods genade en kracht niet minder noodzakelijk dan in de tijd van de apostelen.

Door het licht van de Heilige Geest zijn de gebeurtenissen van de eeuwenlange strijd tussen goed en kwaad aan mij geopenbaard. Van tijd tot tijd mocht ik het verloop van de grote strijd tussen Christus – de Koning van het leven en onze Verlosser – en Satan – de vorst van het kwaad, de aanstichter van de zonde en de eerste overtreder van Gods heilige wet – in de verschillende eeuwen volgen.
De vijandschap van Satan tegen Christus openbaarde zich ook tegen zijn volgelingen. Dezelfde haat tegen de beginselen van Gods wet, dezelfde tactiek van misleiding waardoor dwaling wordt voorgesteld als waarheid, waardoor menselijke wetten in de plaats van Gods wetten worden gesteld en de mensen het schepsel gaan aanbidden in plaats van de Schepper, kan in de loop van de geschiedenis worden nagegaan. Satans pogingen om het karakter van God verkeerd voor te stellen, zodat de mensen zich een verkeerd beeld van de Schepper gaan vormen, en daardoor meer met vrees en haat dan met liefde tot Hem opzien, zijn pogingen om Gods wet opzij te zetten, waardoor de mensen gaan denken dat ze de verplichtingen van die wet niet meer hoeven na te komen, en zijn vervolging van allen die zich tegen zijn bedrog durven te verzetten, zijn door alle eeuwen heen voortgezet. Men kan dat nagaan in de geschiedenis van patriarchen, profeten, apostelen, martelaren en hervormers.

In de belangrijke eindstrijd zal Satan dezelfde gedragslijn volgen, dezelfde geest openbaren en zich voor hetzelfde doel inzetten als in de vorige eeuwen. De geschiedenis zal zich herhalen, met dit onderscheid dat de komende strijd zal worden gevoerd met een hevigheid die de wereld nog nooit heeft gekend. De misleidingen van Satan zullen sluwer en zijn aanvallen vastberadener zijn. „Ware het mogelijk (hij zou) de uitverkorenen verleiden” (Marcus 13:22).

Daar Gods Geest de grote waarheden van zijn Woord en de gebeurtenissen van het verleden en de toekomst aan mij heeft geopenbaard, heb ik ook de opdracht gekregen aan anderen bekend te maken wat mij is getoond, de geschiedenis van de grote strijd in vervlogen eeuwen te beschrijven en die vooral zó voor te stellen dat er licht gaat schijnen op de snel naderende strijd van de toekomst. Bij het nastreven van dit doel heb ik getracht gebeurtenissen uit de geschiedenis van de gemeente uit te kiezen en ze op zo’n manier te groeperen dat men de ontwikkeling kan zien van de heilswaarheden die op verschillende tijdstippen aan de wereld zijn gegeven en de woede van Satan en de vijandschap van een wereldsgezinde kerk hebben opgewekt – waarheden die gehandhaafd zijn door het getuigenis van hen die „hun leven niet liefgehad hebben, tot de dood”.

Het verloop van deze gebeurtenissen kondigt de strijd aan die ons te wachten staat. Als we ze bestuderen in het licht van Gods Woord en met de hulp van zijn Geest, kunnen de plannen van Satan voor ons worden ontsluierd en kunnen de gelovigen die „onberispelijk” wensen te staan voor de Here bij zijn komst, de gevaren zien en weten hoe zij ze moeten vermijden.
De belangrijke gebeurtenissen die de vooruitgang van de Hervorming in de afgelopen eeuwen hebben gekenmerkt, zijn bekende historische feiten, die algemeen worden erkend door de protestantse wereld. Het zijn feiten die niemand kan tegenspreken. Deze geschiedenis heb ik in hoofdtrekken geschetst in overeenstemming met het doel van dit boek en met de bondigheid die noodzakelijkerwijs in acht moest worden genomen. De feiten zijn beschreven in een zo kort mogelijk bestek en met het oog op een juist begrip van hun draagwijdte. In enkele gevallen waar een geschiedschrijver gebeurtenissen zo heeft gegroepeerd dat hij een bondig overzicht van het onderwerp heeft gegeven of details goed heeft samengevat, zijn zijn woorden aangehaald; in sommige gevallen is de naam niet speciaal vermeld, omdat die citaten niet worden gegeven om de schrijver als een gezaghebbend persoon te vermelden, maar omdat hij het onderwerp kernachtig behandelt. Bij de beschrijving van de ervaringen en opvattingen van de mensen die in onze tijd de hervorming voortzetten, zijn hun uitgegeven werken op dezelfde manier behandeld.

Het doel van dit boek is niet zozeer nieuwe feiten over de strijd uit lang vervlogen tijden aan het licht te brengen, maar wel om feiten en beginselen in verband met de komende gebeurtenissen op de voorgrond te plaatsen. Toch krijgen al deze gebeurtenissen uit het verleden een nieuwe betekenis als ze worden gezien uit het oogpunt van de strijd tussen de krachten van het licht en die van de duisternis. Door deze gebeurtenissen schijnt er licht op de toekomst, waardoor het pad zal worden verlicht voor hen die zoals de hervormers uit het verleden zelfs ten koste van alle aardse goederen zullen moeten getuigen „van het woord Gods en van het getuigenis van Jezus Christus.”

Het doel van dit boek kan als volgt worden omschreven: Het wil de gebeurtenissen van de grote strijd tussen waarheid en dwaling aan het licht brengen; de listen van Satan en de middelen waardoor hij met succes kan worden overwonnen, openbaren; een bevredigende oplossing geven voor het probleem van het kwaad door de oorsprong en de uitroeiing van de zonde op zo’n manier te belichten dat de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God in zijn handelen met zijn schepselen ten volle aan het licht worden gebracht en het wil de heiligheid en onveranderlijkheid van zijn wet aantonen. Dat door de invloed die hiervan uitgaat mensen mogen worden verlost uit de macht der duisternis en toebereid mogen worden „voor het erfdeel der heiligen in het licht” om Hem te loven die ons heeft liefgehad en Zich voor ons heeft gegeven, is de oprechte bede van de schrijfster.

E.G. White

„Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zul­len u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag” (Lucas 19:42-44).

Van de top van de Olijfberg zag Jezus Jeruzalem voor zich liggen. Schoon en vredig was het tafereel dat zich vóór Hem uitstrekte. Het was in de paastijd en uit alle landen waren de Israëlieten daar bijeen­gekomen om het grote nationale feest te vieren. Tussen de tuinen en wijngaarden en de groene hellingen waar de vele pelgrims hun tenten hadden opgeslagen, verrezen de terrasvormige heuvels, de prachtige paleizen en zware vestingwerken van Israëls hoofdstad. De dochter van Sion scheen in haar trots te zeggen: „Ik zit als een koningin en zal geen rouw zien”. Ze was even mooi en achtte zich even verzekerd van Gods gunst als toen de koninklijke zanger eeuwen daarvoor zong: „Schoon door zijn verhevenheid, een vreugde voor de ganse aarde is de berg Sion, (…) de stad van de grote Koning” (Psalm 48:3).

Vóór Hem lagen de prachtige gebouwen van de tempel. De stralen van de ondergaande zon vielen op de sneeuwwitte blankheid van zijn mar­meren muren en het licht werd weerkaatst door de gouden poort, de torens en de kantelen. De tempel stond er als „de volmaakte schoon­heid”, de trots van het Joodse volk. Welke Israëliet kon hiernaar kij­ken zonder een gevoel van vreugde en bewondering! Maar Jezus werd door heel andere gedachten verontrust. „En toen Hij nog dich­terbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar” (Lucas 19:41).
Tijdens de algemene vreugde ter gelegenheid van de triom­fantelijke intocht, toen de mensen met palmtakken wuifden en het ge­luid van de blijde hosanna’s tussen de heuvels weergalmde en duizen­den stemmen Hem tot Koning uitriepen, werd de Verlosser der wereld overweldigd door een plotse, geheimzinnige droefheid. Hij, de Zoon van God, de Beloofde van Israël, wiens macht de dood had overwonnen en het graf zijn gevangenen had ontnomen, weende. Het was geen verdriet dat wel vlug voorbij zou gaan, maar een grote, niet te onderdrukken angst.

Hij weende niet om Zichzelf, hoewel Hij heel goed wist waarheen Hij ging. Voor Hem lag Gethsémane, de plaats van zijn naderende doodsstrijd. Ook de Schaapspoort kon Hij zien. Door deze poort wa­ren eeuwenlang offerdieren geleid; ze zou ook voor Hem opengaan wanneer Hij „als een lam ter slachting” zou worden geleid (Jesaja 53:7). Niet ver daar vandaan lag Golgotha, de plaats van zijn kruisi­ging. Over het pad dat Christus spoedig zou betreden, zou de verschrikking van een grote duisternis vallen wanneer Hij zijn leven als een offer voor de zonde zou geven.
Toch was het niet de gedachte aan deze gebeurtenissen die Hem in dit uur van blijdschap zo somber stemde. Zijn voorgevoel van de bovenmenselijke angst kon zijn edel­moedigheid niet overschaduwen. Hij weende om de duizenden verdoemden van Jeruzalem, om de blindheid en onboetvaardigheid van de mensen die Hij was komen zegenen en redden.

Jezus zag de geschiedenis van Gods bijzondere gunst en bescher­mende zorg voor het uitverkoren volk gedurende een periode van meer dan duizend jaar voor Zich. Daar stond de berg Moria, waar de zoon der belofte als een gewillig slachtoffer op het altaar werd gebon­den als een voorafschaduwing van het offer van Gods Zoon. Daar was het Verbond – de heerlijke belofte van de Messias – aan de vader der gelovigen bevestigd (Genesis 22:9,16-18).
Daar hadden de vlammen van het offer die ten hemel opstegen van de dorsvloer van Ornan het zwaard van de verderfengel afgewend (1 Kronieken 21) een passend symbool voor het offer en middelaarschap van de Verlosser ten gun­ste van de schuldige mensheid. Jeruzalem was méér dan elke andere plaats op aarde door God geëerd. God had „Sion verkoren” en Hij had „het zich ter woning begeerd.” (Psalm 132:13)
Daar hadden hei­lige profeten eeuwenlang hun waarschuwingsboodschappen uitge­sproken. Daar hadden de priesters met hun wierookvaten gezwaaid en daar was de wierookwolk met de gebeden van de gelovigen tot God opgestegen. Daar was elke dag het bloed van de geslachte lammeren geofferd als een voorafschaduwing van het Lam Gods. Daar had God zijn tegenwoordigheid geopenbaard in de wolk der heerlijkheid boven het verzoendeksel. Daar had de onzichtbare ladder, die de hemel met de aarde verbond, gestaan – de ladder waarlangs engelen neerdaalden en weer opklommen (Genesis 28:12; Johannes 1:52), de ladder die de weg naar het allerheiligste voor de wereld opende.

Was Israël als volk trouw aan God gebleven, dan zou Jeruzalem voor altijd hebben be­staan en Gods uitverkorene zijn gebleven (Jeremia 17:21-25). Maar de geschiedenis van het uitverkoren volk was een aaneenschakeling van afvalligheid en opstandigheid. Ze hadden Gods genade verwor­pen, hun voorrechten misbruikt en de kansen die hun werden gebo­den, genegeerd.
Hoewel Israël „de boden Gods had bespot, zijn woorden had ver­acht en zijn profeten had gehoond” (2 Kronieken 36:16), had Hij Zich toch aan hen geopenbaard als de „HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw” (Exodus 34:6).
Ondanks het feit dat Hij herhaaldelijk werd verworpen, was zijn barmhartigheid blijven pleiten. Met meer medelijdende liefde dan een vader toont aan de zoon over wie hij zich zorgen maakt, „zond (God) wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning” (2 Kronieken 36:15). Toen vermanin­gen, smeekbeden en bestraffingen niet hielpen, zond Hij hun de beste gave van de hemel; ja, Hij schonk zelfs de ganse hemel in die ene Gave.

Gods Zoon werd persoonlijk gezonden om met de onboetvaardige stad te pleiten. Christus had Israël als een uitnemende wijnstok uit Egypte uitgegraven (Psalm 80:9). Zijn eigen hand had de heidenen voor hen verdreven. Hij had Israël geplant „op een vruchtbare heu­vel”. Zijn beschermende zorg had de wijnstok omtuind. Hij had zijn dienstknechten gestuurd om hem te verzorgen. In Jesaja 5:14 zegt Hij: „Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat ik er niet aan ge­daan heb?” Hij verwachtte dat de wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij bracht wilde druiven voort; en toch kwam Hij met de vurige hoop nog vruchten te vinden persoonlijk naar zijn wijn­gaard om te zien of Hij hem misschien nog voor de ondergang zou kunnen bewaren.
Hij groef rondom zijn wijnstok, Hij snoeide en ver­zorgde hem. Hij was onvermoeibaar in zijn pogingen om deze wijn­stok, die Hij zelf had geplant, te redden.

Drie jaar lang had de Here van licht en heerlijkheid onder zijn volk gewoond. „Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren”, „om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zen­den in vrijheid”. Lammen konden weer lopen, doven konden horen, melaatsen werden gereinigd, doden werden opgewekt en armen ontvingen het evangelie (Handelingen 10:38; Lucas 4:19; Matteüs 11:5).
In zijn genade nodigde Hij iedereen uit: „Komt tot Mij, allen, die ver­moeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matteüs 11:28).

Hoewel zijn goedheid met kwaad en zijn liefde met haat werd be­antwoord (Psalm 109:5), heeft Hij in zijn werk van barmhartigheid volhard. Wie zijn genade zocht, werd nooit afgewezen. Al had Hij geen dak boven zijn hoofd en waren spot en armoede zijn dagelijks lot, toch leefde Hij om te voorzien in de behoeften van de mensen, om hun nood te lenigen en om met hen te pleiten dat ze de gave des le­vens zouden aannemen. De golven van de genade die door hun hard­nekkigheid werden teruggeslagen, rolden terug in een sterkere golf­slag vol barmhartige, onuitsprekelijke liefde.
Maar Israël had zich afgewend van zijn beste Vriend en enige Helper. Men had het pleiten van zijn liefde veracht, zijn raadgevingen verworpen en om zijn waar­schuwingen had men gelachen.

De tijd van hoop en vergeving ging snel voorbij; de beker van Gods lang uitgestelde gramschap was bijna vol. De wolken die zich in de loop der eeuwen van afval en opstand hadden samengetrokken en die nu zwart van onheil zagen, stonden op het punt los te barsten over een schuldig volk; en Hij, de enige die hen kon redden van hun nade­rende ondergang, was versmaad, bespot, verworpen en zou weldra worden gekruisigd.
Wanneer Christus aan het kruis op Golgotha zou hangen, zou Israël niet meer het door God bevoorrechte en gezegende volk zijn. Het verlies van één ziel weegt zwaarder door dan de winst en de schatten van de hele wereld, maar toen Christus Jeruzalem be­neden Zich zag liggen, zag Hij de ondergang van een hele stad, van een heel volk voor Zich. De stad en het volk, eens door God uitverkoren, eens zijn bijzondere waardevolle schat.

Profeten hadden geweend om de afvalligheid van Israël en om de verschrikkelijke verwoestingen die het gevolg waren van hun zonden. Jeremia wenste dat zijn ogen een bron van tranen waren, zodat hij „dag en nacht kon bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks (…) omdat de kudde des HEREN is weggevoerd” (Jeremia 9:1; 13:17). Hoe groot moet dan het verdriet zijn geweest van Hem, die met zijn profetische blik niet jaren, maar eeuwen overzag. Hij zag de verderfengel met zijn zwaard opgeheven tegen de stad die zo lang Gods woonplaats was geweest. Van de top van de Olijfberg, dezelfde plaats die later door Titus en zijn leger zou worden bezet, keek Hij over het dal neer op de heilige voorhoven en zuilengangen. Met tranen in zijn ogen zag Hij het verschrikkelijke toekomstbeeld van mu­ren die omringd waren door vijandelijke legerscharen.
Hij hoorde het gedreun van ten strijde trekkende legers. Hij hoorde de stemmen van moeders en kinderen die in een belegerde stad om brood riepen. Hij zag haar heilige, prachtige tempel, haar paleizen en torens ten prooi aan de vlammen. Waar dat alles eens had gestaan, zag Hij slechts smeulende puinhopen.

Toen Hij de eeuwen overschouwde, zag Hij het verbondsvolk ver­strooid over alle landen, „gelijk wrakstukken op een woeste kust”. In de straf die spoedig over de kinderen van dit volk zou komen, zag Hij slechts de eerste teug uit de beker der gramschap, die zij bij het laatste oordeel tot de bodem zouden moeten ledigen. Goddelijke barmhartig­heid en een hunkerende liefde werden uitgedrukt in de smartelijke woorden: Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild”. O, dat gij, een volk bevoorrecht boven elk ander, toch de tijd van uw bezoeking en de dingen die tot uw vrede dienen hadt gekend! Ik heb de engel van het oordeel tegengehouden. De heb u tot berouw geroepen, maar tevergeefs. Niet alleen dienstknechten, boodschappers en profeten hebt gij teruggewezen en verworpen, maar zelfs de Heilige Israëls, uw Verlosser. Als ge wordt vernietigd, draagt gij alleen de verantwoordelijkheid. „En toch wilt gij tot Mij niet ko­men om leven te hebben” (Matteüs 23:37; Johannes 5:40).

Christus zag in Jeruzalem een beeld van de wereld, die verhard is in ongeloof en opstandigheid en die met grote spoed het vergeldend oordeel van God tegemoet gaat. De ellende van een gevallen mens­heid die op Hem drukte, deed zijn lippen die zeer bittere kreet slaken. Hij zag de geschiedenis van de zonde uitgedrukt in menselijke ellen­de, tranen en bloed. Zijn hart was ontroerd door een oneindig medelij­den met de gekwelde, lijdende mensheid. Hij wilde allen van hun el­lende verlossen. Maar zelfs zijn hand kon de vloed van menselijk leed niet doen keren; weinigen zouden zoeken naar hun enige Bron van hulp. Hij was bereid het leven te verliezen om de zaligheid binnen hun bereik te brengen, maar slechts enkelen wilden tot Hem komen, opdat ze zouden leven.

De Majesteit des hemels in tranen! De Zoon van de oneindige God was zeer bezorgd en ging gebukt onder angst! De ganse hemel werd met verwondering vervuld bij het zien van dit tafereel, dat ons de buitengewone zondigheid van de zonde laat zien.
Het toont ons hoe moeilijk het zelfs voor de Oneindige Macht is om de schuldigen te redden van de gevolgen van de overtreding van Gods wet. Toen Jezus in een profetisch vergezicht de laatste generatie zag merkte Hij hoe de wereld verstrikt was in een bedrog dat erg veel leek op de misleiding die de ondergang van Jeruzalem had veroorzaakt.
De grote zonde van de Joden was hun verwerping van Christus; de grote zonde van de christelijke wereld was haar verwerping van Gods wet, het fundament van Zijn heerschappij in hemel en op aarde. Gods geboden zouden veracht en opzij gezet worden.

Miljoenen mensen, geketend aan de zonde, slaven van Satan en gedoemd om de tweede dood te sterven, zouden in de tijd van hun bezoeking weigeren te luisteren naar de waarheid! Wat een verschrikkelijke blindheid! Wat een onbegrijpelij­ke dwaasheid!

Twee dagen voor het Paasfeest toen Christus voor de laatste keer de tempel had verlaten, nadat Hij de Joodse leiders openlijk van schijnheiligheid had beschuldigd, ging Hij opnieuw met zijn discipe­len naar de Olijfberg en ging met hen zitten op de met gras begroeide helling vanwaar ze een uitzicht over de stad hadden. Weer zag Hij haar muren, torens en paleizen. Weer zag Hij de tempel in zijn ver­blindende pracht, een diadeem van schoonheid, als een kroon op de heilige berg.

Duizend jaar tevoren had de psalmdichter Gods gunst aan Israël het – kiezen van Israëls heiligdom tot zijn woning – geprezen: „In Sa­lem was immers zijn tent, en op Sion zijn woning”.
„Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion die Hij liefheeft; Hij bouwde zijn heilig­dom als de hoogste bergen” (Psalm 76:3; 78:68,69).
De eerste tempel was gebouwd in het tijdperk van de grootste welvaart in Israëls ge­schiedenis. Koning David had hiervoor grote schatten bijeengebracht en het ontwerp was onder goddelijke inspiratie gemaakt (l Kronieken 28:12,19). Salomo, de wijste onder de koningen van Israël, had het werk voltooid. Deze tempel was het prachtigste bouwwerk dat de we­reld ooit heeft gekend. Toch had God bij monde van de profeet Haggaï over de tweede tempel gezegd: „De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige”. „Ja, Ik zal alle volken doen be­ven en de kostbaarheden van alle volken zullen komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HERE der heerscharen” (Haggaï2:10,8).

Na de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar werd hij on­geveer vijfhonderd jaar vóór de geboorte van Christus herbouwd door een volk dat uit een levenslange ballingschap was teruggekeerd naar een woest en bijna verlaten land.
Er waren onder hen oude mannen die de heerlijkheid van Salomo’s tempel hadden gezien die weenden bij de grondlegging van het nieuwe bouwwerk, omdat het zo veel minder was dan het eerste. De overheersende stemming is heel goed beschreven door de profeet: „Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?” (Haggaï 2:4; Ezra 3:12). Toen werd de belofte gegeven dat de heerlijkheid van „het laatste huis” groter zou zijn dan die van het eerste.

Maar de tweede tempel heeft de eerste niet geëvenaard in heerlijk­heid. Hij werd ook niet gewijd door de zichtbare tekenen van Gods te­genwoordigheid zoals de eerste tempel. Er was geen openbaring van bovennatuurlijke kracht bij zijn inwijding. Het pas opgerichte heilig­dom werd niet vervuld met Gods aanwezigheid. Er daalde geen vuur uit de hemel neer om het offer op het altaar te verteren. Er was geen wolk der heerlijkheid meer tussen de cherubs in het heilige der heili­gen; de ark, het verzoendeksel en de tafelen der getuigenis werden er niet meer in gevonden. Geen stem klonk uit de hemel om de vragende priester Gods wil bekend te maken.

Eeuwenlang hadden de Joden tevergeefs getracht aan te tonen op welke wijze Gods belofte, door Haggaï gegeven, was vervuld. Maar hoogmoed en ongeloof verblindden hun geest, zodat ze de ware bete­kenis van de woorden van de profeet niet begrepen. De tweede tempel werd niet geëerd met de wolk van Gods heerlijkheid, maar met de le­vende tegenwoordigheid van Iemand in wie de volheid van de God­heid lichamelijk woonde, Iemand die God zelf was, geopenbaard in het vlees. „De wens aller heidenen” was werkelijk tot zijn tempel ge­komen toen de Man van Nazareth leerde en genas in de heilige voorhoven. De tweede tempel overtrof de eerste in heerlijkheid door de tegenwoordigheid van Christus, en daardoor alleen!

Maar Israël had de Gave die hun door de hemel werd aangeboden, verworpen. Met de nederige Leraar, die op die dag zijn gouden poort verliet, was de heerlijkheid voor altijd van de tempel geweken. De woorden van de Hei­land waren al in vervulling gegaan: „Zie, uw huis wordt aan u over­gelaten” (Matteüs 23:38).

De discipelen waren verbijsterd en verwonderd toen Christus voor­zegde dat de tempel zou worden verwoest. Zij wilden de betekenis van zijn woorden beter begrijpen. Meer dan veertig jaar lang had men veel geld geschonken, arbeid geleverd en vakmensen ingezet om de tempel te verfraaien. Herodes de Grote was erg vrijgevig geweest met Romeinse rijkdommen en Joodse schatten en zelfs de keizer had er met zijn schenkingen toe bijgedragen. Men had blokken wit marmer van bijna fabelachtige afmetingen die voor dit doel uit Rome waren gekomen, voor de bouw gebruikt. Hierop hadden de discipelen gewe­zen toen zij zeiden: „Meester, zie welke stenen en welke gebouwen!” (Marcus 13:1).

Op deze woorden gaf Jezus het ernstige, verbazingwekkende ant­woord: „Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gela­ten worden, die niet zal worden weggebroken” (Matteüs 24:2).

Volgens de discipelen zou de verwoesting van Jeruzalem samen­vallen met de gebeurtenissen rond Christus’ persoonlijke komst met macht en heerlijkheid om de troon van een wereldrijk te bestijgen, de onboetvaardige Joden te straffen en het volk van het Romeinse juk te bevrijden. Jezus had hun gezegd dat Hij zou terugkomen. Bij de ver­melding van de oordelen die over Jeruzalem zouden komen, werden hun gedachten dan ook opnieuw bij die wederkomst bepaald; en toen ze rond de Heiland geschaard waren op de Olijfberg, vroegen zij: „Wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?” (vers 3).

Door Gods barmhartigheid werd de toekomst voor de discipelen verborgen gehouden. Hadden ze op dat ogenblik de twee verschrikke­lijke feiten, het lijden en de dood van de Verlosser en de verwoesting van hun stad en de tempel ten volle begrepen, dan zouden ze door ontzetting zijn overmand. Met enkele lijnen gaf Christus hun een beeld van de belangrijkste gebeurtenissen die zouden plaatsvinden vóór het einde der tijden. Zijn woorden werden toen niet ten volle be­grepen, maar hun betekenis zou duidelijk worden op het ogenblik dat het volk de daarin vervatte onderrichtingen nodig zou hebben.
De profetie die Hij uitsprak, had een dubbele betekenis: ze voorzegde de verwoesting van Jeruzalem en wees ook op de verschrikkingen van de laatste grote dag.

Jezus verkondigde aan de luisterende discipelen de oordelen die het afvallige Israël zouden treffen en wees in het bijzonder op de vergel­dende toorn die over hen zou komen vanwege hun verwerping en kruisiging van de Messias. Aan die verbijsterende climax zouden on­miskenbare tekenen voorafgaan. Het uur der verschrikking zou plot­seling komen en zich snel voltrekken. De Heiland gaf zijn volgelin­gen deze waarschuwing: „Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de hei­lige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen” (Matteüs 24:15,16; Lucas 21:20,21).
Wanneer de aan afgoden gewijde banieren van de Romei­nen zouden worden geplant in de heilige grond, die zich over enige afstand buiten de stadsmuren uitstrekte, moesten de volgelingen van Christus zich in veiligheid stellen door te vluchten. Wanneer ze het waarschuwingsteken zagen, moesten zij die wilden vluchten dat on­middellijk doen. In het hele land van Judéa en ook in Jeruzalem zelf moest er direct gevolg worden gegeven aan het sein om te vluchten. Wie zich toevallig op het dak bevond, mocht niet naar zijn huis afda­len, zelfs niet om zijn waardevolste bezittingen in veiligheid te bren­gen. Zij die werkten op de akkers of in de wijngaarden mochten niet terugkeren om hun opperkleed te halen dat ze aflegden wanneer ze in de hitte van de dag hun arbeid verrichtten. Ze mochten geen moment aarzelen, want dan zouden ze ook het slachtoffer worden van de alge­mene verwoesting.

Tijdens het bewind van Herodes was Jeruzalem niet alleen bijzon­der verfraaid, maar door de bouw van torens, muren en versterkingen, waaraan nog de natuurlijke sterkte door zijn ligging dient te worden toegevoegd, scheen de stad zo goed als onneembaar. Wie in die tijd openlijk haar verwoesting zou hebben voorzegd, zou als Noach in zijn tijd zijn uitgemaakt voor een krankzinnige onheilsprofeet. Maar Christus had gezegd: „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan” (Matteüs 24:35).

Door haar zonden was de gramschap over Jeruzalem aangekondigd en haar hardnekkig ongeloof maakte haar ondergang tot een zekerheid.
God had bij monde van de profeet Micha verklaard: „Hoort dit toch, hoofden van het huis Jakobs en leidslieden van het huis Israëls, die het recht verafschuwt en al het rechte krom maakt, die Sion bouwt met bloed en Jeruzalem met onrecht. De hoofden spreken er recht voor geschenken, en de priesters geven er onderricht om loon, en de profeten plegen er waarzeggerij voor geld, en daarbij steunen zij op de HERE en zeggen: Is de HERE niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen!” (Micha 3:9-11).

Deze woorden geven een nauwkeurige beschrijving van de verdor­ven en eigengerechtige inwoners van Jeruzalem. Terwijl ze beweer­den de geboden van Gods wet stipt na te leven, overtraden ze al haar beginselen. Ze haatten Christus, omdat zijn reinheid en heiligheid hun goddeloosheid aan het licht brachten en ze beschuldigden Hem ervan de oorzaak te zijn van al het onheil dat hun was overkomen ten gevol­ge van hun zonden. Hoewel ze wisten dat Hij zonder zonde was, had­den ze gezegd dat zijn dood noodzakelijk was voor hun veiligheid als volk.
De Joodse leiders zeiden: „Als wij Hem zo laten geworden, zul­len allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen” (Johannes 11:48). Als Christus werd gekruisigd, zouden ze misschien weer een sterk, verenigd volk worden. Zo redeneerden ze en ze stemden in met het besluit van hun hogepriester dat het beter was dat één mens stierf voor het volk dan dat het hele volk verloren ging.

De Joodse leiders hadden „Sion met bloed en Jeruzalem met on­recht” gebouwd. (Micha 3:10). Hun eigengerechtigheid was zo groot dat toen ze hun Messias ter dood brachten omdat Hij hun zonden af­keurde, ze zichzelf toch bleven beschouwen als Gods uitverkoren volk en verwachtten dat God hen van hun vijanden zou verlossen. De profeet vervolgt met de woorden: „Daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden omgeploegd, en Jeruzalem zal worden tot steenho­pen, ja de tempelberg tot woudhoogten” (vers 12).
Nadat Christus zelf de ondergang van Jeruzalem had aangekon­digd, stelde God het oordeel over de stad en het volk bijna veertig jaar uit. Gods geduld tegenover de mensen die zijn evangelie hadden ver­worpen en zijn Zoon hadden vermoord was wonderbaarlijk.
De gelij­kenis van de onvruchtbare boom stelde Gods handelen met het Joodse volk voor. Het bevel was gegeven: „Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan?” (Lucas 13:7), maar de goddelijke barmhar­tigheid had hem nog wat langer gespaard.
Onder de Joden waren er nog velen die niets wisten van het karakter en het werk van Jezus. En de kinderen hadden niet het licht ontvangen of de kansen gekregen die hun ouders van de hand hadden gewezen. God wilde hun dat licht nog schenken door de prediking van de apostelen en hun medewer­kers; zij zouden kunnen zien hoe de profetie in vervulling was ge­gaan, niet alleen door de geboorte en het leven van Christus, maar ook door zijn dood en opstanding. De kinderen werden niet veroor­deeld voor de zonden van hun ouders; maar wanneer de kinderen met de kennis van al het licht dat aan hun ouders werd geschonken, ook het licht dat zijzelf nog hadden gekregen zouden verwerpen, werden ze medeschuldig aan de overtredingen van de ouders en maakten ze de maat van hun ongerechtigheid vol.

Gods geduld met Jeruzalem versterkte de Joden alleen maar in hun hardnekkige onboetvaardigheid. In hun haat en wreedheid tegenover de discipelen van Jezus verwierpen ze het laatste aanbod der genade. Toen nam God zijn beschermende hand van hen weg, toen hield Hij Satan en zijn engelen niet meer in bedwang en werd het volk overge­laten aan de macht van de leider die het zelf had gekozen. Zijn kinde­ren hadden de genade van Christus, waardoor ze hun boze driften hadden kunnen overwinnen, verworpen en nu kregen deze driften de overhand.

Satan ontketende de felste en meest verdorven hartstoch­ten. De mensen gebruikten hun verstand niet; ze waren niet vatbaar voor rede en werden beheerst door driften en blinde woede. Ze wer­den satanisch in hun wreedheid. In het gezin en onder het volk, zowel in de hoogste als in de laagste standen was er achterdocht, afgunst, haat, twist, opstand en moord. Nergens was men veilig. Vrienden en verwanten verraadden elkaar. Ouders doodden hun kinderen en kinderen doodden hun ouders.
De leiders van het volk hadden niet de kracht zichzelf te beheersen. Onbeheerste driften maakten hen tot ti­rannen. De Joden hadden een vals getuigenis aanvaard om de on­schuldige Zoon van God te veroordelen. Nu werd hun eigen leven door valse beschuldigingen in gevaar gebracht. Allang hadden ze door hun daden gezegd: „Doet de Heilige Israëls weg uit onze ogen” (Jesaja 30:11). Nu werd hun wens ingewilligd. De vreze Gods ver­stoorde hun gemoedsrust niet meer. Satan stond aan het hoofd van het volk en de hoogste burgerlijke en godsdienstige leiders stonden onder zijn gezag.

De leiders van de elkaar bestrijdende partijen verenigden zich nu eens om hun ongelukkige slachtoffers te plunderen en te martelen, dan weer vielen ze elkaars troepen aan om die genadeloos af te slach­ten. Zelfs de heiligheid van de tempel kon hun gruwelijke wreedheid niet in bedwang houden.
De mensen die er God kwamen aanbidden, werden voor het altaar neergemaaid en het heiligdom werd verontrei­nigd door de lichamen van de mensen die gedood werden. En toch verklaarden zij die dit duivelse werk hadden ontketend in hun blinde en godslasterlijke aanmatiging openlijk dat ze niet vreesden dat Jeru­zalem zou worden verwoest, daar het Gods eigen stad was.
Om meer macht in handen te krijgen, kochten ze valse profeten om, die, zelfs toen de Romeinse legioenen de tempel belegerden, moesten verkondi­gen dat het volk moest wachten op de verlossing van God. Tot op het laatste ogenblik bleef de menigte geloven dat de Allerhoogste tussen­beide zou komen om hun tegenstanders te vernietigen. Maar Israël had Gods bescherming van de hand gewezen en was nu weerloos. Ongelukkig Jeruzalem, verscheurd door interne onenigheid, met stra­ten besmeurd door het bloed van zijn kinderen die elkaar hadden ver­moord, terwijl vreemde legers zijn vestingen sloopten en zijn strijders doodden!

Alle voorzeggingen van Christus over de verwoesting van Jeruza­lem gingen letterlijk in vervulling. De Joden ondervonden de waar­heid van zijn waarschuwende woorden aan den lijve: „Want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden” (Matteüs 7:2).

„Er waren tekenen en wonderen te zien die het onheil en de onder­gang aankondigden. Midden in de nacht scheen een onnatuurlijk licht boven de tempel en het altaar. In de wolken kon men bij zonsonder­gang strijdwagens en krijgers zien die zich verzamelden om ten strij­de te trekken. De priesters die ‘s nachts dienst deden in het heiligdom werden opgeschrikt door geheimzinnige geluiden; de aarde beefde en men hoorde vele stemmen roepen: ‘Laat ons van hier weggaan.’ De grote poort in het oosten, die zo zwaar was dat twintig mannen haar nauwelijks konden sluiten en die werd verstevigd door zeer grote ijze­ren staven, die diep in het stevige, stenen plaveisel waren bevestigd, ging te middernacht zonder mensenhand open.” (Milman, The History of the Jews, b. 13).

„Zeven jaar lang bleef een man op en neer lopen in de straten van Jeruzalem en kondigde het onheil aan dat Jeruzalem zou treffen. Dag en nacht zong hij de wilde klaagzang: ‘Een stem uit het oosten! Een stem uit het westen! Een stem uit de vier windstreken! Een stem tegen Jeruzalem en tegen de tempel! Een stem tegen de bruidegoms en de bruiden! Een stem tegen het volk!'” (Ibid.). Deze vreemde man werd gevangen genomen en gegeseld, maar geen klacht kwam over zijn lippen. Op beledigingen en verwijten antwoordde hij slechts: „Wee, wee over Jeruzalem!” „Wee, wee over zijn inwoners!” Zijn waar­schuwende roepstem zweeg pas toen hij omkwam bij het beleg dat hij had voorspeld.

Geen enkele christen werd bij de verwoesting van Jeruzalem ge­dood. Christus had zijn discipelen gewaarschuwd en allen die zijn woorden geloofden, keken uit naar het beloofde teken. „Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn ver­woesting nabij is. Laten dan die in Judéa zijn, vluchten naar de ber­gen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen”, had Jezus gezegd (Lucas 21: 20,21).
Nadat de Romeinen onder leiding van Cestius de stad hadden omsingeld, braken ze onverwachts het beleg op toen alle omstandigheden gunstig schenen voor een onmiddellijke aanval. De belegerden, die begonnen te wanhopen aan een succesvol verzet, stonden op het punt zich over te geven toen de Romeinse generaal zonder duidelijke reden zijn troepen terugtrok. Maar Gods barmharti­ge voorzienigheid leidde de gebeurtenissen voor het welzijn van zijn eigen volk.

Het beloofde teken was aan de wachtende christenen ge­geven en nu kregen allen die het wilden de gelegenheid de waarschu­wing van de Heiland op te volgen. De gebeurtenissen werden zo ge­leid dat Joden noch Romeinen de vlucht van de christenen konden verhinderen. Bij de aftocht van Cestius deden de Joden vanuit Jeruza­lem een uitval en achtervolgden het terugtrekkende leger; toen beide legers in strijd waren gewikkeld, hadden de christenen de gelegenheid de stad te verlaten. Op dat ogenblik was het land ook gezuiverd van vijanden die hen zouden kunnen tegenhouden. Toen de stad belegerd werd, waren de Joden in Jeruzalem samengekomen om het Loofhuttenfeest te vieren en zo konden de christenen uit het hele land onge­hinderd vluchten. Zonder aarzelen gingen ze naar veilige plaatsen – de stad Pella in het land Perea, aan de overzijde van de Jordaan.

De Joodse legers die Cestius en zijn leger achtervolgden vielen zijn achterhoede zó hevig aan, dat ze met algehele vernietiging werd be­dreigd. Slechts met de grootste moeite slaagden de Romeinen erin zich terug te trekken. De Joden leden zo goed als geen verliezen en keerden in triomf met hun krijgsbuit naar Jeruzalem terug. Maar dit schijnsucces bracht hun slechts onheil. Ze werden daardoor aangezet tot een hardnekkig verzet tegen de Romeinen, wat spoedig een onuit­sprekelijke ellende over de ten ondergang gedoemde stad zou bren­gen.
Vreselijk waren de rampen waardoor Jeruzalem werd getroffen toen Titus de stad opnieuw belegerde. Dat gebeurde tijdens het Paas­feest, toen miljoenen Joden binnen haar muren waren samengekomen. Hun voedselvoorraden die jarenlang hadden kunnen voorzien in de behoeften van de inwoners als ze zorgvuldig werden beheerd, waren kort tevoren door de afgunst en de wraakneming van de elkaar bestrij­dende partijen vernietigd en nu werden ze getroffen door de ver­schrikkingen van de hongersnood.
Eén maat tarwe werd verkocht voor één talent. De hongersnood was zó erg dat mannen op het leer van hun gordels, sandalen en schildbedekking kauwden. Veel mensen slopen ‘s nachts naar buiten om wilde planten die buiten de stadsmuur groeiden, te verzamelen, hoewel velen werden gegrepen en een wrede marteldood moesten sterven, terwijl zij die veilig terugkeerden dik­wijls werden beroofd van alles wat ze ondanks het gevaar hadden ver­zameld. De machthebbers pasten de onmenselijkste martelingen toe om de noodlijdende mensen te dwingen hun kleine voorraad die ze misschien hadden verborgen, af te staan. Deze wreedheden werden bovendien vaak bedreven door mannen die zelf goed gevoed waren, maar die gewoon een voorraad wilden aanleggen voor de toekomst.

Duizenden kwamen om van de honger en de pest. Natuurlijke ge­negenheid scheen te zijn verdwenen. Mannen beroofden hun vrouwen en vrouwen hun mannen. Men kon de kinderen het voedsel uit de mond van hun bejaarde ouders zien rukken. De vraag van de profeet, „Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten?”, werd beantwoord binnen de muren van deze ten ondergang gedoemde stad: „De handen van teerhartige vrouwen kookten haar kinderen; dezen waren haar tot spijze bij de ondergang van de dochter mijns volks” (Jesaja 49:15; Klaagliederen 4:10).

Weer ging de waarschuwing van de profeet die veertien eeuwen vroeger was gegeven in vervulling: „De verwekelijkte en verwende vrouw onder u, die van verwendheid en wekelijkheid het nooit gewaagd heeft haar voetzool op de grond te zetten, zal haar eigen man noch haar zoon en dochter iets gunnen, (…) noch de kinderen, die zij baart, want bij gebrek aan alles zal zij die in het ge­heim eten, in de benardheid en benauwdheid, waarmede uw vijand u in uw steden kwellen zal” (Deuteronomium 28:56,57).

De Romeinse leiders probeerden de Joden schrik aan te jagen om hen op die manier te dwingen zich over te geven. De gevangenen die zich verzetten, werden vóór de stadsmuren gegeseld, gemarteld en ge­kruisigd. Elke dag werden er zo honderden ter dood gebracht en dit afschuwelijke werk duurde zó lang dat er op den duur in het dal van Josafat en op Golgotha zoveel kruisen stonden, dat men er nauwelijks tussendoor kon lopen. Op deze vreselijke manier ging de verwensing die door de Joden voor de rechterstoel van Pilatus was geuit, „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen” (Matteüs 27:25), in ver­vulling.

Titus had graag een einde willen maken aan deze verschrikkelijke gebeurtenissen om Jeruzalem voor de totale ondergang te redden. Hij werd met afschuw vervuld toen hij de lichamen van de doden op ho­pen in de dalen zag liggen. Als in vervoering keek hij van de top van de Olijfberg naar de prachtige tempel en gaf het bevel dat geen enkele steen daarvan mocht worden aangeroerd. Voordat hij zich meester probeerde te maken van dit bolwerk deed hij een ernstig beroep op de Joodse leiders hem niet te verplichten de heilige plaats met bloed te verontreinigen. Als ze die plaats wilden verlaten om ergens anders slag te leveren, zou geen enkele Romein de heiligheid van de tempel schenden.
Josephus zelf trachtte hen met welsprekendheid tot overga­ve te bewegen ten einde zichzelf, hun stad en hun tempel te sparen. Maar zijn woorden lokten bittere vervloekingen uit. Toen hij, hun laatste menselijke middelaar, daar stond te pleiten met hen, suisden werpspiesen hem tegemoet. De Joden hadden de smeekbeden van Gods Zoon verworpen en nu verergerden de vermaningen en smekin­gen hun hardnekkigheid om tot het einde toe vol te houden. De pogin­gen van Titus om de tempel te sparen waren tevergeefs. Iemand die groter was dan hij had gezegd dat er geen steen op de andere zou wor­den gelaten.

De blinde halsstarrigheid van de Joodse leiders en de afgrijselijke misdaden die waren gepleegd in de belegerde stad, wekten de af­schuw en verontwaardiging van de Romeinen op en daarom besloot Titus tenslotte de tempel stormenderhand in te nemen. Hij bepaalde echter dat de tempel indien mogelijk van verwoesting gespaard moest blijven. Maar zijn bevelen werden niet opgevolgd.
Toen hij zich voor de nacht in zijn tent had teruggetrokken, deden de Joden vanuit de tempel een uitval op de Romeinen. Tijdens deze strijd wierp een soldaat een brandende fakkel door een opening in het voorportaal en in een ommezien van tijd stonden de met cederhout betimmerde vertrek­ken rondom de tempel in lichterlaaie. Titus kwam in allerijl naar de plaats, gevolgd door zijn generaals en legioensoldaten en gaf de sol­daten het bevel het vuur te blussen. Men volgde zijn bevel niet op. In hun woede wierpen de soldaten brandend hout in de vertrekken die grensden aan de tempel en doodden velen die daar een schuilplaats hadden gevonden met het zwaard. Het bloed stroomde als water langs de tempeltrappen. Duizenden en nogmaals duizenden Joden kwamenom. Boven het krijgsgewoel hoorde men stemmen die riepen: ,,Icabod” – de heerlijkheid is niet meer.

Titus kon de woede van de soldaten onmogelijk bedwingen; hij trad binnen met zijn officieren en zag het interieur van het heilige ge­bouw. De pracht vervulde hem met verbazing en daar de vlammen nog niet tot de heilige plaatsen waren doorgedrongen, deed hij een laatste poging om ze te redden; hij sprong naar voren en gaf de solda­ten het bevel de verdere verspreiding van de vuurzee tegen te houden. De hoofdman Liberalis probeerde met zijn officiersstaf gehoorzaamheid af te dwingen, maar zelfs de eerbied voor de keizer kon de blinde woede tegen de Joden, de hevigheid van de strijd en de onverzadigba­re begeerte tot plunderen niet in bedwang houden.
De soldaten zagen alles om zich heen schitteren van goud, dat door het wilde licht van de vlammen een verblindende glans kreeg; ze dachten dat er onvoorstelbaar veel schatten in het heiligdom waren verborgen.
Een soldaat wierp ongemerkt een brandende fakkel tussen de scharnieren van de deur: in een oogwenk stond het hele gebouw in vlammen. De officie­ren moesten zich terugtrekken door het verblindende vuur en de ver­stikkende rook en het prachtige bouwwerk werd aan zijn lot overgela­ten.

Het was een verbijsterend schouwspel voor de Romeinen – hoeveel te meer voor de Joden! De hele top van de heuvel die boven de stad uitstak, gloeide als een vulkaan. Het ene gebouw na het andere stortte met veel gedruis in en werd verzwolgen in de laaiende afgrond. De cederhouten daken waren één vuurzee. De vergulde torens waren als roodgloeiende pieken; de torens van de poorten stuwden hoge vuuren rookzuilen naar omhoog.
De omliggende heuvels kregen een lichtglans; men kon donkere groepen mensen zien staan die met een vre­selijke angst naar het voortschrijden van de verwoesting keken; op de muren en hoogten van de bovenstad waren er zeer vele gezichten, sommige bleek van de angst der wanhoop, andere met een grijns van machteloze wraak.
Het geschreeuw van de Romeinse soldaten terwijl ze heen en weer liepen en het gekerm van de opstandelingen die in de vlammen omkwamen, werden gemengd met het brullend geraas van de brand en het donderend geluid van de instortende balken. De echo’s van de bergen beantwoordden of weerkaatsten de kreten van de mensen op de hoogten; langs de muren weerklonken het geween en de jammerklachten; mannen die stervende waren van de honger spanden hun laatste krachten in om een kreet van angst en vertwijfeling te slaken.

„De slachting binnen de muren was nog vreselijker dan de tonelen die zich buiten afspeelden. Mannen en vrouwen, oud en jong, opstan­delingen en priesters, zij die vochten en zij die om genade smeekten, werden zonder onderscheid neergemaaid. Het aantal mensen dat ge­dood werd lag hoger dan dat van hun moordenaars. De Romeinse sol­daten moesten over hopen dode mensen heen stappen om de uitroei­ing voort te zetten” (Milman, The History of the Jews, b. 16).

Na de verwoesting van de tempel viel de hele stad spoedig in han­den van de Romeinen. De Joodse leiders verlieten hun onneembare torens en Titus vond ze geheel verlaten. Hij bekeek ze met verbazing en verklaarde dat God ze in zijn handen had gegeven, want geen en­kel oorlogstuig, hoe krachtig ook, had iets kunnen uitrichten tegen deze geweldige vestingen. Zowel de stad als de tempel werden met de grond gelijk gemaakt en de grond waar de tempel had gestaan werd „als een akker omgeploegd” (Jeremia 26:18).
Tijdens het beleg en in de slachting die erop volgde, werden meer dan één miljoen mensen gedood; de overlevenden werden als gevangenen weggevoerd, als sla­ven verkocht, naar Rome gebracht om de triomfantelijke intocht van de overwinnaars op te luisteren, voor de wilde dieren geworpen in de arena’s of als dakloze zwervers verstrooid over de hele wereld.

De Joden hadden hun eigen boeien gesmeed; ze hadden de beker der gramschap voor zichzelf gevuld. In de totale ondergang die hun als volk ten deel viel en in al de ellende die zij ondergingen bij de ver­strooiing, maaiden ze wat ze met eigen handen hadden gezaaid. In dit verband heeft de profeet gezegd: „Het is uw verderf, Israël”; „want door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld” (Hosea 13:9;14:2).
Hun ellende wordt vaak voorgesteld als een straf die hen trof door een be­vel dat rechtstreeks van God kwam. Zo probeert de aartsbedrieger zijn eigen werk te verdoezelen. Door hun hardnekkige verwerping van Gods liefde en barmhartigheid waren de Joden er zelf de oorzaak van dat God zijn beschermende hand van hen wegtrok waardoor Satan naar willekeur over hen kon heersen. De afschuwelijke wreedheden die werden bedreven bij de verwoesting van Jeruzalem zijn een be­wijs van Satans wrekende macht over hen die zich door hem laten be­heersen.

Wij kunnen niet beseffen hoeveel wij Christus verschuldigd zijn voor de vrede en bescherming die we genieten. Dankzij Gods beschermende hand komt de mensheid niet helemaal onder Satans heer­schappij. De ongehoorzamen en ondankbaren hebben vele redenen tot dankbaarheid voor Gods genade en lankmoedigheid bij het beteuge­len van de wrede, kwaadaardige macht van de Boze. Maar wanneer de mens de grens van Gods geduld overschrijdt, laat God de teugels los.
God staat niet tegenover de zondaar als de uitvoerder van het vonnis op de overtreding, maar Hij laat degenen die zijn genade ver­werpen aan hun eigen lot over om te oogsten wat ze gezaaid hebben.
Iedere lichtstraal die wordt verworpen, iedere waarschuwing die wordt afgewezen of niet in acht wordt genomen, iedere hartstocht waaraan men toegeeft, iedere overtreding van Gods wet, is een zaad dat gezaaid wordt en dat zeker zijn oogst zal opleveren.
Als de zon­daar zich voortdurend tegen Gods Geest verzet, wordt de Geest tenslotte teruggetrokken en dan is er geen macht meer om de boze harts­tochten van de ziel in te tomen en is er geen bescherming meer tegen de boosaardigheid en vijandschap van Satan.
De verwoesting van Je­ruzalem is een vreselijke en ernstige waarschuwing voor allen die het aanbod van Gods genade geringschatten en zich verzetten tegen het pleiten van Gods barmhartigheid. Er is nooit een overtuigender bewijs geleverd van Gods haat tegen de zonde en van de gewisse straf die de schuldigen zal treffen.

De profetie van Christus over de oordelen die Jeruzalem zou­den treffen, zal nog op een andere manier worden vervuld. Deze verschrikkelijke verwoesting is daar slechts een zwakke afscha­duwing van. Het lot van de uitverkoren stad kondigt de onder­gang aan van een wereld die Gods barmhartigheid heeft verwor­pen en zijn wet met voeten heeft getreden. De geschiedenis van de menselijke ellende die de aarde heeft meegemaakt in haar lange eeuwen van misdaad is somber. Men wordt bedroefd en duizelt wanneer men daarover nadenkt. De gevolgen van het verwerpen van Gods gezag zijn vreselijk geweest. Maar een nog somberder schouwspel wordt ons beschreven in de Openbaringen van Chris­tus aan Johannes in verband met de toekomst. De gebeurtenissen van het verleden – de lange aaneenschakeling van opstanden, con­flicten en revoluties, „toen de ganse strijd dergenen die streden, met gedruis geschiedde en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden” (Jesaja 9:4, Statenvertaling) – wat zijn die ver­geleken met de verschrikkingen van de tijd wanneer de beteuge­lende Geest van God volledig van de ongelovigen zal worden weggenomen en er geen paal en perk meer zal worden gesteld aan de uitbarsting van menselijke driften en de duivelse toorn. Dan zal de wereld als nooit tevoren de gevolgen van Satans heerschappij kunnen zien. Maar te dien dage zal Gods volk zoals in de tijd van Jeruzalems verwoesting worden bevrijd, ieder die ten leven is op­geschreven (Jesaja 4:3).
Christus zei dat Hij zou terugkomen om zijn getrouwen tot zich te nemen: „Dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere” (Matteüs 24:30,31).
„Dan zal de wetteloze zich openbaren, die de Here (Jezus) zal do­den door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt” (2 Tessalonicenzen 2:8). De ongelovi­gen vernietigen zichzelf, zoals Israël in het verleden; ze gaan ten onder aan hun eigen ongerechtigheid. Door een zondig leven heb­ben ze zich zodanig van God vervreemd en is hun natuur zó ont­aard door het kwaad, dat de openbaring van zijn heerlijkheid voor hen een verterend vuur is.

De mensen moeten erop letten dat ze de les die voor hen besloten ligt in de woorden van Christus niet vergeten. Zoals Hij zijn discipe­len waarschuwde voor de verwoesting van Jeruzalem en hun een te­ken gaf voor de naderende ondergang, zodat ze zouden kunnen ont­snappen, heeft Hij ook de wereld gewaarschuwd voor de dag van de uiteindelijke verwoesting en heeft Hij de mensen tekenen gegeven die het naderen van de dag aankondigen, zodat allen die dat willen de ko­mende gramschap zullen kunnen ontvluchten. Jezus zegt: „En er zul­len tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken” (Lucas 21:25; Matteüs 24:29; Marcus 13:24-26; Openbaring 6:12-17). Zij die deze voortekenen van zijn komst zien, moeten weten „dat het nabij is, voor de deur” (Matteüs 24:33).
„Waakt dan”, luiden zijn waarschuwende woorden (Marcus 13:35). Zij die de waarschuwing in acht nemen, zullen niet in duisternis wor­den gelaten, zodat die dag hen onverwachts overvalt. Maar voor hen die niet zullen waken zal het zo zijn „dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht” (l Tessalonicenzen 5:2-5).

De wereld is nu niet méér geneigd om de boodschap voor deze tijd aan te nemen dan de Joden, die ook niet wilden luisteren naar de waarschuwing van Jezus in verband met Jeruzalem. De dag des Heren zal voor de ongelovigen altijd onverwachts komen. Wanneer het le­ven doorgaat met zijn sleur van elke dag, wanneer de mensen geheel opgaan in genoegens, zaken, reizen en geld verdienen, wanneer gods­dienstige leiders de vooruitgang en verbetering in de wereld verheer­lijken en de mensen in slaap worden gesust door een valse zekerheid dan zal zoals de dief die te middernacht inbreekt in het onbewaakte huis, de plotselinge vernietiging komen over de onverschilligen en ongelovigen „en zij zullen geenszins ontkomen” (vers 3). (“Het grote Conflict” E.G.White)

Toen Jezus het lot van Jeruzalem en de gebeurtenissen in verband met zijn wederkomst aan zijn discipelen meedeelde, voorzegde Hij ook wat de christenen zou overkomen vanaf de tijd dat Hij van hen zou worden weggenomen tot zijn wederkomst met grote macht en heerlijkheid om hen te verlossen. Van de top van de Olijfberg zag Je­zus de stormen die kort daarna over de apostolische gemeente zouden losbarsten en toen Hij verder in de toekomst keek, zag Hij de zware, vernietigende orkanen die zijn volgelingen in de eeuwen van duister­nis en vervolging zouden treffen.
In enkele korte uitspraken met een ontzettende betekenis voorzegde Hij welk lot de machthebbers van deze wereld aan Gods gemeente zouden toebedelen (Matteüs 24:9,21,22). De volgelingen van Christus zouden hetzelfde pad van vernedering, spot en lijden als hun Meester moeten betreden. De vij­andschap die was ontbrand tegen de Verlosser der wereld zou ook al zijn volgelingen ten deel vallen.

De geschiedenis van de eerste gemeente bewijst dat de woorden die Christus had uitgesproken in vervulling zijn gegaan. De machten van de aarde en van de hel stelden zich in slagorde op tegen Christus in de persoon van zijn volgelingen. De heidenen wisten wel dat hun tem­pels en altaren zouden moeten verdwijnen als het evangelie zegevier­de. Daarom bundelden zij al hun krachten om het christendom te ver­nietigen. Het vuur van de vervolging werd ontstoken. Christenen werden van hun bezittingen beroofd en uit hun woningen verdreven. Zij hebben vaak moeten lijden (Hebreeën 10:32). Zij „hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap” (Hebreeën 11:36). Zeer velen bezegelden hun getuigenis met hun bloed. Edelen en slaven, armen en rijken, geleerden en ongeletterden werden zonder onderscheid genadeloos afgeslacht.

Deze vervolgingen begonnen onder Nero omstreeks de tijd van Paulus’ marteldood en werden met afwisselende hevigheid eeuwen­lang voortgezet. De christenen werden ten onrechte beschuldigd van de ergste misdaden en men beweerde dat zij de oorzaak waren van grote rampen, zoals hongersnoden, epidemieën en aardbevingen. Terwijl ze het mikpunt werden van volkshaat en achterdocht, stonden verklikkers klaar om onschuldige mensen tegen betaling te verraden.
Ze werden veroordeeld omdat ze in opstand zouden zijn gekomen te­gen de keizer of omdat men ze als vijanden van de godsdienst en als een plaag voor de gemeenschap beschouwde. Een zeer groot aantal werd voor de wilde dieren geworpen of levend verbrand in de amfi­theaters. Sommigen werden gekruisigd; anderen werden in de huiden van wilde dieren gestoken en in de arena geworpen om door honden te worden verscheurd. Vaak was hun straf de belangrijkste vermake­lijkheid bij openbare feestelijkheden. Grote menigten kwamen bijeen om daarvan te genieten en ze reageerden met luid gelach en applaus bij het zien van hun doodsstrijd.

Overal waar de volgelingen van Christus hun toevlucht zochten, werden ze als roofdieren opgejaagd. Ze moesten een schuilplaats zoe­ken in woeste en onherbergzame streken. Ze leefden „onder ontbe­ring, verdrukking en mishandeling – de wereld was hunner niet waar­dig – zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde” (vers 37,38). Duizenden vonden een schuilplaats in de catacomben. Onder de heuvels buiten Rome waren lange galerijen in de aarde en in het gesteente uitgegraven. Deze donkere doolhof van gangen strekte zich kilometers ver buiten de stadsmuren uit. In deze onderaardse schuilplaatsen begroeven de volgelingen van Christus hun doden en daar vonden ze ook een tehuis wanneer ze werden verdacht en vogelvrij waren verklaard. Wanneer de Levengever de gelovigen die de goede strijd hebben gestreden uit de doden zal doen opstaan, zullen velen die om Christus’ wil de mar­teldood zijn gestorven uit deze donkere spelonken te voorschijn ko­men.

Ondanks de zware vervolgingen bewaarden deze getuigen voor Christus hun geloof onbevlekt. Hoewel ze alle comfort moesten ont­beren, van het zonlicht waren afgesloten en in de donkere, maar veili­ge schoot der aarde een schuilplaats moesten vinden, klaagden ze niet. Met woorden van geloof, geduld en hoop moedigden ze elkaar aan om stand te houden in de nood en in de ontberingen. Het verlies van alle aardse bezittingen kon hen er niet toe brengen hun geloof in Christus te verzaken. De beproevingen en vervolgingen waren slechts de treden die hen dichter bij hun eeuwige rust en beloning brachten.
Zoals Gods boodschappers in het verleden hebben velen „zich la­ten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben” (vers 35).
Zij herinnerden zich de woorden van de Meester, die had gezegd dat wanneer ze om zijn wil vervolgingen moesten lijden, ze zich uitermate moesten verblij­den, omdat hun loon in de hemel zeer groot zou zijn. De profeten vóór hen waren immers ook zo vervolgd. Ze waren blij dat ze waardig gekeurd waren om voor de waarheid te lijden. Te midden van de knet­terende vlammen zongen ze triomfliederen. Ze keken in geloof naar omhoog; ze zagen hoe Christus en de engelen over de muren van de hemel leunden, met de grootste belangstelling op hen neerblikten en hun standvastigheid met goedkeuring gadesloegen. Er kwam een stem tot hen van de troon van God: „Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens” (Openbaring 2:10).

Satans pogingen om de gemeente van Christus door geweld te ver­nietigen waren tevergeefs. De grote strijd waarin de volgelingen van Christus het leven lieten, hield niet op toen deze trouwe vaandeldra­gers op hun posten sneuvelden. Ze overwonnen door de nederlaag. Gods werklieden werden gedood, maar zijn werk ging steeds vooruit. Het evangelie werd steeds meer verspreid en het aantal aanhangers nam voortdurend toe. Het drong door tot gebieden die zelfs voor de Romeinse adelaars ontoegankelijk waren. Een christen zei tot de hei­dense machthebbers die de vervolgingen met kracht wilden voortzet­ten: „Jullie mogen ons doden, martelen, veroordelen… Jullie onrecht­vaardigheid is een bewijs van onze onschuld… En ook jullie wreedheid baat jullie niets.” Het was een bewijs te meer om anderen van de waarheid te overtuigen. „Hoe meer we door jullie worden neergemaaid, hoe meer we in aantal zullen toenemen; het bloed van de christenen is als zaad.” (Tertullianus, Apology, par. 50).

Duizenden werden gevangen genomen en ter dood gebracht, maar anderen stonden op en namen hun plaats in. En zij die om hun geloof de marteldood stierven, waren veilig in Christus en werden door Hem als overwinnaars beschouwd. Ze hadden de goede strijd gestreden en zullen de krans der rechtvaardigheid ontvangen wanneer Christus te­rugkomt. Het lijden dat ze moesten doorstaan bracht de christenen dichter tot elkaar en tot hun Verlosser. Het voorbeeld van hun leven en het getuigenis van hun sterven waren een voortdurende belijdenis van de waarheid. Waar men dat het minst verwachtte, verlieten Satans onderdanen zijn dienst en schaarden zich onder de banier van Chris­tus.

Om met meer succes tegen Gods heerschappij te strijden, plantte Satan zijn banier in Christus’ gemeente. Als de volgelingen van Christus konden worden bedrogen en ertoe konden worden gebracht God te mishagen, zou hun kracht, vastberadenheid en standvastigheid bezwijken en zouden ze een gemakkelijke prooi worden.
De grote tegenstander probeerde nu met sluwheid te bereiken wat hij niet met geweld had kunnen doen. De vervolgingen hielden op en de gevaarlijke verleiding van materiële voorspoed en wereldse eer kwamen ervoor in de plaats. Afgodendienaars namen een deel van het christelijk geloof aan, maar verwierpen andere grondwaarheden.
Ze beweerden Jezus te aanvaarden als de zoon van God en in zijn dood en opstanding te geloven, maar waren niet overtuigd van hun zonde en hadden ook geen behoefte aan berouw of inkeer. Ze deden enkele toegevingen en stelden voor dat de christenen dat ook maar moesten doen, zodat allen één zouden zijn in het geloof in Christus.

De gemeente was nu in zeer groot gevaar. De gevangenis, de folte­ringen, de brandstapel en het zwaard waren zegeningen vergeleken met deze nieuwe toestand. Sommige christenen bleven de waarheid trouw en wilden van geen compromis weten. Anderen wilden wel en­kele geloofspunten laten vallen of veranderen om tot een eenheid te komen met de half bekeerde heidenen. Ze hoopten daarmee de heide­nen volledig te bekeren. Het was een moeilijke tijd voor de ware vol­gelingen van Christus. Onder de dekmantel van een schijnchristendom drong Satan de gemeente binnen om hun geloof te verzwakken en hun geest af te keren van het Woord der waarheid.

De meeste christenen stemden er op de duur mee in, water in de wijn te doen en er kwam een eenheid tot stand tussen het christendom en het heidendom. Hoewel de afgodendienaars zogenaamd waren be­keerd en zich bij de gemeente aansloten, bleven ze toch hun afgoden­dienst trouw en verwisselden ze alleen de voorwerpen van hun ver­ering voor beelden van Jezus en zelfs van Maria en de heiligen. De bedorven zuurdesem van de afgodendienst die op deze manier in de gemeente werd binnengebracht, zette zijn verderfelijk werk voort. Verkeerde leerstellingen, bijgelovige gebruiken en afgodische praktij­ken werden in de geloofsbelijdenis en in de eredienst opgenomen. Naarmate de volgelingen van Christus zich aansloten bij de afgoden­dienaars, werd de christelijke godsdienst ondermijnd en verloor de gemeente haar reinheid en kracht. Er waren echter enkelen die niet door deze dwalingen werden misleid. Zij bleven trouw aan de Bron van waarheid en dienden alleen hun God.

Men heeft de mensen die zich volgelingen van Christus noemen al­tijd in twee groepen kunnen verdelen. Terwijl de ene groep mensen het leven van Jezus overdenkt, oprecht hun gebreken wil verbeteren en het grote Voorbeeld wil navolgen keert de andere groep zich af van de eenvoudige, praktische waarheden die hun dwalingen aan het licht brengen.
Zelfs in haar beste dagen bestond de gemeente niet volledig uit ware, zuivere, oprechte gelovigen. Onze Verlosser leerde dat zij die zich moedwillig aan de zonde overgeven niet in de gemeente mo­gen worden opgenomen. En toch ging Hij om met mensen die karak­terfouten hadden en schonk Hij hun de zegeningen van zijn leer en zijn voorbeeld, zodat ze de kans kregen hun eigen gebreken in te zien en te verbeteren.
Onder de twaalf apostelen was er een verrader. Judas werd niet wegens, maar ondanks zijn karakterfouten aangenomen. Hij werd onder de discipelen opgenomen, zodat hij door de leer en het voorbeeld van Christus zou kunnen leren wat een christelijk karakter is en op die manier zijn fouten zou inzien, tot inkeer zou komen en door Gods genade zijn ziel zou reinigen door „de waarheid gehoor­zaam te worden”. Maar Judas wandelde niet in het licht dat hem zo genadig werd geschonken hij gaf zich over aan de zonde en lokte zo­doende de verleidingen van Satan uit. Zijn slechte karaktertrekken kregen de overhand. Hij liet zijn geest door de machten van de duis­ternis beheersen, hij werd kwaad wanneer zijn fouten werden veroor­deeld en zo kwam hij tot zijn vreselijke misdaad: hij verraadde zijn Meester.
Op dezelfde wijze haten de mensen die met een schijn van godsvrucht het kwaad liefhebben de anderen die hun vrede verstoren omdat ze hun zondig leven veroordelen. Wanneer zich een gunstige gelegenheid voordoet, zullen ze, zoals Judas, degenen verraden die hen in hun eigen belang wilden terechtwijzen.

De apostelen ontmoetten in de gemeente mensen die deden alsof ze godvruchtig waren, terwijl ze heimelijk de zonde liefhadden. Ananias en Sapphira waren bedriegers, die deden alsof ze alles aan God gaven, terwijl ze uit begeerte een deel voor zichzelf achterhielden.
De Geest der waarheid openbaarde het ware karakter van deze huiche­laars aan de apostelen en het oordeel van God zuiverde de gemeente van deze smet op haar reinheid. Dit duidelijke bewijs van de scherp waarnemende Geest van Christus in de gemeente verschrikte de schijnheiligen en boosdoeners. Ze konden niet lang omgaan met mensen die in hun leven en denken trouwe vertegenwoordigers van Chris­tus waren.
Toen zijn volgelingen beproevingen en vervolgingen moesten doorstaan, wilden alleen zij die bereid waren alles in de steek te laten voor de waarheid zijn volgelingen worden. Zolang de vervol­gingen voortduurden, bleef de gemeente dan ook betrekkelijk zuiver. Maar toen die ophielden, sloten bekeerlingen die minder oprecht en toegewijd waren zich bij de gemeente aan en stond de weg open voor Satan om vaste voet te krijgen in de gemeente.

Maar er kan geen gemeenschap zijn tussen de Vorst van het licht en de vorst van de duisternis en er kan geen band bestaan tussen hun volgelingen. Toen de christenen begonnen om te gaan met mensen die maar half bekeerd waren van hun heidendom, sloegen ze een weg in die hen steeds verder van de waarheid wegleidde. Satan juichte dat het hem was gelukt zo’n groot aantal volgelingen van Christus te mis­leiden. Hij deed zijn macht nog meer over hen gelden en zette hen er­toe aan degenen die God trouw waren gebleven te vervolgen.
Nie­mand was zó goed op de hoogte hoe men het christelijk geloof moest tegenwerken als juist zij die dit geloof eens hadden verdedigd; deze afvallige christenen bonden met hun half-heidense geestverwanten de strijd aan tegen de grondwaarheden.

Zij die trouw wilden blijven, moesten een wanhopige strijd voeren om stand te houden tegen het bedrog en de gruwelen die in priesterge­waden vermomd de gemeente binnenslopen. De Bijbel werd niet aan­genomen als de maatstaf voor het geloof. De leer van de Godsdienst­vrijheid werd als een ketterij bestempeld en haar verdedigers waren gehaat en werden vervolgd.

Na een lange, zware strijd besloten de weinige getrouwen elke band met de afvallige kerk te verbreken als ze bleef weigeren zich van valse leerstellingen en afgodendienst te zuiveren. Zij zagen in dat een scheiding absoluut noodzakelijk was, als ze gehoorzaam wilden blij­ven aan het Woord van God. Ze durfden geen dwalingen te dulden die noodlottig zouden zijn voor hun eigen geestelijk leven en wilden geen voorbeeld geven dat het geloof van hun kinderen en kleinkinderen in gevaar zou brengen.
Om de vrede en de eenheid te behouden, waren ze bereid elke toegeving te doen die verenigbaar was met hun getrouwheid aan God, maar ze meenden ook dat zelfs de vrede te duur betaald was als er beginselen voor moesten worden opgeofferd. Als de eenheid alleen bereikt kon worden door geschipper met de waarheid en gerechtigheid, moest er maar liever onenigheid en zelfs openlijke vijandschap zijn.

Het zou de gemeente en de wereld ten goede komen als de beginse­len die deze standvastige mensen motiveerden, werden aangemoedigd bij degenen die zich Gods volk noemen. Er heerst een verontrustende onverschilligheid tegenover de leerstellingen die de pijlers van het christelijk geloof zijn. De mening als zouden deze niet van levensbe­lang zijn, wint steeds meer veld. Deze ontaarding moedigt Satans me­dewerkers aan, zodat valse theorieën en verderfelijke misleidingen, waarvoor de gelovigen in vroegere eeuwen hun leven in gevaar wil­den brengen om ze te bestrijden en te veroordelen, nu gunstig worden onthaald door duizenden mensen die beweren dat ze volgelingen van Christus zijn.

De eerste christenen waren inderdaad een groep eigenaardige men­sen. Hun onberispelijk gedrag en hun onwankelbaar geloof waren een voortdurende aanklacht die de rust van de zondaren verstoorde. Hoe­wel ze gering in aantal waren en geen rijkdom, aanzien of eretitels be­zaten, waren ze overal waar hun karakter en leer bekend werden een verschrikking voor de boosdoeners. Daarom werden ze door de goddelozen gehaat zoals Abel werd gehaat door de goddeloze Kaïn.
Om dezelfde reden waarom Kaïn zijn broer Abel doodde, brachten ook degenen die de beteugeling van de Heilige Geest van zich af wilden schudden Gods volk om het leven. Om dezelfde reden verwierpen en kruisigden de Joden de Heiland – omdat de reinheid en heiligheid van zijn karakter een voortdurende aanklacht waren tegen hun zelfzucht en verdorvenheid.
Vanaf de tijd van Christus tot heden hebben zijn trouwe volgelingen de haat en tegenwerking opgewekt van de mensen die de paden der zonde liefhebben en bewandelen.

Hoe kan men het evangelie dan een vredesboodschap noemen? Toen Jesaja de geboorte van de Verlosser aankondigde, gaf hij Hem de titel „Vredevorst”. Toen de engelen de geboorte van Christus aan de herders meedeelden, zongen ze boven de velden van Bethlehem: „Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens” (Lucas 2:14).
Er is een schijnbare tegenstrijdigheid tussen deze profetische verklaringen en de woorden van Christus: ,,Ik ben niet ge­komen om vrede te brengen, maar het zwaard” (Matteüs 10:34).
Maar als men deze twee uitspraken goed begrijpt, stemmen ze volkomen met elkaar overeen. Het evangelie is een vredesboodschap.
Het chris­tendom is een stelsel dat indien het wordt aanvaard en nageleefd, vrede, harmonie en geluk over de hele aarde zal verspreiden.
De gods­dienst van Christus verenigt allen die zijn leerstellingen aannemen met de nauwe banden van een broederschap.
Christus wilde de mensen met God – en dus ook met elkaar – verzoenen. Maar de wereld slaat onder de heerschappij van Satan, Christus’ meest onverzoenlijke vijand. Het evangelie stelt de mensen levensprincipes voor die hele­maal in strijd zijn met hun gewoontes en verlangens en daarom verzetten ze zich er tegen. Ze haten de reinheid die hun zonden aan het licht brengt en veroordeelt en ze vervolgen en vermoorden degenen die hen trachten te overtuigen van zijn rechtvaardige en heilige eisen.
De verheven waarheden die het christendom verkondigt, brengen haat en twist en daarom wordt het evangelie een zwaard genoemd.

De ondoorgrondelijke beschikking van God waardoor Hij toelaat dat de rechtvaardigen verdrukking lijden door de wreedheid van de goddelozen heeft velen die zwak staan in hun geloof voor onoplosba­re problemen gesteld. Sommigen zijn zelfs bereid hun vertrouwen in God te laten varen omdat Hij toestaat dat de ergste ongelovigen voor­spoed hebben, terwijl de beste en reinste gelovigen worden gekweld en gemarteld door hun wrede macht. „Hoe kan Iemand, die rechtvaar­dig, barmhartig en almachtig is zo’n onrechtvaardigheid en verdruk­king toestaan?”, vragen ze. Deze vraag mag ons niet verontrusten.

God heeft ons genoeg bewijzen van zijn liefde gegeven en we mogen zijn goedheid niet in twijfel trekken omdat we de werking van zijn voorzienigheid niet begrijpen. Christus wist welke twijfel hun ziel in de dagen van duisternis en beproevingen zou benauwen en heeft deze woorden tot zijn discipelen gesproken: „Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen” (Johannes 15:20).
Jezus heeft meer voor ons geleden dan één van zijn volgelingen ooit zal kunnen lijden door de wreedheid van slechte mensen. Zij die folterin­gen en de marteldood moeten ondergaan, lopen slechts in de voetspo­ren van Gods geliefde Zoon.

„De Here talmt niet met de belofte” (2 Petrus 3:9). Hij vergeet noch verlaat zijn kinderen, maar laat de ongelovigen hun ware aard tonen, zodat niemand die zijn wil wenst te doen zich hoeft te vergis­sen. De rechtvaardigen worden ook in het vuur van de verdrukking geplaatst, opdat zij zelf gelouterd zouden worden, hun voorbeeld an­deren van de echtheid van hun geloof en godsvrucht zou overtuigen en hun standvastige houding de goddelozen en ongelovigen zou ver­oordelen.

God laat toe dat de ongelovigen voorspoed hebben en hun vijand­schap tegenover Hem openbaren, zodat wanneer zij de maat van hun ongerechtigheid hebben vol gemaakt, allen Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid zullen erkennen wanneer ze definitief vernietigd wor­den.
De dag van zijn toorn nadert snel; op die dag zullen allen die zijn wet hebben overtreden en zijn volk hebben verdrukt het rechtvaardige loon voor hun werken ontvangen en zal wreedheid en elk onrecht te­genover Gods trouwe kinderen worden gestraft alsof deze daden Christus zelfwaren aangedaan.

Er is een andere, belangrijkere vraag die de kerken van vandaag zou moeten bezighouden. De apostel Paulus zegt: „Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden” (2 Timoteüs 3:12).
Waarom schijnen de vervolgingen dan grotendeels te zijn ingesluimerd? De enige reden daarvoor is het feit dat de gemeen­te zich aan de wereld heeft aangepast en daardoor geen verzet meer uitlokt. De godsdienst van de mensen in onze tijd heeft niet het reine en heilige karakter dat het christelijk geloof in de tijd van Christus en zijn apostelen kenmerkte. Het is alleen te wijten aan de geest van geschipper met de zonde, aan het feit dat de grote waarheden uit Gods Woord met zoveel onverschilligheid worden beschouwd en er zo wei­nig ware godsvrucht is in de gemeente, dat het christendom ogen­schijnlijk zo populair is in de wereld. Maar als er weer een herleving komt van het geloof en de kracht van de eerste gemeente zal de geest van vervolging weer worden aangewakkerd en het vuur van de ver­volgingen opnieuw worden ontstoken. (“Het grote Conflict” – E.G.White)

In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen voorzegde de apostel Paulus de grote afval die zou leiden tot de vestiging van het pausdom. Hij zei dat „de dag des Heren” niet zou aanbreken voordat zich be­paalde ingrijpende veranderingen hadden voorgedaan: „Eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is”. Ook waarschuwde de apos­tel zijn broeders: „Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in wer­king” (2 Tessalonicenzen 2:3,4,7). Zelfs in die begintijd zag hij dwa­lingen de gemeente binnensluipen die de weg zouden bereiden voor de ontwikkeling van het pausdom.

Zeer langzaam, in het begin heimelijk en in stilte, maar later open­lijker naarmate het in kracht toenam en ging heersen over de geesten van de mensen, zette „het geheimenis der wetteloosheid” zijn be­drieglijk en godslasterlijk werk voort. Bijna onmerkbaar werden de gebruiken van het heidendom in de christelijke gemeente ingevoerd. De geest van toegevingen en de bereidheid tot aanpassing werden eni­ge tijd tegengehouden door de zware vervolgingen die de gemeente onder het heidendom had te verduren. Maar toen de vervolgingen op­hielden en het christendom ingang vond in de hoven en paleizen van koningen, verwisselde het de nederige eenvoud van Christus en zijn apostelen voor de pracht en praal van heidense priesters en vorsten en stelde het menselijke theorieën en tradities in de plaats van Gods ei­sen.
De zogenaamde bekering van Constantijn in het begin van de vierde eeuw verwekte grote blijdschap. De wereld trad met een schijn van gerechtigheid toe tot de gemeente. Toen begon het verderf snel om zich heen te grijpen. Het heidendom, dat schijnbaar overwonnen was, werd de echte overwinnaar. Zijn geest beheerste de gemeente. Heidense leerstellingen, praktijken en bijgeloof werden opgenomen in het geloof en de godsdienst van mensen die zich voor Christus’ vol­gelingen uitgaven. Het compromis tussen het heidendom en het chris­tendom leidde tot het ontstaan van „de mens der wetteloosheid”, die zich volgens de profetie zou verzetten tegen en zich ook zou verhef­fen boven God. Dit reusachtige stelsel van dwaalleringen is een mees­terwerk van Satans macht, een monument van zijn pogingen om zich­zelf op de troon te plaatsen en over de wereld te heersen naar eigen goeddunken.

Satan heeft eens een compromis met Christus willen sluiten. Hij kwam tot Gods Zoon in de woestijn en liet Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid zien. Hij bood Christus alles aan op voor­waarde dat Hij de heerschappij van de vorst der duisternis zou erken­nen. Christus bestrafte deze arrogante verleider en dwong hem weg te gaan. Maar Satan heeft meer succes wanneer hij zich met dezelfde verleidingen bij de mens aandient. Ter wille van materieel voordeel en wereldse eer ging de kerk erkenning en steun zoeken bij de groten dezer aarde en toen ze Christus door haar handelwijze had verworpen, bewees ze haar trouw aan de vertegenwoordiger van Satan, de bis­schop van Rome.

Volgens één van de belangrijkste leerstellingen van de rooms-katholieke kerk is de paus het zichtbare hoofd van Christus’ wereldkerk en is hij bekleed met de hoogste macht over bisschoppen en priesters in alle delen van de wereld. Maar daar blijft het niet bij: men heeft de paus de namen en aanspreektitels van de Godheid gegeven. De paus wordt „Here God de Paus” genoemd en hij is onfeilbaar verklaard (zie Aanhangsel onder „Titels van de paus” en „Onfeilbaarheid”). Hij wil dat alle mensen hem eer bewijzen. Zo wordt dezelfde eis die Satan in de woestijn heeft gesteld nog altijd herhaald door bemidde­ling van de kerk van Rome. Zeer veel mensen zijn bereid hem deze eer inderdaad ook te bewijzen.

Maar zij die God dienen en eren reageren op deze hemeltergende aanmatiging zoals Christus dat gedaan heeft met de verleidingen van de sluwe vijand: „Gij zult de Here, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen” (Lucas 4:8).
God heeft nergens in zijn Woord ook maar enige aanwijzing gegeven dat Hij een mens heeft aangesteld tot hoofd van de gemeente. De leer van de pauselijke heerschappij druist lijnrecht in tegen de leer van de Bijbel. De paus heeft slechts macht over Chris­tus’ gemeente gekregen door wederrechtelijke toe-eigening.
Rooms-katholieken hebben de protestanten altijd van ketterij en moedwillige afscheiding van de ware kerk beschuldigd. Maar eigen­lijk moeten ze zichzelf daarvan beschuldigen. Zij hebben de banier van Christus omlaag gehaald en zij zijn afgeweken van „het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is” (Judas 3).

Satan wist wel dat de Heilige Schrift de mensen in staat zou stellen zijn bedrog te ontdekken en dat ze zich dan tegen zijn macht zouden verzetten. Met dit Woord had zelfs de Verlosser der wereld zijn aan­vallen afgeslagen. Bij elke aanval hield Christus hem het schild van de eeuwige waarheid voor door het uitspreken van de woorden: „Er staat geschreven”.
Tegenover elk voorstel van de verleider plaatste Hij de wijsheid en macht van het Woord. Wilde Satan zijn heerschap­pij over de mensen behouden en de macht van de pauselijke overwel­diger vestigen dan moest hij hen in onwetendheid aangaande de Schrift houden.
De Bijbel verheerlijkt God en zet de sterfelijke mens op zijn plaats. Daarom moesten zijn heilige waarheden verborgen blijven en onderdrukt worden. Deze redenering werd door de rooms-katholieke kerk overgenomen. Eeuwenlang was de verspreiding van de Bijbel verboden. De mensen mochten Gods Woord niet lezen of in huis hebben en gewetenloze priesters en prelaten legden zijn leer op zo’n manier uit dat hun onrechtmatige aanspraken erdoor werden ge­steund. Daarom werd de paus door bijna iedereen erkend als de stede­houder van God op aarde, bekleed met macht over Kerk en Staat.

Toen het instrument dat de dwalingen aan het licht brengt eenmaal uit de weg was geruimd, kon Satan naar eigen inzichten handelen. Volgens de profetie zou het pausdom „er op uit zijn tijden en wet te veranderen” (Daniël 7:25). Dit werk werd onmiddellijk ondernomen. Om de bekeerlingen uit het heidendom iets in de plaats te geven voor de verering van hun afgoden en zodoende hun zogenaamde aanvaar­ding van het christendom te vergemakkelijken, werd het aanbidden van beelden en relikwieën langzamerhand in de christelijke godsdienst opgenomen. Een oecumenisch concilie (zie Aanhangsel onder „Beeldendienst”) keurde later deze afgodendienst goed. Om het godslasterlijke werk af te ronden, heeft Rome zich het recht toe­geëigend het tweede gebod, dat de beeldendienst verbiedt, uit Gods wet te schrappen en het tiende gebod te splitsen om toch het juiste aantal te behouden.

De geest van toegevingen aan het heidendom baande de weg voor een nog grotere aanslag op Gods gezag. Satan bediende zich van oneerlijke leiders in de gemeente om ook het vierde gebod te verande­ren en hij probeerde de eeuwenoude sabbat, de dag die door God was gezegend en geheiligd, (Genesis 2:2,3) opzij te schuiven en in plaats daarvan het feest dat de heidenen vierden als „de eerbiedwaardige dag van de zon” in te voeren.
Aanvankelijk werd deze verandering niet direct openlijk doorgevoerd. In de eerste eeuwen was de ware sabbat door alle christenen gevierd. Zij ijverden voor Gods eer en daar ze geloofden dat zijn wet onveranderlijk was, waakten ze ijverig over de heiligheid van haar geboden. Maar Satan ging met grote sluwheid te werk om het beoogde doel door bemiddeling van zijn me­dewerkers te bereiken. Om de aandacht van de mensen op de zondag te richten, maakte men er een feestdag van. Er werden kerkdiensten op die dag gehouden. Toch werd de zondag alleen als een dag van ontspanning beschouwd en werd de sabbat nog altijd geheiligd.

Om de weg te bereiden voor het werk dat hij van plan was tot stand te brengen, had Satan nog vóór de komst van Christus de Joden de sabbat met zeer strenge voorschriften laten verzwaren, waardoor sab­batsviering een last werd. Hij profiteerde van het ongunstige licht waarin de sabbat werd geplaatst en brandmerkte de sabbat als een Joodse instelling. Terwijl de christenen de zondag bleven vieren als een feestdag, zorgde hij ervoor dat ze van de sabbat een vastendag, een dag van droefheid en somberheid maakten om op die manier hun haat tegenover het jodendom te tonen.

In het begin van de vierde eeuw vaardigde keizer Constantijn een bevel uit waarbij de zondag in het hele Romeinse rijk tot openbare feestdag werd uitgeroepen (zie Aanhangsel onder ,De zondagswetten van Constantijn’). De dag van de zon werd door zijn heidense onder­danen gevierd en werd door de christenen in ere gehouden. Het beleid van de keizer was erop gericht de tegenstrijdige belangen van het hei­dendom en het christendom met elkaar te verzoenen. Hij werd daartoe aangespoord door de bisschoppen van de kerk, die door eerzucht en machtswellust gedreven, meenden dat wanneer zowel christenen als heidenen dezelfde dag vierden het christendom door vele heidenen zogenaamd zou worden aangenomen en dat op die manier de macht en luister van de kerk zouden worden vergroot.
Maar hoewel veel godvrezende christenen langzamerhand de zondag een zekere graad van heiligheid begonnen toe te kennen, vierden zij nog altijd de ware sabbat als de heilige dag des heren en heiligden zij hem in gehoor­zaamheid aan het vierde gebod.

Maar daarmee was het werk van de aartsbedrieger nog niet af. Hij was vastbesloten de christelijke wereld onder zijn banier te scharen en er macht over uit te oefenen door bemiddeling van zijn stedehouder, de trotse bisschop, die zich uitgaf voor de vertegenwoordiger van Christus. Hij bereikte zijn doel door de medewerking van halfbekeerde heidenen, eerzuchtige prelaten en wereldsgezinde kerkleden.
Van tijd tot tijd werden er grote concilies gehouden, waartoe de kerkelijke waardigheidsbekleders uit de gehele wereld bijeengeroepen werden. Op bijna elk concilie werd de sabbat die God had ingesteld wat verder verlaagd, terwijl de zondag in dezelfde mate werd verhoogd. Zo werd de heidense feestdag op den duur als een goddelijke instelling ver­eerd, terwijl de sabbat van de Bijbel werd gedoodverfd als een over­blijfsel van het jodendom en de mensen die hem vierden werden ver­vloekt.

De grote afvallige was erin geslaagd zich te verheffen „tegen al wat God of voorwerp van verering heet” (2 Tessalonicenzen 2:4). Hij had het énige gebod van de heilige wet dat het hele mensdom duide­lijk wijst op de ware en enige God veranderd. In het vierde gebod wordt God geopenbaard als de Schepper van hemel en aarde. Het maakt daardoor een onderscheid tussen Hem en de afgoden. De ze­vende dag werd als een gedenkteken van het scheppingswerk en als een rustdag voor de mens ingesteld. Het moest de mens voortdurend herinneren aan God als de bron van alle leven en het voorwerp van verering en aanbidding. Satan wil de mens afleiden van zijn trouw aan God en van de gehoorzaamheid aan zijn wet. Daarom keert hij zich vooral tegen het gebod dat naar de Schepper verwijst.

De protestanten beweren tegenwoordig dat de zondag door de op­standing van Christus op die dag tot christelijke sabbat is verheven. Daar is echter geen enkel bewijs voor te vinden in de Bijbel. Christus en zijn apostelen hebben de zondag die eer niet bewezen. Het vieren van de zondag als een christelijke instelling vindt zijn oorsprong in het „geheimenis der wetteloosheid” (2 Tessalonicenzen 2:7), dat reeds in Paulus’ dagen in werking was. Waar en wanneer heeft de Here dit geesteskind van het pausdom aangenomen? Welke geldige reden kan men aanvoeren voor een verandering die de Schrift niet goedkeurt?

In de zesde eeuw had het pausdom al een stevige positie verwor­ven. De zetel van zijn macht was gevestigd in de hoofdstad van het keizerrijk en de bisschop van Rome werd tot hoofd van de hele kerk uitgeroepen. Het heidendom had plaats gemaakt voor het pausdom. „En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht” (Openbaring 13:2), (zie Aanhangsel onder „Profetische tijdperken”).

Toen begonnen de 1260 jaren van pauselijke onderdrukking, die wa­ren aangekondigd in de profetieën van Daniël en de Openbaring (Daniël 7:25; Openbaring 13:5-7). De christenen werden voor de keus ge­steld hun geloof de rug toe te keren en de roomse ceremoniën en eredienst te aanvaarden óf de rest van hun leven door te brengen in kerkers en ter dood gebracht te worden op de pijnbank, de brandstapel of het schavot.
Toen gingen de woorden van Jezus in vervulling: „En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en ver­wanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil” (Lucas 21:16,17). De vervolgingen die over de gelovigen losbarstten waren heviger dan ooit tevoren en de wereld werd één groot slagveld. Eeuwenlang vond de gemeente van Christus een toevlucht in de afzondering en de eenzaamheid. De profeet zegt in dit verband: ,,En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd en zestig dagen onderhouden zou worden” (Openba­ring 12:6).

Toen de rooms-katholieke kerk aan de macht kwam, begonnen de donkere Middeleeuwen. Naarmate haar macht groeide, werd die duis­ternis groter. Het geloof in Christus, het ware fundament, werd op de paus van Rome overgedragen.
De mensen vertrouwden niet meer op de Zoon van God voor de vergeving van hun zonden en hun eeuwige zaligheid, maar richtten hun blik naar de paus en naar de priesters en prelaten die hij met macht had bekleed. Men leerde hen dat de paus hun aardse middelaar was en dat niemand tot God kon komen dan door hem; men zei ook dat hij Gods vertegenwoordiger was en dat de mensen hem daarom onvoorwaardelijk moesten gehoorzamen.
Als ze van deze bevelen afweken, was dat al een reden om de strengste straf­fen op het lichaam en de geest van de overtreders toe te passen. Zo werden de harten van de mensen van God afgeleid en keken ze op naar feilbare, dwalende en wrede mensen en naar de vorst der duister­nis, die zijn macht door hen uitoefende. De zonde werd vermomd on­der de dekmantel van heiligheid.

Wanneer de Schrift wordt onder­drukt en de mens zichzelf boven alles verheft, kan men slechts bedrog, misleiding en verderfelijke goddeloosheid verwachten. Door de verheffing van menselijke wetten en overleveringen werd de verdorvenheid, die altijd volgt op de verwerping van Gods wet, open­baar.

Het waren gevaarlijke dagen voor Christus’ gemeente. Er waren maar zeer weinig trouwe dragers van de kruisbanier. Hoewel er altijd getuigen voor de waarheid zijn geweest, was het op sommige ogen­blikken alsof dwaling en bijgeloof helemaal de overhand zouden krijgen en de ware godsdienst van de aarde zou worden gebannen. Men verloor het evangelie uit het oog, terwijl de godsdienstige vormen in aantal toenamen en het volk onder de strenge eisen gebukt ging.

Men vertelde de mensen niet alleen dat ze de paus als hun middelaar moesten beschouwen, maar men leerde ze ook vertrouwen op hun eigen werken ter verzoening van hun zonden. Lange pelgrims­tochten, boetedoening, het vereren van relikwieën, het bouwen van kerken, heiligdommen en altaren, het betalen van grote sommen aan de kerk en nog veel andere verplichtingen werden aan de mensen op­gelegd om Gods toorn te verminderen of om zijn gunst af te smeken, alsof God is als de mensen en door onbenulligheden toornig wordt of door giften en boetedoening gunstig wordt gestemd.

Ondanks de goddeloosheid die zelfs onder de leiders van de rooms-katholieke kerk heerste, scheen haar invloed voortdurend te groeien. Tegen het einde van de achtste eeuw kwamen de pausgezinden voor de dag met de bewering dat de bisschoppen van Rome in de eerste eeuwen van de kerk dezelfde geestelijke macht hadden uitgeoefend als die waar ze op dat ogenblik recht op meenden te hebben. Om deze bewering kracht bij te zetten moesten ze wel een middel vinden om er een schijn van gezag aan te geven.
De vader der leugen zorgde daar in een handomdraai voor: de monniken vervalsten enkele oude docu­menten en men ontdekte besluiten van kerkvergaderingen waar geen mens ooit van gehoord had. Volgens deze vervalsingen zou het op­pergezag van de paus al in de vroegste tijden zijn vastgelegd. De kerk, die de waarheid de rug had toegekeerd, nam dit bedrog gretig aan (zie Aanhangsel onder „vervalsingen”). De weinige trouwe bouwmees­ters die bouwden op het ware fundament (l Korinthiërs 3:10,11), werden in de war gebracht en gehinderd door het puin van de valse
leer­stellingen die hun werk in de weg stonden. Zoals de bouwlieden die in Nehemia’s dagen de muur van Jeruzalem bouwden, waren enkelen geneigd te zeggen: „De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de muur te bouwen” (Nehemia 4:10).
Af­gemat door de voortdurende strijd tegen vervolging, bedrog, godde­loosheid en door elke andere hindernis die Satan maar kon bedenken om hun vooruitgang te stuiten, werden sommige van de trouwe bouwlieden ontmoedigd. Ter wille van de vrede en de veiligheid van hun eigen bezittingen en hun leven wendden zij zich af van het ware fun­dament. Anderen werden niet verschrikt door de tegenstand van hun vijanden en zeiden onbevreesd:
„Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here” (Nehemia 4:14) en gingen verder met hun werk en elk had zijn zwaard aan zijn zij (Efeziërs 6:17).

Dezelfde geest van haat en verzet tegen de waarheid heeft de vijan­den van God in alle eeuwen bezield en zijn dienaren moeten dezelfde waakzaamheid en getrouwheid aan de dag leggen. De woorden van Christus aan de eerste discipelen slaan ook op zijn volgelingen aan het einde der tijden: „Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!” (Marcus 13:37).

De duisternis scheen nog dichter te worden. De beeldendienst werd steeds algemener. Men brandde kaarsen voor de beelden en er werden gebeden tot hen gericht. De dwaaste en meest bijgelovige praktijken vierden hoogtij. De geesten van de mensen waren zo in de ban van het bijgeloof dat de rede alle macht scheen te hebben verloren. Daar de priesters en bisschoppen wellustig, zinnelijk en verdorven waren, is het geen wonder dat de mensen die naar hen opkeken voor leiding totaal onwetend waren.

In de elfde eeuw werd er nog een stap gezet op de weg van de pau­selijke aanmatiging toen paus Gregorius VII de volmaaktheid van de rooms-katholieke kerk afkondigde. Eén van de stellingen die hij ver­dedigde luidde: „De kerk heeft volgens de Schrift nooit gedwaald en kan ook nooit dwalen”. Maar hij staafde zijn bewering niet met be­wijzen uit de Schrift. De trotse bisschop wilde ook de macht hebben om keizers af te zetten. Hij verklaarde dat geen enkel vonnis dat hij had uitgesproken door iemand anders kon worden vernietigd, maar dat hij wel het recht had de beslissingen van anderen ongedaan te ma­ken (zie Aanhangsel onder „Dictafus Papae” Gregorius VII).

Een sprekend voorbeeld van het tirannieke karakter van deze ver­dediger van de onfeilbaarheid is zijn behandeling van de Duitse kei­zer Hendrik IV. Deze vorst werd geëxcommuniceerd en onttroond omdat hij het gewaagd had geen rekening te houden met het gezag van de paus. Hij werd verschrikt door de bedreigingen van zijn eigen vorsten, die hem in de steek lieten en in hun opstand tegen hem wer­den aangemoedigd door pauselijk verordening, waardoor hij wel genoodzaakt was vrede te sluiten met Rome.
Met zijn vrouw en een trouwe dienaar trok hij in het hartje van de winter over de Alpen om zich voor de paus te verootmoedigen. Toen hij aankwam op het kasteel waar Gregorius zich had teruggetrokken, werd hij zonder geleide naar een voorhof gebracht en moest daar in de strenge winterkou, blootshoofds, barrevoets en in een schamel kleed gehuld, wachten tot het ogenblik dat de paus hem toestemming zou geven in zijn tegen­woordigheid te komen. Pas nadat hij drie dagen had gevast en zijn schuld had beleden, verwaardigde de paus zich hem vergiffenis te schenken. En zelfs toen was het nog op voorwaarde dat de keizer zou wachten op de toestemming van de paus om weer de tekenen van zijn waardigheid te dragen of zijn keizerlijke macht uit te oefenen. Grego­rius, die ontzettend blij was met deze overwinning, was er trots op dat het zijn taak was de trots van de aardse machthebbers te breken.

Hoe opvallend is de tegenstelling tussen de hoogmoed van de paus en de ootmoed en zachtmoedigheid van Christus, die zegt dat Hij aan de deur van het hart staat en vraagt om binnen gelaten te worden, zo­dat Hij vergiffenis en vrede kan brengen, en zijn discipelen leerde: „En wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn” (Matteüs 20:27).

In de daaropvolgende eeuwen slopen er steeds meer dwalingen in de leerstellingen die door Rome werden verkondigd. Zelfs al vóór het instellen van het pausdom had men belangstelling getoond voor de leer van heidense wijsgeren en hadden zij grote invloed uitgeoefend op de kerk. Velen die beweerden dat ze bekeerd waren, geloofden nog in de leerstellingen van hun heidense wijsbegeerte en bleven die niet alleen nog verder bestuderen, maar drongen ze ook op aan anderen om door middel daarvan hun invloed onder de heidenen te vergroten. Zo slopen ernstige dwalingen het christelijk geloof binnen. De be­langrijkste daarvan zijn het geloof in de natuurlijke onsterfelijkheid van de mens en het bewustzijn na de dood. Deze leer legde het funda­ment waarop Rome het aanroepen van de heiligen en de verering van de Maagd Maria grondvestte. Hieruit ontstond ook de ketterij van de eeuwige straf voor degenen die onboetvaardig stierven, een punt dat al heel vroeg in de pauselijke leer werd opgenomen.

Toen stond de weg open voor de invoering van nog een ander ver­zinsel van het heidendom, dat Rome „het vagevuur” noemde en ge­bruikt werd om de lichtgelovige en bijgelovige massa schrik aan te ja­gen. Volgens deze ketterij bestaat er een plaats van pijniging waar de zielen van mensen die geen eeuwige verdoemenis hebben verdiend voor hun zonden moeten boeten en vanwaar uit zij in de hemel worden toegelaten nadat ze van hun onreinheid zijn gezuiverd (zie Aan­hangsel onder „Het Vagevuur”).

Er was nog een ander verzinsel nodig om het Rome mogelijk te maken munt te slaan uit de vrees en de zonden van haar aanhangers. Dit gebeurde door de leer van de aflaten. De volledige vergeving van zonden van verleden, heden en toekomst en de kwijtschelding van alle opgelopen straffen en boeten werden beloofd aan alle gelovigen die zouden deelnemen aan de oorlogen van de paus om zijn wereldlij­ke macht uit te breiden, zijn vijanden te straffen of om allen uit te roeien die het zouden wagen zijn geestelijk oppergezag niet te erken­nen. Ook leerde men de mensen dat ze zich door het betalen van geld aan de kerk konden vrijkopen van zonde en ook de zielen van hun overleden vrienden die in het vagevuur waren, konden verlossen. Met zulke middelen vulde Rome haar schatkist en betaalde ze voor de pracht en praal, de weelde en de ondeugden van de zogenaamde ver­tegenwoordigers van Hem, die geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen (zie Aanhangsel onder „Aflaten”).

De bijbelse instelling van het Heilig Avondmaal was vervangen door het afgodische misoffer. De roomse priesters beweerden dat ze met hun zinloos gemompel het eenvoudige brood en de wijn veran­derden in het ware „lichaam en bloed van Christus” (Kardinaal Wiseman, The Real Presence of the Body and Blood of Our Lord Jesus Christ in the Blessed Eucharist, Proved From Scripture, lecture 8, sec.3, par.26).

Met godslasterlijke aanmatiging eigenden zij zich openlijk de macht toe om God, de Schepper van alle dingen, te schep­pen. Van alle christenen werd op straffe des doods geëist dat ze zou­den geloven in deze gruwelijke, hemeltergende ketterij. Talloze men­sen die weigerden dat te doen, werden aan de vlammen prijsgegeven. (Zie Aanhangsel onder „De Mis”).

In de dertiende eeuw werd het vreselijkste werktuig van het pausdom in gebruik genomen: de inquisitie. De vorst van de duisternis werkte samen met de leiders van de pauselijke hiërarchie. In hun ge­heime beraadslagingen beheersten Satan en zijn engelen de geesten van de mensen terwijl ongemerkt een engel van God in hun midden was en het vreselijke verslag van hun schandelijke besluiten opmaak­te en de geschiedenis optekende van daden die te verschrikkelijk zijn om door de ogen van mensen te worden gezien. „Het grote Babyion” was „dronken van het bloed der heiligen”. De verminkte lichamen van miljoenen martelaren riepen tot God om wraak op deze afvallige macht.

De paus was de tiran van de wereld geworden. Koningen en keizers bogen zich voor de bevelen van de paus in Rome. Het lot van de men­sen, voor tijd en eeuwigheid, scheen in zijn handen te zijn. Honderden jaren lang werden de leerstellingen van Rome overal onvoorwaarde­lijk aanvaard; haar riten werden in ere gehouden en haar feesten wer­den algemeen gevierd. Haar geestelijkheid werd geëerd en met milde hand gesteund. De rooms-katholieke kerk heeft nooit meer zo’n aanzien, luister en macht gekend.

Maar „de middagglans van het pausdom was het middernachtelijk duister van de wereld” (J.A. Wylie, The History of Protestantism, b. l, ch. 4). De Heilige Schrift was zo goed als onbekend, niet alleen bij het volk, maar ook bij de priesters. Zoals de Farizeeën van vroeger haatten de roomse leiders het licht dat hun zonden zou openbaren.
Daar Gods wet, de maatstaf van gerechtigheid, opzij was geschoven, hadden ze een onbegrensde macht en gaven ze zich over aan een on­gebreidelde goddeloosheid. Bedrog, hebzucht en losbandigheid heer­sten overal.
De mensen deinsden voor geen enkele misdaad terug waardoor ze rijkdom of een goede positie konden verwerven. In de paleizen van pausen en prelaten deden zich de laagste uitspattingen voor. Enkele van de regerende pausen maakten zich schuldig aan zul­ke weerzinwekkende misdaden, dat wereldlijke machthebbers deze kerkelijke waardigheidsbekleders probeerden af te zetten omdat deze monsters te gemeen waren om te worden geduld. Eeuwenlang werd in Europa geen vooruitgang geboekt op het gebied van wetenschap, kunst of beschaving. De christenheid was het slachtoffer geworden van morele en intellectuele verlamming.

De toestand van de wereld onder rooms-katholieke heerschappij was een verschrikkelijke en treffende vervulling van de woorden van de profeet Hosea: „Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan ken­nis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u (…) daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten”. „Er (is) geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods in het land. Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad” (Hosea 4:6,1,2). Dat waren de gevolgen van het verbieden van Gods Woord. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

Ondanks de duisternis tijdens de lange periode van pauselijke heer­schappij is het licht der waarheid nooit helemaal uitgedoofd. In elke eeuw waren er gelovigen die Christus als de enige Middelaar tussen God en de mensen aanvaardden, de Bijbel als de enige leefregel be­schouwden en de ware sabbat heiligden. Het nageslacht zal nooit we­ten hoeveel de wereld aan hen te danken heeft. Ze werden als ketters gebrandmerkt. Hun motieven werden bestreden. Hun karakter werd beklad. Hun geschriften werden onderdrukt, vervalst of vernietigd. En toch volhardden ze. Van eeuw tot eeuw bewaarden ze hun geloof in al zijn reinheid als een heilig erfdeel voor het nageslacht.

De geschiedenis van Gods volk tijdens de donkere eeuwen die op de heerschappij van Rome volgden, is in de hemel opgetekend. Er is echter niet veel van terug te vinden in de historische documenten van de mens. Er zijn maar weinig sporen van hun bestaan. Alleen in de beschuldigingen van hun vervolgers kan men enkele aanwijzingen vinden. Rome wilde namelijk elk spoor dat wees op de verwerping van haar leer en van haar bevelen uitwissen. Ze probeerde alles wat ketters was, zowel mensen als geschriften, te vernietigen. Twijfel of vragen over het gezag van de pauselijke dogma’s waren al voldoende om rijk en arm, hoog- en laaggeplaatsten van het leven te beroven. Rome probeerde ook elk bewijs van haar wreedheid tegenover an­dersdenkenden te vernietigen.
Boeken en geschriften waarin zulke on­derwerpen werden behandeld, werden op bevel van pauselijke conci­lies verbrand. Vóór de uitvinding van de boekdrukkunst waren er maar weinig boeken en door hun vorm konden ze minder goed be­waard worden. Daardoor was er weinig dat de rooms-katholieken kon beletten hun plannen ten uitvoer te brengen.

Geen enkele gemeente binnen de invloedssfeer van Rome behield haar gewetensvrijheid erg lang. Zodra het pausdom aan de macht kwam, strekte het zijn arm uit om iedereen die zijn heerschappij niet wilde erkennen te verpletteren. De ene kerk na de andere onderwierp zich dan ook aan zijn gezag.
In Groot-Brittannië had het christendom al heel vroeg in zijn oor­spronkelijke vorm wortel geschoten.
Het evangelie dal de Britten in de eerste eeuwen hadden ontvangen, was niet vervalst door de afvalligheid van Rome. Vervolgingen door heidense keizers die zelfs deze afgelegen gebieden bereikten, waren het enige „geschenk” dat de eerste gemeenten van Groot-Brittannië van Rome hadden ontvangen.
Veel christenen vluchtten voor de vervolgingen uit Engeland en von­den een schuilplaats in Schotland, vanwaar de waarheid ook naar Ier­land werd gebracht. In al deze landen werd de boodschap met blijd­schap ontvangen. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

Toen de Saksen Groot-Brittannië veroverden, kreeg het heidendom de overhand. De overwinnaars vonden het beneden hun waardigheid door hun slaven te worden onderwezen. De christenen moesten zich toen in de bergen en op de woeste heide terugtrekken. Toch bleef het licht, dat voor een tijd werd verborgen, verder schijnen. Een eeuw la­ter scheen het in Schotland. Het was zó helder dat het tot verafgelegen streken uitstraalde. Uit Ierland kwamen de vrome Columba en zijn medewerkers, die de verspreide gelovigen op het verlaten eiland Iona rondom zich schaarden en deze plaats tot het centrum van hun zendingswerk maakten. Onder deze evangelisten was er ook iemand die de sabbat van de Bijbel heiligde en zo leerden de mensen ook deze waarheid kennen. Er werd op Iona een school opgericht vanwaar zen­delingen niet alleen naar Schotland en Engeland, maar ook naar Duitsland, Zwitserland en zelfs naar Italië werden uitgezonden.

Maar Rome had haar oog op Groot-Brittannië laten vallen en was vastbesloten het onder haar heerschappij te brengen. In de zesde eeuw bekeerden haar zendelingen de heidense Saksen. Ze werden goed ont­vangen door de trotse barbaren en haalden vele duizenden over tot het roomse geloof. Naarmate dit werk vooruitging, kwamen de rooms-katholieke leiders en hun bekeerlingen in contact met de christenen die het oorspronkelijke geloof hadden behouden. Er was een opval­lend verschil tussen de twee groepen. De christenen waren eenvoudig, nederig en bijbels in karakter, leer en gebruiken, terwijl de anderen het bijgeloof, de praal en de aanmatiging van de katholieke gods­dienst openbaarden.

De afgezant van Rome eiste dat deze christelijke gemeenten het gezag van de paus zouden erkennen. De Britten ant­woordden echter in alle nederigheid dat ze alle mensen liefhadden, maar dat de paus geen recht had op opperheerschappij in de gemeente en dat ze hem alleen de onderdanigheid verschuldigd waren die iedere volgeling van Christus toekwam. Herhaalde malen heeft men gepro­beerd hen tot gehoorzaamheid aan Rome te dwingen, maar deze nede­rige christenen, die verbaasd waren over de hoogmoed van Rome’s afgezanten, antwoordden vastberaden dat ze geen andere meester ken­den dan Christus.
Toen kwam de ware geest van het pausdom aan het licht. De roomse leider zei: „Als jullie de broeders die jullie vrede brengen niet willen ontvangen, zullen jullie vijanden ontvangen die jullie oorlog brengen. Als jullie niet met ons willen samenwerken om de Saksen de juiste levenswijze te leren, zullen jullie door hen gedood worden” (J.H. Merle D’Aubigné, History of the Reformation of the Sixteenth Century, b.17, ch.2).
Dit waren geen loze bedreigingen. Oorlog, list en bedrog werden aangewend tegen deze getuigen voor een bijbels geloof, totdat de gemeenten van Groot-Brittannië waren vernietigd of waren gedwongen zich aan het gezag van de paus te on­derwerpen.

In de landen die buiten de invloedssfeer van Rome lagen, zijn er eeuwenlang groepen christenen geweest die bijna volledig gevrij­waard zijn gebleven van de geloofsafval van het pausdom. Ze waren omringd door het heidendom en namen in de loop der eeuwen enkele dwalingen daarvan over, maar ze bleven de Bijbel beschouwen als het enige richtsnoer voor het geloof en namen vele van zijn waarheden aan. Deze christenen geloofden in de onveranderlijkheid van Gods wet en heiligden de sabbat van het vierde gebod. In Midden-Afrika en onder de Armeniërs van Azië waren er gemeenten die dit geloof en deze gebruiken hadden aangenomen.

De Waldenzen waren echter de belangrijkste groep die zich tegen de inbreuken van het pausdom verzetten. In Italië waar het pausdom zijn zetel had gevestigd, werd er bijzonder hardnekkig weerstand ge­boden aan zijn bedrog en afvalligheid. De gemeenten van Piémont bleven eeuwenlang onafhankelijk, maar toen brak de tijd toch aan dat Rome hun onderwerping eiste. Na een vruchteloze strijd tegen zijn ti­rannie erkenden de leiders van deze gemeenten met tegenzin de heer­schappij van de macht die schijnbaar door de hele wereld werd aan­vaard. Er waren echter enkele gelovigen die weigerden zich aan het gezag van de paus en de prelaten te onderwerpen. Ze waren vastbe­sloten God trouw te blijven en de zuiverheid en eenvoud van hun ge­loof te behouden. Zo kwam er een scheiding. Zij die het oude geloof trouw bleven, trokken zich terug. Enkelen verlieten de Alpen, waar ze geboren waren, en verhieven de banier van de waarheid in vreemde landen. Anderen trokken zich terug in de afgelegen dalen en rotsvestingen van de bergen en waren daar vrij om God te dienen zoals zij dat wilden.

Het geloof dat de Waldenzen eeuwenlang hadden beleden en on­derwezen, week zeer sterk af van de dwalingen die Rome verkondig­de. Hun godsdienstige opvattingen waren gebaseerd op het geschre­ven Woord van God. de ware bron van het christelijke geloof. Maar deze eenvoudige landbouwers, die leefden in hun verborgen schuilhoeken, van de wereld waren afgesloten en elke dag onder hun kudde en in hun wijngaarden werkten, hadden niet uit zichzelf de waarheid ontdekt die in strijd was met de dogma’s en ketterijen van de afvallige kerk. Hun geloof was niet iets nieuws. Hun godsdienstige overtuiging was het erfdeel van hun vaderen. Ze streden voor het geloof van de apostolische gemeente ,,- het geloof, dat eenmaal de heiligen overge­leverd is” (Judas 3). „De gemeente in de woestijn -” en niet de trotse priesterheerschappij die de troon bezette in de hoofdstad van het we­reldrijk – was Christus’ ware gemeente en de bewaarder van de schatten der waarheid die God aan zijn volk heeft toevertrouwd om ze aan de wereld door te geven.

Eén van de belangrijkste oorzaken die tot de scheiding tussen de ware gemeente en Rome hadden geleid, was de haat van Rome tegen de sabbat van de Bijbel, (zie Aanhangsel onder „De Waldenzen en de sabbat”). Zoals in de profetieën was voorzegd, wierp de pauselijke macht de waarheid neer.
Gods wet werd met voeten getreden, terwijl menselijke overleveringen en gebruiken werden geëerd. De kerken die onder het gezag van het pausdom stonden, werden al vroeg ver­plicht de zondag te heiligen. Door de heersende dwalingen en het bij­geloof raakten velen, zelfs onder het ware volk van God, zó in de war dat ze wel de sabbat heiligden, maar ‘s zondags ook niet werkten. Maar daar waren de rooms-katholieke leiders niet mee tevreden. Ze eisten niet alleen dat de zondag gevierd werd, maar ook dat de sabbat zou worden ontheiligd. Ze veroordeelden iedereen die de sabbat hei­ligde in de felste bewoordingen. Men kon Gods wet alleen in vrede gehoorzamen als men voor de roomse macht vluchtte.

De Waldenzen waren één van de eerste volken in Europa die een vertaling van de Heilige Schrift hadden (zie Aanhangsel onder „de Waldenzen en de Bijbel”). Eeuwen vóór de Hervorming hadden ze de Bijbel in manuscript in hun eigen taal. Daar ze de onvervalste waar­heid hadden, werden ze het bijzondere doelwit van haat en vervol­ging. Ze verklaarden dat de kerk van Rome het afvallige Babyion van de Openbaring was en stelden hun leven in de waagschaal door zich tegen haar dwalingen te verzetten. Terwijl enkelen onder druk van langdurige vervolgingen hun geloof verloren en geleidelijk de bijbel­se beginselen prijsgaven, hielden anderen vast aan de waarheid.
In de eeuwen van duisternis en afvalligheid waren er Waldenzen die de heerschappij van Rome verwierpen, de beeldendienst als afgoderij be­stempelden en de ware sabbat heiligden. In de zwaarste stormen van tegenwerking behielden ze hun geloof. Hoewel ze werden doorstoken door de spies van de Savoyaarden en op de brandstapels van Rome te­recht kwamen, stonden ze pal voor Gods Woord en Gods eer.

Achter de hoge bergen, de schuilplaats van vervolgden en verdruk­ten in de loop der eeuwen, vonden de Waldenzen een toevluchtsoord. Hier werd het licht der waarheid tijdens de lange periode van middel­eeuwse duisternis brandend gehouden. Duizend jaar lang bewaarden deze getuigen voor de waarheid hier het oude geloof

God had zijn volk een ontzaglijk grootse tempel bereid die paste bij de belangrijke waarheden die hun waren toevertrouwd. De bergen waren voor deze trouwe ballingen een zinnebeeld van Gods onveran­derlijke gerechtigheid. Ze wezen hun kinderen op de spitsen die zich in onveranderlijke majesteit boven hen verhieven en spraken met hen over God, “bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”, en wiens Woord even vast staat als de eeuwige bergen.

God heeft de ber­gen gegrondvest en ze met kracht omgord. Alleen de machtige arm van de Oneindige kan ze van plaats doen veranderen. Zo heeft Hij ook zijn wet het fundament van zijn bestuur in de hemel en op aarde, vastgelegd. De arm van de mens kan misschien zijn medemensen treffen en ze van het leven beroven, maar zoals die arm de bergen niet van hun fundament kan verzetten en ze niet in zee kan werpen, zo kan hij ook geen enkel gebod van Gods wet wijzigen en geen van zijn be­loften aan hen die zijn wil doen, te niet doen. Gods kinderen moeten in hun getrouwheid aan zijn wet even standvastig zijn als de onwrik­bare bergen.

De bergen die de laaggelegen dalen omringden, getuigden voortdu­rend van Gods scheppingsmacht en waren een blijvende verzekering van zijn bescherming en zorg. Deze pelgrims leerden de stille zinne­beelden van Gods aanwezigheid liefhebben. Ze klaagden niet over hun lot. Ze voelden zich nooit eenzaam in de verlatenheid van de ber­gen. Ze dankten God dat Hij hun een schuilplaats had bereid tegen de boosheid en wreedheid van de mensen. Ze waren blij dat ze Hem in alle vrijheid konden dienen. Wanneer ze door hun vijanden werden vervolgd, was de sterkte van de heuvels een veilige bescherming. Van menige hoge bergspits zongen zij Gods lof en de legers van Rome konden dat danklied niet doen verstommen.

De vroomheid van deze volgelingen van Christus was rein, een­voudig en vurig. De beginselen van de waarheid hadden in hun ogen meer waarde dan huizen, grondbezit, vrienden, bloedverwanten, ja, ze waren waardevoller dan het leven zelf. Ze deden hun uiterste best om deze beginselen in het hart van de jongeren in te prenten. Al in hun vroegste kinderjaren leerden de kinderen de Bijbel kennen en leerde men hen de eisen van Gods wet heilig achten. Er waren maar weinig exemplaren van de Bijbel en daarom werden zijn kostbare woorden uit bet hoofd geleerd. Vele Waldenzen konden grote gedeelten uit het Oude en Nieuwe Testament opzeggen. Zij associeerden de gedachten over God zowel met het prachtige natuurschoon rondom hen als met de eenvoudige zegeningen van het dagelijks leven. De kleine kinderen leer­den met dankbaarheid lot God opzien als de Schenker van elke gunst en van elke troost.

De ouders hielden van hun kinderen, maar hadden ze veel te lief om ze aan een gemakkelijk leven te wennen. Er stond hun een leven van beproevingen en ontberingen en misschien zelfs de marteldood te wachten. Van kindsbeen af werd hun geleerd ontberingen te verdra­gen, zich aan het gezag te onderwerpen en toch zelfstandig te denken en te handelen. Ze moesten al op jonge leeftijd verantwoordelijkheid dragen. Ze leerden hun woorden wikken en wegen en leerden ook dat het soms beter was te zwijgen. Een enkel onvoorzichtig woord kon niet alleen het leven van de spreker, maar ook dat van honderden medegelovigen in gevaar brengen als het werd opgevangen door hun tegenstanders, want de vijanden van de waarheid vervolgden iedereen die de godsdienstvrijheid durfde te verdedigen als wolven die hun prooi achterna zitten.

De Waldenzen hadden hun aardse voorspoed ter wille van de waar­heid opgeofferd en zwoegden met volharding en geduld voor hun da­gelijks brood. Elk plekje landbouwgrond tussen de bergen werd met zorg verbeterd. De dalen en de minder vruchtbare hellingen werden zó bewerkt dat ze wel iets opbrachten. Zuinigheid en een zeer strenge zelfverloochening waren een onderdeel van de opvoeding die de kin­deren meekregen als hun enig erfdeel. Men leerde hen dat God wilde dat het leven aan de tucht onderworpen zou zijn en dat ze alleen in hun behoeften konden voorzien door persoonlijke arbeid, gehoor­zaamheid, overleg en geloof. Deze taak was zwaar en uitputtend,
maar leerzaam en precies wat de gevallen mens nodig heeft.
Het was de leerschool die God had bestemd voor hun opvoeding en ontwikkeling. Terwijl de jongeren werden gehard tegen arbeid en ontberingen, werd hun intellectuele ontwikkeling niet uit het oog verloren. Ze leer­den dat al hun krachten God toebehoorden en dat ze verbeterd en ont­wikkeld moesten worden voor zijn dienst.

De gemeenten van de Waldenzen leken in hun reinheid en eenvoud op de apostolische gemeente. Ze verwierpen de heerschappij van de paus en de prelaten en beschouwden de Bijbel als het enige, hoogste en onfeilbare gezag. In tegenstelling tot de trotse priesters van Rome volgden hun voorgangers het voorbeeld van hun Meester, die niet was gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Zij voedden de kudde Gods en leidden hen naar de grazige weiden en de levende fon­teinen van zijn heilig Woord.
Ver van de monumenten van menselijke pracht en praal kwamen de mensen samen, niet in prachtige kerken of grootse kathedralen, maar in de schaduw van de bergen, in de valleien van de Alpen of in een rotsvesting in tijden van gevaar, om naar de woorden die door Gods boodschappers werden verkondigd te luisteren. De leraren predikten niet alleen het evangelie, maar bezochten ook de zieken, gaven de kinderen godsdienstonderwijs, vermaanden de dwalenden en probeerden geschillen bij te leggen en eendracht en broederliefde te bevorderen, in vredestijd werd in hun onderhoud voorzien door de vrijwillige gaven van het volk, maar zoals Paulus, de tentenmaker, leerde elk van hen een vak of een beroep zodat zij in­dien nodig in hun eigen onderhoud konden voorzien.

De jongeren werden door predikanten onderwezen. Hoewel er ook aandacht aan algemene vakken werd besteed, was de studie van de Bijbel hoofdzaak. Ze leerden het evangelie van Matteüs en van Johannes en ook vele zendbrieven uit het hoofd. Ze schreven ook de hand­schriften van de Bijbel over. Sommige handschriften bevatten de vol­ledige Bijbel, andere maar korte schriftgedeelten waaraan enkele eenvoudige tekstverklaringen werden toegevoegd door bevoegde bij­beluitleggers. Zo werden de schatten der waarheid, die zo lang waren verborgen door degenen die zich boven God probeerden te verheffen, weer aan het licht gebracht.

Ze waren geduldig en onvermoeibaar bij het kopieéren, dat soms in de diepe, donkere spelonken van de aarde bij het licht van fakkels gebeurde. Zo werd de heilige Schrift vers voor vers en hoofdstuk na hoofdstuk overgeschreven; zo ging het werk vooruit en straalde de geopenbaarde wil van God als zuiver goud. Hoeveel helderder, duidelijker en krach­tiger door de beproevingen die ze ervoor moesten lijden, konden alleen zij die zich met dit werk bezighielden getuigen. Engelen uit de hemel omringden deze trouwe arbeiders.

Satan had de roomse priesters en prelaten ertoe aangezet het Woord der waarheid te bedelven onder het puin van hun dwalingen, ketterijen en bijgeloof, maar het werd op een zeer wonderbaarlijke manier onvervalst bewaard in de loop van al die donkere eeuwen. Het droeg niet het stempel van de mens, maar het zegel Gods.
De mensen hebben niets onbeproefd gelaten om de duidelijke, eenvoudige betekenis van de Schrift te verduisteren. Ze hebben alles gedaan om de Bijbel zichzelf te laten tegenspreken, maar het Woord van God trotseert de stormen die het dreigen te vernietigen, zoals de ark op de golven van de zee. Zoals een mijn rijke goud- en zilveraderen onder de opper­vlakte verbergt, zodat allen die de schatten willen ontdekken moeten graven, bevat ook de Heilige Schrift schatten van waarheid die alleen geopenbaard worden aan degene die er ernstig, nederig en biddend naar zoekt.
God heeft de Bijbel gegeven als een leerboek voor de hele mensheid, – voor het kind, voor de jeugd, voor de volwassene – een Boek dat in alle tijden onderzocht moet worden. Hij gaf de mens zijn Woord als een openbaring van Zichzelf Elke nieuw ontdekte waar­heid is een nieuwe openbaring van het karakter van de Schrijver. Het onderzoek van de Schrift is het door God ingestelde middel om de mens nauwer in contact te brengen met zijn Schepper en om hem zijn wil beter te leren kennen. Het is het communicatiemiddel tussen God en de mens.

De Waldenzen beschouwden de vreze des Heren als het begin der kennis, maar hechtten toch belang aan het contact met de wereld, aan mensenkennis en aan een actief leven voor de ontwikkeling van hun verstand en hun kritische zin. Sommige jongeren werden van hun scholen in de bergen naar onderwijsinstellingen in de steden van Frankrijk en Italië gestuurd, waar er meer gelegenheid was voor stu­die en voor de ontwikkeling van het denken en het waarnemingsver­mogen dan in hun geboortestreek, de Alpen.
De jongeren die de ber­gen om studieredenen hadden verlaten, werden blootgesteld aan verleidingen, zagen allerlei misbruiken in hun nieuwe omgeving, kwamen in aanraking met de sluwe medewerkers van Satan, die hun de listigste ketterijen en gevaarlijkste misleidingen influisterden. Maar de Waldenzen hadden hun jongeren tijdens hun opvoeding op dit alles voorbereid.

In de scholen waar ze kwamen, mochten ze niemand in vertrouwen nemen. Hun kleren waren zó gemaakt dat ze er hun grootste schat de kostbare handschriften van de Bijbel in konden verbergen. Deze handschriften, die het resultaat waren van maanden en zelfs jaren lan­ge arbeid, hadden ze altijd bij zich en wanneer ze vermoedden dat ze geen argwaan wekten, maakten ze van de gelegenheid gebruik om voorzichtig een gedeelte voor te leggen aan de mensen die bereid schenen te zijn naar de waarheid te luisteren. Van kindsbeen af waren de jongeren met dit doel voor ogen opgeleid. Zij kenden hun werk en deden het met getrouwheid. Ze brachten in deze onderwijsinstellingen anderen tot het ware geloof en zeer vaak werden hele instellingen doordrongen van hun beginselen. Zelfs met de grondigste opsporings­methodes konden de roomse leiders de bron van de zogenaamde „verderfelijke ketterijen” niet achterhalen.

De geest van Christus is een zendingsgeest. Het vernieuwde hart streeft er in de eerste plaats naar anderen tot Jezus te brengen. Dat was ook de geest die de Waldenzen inspireerde. Ze beseften dat God meer van hen eiste dan alleen maar het behouden van de waarheid in al haar reinheid in hun eigen gemeenten. Ze waren zich bewust van de grote verantwoordelijkheid die op hen rustte om het licht ook te laten schijnen voor mensen die nog in de duisternis waren. Door de grote kracht van Gods Woord probeerden ze hen te bevrijden uit de slaver­nij die Rome hun had opgelegd.
De Waldenzische predikanten wer­den als zendelingen opgeleid en iedereen die het predikambt wilde uitoefenen, moest eerst ervaring opdoen als evangelist. Ze moesten drie jaar in één of ander zendingsgebied doorbrengen voordat ze met de zorg van een eigen gemeente werden belast. Deze taak die van be­gin af aan zelfverloochening eiste, was een goede inleiding tot de pas­torale zorg in een tijd die de mensen zo zwaar op de proef stelde. Wie tot dit heilig ambt werd ingezegend, had geen aardse rijkdom en eer te venvachten, maar een zwaar en gevaarlijk leven, met de mogelijkheid te moeten sterven als een martelaar.
De zendelingen vertrokken twee aan twee, zoals ook Jezus zijn discipelen had uitgezonden. Gewoon­lijk vergezelde een oudere, ervaren man een jongere. De jonge man stond onder leiding van zijn metgezel, die ook verantwoordelijk was voor zijn opleiding. Van de jongere werd venvacht dat hij de raad van de oudere zou opvolgen. De twee medewerkers waren niet altijd samen, maar kwamen wel vaak samen om te bidden en om overleg te plegen en zo steunden ze elkaar in het geloof.

Als ze hun ware bedoeling bekend maakten, zou hun opdracht ze­ker tot mislukken gedoemd zijn. Daarom hielden ze hun identiteit zorgvuldig geheim. Iedere prediker kende een vak of een beroep en de zendelingen zetten hun zendingswerk voort terwijl ze zichzelf beschermden door het uitoefenen van een beroep. Gewoonlijk waren ze handelaar of rondreizend koopman. „Ze hadden zijden stoffen, juwe­len en andere goederen bij zich die toen alleen op verafgelegen mark­ten verkrijgbaar waren. Ze werden met open armen ontvangen als kooplieden, terwijl ze als zendelingen zouden zijn afgewezen” (Wylie, b. 1, ch. 7).
Ze zagen voortdurend op naar God voor wijsheid, op­dat ze een schat zouden kunnen aanbieden die kostbaarder was dan goud of edelstenen. Ze hadden volledige of gedeeltelijke kopieën van de Bijbel bij zich en zodra de gelegenheid zich voordeed, vestigden ze de aandacht van de klant op deze manuscripten. Dikwijls konden ze bij de mensen belangstelling wekken om Gods Woord te lezen en ze lieten graag een gedeelte achter bij degenen die dat verlangden.

Het werk van deze zendelingen begon in de vlakten en dalen aan de voet van de bergen in hun eigen streek, maar het strekte zich tot ver buiten die gebieden uit. Op blote voeten en met ruwe kleren die erg te lijden hadden gehad van hun verre tochten, zoals dat ook het geval was geweest met hun Meester, trokken ze door steden en drongen door in verafgelegen streken. Overal strooiden ze het kostbare zaad. Er werden gemeenten gesticht op sommige plaatsen die ze hadden be­zocht en het bloed van de martelaren getuigde voor de waarheid. Op de dag des Heren zal de rijke oogst aan zielen worden geopenbaard die is binnengehaald door het werk van deze trouwe mannen. Bedekt en in stilte baande Gods Woord zich een weg in de christelijke we­reld. Het werd met blijdschap in de huizen en harten van de mensen ontvangen.

Voor de Waldenzen was de Bijbel niet alleen een boek over Gods handelen met de mens in het verleden en een openbaring van de ver­antwoordelijkheden en verplichtingen voor het heden, maar voorzeg­de het ook de gevaren en de heerlijkheid van de toekomst. Ze geloof­den dat het einde aller dingen nabij was en wanneer ze de Bijbel onder gebed en met tranen in de ogen bestudeerden, kwamen zij steeds meer onder de indruk van zijn kostbare uitspraken en van hun plicht om de zaligmakende waarheid aan anderen bekend te maken.
Zij lazen de duidelijke uiteenzetting over het verlossingsplan op de heilige bladzijden en zij vonden troost, hoop en vrede in het geloof in Jezus. Naarmate het licht hun verstand verhelderde en hun harten ver­blijdde, verlangden ze er meer naar zijn stralen te laten vallen op de mensen die in de duisternis van de pauselijke dwalingen leefden.

Zij zagen dat talloze mensen onder leiding van de paus en de pries­ters tevergeefs vergiffenis probeerden te krijgen door hun lichaam te pijnigen voor hun zonden. Daar men ze geleerd had dat ze op hun goede werken moesten vertrouwen om gered te worden, zagen zij al­tijd op zichzelf en dachten ze voortdurend aan hun zondige toestand. Ze meenden dat ze blootgesteld waren aan Gods toorn en pijnigden daarom hun lichaam en geest, maar vonden toch geen troost. Zo wa­ren oprechte mensen gekluisterd door de leerstellingen van Rome. Duizenden verlieten vrienden en verwanten en brachten hun leven door in kloostercellen. Door voortdurend te vasten, door wrede gese­lingen, door nachtwaken, door urenlang geknield te liggen op de kou­de, vochtige stenen van hun kamer, door lange bedevaarten, door ver­nederende boetedoening en verschrikkelijke folteringen probeerden duizenden mensen tevergeefs een gerust geweten te krijgen. Velen gingen gebukt onder hun schuldgevoel en werden achtervolgd door de vrees voor Gods gramschap. Ze bleven lijden totdat hun uitgeputte lichamen daaronder bezweken en zonder een straaltje hoop in het graf neerdaalden.

De Waldenzen wilden deze hongerige zielen het levende brood brengen, hun de vredesboodschap van Gods beloften leren kennen en hen op Christus wijzen als hun enige hoop op verlossing. Ze meenden dat de leer dat goede werken de overtreding van Gods wet kunnen goedmaken in strijd was met de Bijbel. Het vertrouwen op menselijke verdiensten verduistert het inzicht in Christus’ oneindige liefde.
Jezus is juist gestorven als een slachtoffer voor de mensheid, omdat de ge­vallen mens uit zichzelf niets kan doen om God gunstig te sterrunen. De verdiensten van een gekruisigde en opgestane Heiland vormen de grondslag van het christelijk geloof. Het leven moet even volkomen van Christus afhankelijk zijn en zijn verbondenheid met Hem moet even innig zijn als die van een lichaamsdeel aan het lichaam of van een rank aan de wijnstok.

Door de leer van de pausen en priesters waren de mensen het ka­rakter van God en zelfs dat van Jezus als streng, somber en schrik­wekkend gaan beschouwen. De Heiland werd voorgesteld als Iemand die zó weinig kon meevoelen met de mens in zijn zondige toestand dat de hulp van priesters en heiligen moest worden ingeroepen.
De Waldenzen die door Gods Woord waren verlicht, wilden deze mensen Jezus leren kennen als hun meevoelende en liefhebbende Verlosser, die met uitgestrekte armen allen uitnodigt om tot Hem te komen met hun zondenlast, hun zorgen en hun moeiten. Zij wilden de hinderpa­len uit de weg ruimen die Satan had opgestapeld, opdat de mensen de beloften niet zouden kennen, en rechtstreeks tot God zouden komen, hun zonden zouden belijden en vergiffenis en vrede zouden ontvangen.

De Waldenzische zendeling deelde graag de kostbare waarheid van het evangelie aan de onderzoekende geest mee. Voorzichtig haalde hij de zorgvuldig geschreven gedeelten van de Heilige Schrift tevoor­schijn. Het was zijn grootste vreugde hoop te geven aan de oprechte, zondige mens, die alleen een op wraak beluste God kende die zat te wachten op het uitvoeren van zijn vonnis. Met bevende lippen en met ogen vol tranen vertelde hij, vaak op zijn knieën, aan zijn broeders de kostbare beloften die de enige hoop van de zondaar waren. Zo drong het licht van de waarheid door in veel duistere geesten en verdwenen de wolken van somberheid totdat de Zon der gerechtigheid in het hart scheen en genezing bracht met zijn stralen. Vaak werd een bijbelge­deelte op verzoek van de toehoorder verscheidene keren gelezen, als­of hij er zeker van wilde zijn dat hij wel goed gehoord had. Men wil­de vooral dat deze woorden werden herhaald: „Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (l Johannes 1:7), en „Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe” (Johannes 3:14,15).

Velen werden ontnuchterd door de aanspraken van Rome. Ze za­gen in hoe nutteloos de tussenkomst van mensen of engelen was voor de zondaar. Naarmate het ware licht in hun geest opging, riepen ze verheugd uit: „Christus is mijn priester. Zijn bloed is mijn offer. Zijn altaar is mijn biechtstoel”. Zij stelden hun volle vertrouwen in de ver­diensten van Jezus en herhaalden de woorden: „Maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn” (Hebreeën 11:6). „Er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waar­door wij moeten behouden worden” (Handelingen 4:12).

De verzekering van de liefde van een Zaligmaker scheen voor som­mige van deze arme, gekwelde zielen gewoon onbegrijpelijk. De opluchting die dat besef met zich meebracht was zó groot en het licht dat op hen straalde was zó intens dat ze dachten dat ze in de hemel te­recht waren gekomen. Ze legden hun handen vol vertrouwen in Chris­tus’ handen en hun voeten stonden vast op de Rots der eeuwen. Ze hadden niet de minste vrees voor de dood. Ze zouden nu wel de gevangenis en de brandstapel verkiezen, als zij daardoor de naam van hun Verlosser konden eren.

Zo werd het Woord van God op verborgen plaatsen te voorschijn gehaald en gelezen, soms voor één persoon, soms voor een kleine groep die naar licht en waarheid zocht. Vaak brachten ze zo de hele nacht door. De verbazing en bewondering van de toehoorders was al­tijd zó groot dat de boodschapper van de waarheid vaak het lezen moest stopzetten tot hun verstand de reddingsboodschap kon begrij­pen. Dikwijls stelde men de vraag: „Zal God mijn offer werkelijk aannemen? Zal ik Hem welgevallig zijn? Zal Hij mij vergeven? Dan werd het antwoord voorgelezen: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matteüs 11:28).

Zij namen de belofte in geloof aan en men kon het blijde antwoord horen: „Geen lange bedevaarten meer. Geen moeizame tochten naar heilige plaatsen meer. Ik mag tot Jezus komen zoals ik ben, zondig en onheilig, maar Hij zal het gebed van de berouwvolle zondaar niet af­wijzen. „Uw zonden zijn u vergeven”. Ook mijn zonden, zelfs de mijne, kunnen worden vergeven!

Een heilige vreugde vervulde hun harten en ze prezen de naam van Jezus met lofliederen en gebeden. De gelukkige mensen keerden huis­waarts om het licht te verspreiden, om hun nieuwe ervaring zo goed als ze maar konden ook aan anderen te vertellen, om hun te zeggen dat zij de ware, levende Weg hadden gevonden. Er lag een bijzondere, heilige kracht in de woorden van de Bijbel, die rechtstreeks sprak tot de harten van hen die naar de waarheid verlangden. Het was de stem van God, die de mensen die wilden luisteren tot geloof bracht.
De boodschapper van de waarheid ging weer op weg, maar zijn ne­derigheid, oprechtheid, ernst en geloofsijver waren nog dikwijls het onderwerp van de gesprekken. In vele gevallen hadden zijn toehoor­ders hem niet eens gevraagd vanwaar hij kwam of waarheen hij ging. Zó overweldigd waren ze, eerst door verbazing en later door dank­baarheid en vreugde, dat ze er gewoon niet aan gedacht hadden hem die vragen te stellen. Wanneer ze hem uitnodigden om met hen mee te gaan naar huis, antwoordde hij dat hij de verloren schapen van de kudde moest gaan opzoeken. „Was hij misschien een engel uit de he­mel?”, vroegen zij zich af.

Meestal zagen ze de boodschapper van de waarheid niet terug. Hij was naar andere streken vertrokken, sleet zijn levensdagen in een donkere kerker; misschien verbleekte de zon zijn beenderen op de plaats waar hij voor de waarheid had getuigd. Maar de woorden die hij had achtergelaten, konden niet worden vernietigd. Ze deden hun werk in de harten van de mensen: de gezegende resultaten zullen pas in het oordeel ten volle bekend worden.

De Waldenzische zendelingen drongen het rijk van Satan binnen en de machten van de duisternis werden tot grotere waakzaamheid aan­gezet. Iedere poging om de waarheid te verspreiden, werd door de vorst van het kwaad gadegeslagen en hij wekte vrees in de harten van zijn medewerkers. De roomse leiders zagen in de arbeid van deze eenvoudige, rondreizende kooplieden een gevaar voor hun zaak. Als het licht van de waarheid ongehinderd mocht schijnen, zou het de zware wolken van dwaling, die de mensen in duisternis hielden, kunnen verdrijven. Het zou de geesten van de mensen naar God alléén kunnen richten en op den duur een eind maken aan de heerschappij van Rome.

Alleen al het bestaan van dit volk dat het geloof van de eerste chris­tengemeente had behouden, getuigde voortdurend tegen de afvallig­heid van Rome en lokte daarom de ergste haat en vervolging uit. Hun weigering de Schrift prijs te geven, was ook een bron van ergernis die Rome niet kon verdragen. Het was Rome’s vast voornemen ze uit te roeien.
Nu begonnen de vreselijke kruistochten tegen Gods volk in hun woonplaatsen in de bergen. Inquisiteurs werden uitgezonden om hen op te sporen en de geschiedenis van de onschuldige Abel die door de bloeddorstige Kaïn werd vermoord, werd vaak herhaald.

Herhaaldelijk werden hun vruchtbare akkers verwoest en hun hui­zen en kerken vernield, zodat waar eens bloeiende velden en huizen van onschuldige, hard werkende mensen waren geweest een woeste­nij overbleef. Zoals een uitgehongerd dier wilder wordt bij het proe­ven van bloed, werd de woede van de pausgezinden aangewakkerd door het lijden van hun slachtoffers. Vele van deze getuigen voor een zuiver geloof werden over de bergen heen vervolgd en opgejaagd in de dalen waar zij zich schuil hielden, omsloten door machtige bossen en zeer hoge rotsen.

Er kon geen enkele beschuldiging worden ingebracht tegen het ze­delijk gedrag van deze verbannen groep mensen. Zelfs hun vijanden gaven toe dat zij een vredelievend, rustig en vroom volk waren. Hun enige overtreding was dat zij God niet wilden dienen zoals de paus dat wilde. En om deze misdaad werden ze blootgesteld aan elke ver­nedering, belediging en marteling die de mensen of de duivelen maar konden bedenken.

Toen Rome eenmaal had besloten de gehate sekte uit te roeien, vaardigde de paus een bul uit waarin ze als ketters werden veroor­deeld en aan de slachting werden prijsgegeven. (zie Aanhangsel onder „Edict tegen de Waldenzen”). Zij werden er niet van beschuldigd luiaards of oneerlijke en wanordelijke mensen te zijn. Men verklaarde dat ze een schijn van godsvrucht en heiligheid hadden die „de scha­pen van de ware kudde verleidde”. Daarom gaf de paus het bevel: „Als die kwaadaardige en verfoeilijke sekte van boosdoeners weigert hun geloof af te zweren, moeten ze als giftige slangen worden ver­pletterd” (Wylie, b. 16, ch. 1).

Heeft die hooghartige machthebber eraan gedacht dat hij die woorden eens weer zou horen? Wist hij dat ze zijn opgetekend in de boeken des hemels, om hem bij het oordeel te worden voorgelegd? „Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan” (Matteüs 25:40).

Dit pauselijk document riep alle leden van de kerk op om deel te nemen aan een kruistocht tegen de ketters. Als aanmoediging om mee te doen aan deze wreedheden „schonk het vergiffenis voor alle kerke­lijke straffen en boeten, zowel de algemene als de bijzondere; het ont­sloeg iedereen die deelnam aan de kruistocht van elke eed die hij mocht hebben afgelegd; het erkende hun aanspraak op alle eigendom­men die ze onrechtmatig hadden verworven; het beloofde vergiffenis van alle zonden aan iedereen die een ketter zou doden. Het vernietig­de alle contracten die waren opgemaakt ten gunste van één van de Waldenzen, het gaf de mensen die in dienst van de Waldenzen waren opdracht hun meesters te verlaten, het verbood iedereen ook maar eni­ge hulp te verlenen en het gaf iedereen toestemming beslag te leggen op hun eigendom” (Wylie, b. 16, ch. 1). Dit document openbaart dui­delijk de geest van de meester achter de schermen. Wij horen het ge­brul van de draak en niet de stem van Christus.

De roomse leiders wilden hun karakter niet in overeenstemming brengen met de verheven normen van Gods wet, maar stelden naar ei­gen goeddunken normen vast en besloten iedereen te dwingen die te volgen, omdat Rome het wilde. De gruwelijkste treurspelen werden opgevoerd. Corrupte en godslasterlijke priesters en pausen deden het werk dat Satan hun opdroeg. Barmhartigheid was hun totaal vreemd. Dezelfde geest die de bloeddorstige Nero ophitste tegen de gelovigen van zijn dagen, was nu aan het werk om de aarde te bevrijden van hen die God liefhad.

De vervolgingen waaronder de godvrezende Waldenzen eeuwen­lang te lijden hadden, werden verdragen met een geduld en een stand­vastigheid die hun Verlosser eer aandeden. Ondanks de kruistochten en de onmenselijke slachtingen waaraan ze werden blootgesteld, ble­ven ze hun zendelingen uitzenden om de kostbare waarheid te ver­spreiden. Ze werden de dood ingejaagd, maar hun bloed bevochtigde het uitgestrooide zaad en de vruchten bleven niet uit. Zo getuigden de Waldenzen eeuwen voor de komst van Luther voor God. Ze waren over verscheidene landen verstrooid en plantten het zaad van de Her­vorming, die begon in de tijd van Wyclif, zich uitbreidde en zich verdiepte in de dagen van Luther en moet worden voortgezet tot het ein­de der tijden door degenen die bereid zijn alles te lijden „om het woord Gods en het getuigenis van Jezus” (Openbaring l :9).(“Het Grote Conflict” E.G.White)

Vóór de Hervorming waren er soms maar heel weinig exemplaren van de Bijbel. God heeft echter nooit toegelaten dat zijn Woord hele­maal verloren ging. Zijn waarheid zou niet voor altijd verborgen blijven.

God kon de woorden des levens even gemakkelijk van hun kete­nen ontdoen als Hij de deuren van de gevangenis en de ijzeren poorten kon openen om zijn boodschappers in vrijheid te stellen. In verschillende landen van Europa zette Gods Geest mensen ertoe aan „naar de waarheid te speuren als naar verborgen schatten”. Zij wer­den door Gods voorzienigheid tot de Schrift gebracht en bestudeerden haar met de grootste belangstelling. Ze waren bereid het licht tot elke prijs aan te nemen. Hoewel ze niet alles goed begrepen, slaagden ze er toch in vele waarheden te ontdekken die onder het stof der eeuwen la­gen. Gods boodschappers gingen voorwaarts, verbraken de ketenen van dwaling en bijgeloof en riepen de mensen die zo lang in slavernij waren geweest op om voortaan als vrije mensen te leven.

De Waldenzen hadden de Bijbel in de volkstaal, maar in de rest van Europa heeft Gods Woord eeuwenlang bestaan in talen die alleen door geleerden konden worden gelezen. Nu was echter de tijd aange­broken dat de Bijbel zou worden vertaald en in de verschillende lan­den in de volkstaal toegankelijk zou zijn voor alle mensen. Het mid­dernachtelijk duister van deze wereld was voorbij. De uren van donkerheid verstreken vlug en in vele landen kon men de tekenen zien die de dageraad aankondigden.

In de veertiende eeuw verrees in Engeland „de morgenster van de Hervorming”. John Wyclif was de heraut van de Hervorming in En­geland, maar ook voor de hele christelijke wereld. Het protest tegen Rome dat hij onder woorden mocht brengen, zou nooit meer worden onderdrukt. Dit protest was het begin van de strijd die zou leiden tot de vrijmaking van mensen, kerken en volken.
Wyclif had een degelijke opleiding genoten en hij geloofde dat de vreze des Heren het begin der kennis is. Op de universiteit was hij be­kend om zijn ijver en godsvrucht, zijn talenten en zijn grondige ken­nis. In zijn dorst naar kennis streefde hij ernaar elk vakgebied grondig te beheersen. Hij werd opgeleid in de scholastische wijsbegeerte, in het canoniek en burgerlijk recht, vooral met betrekking tot Engeland.

In het werk dat hij later heeft gedaan, is de waarde van de opleiding in zijn jeugd duidelijk naar voren gekomen. Door zijn grondige kennis van de speculatieve wijsbegeerte van zijn eigen tijd kon hij haar dwa­lingen duidelijk aan het licht brengen en door zijn studie van het na­tionaal en het kerkelijk recht was hij de man om zich in te zetten voor burgerrechten en godsdienstvrijheid. Terwijl hij de wapens die het Woord van God hem ter hand stelde goed kon gebruiken, had hij zich ook de intellectuele discipline van de scholastiek eigen gemaakt en beheerste hij de tactiek van de scholastici. Zijn genialiteit en de om­vang en grondigheid van zijn kennis dwongen bij vriend en vijand eerbied af. Zijn aanhangers stelden met voldoening vast dat hun voor­vechter één van de vooraanstaande geesten van Engeland was en zijn vijanden konden onmogelijk de zaak van de Hervorming in diskrediet brengen door te wijzen op de onwetendheid of de zwakheid van haar verdediger.
Toen Wyclif nog student was, begon hij de Bijbel te on­derzoeken. In die dagen, toen de Bijbel alleen in de oude talen be­stond, konden geleerden de weg naar de bron van waarheid wel vin­den, maar mensen die niet geschoold waren moesten het maar zonder stellen. Zo was de weg al gebaand voor Wyclifs toekomstig werk als hervormer. Geleerden hadden het Woord van God onderzocht en hadden de belangrijke waarheid van Gods vrije genade, die in de Schrift wordt geopenbaard, leren kennen. Ze hadden deze waarheid onderwe­zen en hadden anderen leren luisteren naar de levende uitspraken van God.

Toen Wyclif de Bijbel begon te onderzoeken, deed hij dat met de­zelfde degelijkheid waarmee hij de scholastische wijsbegeerte had be­studeerd. Tot dat ogenblik had hij een grote leemte gevoeld die noch zijn scholastische opleiding noch de leer van de rooms-katholieke kerk had kunnen vullen.
In Gods Woord vond hij wat hij vroeger te­vergeefs had gezocht: de openbaring van het verlossingsplan. Hij leerde ook de waarheid kennen dat Christus de enige middelaar is tus­sen God en de mens. Hij stelde zichzelf in dienst van Christus en be­sloot de waarheden die hij had ontdekt aan anderen te verkondigen.

Zoals de hervormers die na hem kwamen, heeft Wyclif bij de aan­vang van zijn werk niet kunnen vermoeden waartoe het zou leiden. Hij viel Rome niet opzettelijk aan. Maar zijn eerbied voor de waar­heid moest hem wel in conflict brengen met de leugen. Hoe duidelij­ker hij de dwalingen van het pausdom inzag, des te vuriger verkon­digde hij de leer van de Bijbel. Hij stelde vast dat Rome het Woord van God had prijsgegeven voor menselijke overlevering.
Onbevreesd beschuldigde hij de priesters ervan de Schrift te hebben verboden. Hij eiste dat de Bijbel weer aan het volk zou worden gegeven en dat het gezag van Gods Woord in de kerk zou worden hersteld.
Hij was een bekwaam en oprecht leraar en een welsprekend prediker. Bovendien waren zijn leer en zijn leven volkomen met elkaar in overeenstem­ming. Zijn kennis van de Bijbel, de kracht van zijn betoog, de rein­heid van zijn leven en zijn onwrikbare moed en oprechtheid bezorg­den hem algemene achting en vertrouwen. Velen vonden hun vroeger geloof onbevredigend. Zij zagen de goddeloosheid in de rooms-kat­holieke kerk en namen de waarheid die Wyclif aan het licht bracht met onverholen blijdschap aan. De rooms-katholieke leiders waren echter buiten zichzelf van woede toen ze vaststelden dat de hervormer meer invloed had dan zij.

Wyclif gaf blijk van scherpzinnigheid bij het ontdekken van dwa­lingen en hij viel vele van de misbruiken die door Rome waren goed­gekeurd onbevreesd aan. Toen hij hofkapelaan was, verzette hij zich moedig tegen de betaling van een schatting die de paus aan de Engel­se koning wilde opleggen en toonde hij aan dat de aanspraken van de paus om macht uit te oefenen over wereldlijke heersers in strijd waren met de rede en met de openbaring. Men was zeer verontwaardigd over de eisen van de paus en Wyclifs leer had grote invloed op de lei­ders van het land. De koning en de edellieden waren eensgezind in hun verwerping van de pauselijke aanspraken op wereldlijke macht en in hun weigering de schatting te betalen. Op die manier werd een gevoelige slag toegebracht aan de pauselijke heerschappij in Enge­land.

De hervormer heeft ook een lange en verbeten strijd gevoerd tegen een ander kwaad: de bedelorden. De monniken van deze orden waren over heel Engeland uitgezwermd en brachten de goede naam en de welvaart van het land ernstig in het gedrang. Hun nadelige invloed was merkbaar in de economie, het onderwijs en de openbare zeden.
Het luie bedelaarsleven van de monniken maakte niet alleen de bevol­king armer, maar was er ook de oorzaak van dat nuttige arbeid werd veracht. De jeugd werd het slachtoffer van zedenverval en verdorven­heid. Onder invloed van de monniken werden velen ertoe overhaald in het klooster te treden om een monnikenleven te gaan leiden. Ze de­den dat niet alleen zonder toestemming van hun ouders, maar vaak ook buiten hun medeweten en tegen hun uitdrukkelijke bevelen. Een van de vroegere kerkvaders, die de eisen van het monnikenleven bo­ven de liefde en de verplichtingen van het kind tegenover de ouders stelde, zei: „Ook al zou uw vader wenend en klagend voor uw deur liggen en ook al zou uw moeder u de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u gezoogd hebben tonen, moet u ze onder de voet lo­pen en recht naar Christus gaan”. Door deze „monsterachtige onmen­selijkheid” zoals Luther het later zou noemen „die meer weg had van de wolf en de tiran dan van de christen en de mens”, werden de harten van de kinderen tegen hun ouders verhard (Barnas Sears, The Life of Luther, pp.70,69) Zo stelden de rooms-katholieke leiders, net zoals de Farizeeën in het verleden, het gebod van God buiten werking door hun eigen overlevering. Zo werden gezinnen uit elkaar gerukt en werden ouders van hun kinderen beroofd.

Zelfs de studenten aan de universiteiten werden door de valse voor­stelling van de monniken misleid en ertoe overgehaald tot hun orde toe te treden. Velen hadden later spijt van deze stap wanneer het tot hen doordrong dat ze hun eigen leven hadden verknoeid en hun ou­ders verdriet hadden aangedaan. Maar wanneer ze eenmaal in de val zaten, was het onmogelijk weer vrij te komen. Veel ouders weigerden uit vrees voor de monniken hun kinderen naar de universiteit te stu­ren. Er kwamen aanzienlijk minder studenten naar de grote universi­teitssteden. De „colleges” kwijnden weg en onwetendheid vierde hoogtij.

De paus had deze monniken de bevoegdheid gegeven biecht te ho­ren en vergiffenis te schenken. Dit werd een bron van veel kwaad. Daar deze monniken erop belust waren hun eigen winst te vergroten, waren ze zo bereid vergiffenis te schenken dat allerlei misdadigers zich tot hen wendden, met het gevolg dat de ergste misdaden snel toe­namen. De zieken en armen werden aan hun lot overgelaten, terwijl de gaven die hun nood hadden kunnen lenigen aan de monniken wer­den gegeven. De monniken persten de mensen met bedreigingen aal­moezen af en hekelden de goddeloosheid van degenen die het aan­durfden geen geld aan hun orde af te staan. Ondanks hun gelofte van armoede nam de rijkdom van de monniken zienderogen toe en de ar­moede van het volk ging steeds schriller afsteken bij hun prachtige gebouwen en rijk gedekte tafels.

Terwijl zij hun tijd in weelde en ge­not doorbrachten, zonden ze achterlijke mannen rond die alleen won­derverhalen en legenden konden opdissen en moppen konden tappen om het volk te vermaken zodat ze nog meer onder de knoet van de monniken kwamen. Zo behielden de monniken hun greep op de bijge­lovige massa. Ze leerden de mensen dat alle godsdienstige plichten vervuld waren wanneer men het oppergezag van de paus erkende, de heiligen aanbad en schenkingen deed aan de monniken. Ze beweerden dat dit voldoende was om een plaats in de hemel te verdienen.

Geleerde en vrome mannen hadden tevergeefs geprobeerd een hervorming in deze kloosterorden door te voeren, maar Wyclif met zijn scherp doorzicht pakte het kwaad bij de wortel aan en zei dat het stel­sel op zichzelf verkeerd was en dat het moest worden afgeschaft. De mensen begonnen vragen te stellen en te onderzoeken. Toen de monniken door het land trokken om pauselijke aflaten te verhandelen, begonnen velen te twijfelen aan de mogelijkheid vergiffenis met geld te kopen en zij vroegen zich af of ze niet beter vergiffenis van God zouden afsmeken dan van de paus van Rome (zie Aanhangsel onder „Aflaten”).
Velen werden verontrust door de schraapzucht van de monniken, wier hebzucht niet te bevredigen was. De mensen zeiden: „De monniken en priesters van Rome vreten ons op als de kanker. God moet ons van hen bevrijden of wij gaan ten onder” (D’Aubigné, b.17, ch.7).
Om hun geldgierigheid te verdoezelen, beweerden de monniken dat ze het voorbeeld van de Heiland volgden en zeiden dat Jezus en zijn discipelen in leven waren gehouden door de gaven van het volk. Deze bewering deed echter afbreuk aan hun zaak, want velen gingen toen zelfde Bijbel onderzoeken om de waarheid te ontdekken – een gevolg dat Rome allesbehalve aanstond. De geesten van de mensen werden gericht naar de Bron der waarheid, die Rome juist wilde verbergen.

Wyclif begon traktaten tegen de monniken te schrijven en uit te geven. Hij wilde niet zozeer met hen in discussie treden, maar probeerde vooral de aandacht van de mensen bij de leer en de Schrijver van de Bijbel te bepalen. Hij zei dat de paus niet méér recht had om vergiffenis te schenken en mensen in de ban van de kerk te doen dan de ge­wone priesters en dat niemand echt geëxcommuniceerd kon worden, tenzij hij eerst het oordeel Gods over zich had gebracht. Dit was de beste methode die Wyclif kon gebruiken om het enorme stelsel van geestelijke en wereldlijke heerschappij omver te werpen, een stelsel dat de paus in het leven had geroepen en de zielen en lichamen van miljoenen mensen gevangen hield.

Weer werd er een beroep gedaan op Wyclif om de rechten van de Engelse kroon te verdedigen tegen de onrechtmatige aanspraken van Rome. Hij werd benoemd tot ambassadeur van de koning, bracht twee jaar door in de Nederlanden en onderhandelde in die tijd met de vertegenwoordigers van de paus. Hij kwam in contact met geestelij­ken uit Frankrijk, Italië en Spanje. Hij kon daardoor achter de scher­men kijken en kwam veel dingen te weten die voor hem verborgen zouden zijn gebleven in Engeland. Hij leerde veel dat waardevol zou blijken te zijn bij zijn later werk. Door deze vertegenwoordigers van het pauselijk hof ontdekte hij het ware karakter en de echte doelstel­lingen van Rome. Hij keerde naar Engeland terug en verkondigde openlijker en met overtuiging wat hij vroeger al had onderwezen. Hij zei dat hebzucht, trots en misleiding de goden van Rome waren.

In één van zijn traktaten schreef hij het volgende over de paus en zijn geldinzamelaars: „Ze halen alles uit ons land wat arme mensen nodig hebben om in leven te blijven. Jaarlijks halen ze ook vele dui­zenden uit de schatkist van de koning voor sacramenten en geestelijke zaken. Dit is gewoon de verderfelijke ketterij die simonie heet. Ze la­ten de hele christenheid deze ketterij goedkeuren en in standhouden. Ook al had ons koninkrijk een grote berg goud en niemand nam er iets van, behalve de geldinzamelaars van deze hooghartige, wereldse priester, dan zou deze berg na verloop van tijd opraken, want hij blijft geld uit ons land wegzuigen en wij krijgen alleen Gods vloek voor zijn simonie” (John Lewis, History of the Life and Sufferings of J. Wyclif, p.37).
Kort na zijn terugkeer in Engeland werd Wyclif door de koning be­noemd tot pastoor van Lutterworth. Dit betekende dat de vorst hem de duidelijke woorden die hij had gesproken zeker niet had kwalijk ge­nomen. Wyclifs invloed was merkbaar in de beslissingen van het hof en in het godsdienstonderricht dat aan het volk werd gegeven.

Het duurde dan ook niet lang of de pauselijke banbliksems werden naar hem geslingerd. Er werden drie bullen naar Engeland gezonden: één naar de universiteit, één naar de koning en één naar de prelaten. In alle drie werd geëist dat er onmiddellijk afdoende maategelen zouden worden genomen om de ketterse leraar het zwijgen op te leggen (Au­gustus Neander, General History of the Christian Religion and Church, period 6, sec.2, pt.I, par.8). (Zie ook Aanhangsel onder „Wyclif).
Nog vóór de aankomst van de bullen hadden de bisschop­pen in hun ijver Wyclif al voor hun raad gedaagd om zich te verant­woorden. Maar twee van de machtigste prinsen in het rijk gingen met hem mee naar de rechtbank en de mensen die buiten het gebouw stonden en naar binnen stormden, joegen de rechters de schrik zó op het lijf dat het proces werd verdaagd. Zo kon Wyclif in vrede zijn gang gaan. Kort daarna stierf Edward III, die de prelaten op zijn oude dag tegen de hervormer probeerden op te hitsen. Wyclifs vroegere beschermheer werd regent over het koninkrijk.

Maar toen de bullen aankwamen, kreeg Engeland het onvoorwaardelijke bevel de ketter aan te houden en gevangen te zetten. Zulke maatregelen riepen onmiddellijk beelden van de brandstapel op. Het scheen bijna zeker dat Wyclif spoedig het slachtoffer van de wraak van Rome zou worden. Maar Hij die tot Abram had gezegd: „Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild” (Genesis 15:1), strekte zijn hand weer uit om zijn dienaar te beschermen:. Niet de hervormer stierf, maar de paus die Wyclif ter dood wilde laten brengen. Gregorius XI stierf en de geestelijken die waren samengekomen voor het proces van Wyclif gingen uiteen.

God leidde de gebeurtenissen nog verder zodat de Hervorming kon uitgroeien. Na de dood van Gregorius werden er twee rivaliserende pausen gekozen. Twee vijandige machten, die allebei onfeilbaar be­weerden te zijn, wilden nu gehoorzaamheid afdwingen. (Zie Aan­hangsel onder „Onfeilbaarheid”). Ze riepen hun volgelingen op om hen te helpen in de oorlog tegen hun concurrent. Beiden zetten hun ei­sen kracht bij door het uitspreken van krachtige banvloeken tegen hun tegenstanders enerzijds en van beloften voor een hemelse beloning aan hun medestanders anderzijds. Dit voorval verzwakte het pausdom ten zeerste.
De elkaar bestrijdende partijen hadden de handen vol met het bekampen van elkaar en Wyclif werd enige tijd met rust gelaten. Banvloeken en beschuldigingen vlogen over en weer. Er werd zeer veel bloed vergoten om hun tegenstrijdige eisen kracht bij te zetten. Misdaden en schandalen rolden als een vloedgolf over de kerk. Intus­sen had de hervormer zich teruggetrokken in de stilte van zijn paro­chie te Lutterworth en deed alles om de mensen van de elkaar bestrij­dende pausen af te keren en wees hen op Jezus, de Vredevorst.

Dit schisma en al de strijd en corruptie die ermee gepaard gingen baanden de weg voor de Hervorming, omdat de mensen de ware aard van het pausdom gingen inzien. In een traktaat dat hij uitgaf onder de titel „On the Schism of the Popes” (Over het Schisma der Pausen) riep Wyclif de mensen op om er eens over na te denken of die twee priesters geen gelijk hadden wanneer ze elkaar de Antichrist noem­den. Hij zei: „God wil de duivel niet langer door één priester laten regeren, maar… Hij heeft een scheuring teweeggebracht tussen de twee, zodat de mensen door Christus allebei makkelijker kunnen overwinnen (K. Vaughan, Life and Opinions of John Wycliffe, vol.2, p.6).

Wyclif predikte net zoals Jezus het evangelie aan de armen. Hij naam er geen genoegen mee dat het licht alleen in hun eenvoudige woningen in zijn eigen parochie te Lutterworth scheen. Hij besloot dat het naar alle delen van Engeland moest uitstralen. Om dit plan uit te moeren vormde hij een groep predikers – eenvoudige, godvruchtige mannen, die de waarheid liefhadden en niets vuriger wensten dan haar aan anderen bekend te maken. Deze mannen gingen naar alle delen van het land en predikten op marktpleinen, in de straten van grote ste­den en op landwegen. Ze zochten bejaarden, zieke en arme mensen op
en verkondigden het goede nieuws van Gods genade.

Wyclif predikte als hoogleraar in de theologie te Oxford het Woord Gods in de collegezalen van de universiteit. Hij verkondigde de waar­heid zo getrouw aan zijn studenten dat hij de titel „the gospel doctor” (de leraar van het evangelie) kreeg. De vertaling van de Bijbel in de volkstaal, het Engels, zou echter zijn levenswerk worden. In een publikatie, „On the Truth and Meaning of Scripture” (Over de. Waar­heid en de Betekenis van de Schrift), zei hij dat hij de Bijbel wilde vertalen, zodat iedereen in Engeland over Gods wonderen zou kunnen lezen in zijn eigen taal.

Plotseling moest zijn werk worden stopgezet. Hoewel hij nog geen zestig was, hadden het zware werk, de studie en de aanvallen van zijn vijanden zijn krachten ondermijnd en hem vóór zijn tijd oud gemaakt. Hij leed aan een ernstige ziekte. De monniken waren erg blij toen ze dat nieuws hoorden. Ze dachten dat hij nu wel spijt zou hebben van het kwaad dat hij de kerk had aangedaan en haastten zich naar zijn ziekbed om zijn schuldbelijdenis te horen. De vertegenwoordigers van de vier kloosterorden en vier ambtenaren stonden rond het bed van de man die volgens hen op sterven lag. Ze zeiden: „De dood ligt op uw lippen. Geef uw fouten toe en herroep in onze tegenwoordig­heid alles wat u gezegd heeft en ons geschaad heeft”. De hervormer luisterde zonder een woord te zeggen. Toen vroeg hij zijn verzorger hem te laten opzitten in zijn bed. Terwijl zij op zijn herroeping stonden te wachten, keek hij hen recht in de ogen en sprak met de krachtige stem die hen al zo dikwijls had doen beven: „Ik lig helemaal niet op ster­ven. Ik blijf leven en zal nogmaals de boze daden van de monniken aan iedereen vertellen” (D’Aubigné, b.17, ch.7). Verbaasd en be­schaamd haastten de kloosterlingen zich uit zijn kamer.

Wyclifs woorden werden waarheid. Hij leefde lang genoeg om zijn landgenoten het machtigste wapen tegen Rome te schenken: hij gaf hun de Bijbel, het door God aangewezen middel om het volk te be­vrijden, te verlichten en te bekeren. Wyclif moest bij de uitvoering van dit werk veel grote moeilijkheden overwinnen. Hij zelf leed aan allerlei kwalen. Hij wist dat hij nog maar enkele jaren had om dit werk te voltooien. Hij zag op welke tegenstand het stuitte, maar door Gods beloften aangemoedigd, ging hij onverschrokken verder. Hij was bekwaam, had een rijke ervaring en was door Gods bijzondere voorzienigheid in leven gehouden en voorbereid voor deze taak, zijn levenswerk. Terwijl er onrust heerste in de christelijke wereld legde de hervormer zich in zijn pastorie te Lutterworth toe op zijn uitverko­ren taak en lette niet op de stormen die daarbuiten woedden.

Tenslotte was het werk af: de eerste vertaling van de Bijbel in het Engels. Het Woord van God was beschikbaar voor Engeland. De her­vormer was nu niet meer bang voor de gevangenis of de brandstapel. Hij had het Engelse volk een licht geschonken dat nooit meer zou worden uitgedoofd. Door zijn landgenoten de Bijbel te geven, had hij meer gedaan om de boeien van onwetendheid en zonde te verbreken en zijn land te bevrijden en te verbeteren, dan ooit was bereikt door de schitterendste overwinningen op het slagveld.

De boekdrukkunst was nog niet uitgevonden en daarom konden er slechts door moeizame arbeid meer exemplaren van de Bijbel met de hand worden overgeschreven. De belangstelling om het boek in eigen bezit te hebben was zó groot dat velen bereid waren het werk over te schrijven, maar de kopiisten konden nauwelijks aan de vraag voldoen. Sommige rijke kopers bestelden de hele Bijbel. Anderen kochten maar een gedeelte. Zo kwam Wyclifs Bijbel spoedig tot in de huizen van de mensen.

De Bijbel deed een beroep op het verstand van de mensen en be­vrijdde hen van hun slaafse onderwerping aan pauselijke dogma’s. Wyclif verkondigde de typische leerstellingen van het protestantisme: verlossing door het geloof in Christus en de onfeilbaarheid van de Schrift en de Schrift alléén. De predikers die hij had uitgezonden, hadden zo’n succes bij de verspreiding van de Bijbel en de geschrif­ten van de hervormer dat het nieuwe geloof door bijna de helft van de bevolking van Engeland werd aangenomen.

Het verschijnen van de Bijbel vervulde de kerkelijke overheid met ontzetting. Ze moesten nu het hoofd bieden aan een instrument dat nog machtiger was dan Wyclif, een instrument waartegen hun eigen wapens weinig zouden baten. Op dat ogenblik waren er in Engeland geen wetten die het gebruik of het bezit van de Bijbel verboden, want de Bijbel was nog nooit in de volkstaal uitgegeven. Zulke wetten wer­den later wel ingevoerd en met harde hand toegepast. Intussen had men ondanks de tegenwerking van de priesters de gelegenheid het Woord van God te verspreiden.

Weer zette de rooms-katholieke geestelijkheid een samenzwering op touw om de hervormer het zwijgen op te leggen. Hij werd achter­eenvolgens voor drie rechtbanken gedaagd, maar steeds zonder ge­volg. Eerst verklaarde een bisschoppensynode dat zijn geschriften ketters waren; ze slaagden erin de jonge koning Richard II voor hun zaak te winnen en konden een koninklijk bevel van hem loskrijgen waarbij iedereen die de veroordeelde leerstellingen aanhing met ge­vangenisstraf werd bedreigd.

Wyclif beriep zich na de uitspraken van de synode op het Parle­ment. Onbevreesd daagde hij de kerkelijke overheid voor de nationale raad en eiste een hervorming van de enorme misbruiken die door de rooms-katholieke kerk werden goedgekeurd. Hij leverde het overtui­gend bewijs van het machtsmisbruik en de corruptie van de pauselijke stoel. Zijn vijanden werden in verlegenheid gebracht.
Wyclifs vrien­den en sympathisanten hadden zich moeten overgeven en men was er zeker van dat ook de hervormer op zijn oude dag, eenzaam en zonder vrienden, zou zwichten voor de vereende macht van kroon en mijter. Maar niets daarvan. De pausgezinden werden verslagen. Het parle­ment was aangegrepen door Wyclifs pleidooi en besloot het konink­lijk bevel in te trekken. Weer was de hervormer op vrije voeten.

Hij werd voor de derde keer voor de rechtbank gedaagd. Nu was het voor de hoogste kerkelijke rechtbank in het koninkrijk. Men zou hier zeker niet mals zijn voor ketters. Hier zou Rome zegevieren, hier zou er een einde worden gemaakt aan het werk van de hervormer. Tenminste dat dachten de aanhangers van de paus. Als ze hun zin kre­gen, zou Wyclif worden gedwongen zijn leer te herroepen of de rechtszaal verlaten om naar de brandstapel te gaan.
Maar Wyclif herriep niets. Hij wilde niet huichelen. Onbevreesd bleef hij bij zijn leer en verwierp de beschuldigingen van zijn vervol­gers. Hij cijferde zichzelf, zijn positie en de omstandigheden gewoon weg en daagde zijn toehoorders voor Gods rechtbank. Hij woog hun drogredenen en misleidende leerstellingen in de weegschaal van de eeuwige waarheid. De kracht van de Heilige Geest was voelbaar in de rechtszaal. De toehoorders waren met stomheid geslagen. Zij schenen geen kracht meer te hebben om de zaal te verlaten. Als pijlen uit Gods pijlkoker drongen de woorden van de hervormer in hun harten. Hij beschuldigde zijn tegenstanders op zijn beurt van ketterij. Hij vroeg hun hoe ze hun dwalingen durfden verspreiden en waarom ze uit winstbejag Gods genade tot koopwaar hadden gemaakt.

Tenslotte zei hij: „Tegen wie denken jullie dat jullie strijden? Te­gen een oude man aan de rand van het graf? Neen. Tegen de Waar­heid. De Waarheid, die sterker is dan jullie en jullie ook zal overwin­nen” (Wylie, b.2, ch.13). Met deze woorden verliet hij de vergadering en géén van zijn tegenstanders durfde hem tegen te houden.

Wyclifs taak was bijna volbracht. Hij zou het vaandel van de waar­heid dat hij zó lang had gedragen weldra moeten neerleggen. Maar hij zou nog eens van het evangelie getuigen. De waarheid zou vanuit de vesting van het koninkrijk der dwaling worden verkondigd. Wyclif werd gedaagd voor de pauselijke rechtbank te Rome een rechtbank die al veel bloed van de heiligen had laten vloeien. Hij was niet blind voor het gevaar dat hem bedreigde, maar hij zou toch op de dagvaar­ding zijn ingegaan als een beroerte het hem niet onmogelijk had gemaakt de reis te ondernemen.
Hoewel men zijn stem in Rome niet zou horen, kon hij per brief spreken en dat besloot hij dan ook te doen. Vanuit zijn pastorie schreef de hervormer een brief naar de paus waarin hij eerbiedig en met een christelijke geest de pracht en praal van de pauselijke stoel scherp veroordeelde.

Hij schreef: „Het is voor mij een ware vreugde mijn brief te ope­nen met een verklaring over het geloof dat ik belijd. Deze verklaring is gericht aan iedereen en in het bijzonder aan de bisschop van Rome. Aangezien ik veronderstel dat mijn geloof zuiver en waar is, hoop ik dat hij mijn geloof deelt. Als ik dwaal, hoop ik dat hij mij zal terecht­wijzen.

In de eerste plaats geloof ik dat het evangelie van Christus Gods volledige wet omvat… Aangezien de bisschop van Rome de plaatsver­vanger van Christus op aarde is, neem ik aan en geloof ik dat hij het meest gebonden is aan die wet van het evangelie. Want de grootheid van de discipelen van Christus bestond niet in wereldse waardigheid of eer, maar in de stipte navolging van het leven en de werken van Christus… Christus was tijdens zijn pelgrimstocht op aarde een zeer arm man, die alle wereldse macht en eer van de hand wees…

Een christen hoeft de paus of de andere heiligen alleen te volgen voor zover zij de Here Jezus zelf ook hebben gevolgd, want Petrus en de zonen van Zebedéüs waren God niet welgevallig toen zij streefden naar de eer van de wereld en Christus’ voorbeeld niet wilden volgen. Daarom mogen wij hen niet in die dwaling volgen…

De paus behoort alle wereldlijke macht over te laten aan de wereld­lijke overheid en hij moet alle leden van zijn geestelijkheid nadrukke­lijk daartoe aansporen, want dat hebben Christus en zijn apostelen ook gedaan. Indien ik op één van deze punten gedwaald heb, zal ik mij in alle nederigheid aan terechtwijzing onderwerpen en indien no­dig zelfs de doodstraf ondergaan. Ik wilde persoonlijk voor de bis­schop van Rome verschijnen, maar de Here heeft het anders beschikt en Hij heeft mij geleerd Gode meer gehoorzaam te zijn dan mensen”.
Hij eindigde zijn brief met de woorden: „Laten wij God bidden dat Hij verder aan het hart van onze paus Urbanus VI mag werken, opdat hij met zijn geestelijkheid het leven en de werken van de Here Jezus Christus zou navolgen, dat hij het volk grondig mag onderwijzen en dat zij hem in alles getrouw mogen volgen” (John Foxe, Acts and Monuments, vol.3, pp.49,50).

Met die woorden stelde Wyclif de zachtheid en nederigheid van Christus aan de paus en zijn kardinalen ten voorbeeld. Hij toonde daarbij niet alleen de paus en zijn aanhangers, maar ook alle christe­nen, welke tegenstelling er bestond tussen hen en de Meester, wiens vertegenwoordigers zij beweerden te zijn.

Wyclif was ervan overtuigd dat hij zijn geloof met zijn leven zou moeten betalen. De koning, de paus en de bisschoppen waren vereend om zijn ondergang te bewerken en het scheen alsof hij over enkele maanden zeker op de brandstapel zou staan. Maar zijn moed was ongeschokt. „Waarom willen jullie de kroon van het martelaarschap in verre streken zoeken”, zei hij. „Predik het evangelie van Christus aan hooghartige prelaten en je zal zeker een martelaar worden. Zal ik daarom zwijgen? … Nooit of te nimmer. Laat de slag maar komen. Ik ben erop voorbereid” (10 D’Aubigné, b. 17, ch.8).

God beschermde nog altijd zijn boodschapper. De man die zijn hele leven moedig de waarheid had verdedigd en elke dag zijn leven kon verliezen, zou geen slachtoffer worden van de haat van zijn vijan­den. Wyclif had nooit geprobeerd zichzelf te beschermen, maar God was zijn beschermer geweest. Nu zijn vijanden zich zeker waanden van hun prooi, nam de Here hem weg. Hij stierf in zijn kerk te Lutterworth toen hij de communie zou uitdelen. Hij werd door een beroerte getroffen en stierf niet lang daarna.

God had Wyclif zijn taak gegeven. Hij had de waarheid in zijn mond gelegd en een wacht rondom hem gesteld, zodat zijn woorden het volk konden bereiken. God had zijn leven beschermd en hij kon zijn werk voortzetten totdat het fundament voor de Hervorming was gelegd.

Wyclif leefde in de donkere Middeleeuwen. Vóór hem was er nie­mand op wiens werk hij kon bouwen om zijn hervorming door te voe­ren. Zoals Johannes de Doper had hij een bijzondere opdracht: hij was de voorloper van een nieuw tijdperk. Toch was er in de waarheid die hij naar voren bracht een eenheid en samenhang die de hervormers na hem niet hebben verbeterd. Sommigen konden hem zelfs een eeuw la­ter niet evenaren. Het fundament dat hij had gelegd was zo breed, diep en stevig dat zijn werk niet hoefde te worden overgedaan door de hervormers die na hem kwamen.

De hervormingsbeweging die Wyclif had ingeluid zou het geweten en het verstand vrijmaken en volken die zo lang vastgeketend waren aan Rome’s zegewagen bevrijden. De beweging vond haar oorsprong in de Bijbel, de bron van het water des levens dat vanaf de veertiende eeuw onafgebroken heeft gevloeid.
Wyclif geloofde dat de Heilige Schrift de geïnspireerde openbaring van Gods wil en de enige maat­staf voor geloof en zeden was. Door zijn opvoeding beschouwde hij de kerk van Rome als het goddelijke, onfeilbare gezag. Hij had de al­gemeen aanvaarde leerstellingen en gebruiken, die duizend jaar oud waren, zonder kritiek aangenomen. Maar voortaan luisterde hij alleen naar Gods heilig Woord. Dit was het gezag dat hij aan de mensen voorstelde. Hij wilde dat de pauselijke uitspraken plaats moesten ma­ken voor Gods uitspraken in zijn Woord, de enige ware bron van ge­zag. Hij leerde niet alleen dat de Bijbel de volmaakte openbaring is van Gods wil, maar ook dat de Heilige Geest zijn enige uitlegger is en dat iedereen door het onderzoek van de Bijbel zijn plichten zelf moet leren kennen. Zo leidde hij de mensen af van de paus en de kerk van Rome en bepaalde hen bij het Woord van God.

Wyclif is één van de grootste hervormers. Weinigen die na hem kwamen hadden zo’n brede kijk en zo’n heldere geest. Weinigen wa­ren zo vastberaden en moedig bij het verdedigen van de waarheid.
Deze eerste hervormer was integer, onvermoeibaar in zijn studie en zijn werk. Hij was door en door eerlijk, betrouwbaar en toegewijd bij zijn pastoraal werk. Hij had deze eigenschappen ondanks de geestelij­ke duisternis en het zedenverval van de tijd waarin hij leefde.

Het karakter van Wyclif getuigt van de opvoedende waarde van de Schrift. Hij was door de Bijbel gevormd. De inspanning om de grote geopenbaarde waarheden te begrijpen, schenkt frisheid en kracht aan alle vermogens. Het geeft een bredere kijk op de dingen, scherpt het waarnemingsvermogen en vormt de kritische zin.
Het onderzoek van de Bijbel zal meer dan elke andere studie iedere gedachte, elk gevoel en elk streven veredelen. Het zet aan tot volharding, geduld, moed en vastberadenheid. Het verfijnt het karakter en heiligt de ziel. Een ern­stig en eerbiedig onderzoek van de Schrift brengt de geest van de on­derzoeker in verbinding met de oneindige Geest. Het vormt mensen met een scherpere en creatievere geest en met hogere beginselen. Het zal betere resultaten opleveren dan de beste opleiding waar menselij­ke inzichten aan ten grondslag lagen. De dichter van de Psalmen zegt: „Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht” (Psalm 119:130).

De leer die Wyclif had verkondigd, werd nog enige tijd verspreid. Zijn volgelingen, de Wycliffieten of Lollarden, trokken niet alleen door Engeland, maar gingen ook naar andere landen en leerden de mensen het evangelie kennen. Nu hun leider er niet meer was, werk­ten de predikers met nog grotere ijver dan vroeger. Grote groepen kwamen samen om naar hun prediking te luisteren. Sommige edellie­den en zelfs de koningen werden bekeerd.
Op veel plaatsen was er een duidelijke verandering merkbaar in de zeden van de mensen; ook werden de afgodische symbolen van het roomse geloof uit de kerken verwijderd. Maar het duurde niet lang of een meedogenloze storm van vervolgingen barstte los over degenen die het gedurfd hadden de Bijbel als hun enige gids aan te nemen. De Engelse koningen, die erop gebrand waren hun macht dank zij de steun van Rome uit te breiden, aarzelden geen moment om de hervormers op te offeren. Voor de eerste keer in de geschiedenis van Engeland werd de brand­stapel ingevoerd voor de volgelingen van het evangelie. De één na de andere stierf de marteldood. De verdedigers van de waarheid, die vo­gelvrij werden verklaard en gemarteld werden, konden hun geroep slechts opzenden naar de Here Zebaoth. Ze werden achtervolgd als vijanden van de kerk en als landverraders, maar bleven op verborgen plaatsen preken. Ze vonden zo goed en zo kwaad als dat ging onder­dak bij de armen en hielden zich zelfs in holen en spelonken schuil.

Ondanks het woeden van de vervolgingen protesteerden ze in de eeuwen die volgden kalm, oprecht, ernstig en volhardend tegen de heersende geloofsafval. De christenen uit de vroege tijd kenden de waarheid slechts ten dele, maar ze hadden Gods Woord lief, gehoor­zaamden het en leden geduldig ter wille van de waarheid.
Velen ga­ven zoals in de tijd van de apostelen hun aardse bezittingen op voor de zaak van Christus. Zij die in hun huis konden blijven wonen, wa­ren gastvrij tegenover hun verbannen broeders en toen ook zij werden verdreven, aanvaardden zij hun lot met blijdschap. Duizenden die bang waren voor de woede van hun vervolgers gaven hun geloof op om vrij te zijn en verlieten hun gevangenissen in boeteklederen om op die manier hun herroeping aan iedereen bekend te maken. Maar ve­len, zowel mensen van adel als eenvoudige mensen, getuigden onbe­vreesd van de waarheid in hun cellen, in „Lollard torens”, op de pijn­bank en de brandstapel. Ze waren blij dat zij waardig bevonden waren om „deel te hebben aan zijn lijden”.

Het was de pausgezinden niet gelukt met Wyclif te doen wat ze wilden toen hij nog in leven was en hun haat was niet bevredigd nu hij daar zo rustig in het graf sliep. Meer dan veertig jaar na zijn dood werden zijn beenderen op bevel van het concilie van Konstanz opge­graven en in het openbaar verbrand. Zijn as werd in een nabijgelegen beek uitgestrooid. Een schrijver uit het verleden zegt: „Deze beek voerde zijn as mee in de Avon, de Avon bracht dit in de Severn, de Severn bracht het in de brede riviermonding en vandaar naar de oce­aan. Zo is de as van Wyclif het symbool van zijn leer, die nu over de hele wereld is verspreid” (T.Fuller, Church History of Britain, b.4, sec.2, par.54). Zijn vijanden hadden geen flauw vermoeden van de symbolische betekenis van hun daad.

Onder invloed van de geschriften van Wyclif verwierp Johannes Hus uit Bohemen vele van de dwalingen van het rooms-katholicisme en begon ook hij aan zijn hervorming. In deze twee landen, die zo ver uit elkaar liggen, werd dus het zaad van de waarheid gezaaid. Vanuit Bohemen verspreidde het werk zich naar andere landen. De geesten van de mensen werden weer bepaald bij het lang vergeten Woord van God. God trof voorbereidingen voor de Hervorming van de zestiende eeuw. (“Het grote Conflict” – E.G.White)

  1. Het evangelie was al in de negende eeuw in Bohemen verkondigd. De Bijbel was vertaald en de kerkdiensten werden in de volkstaal ge­houden. Maar naarmate de paus machtiger werd, raakte het Woord van God meer op de achtergrond. Gregorius VII, die de trots van de koningen wilde breken, was ook vastbesloten het volk klein te krij­gen. Daarom vaardigde hij een bul uit waarin hij de kerkdiensten in de taal van Bohemen uitdrukkelijk verbood.
    De paus beweerde dat „het de Almachtige behaagde dat zijn eredienst in een onbekende taal werd gehouden en dat de overtreding van deze regel al tot veel kwaad en ketterijen aanleiding had gegeven” (Wylie, b.3, ch.l). Rome be­sliste dat het licht van Gods Woord zou worden gedoofd en dat het volk in duisternis zou worden gedompeld.
    Maar God had voor andere middelen gezorgd om de gemeente in stand te houden. Veel Waldenzen en Albigenzen die door de vervolgingen uit hun woonplaatsen in Frankrijk en Italië waren verdreven, gingen naar Bohemen. Hoewel ze niet in het openbaar durfden te preken, werkten ze toch ijverig in het geheim. Zo werd het ware geloof toch van eeuw tot eeuw behou­den.

    Nog vóór de tijd van Hus hadden enkele mannen in Bohemen de misbruiken in. de kerk en de losbandigheid van het volk openlijk ver­oordeeld. Hun werk had op vele plaatsen bijval geoogst. De kerkelij­ke overheid was verontrust en begon de aanhangers van het evangelie te vervolgen. Ze werden door soldaten opgejaagd wanneer ze in de bossen en bergen hun diensten hielden en velen werden gedood. Na enige tijd werd bepaald dat iedereen die afweek van het rooms-katho­licisme moest worden verbrand.
    De gelovigen die hun leven gaven, hoopten dat het christendom toch de overwinning zou behalen. Een van de gelovigen die leerde dat de mens alleen door het geloof in de gekruisigde Heiland kon worden verlost, zei kort vóór zijn dood: „De woede van de vijanden van de waarheid haalt nu wel de overwinning op ons, maar zo zal het niet blijven. Uit het gewone volk zal er ie­mand opstaan, zonder zwaard en zonder macht, en men zal niets tegen hem kunnen doen” (Tbid., b.3, ch.l).
    De tijd van Luther was nog lang niet aangebroken en toch stond er iemand op die door zijn getuigenis tegen Rome de volken in beroering zou brengen.
    Johannes Hus was de zoon van eenvoudige mensen. Zijn vader stierf toen hij nog heel jong was en zijn vrome moeder, die onderwijs en godsvrucht als het kostbaarste in het leven beschouwde, wenste haar zoon dit erfdeel mee te geven. Hus bezocht eerst de provinciale school en ging toen naar de universiteit in Praag, waar hij kosteloos mocht studeren. Zijn moeder ging met hem mee naar Praag. Als arme weduwe kon zij haar zoon geen aardse goederen schenken, maar toen ze dicht bij de grote stad waren, knielde ze neer naast haar zoon, die geen vader meer had, en smeekte de zegen van hun hemelse Vader voor hem af. Zijn moeder kon toen niet vermoeden op welke manier haar gebed zou worden verhoord.

    Op de universiteit onderscheidde Hus zich onmiddellijk door zijn onvermoeibare ijver en zijn snelle vorderingen. Hij won ieders ach­ting door zijn onbesproken levenswandel en zijn vriendelijk, inne­mend karakter. Hij was een oprechte aanhanger van de rooms-katho­lieke kerk en verlangde vurig naar de zegeningen die de kerk beweerde te schenken. Hij ging ter gelegenheid van een jubel feest biechten, betaalde tot de laatste cent uit zijn schamel bezit en nam deel aan de processies om de beloofde aflaat te verkrijgen. Toen hij afgestudeerd was, werd hij priester. Hij klom spoedig op en na enige tijd werd hij aan het hof van de koning verbonden. Aan de universiteit waar hij zijn opleiding had genoten, werd hij tot hoogleraar en later tot rector benoemd. In korte tijd was de eenvoudige student die koste­loos mocht studeren de trots van zijn land en een beroemdheid in heel Europa geworden.

    Hus begon zijn hervorming echter op een heel ander vlak. Ver­schillende jaren na zijn priesterwijding werd hij tot kapelaan van de kapel van Bethlehem benoemd. De stichter van deze kapel hechtte erg veel belang aan de verkondiging van het evangelie in de volkstaal. Ondanks het verzet van Rome was het gebruik in Bohemen niet hele­maal afgeschaft. Maar de mensen kenden bijna niets van de Bijbel en de ergste zonden woekerden onder alle lagen van de bevolking. Hus veroordeelde dit kwaad onomwonden en beriep zich op het Woord van God om de beginselen van waarheid en zuiverheid die hij verkondigde, kracht bij te zetten.

    Een burger van Praag – Hiëronymus genaamd – die later zo nauw met Hus verbonden zou zijn, had bij zijn terugkeer uit Engeland de werken van Wyclif meegebracht.
    De koningin van Engeland, die zich tot de leer van Wyclif had bekeerd, was een Boheemse prinses en on­der haar invloed werden de werken van de hervormer overal in haar geboorteland verspreid. Hus las ze met grote belangstelling. Hij ge­loofde dat ze waren geschreven door een oprecht christen en hij stond positief tegenover hervormingen die Wyclif wilde invoeren. Hus was zonder dat hij er zich van bewust was al een weg ingeslagen die hem steeds verder van Rome zou verwijderen.

    In die tijd waren er twee vreemdelingen uit Engeland in Praag aan­gekomen: twee geleerden die het licht hadden ontvangen en het in dit verre land wilden verspreiden.
    Toen zij het oppergezag van de paus openlijk durfden aanvallen, legde de overheid hun onmiddellijk een spreekverbod op. Ze wilden hun plan echter niet opgeven en besloten daarom andere middelen te gebruiken. Daar deze predikers ook kun­stenaars waren, begonnen ze hun vak te beoefenen. Ze maakten twee tekeningen op een plein. Een daarvan stelde de intocht van Jezus in Jeruzalem voor, „zachtmoedig en rijdend op een ezel” (Matteüs 21:5), gevolgd door zijn leerlingen in versleten kleren en op blote voeten. De andere tekening stelde een pauselijke processie voor: de paus uitgedost in dure kleren, met de tiara op zijn hoofd, rijdend op een opgetuigd paard, voorafgegaan door bazuinblazers en gevolgd door kardinalen en prelaten in prachtige gewaden.

    Dit was een preek die iedereen opviel. In dichte drommen kwamen de mensen naar de tekeningen kijken. De bedoeling kon niemand ont­gaan en velen werden diep getroffen door de tegenstelling tussen de zachtmoedigheid en nederigheid van Christus, de Meester, en de hoogmoed en verwaandheid van de paus, die zich zijn dienaar noem­de. Er ontstond grote beroering in Praag en na enige tijd achtten de vreemdelingen het voor hun eigen veiligheid raadzaam te vertrekken. Maar de les die zij hadden gegeven, werd niet vergeten. De tekenin­gen hadden een diepe indruk op Hus gemaakt en hij besloot de Bijbel en de werken van Wyclif grondiger te bestuderen. Hoewel hij het toen nog niet eens was met alle hervormingen die Wyclif wilde invoeren, begon hij het ware karakter van het pausdom beter te begrijpen en veroordeelde hij de hoogmoed, eerzucht en corruptie van de kerkelij­ke overheid met meer overtuiging.

    Van Bohemen straalde het licht uit naar Duitsland, want door relle­tjes aan de universiteit van Praag moesten honderden Duitse studen­ten het land verlaten. Velen onder hen hadden bij Hus hun eerste bijbelkennis opgedaan en toen ze in hun land terug waren, verspreidden ze er het evangelie.

    Rome werd op de hoogte gesteld van de gebeurtenissen in Praag en Hus moest kort daarna voor de paus verschijnen. Als hij op de dag­vaarding inging, zou hij zeker ter dood gebracht worden. De koning en de koningin van Bohemen, de universiteit, leden van de adel en re­geringsfunctionarissen richtten gezamenlijk een oproep tot de paus om Hus toestemming te geven in Praag te blijven en door bemidde­ling van een gevolmachtigde rekenschap af te leggen in Rome. De paus wees dit verzoek van de hand en liet een onderzoek instellen naar de activiteiten van Hus, waarna hij hem veroordeelde en de stad Praag in de ban deed.

    In die tijd gaf zo’n veroordeling altijd aanleiding tot algemene ont­steltenis. De plechtigheden die ermee gepaard gingen, moesten de be­volking schrik aanjagen. Men beschouwde de paus immers als de ver­tegenwoordiger van God en als de man die de sleutels van de hemel en de hel in handen had en zowel wereldlijke als kerkelijke straffen kon opleggen.
    Men geloofde dat de hemelpoort gesloten bleef voor mensen uit een gebied waarover de banvloek was uitgesproken en dat de doden buiten „het oord der gelukzaligen” moesten blijven tot het de paus zou behagen de ban op te heffen. Alle kerken werden na zo’n verschrikkelijk onheil gesloten. Huwelijken werden op kerkhoven ge­sloten. De doden, die niet in gewijde aarde mochten worden begra­ven, werden zonder enige begrafenisplechtigheid in de sloten en op de akkers begraven. Zo probeerde Rome het geweten van de mensen on­der druk te zetten met middelen die tot de verbeelding spraken.

    De stad Praag was in rep en roer. Een grote groep mensen beschul­digde Hus ervan de oorzaak van deze rampen te zijn. Ze eisten dat hij aan de wraak van Rome zou worden overgeleverd. De hervormer trok zich enige tijd terug in zijn geboortedorp om de storm te laten beda­ren. Aan zijn vrienden die hij in Praag had achtergelaten, schreef hij: „Ik heb me uit jullie midden teruggetrokken om het gebod en het voorbeeld van Jezus Christus te volgen, om de bozen geen aanleiding te geven zich de eeuwige verdoemenis op de hals te halen en voor de vromen geen oorzaak van verdriet en vervolging te zijn. Ik heb mij ook teruggetrokken uit vrees dat goddeloze priesters nog langer de prediking van het Woord van God blijven verbieden, maar ik heb jul­lie niet verlaten om Gods waarheid te verloochenen, want met Gods hulp ben ik bereid daarvoor te sterven” (Bonnechose, The Reformers Before the Reformation, vol. l, p.87).

    Hus bleef doorwerken. Hij reis­de in de omgeving en preekte voor de mensen, die graag naar hem kwamen luisteren. Juist door de maatregelen van de paus om het evangelie te onderdrukken werd de blijde boodschap in ruimere kring verspreid. „Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar wel voor de waarheid.” (2 Korintiërs 13:8).

    „In dit stadium van zijn loopbaan schijnt Hus een pijnlijke gewetensstrijd te hebben uitgevochten. Hoewel de kerk hem met haar banbliksems wilde treffen, verwierp hij haar gezag niet. Hij beschouwde de rooms-katholieke kerk nog altijd als de bruid van Christus en de paus als de vertegenwoordiger en plaatsvervanger van God.
    Hus be­streed het machtsmisbruik, maar niet het beginsel op zichzelf. Dit leidde tot een verschrikkelijk conflict tussen zijn overtuiging en de ei­sen van zijn geweten. Hij geloofde dat het gezag rechtvaardig en on­feilbaar was, maar vroeg zich af waarom hij zich dan toch verplicht voelde het niet te gehoorzamen. Hij zag wel in dat hij zondigde als hij gehoorzaamde. Maar waarom leidde gehoorzaamheid aan een onfeil­bare kerk tot zo’n dilemma? Hij kon er maar geen antwoord op vin­den. Deze twijfel liet hem geen minuut los.
    De beste verklaring die hij toen kon geven was dat de geschiedenis zich herhaalde: zoals in de tijd van Christus waren de priesters van zijn tijd corrupt geworden en maakten ze misbruik van hun wettig gezag om onwettige doeleinden te bereiken. Daarom nam hij voor zichzelf een leidraad aan en predik­te die ook aan anderen: hij geloofde dat de voorschriften van de Bijbel het geweten moeten leiden. Met andere woorden: God, die in de Bij­bel spreekt, is de onfeilbare gids en niet de kerk, die spreekt bij mon­de van haar priesters” (Wylie, b.3, ch.2).

    Toen de storm in Praag na enige tijd was geluwd, keerde Hus naar zijn kapel van Bethlehem terug om met nog meer ijver en moed het Woord van God te verkondigen. Zijn vijanden waren actief en mach­tig, maar de koningin en vele edellieden waren zijn vrienden. Boven­dien koos de overgrote meerderheid van het volk partij voor hem. Ve­len vergeleken zijn zuivere, positieve leer en zijn heilig leven met de schandelijke dogma’s die de rooms-katholieke kerk verkondigde en met de hebzucht en de losbandigheid van de priesters. De mensen be­schouwden het als een eer aan de zijde van Hus te staan.

    Tot dusverre had Hus de taak alleen op zich genomen, maar nu kreeg hij een medewerker, Hiëronymus, die tijdens zijn verblijf in En­geland de leer van Wyclif had aangenomen.
    Voortaan waren ze één in hun leven en zouden later ook één zijn in hun sterven. Hiëronymus muntte uit door zijn scherpzinnigheid, buitengewone welsprekendheid en geleerdheid, waardoor hij bij iedereen in de gunst stond. Hus had echter meer karaktersterkte. Zijn bezonken oordeel hield de im­pulsieve geest van Hiëronymus in toom. Hiëronymus gaf zich in op­rechte nederigheid rekenschap van de innerlijke waarde van Hus en volgde zijn raad dan ook op. Dank zij hun gemeenschappelijke in­spanning nam de hervorming snel toe.

    God gaf deze uitverkoren mannen een heldere geest en inzicht in vele dwalingen van Rome. Maar ze kregen niet al het licht dat aan de wereld zou worden geschonken. Door zijn twee boodschappers leidde God het volk uit de duisternis van de roomse leer. Ze zouden echter nog vele grote hindernissen op hun weg tegenkomen en daarom leid­de God hen stap voor stap, zodat het hun niet te zwaar viel. Ze waren er niet op voorbereid al het licht onmiddellijk te ontvangen. Zoals het volle licht van de middagzon te fel is voor iemand die lang in het don­ker heeft gezeten, was het volle licht van de waarheid ook te veel voor hen. Daarom stemde God zijn openbaringen aan de leiders af op het bevattingsvermogen van het volk. Van eeuw tot eeuw zouden ze wor­den opgevolgd door andere trouwe arbeiders die het volk verder zou­den leiden op de weg van de Hervorming.

    Het schisma in de kerk duurde voort. Drie pausen wedijverden nu voor het oppergezag. Door hun onderlinge strijd waren misdaad en onrust schering en inslag in de christelijke wereld. Zij slingerden niet alleen hun banbliksems naar elkaar, maar grepen ook naar de wapens. Elke partij probeerde wapens te kopen en huurlingen aan te werven. Daar hadden ze natuurlijk geld voor nodig. Om daaraan te komen werden aflaten, ambten en zegeningen van de kerk te koop aangebo­den (zie Aanhangsel onder „Aflaten”).
    Ook de priesters die het voor­beeld van hun meerderen navolgden, zochten hun heil in simonie en oorlogvoering om hun mededingers te vernederen en hun eigen macht te vergroten. Hus veroordeelde deze gruwelen, die in naam van de godsdienst werden bedreven, met een stoutmoedigheid die met de dag groter werd. Het volk gaf de roomse leiders openlijk de schuld van de ellende waarmee de christenheid geplaagd werd.

    Weer scheen de stad Praag aan de rand van een bloedig conflict te staan. Zoals vroeger werd de dienaar van God ervan beschuldigd dat hij „Israël in het ongeluk stort” (l Koningen 18:17). Weer werd de stad in de ban gedaan. Hus trok zich toen weer terug in zijn geboortedorp. Er kwam een einde aan zijn trouw getuigenis in de kapel van Bethlehem, die hem zo dierbaar was. Hus zou zijn actie nog uitbrei­den en zich tot de hele christenheid richten voordat hij zijn leven zou geven als een getuige voor de waarheid.

    Om het onheil te herstellen dat Europa in beroering bracht, werd een oecumenisch concilie bijeengeroepen te Konstanz. Op verzoek van keizer Sigismund werd het concilie door één van de drie wedijve­rende pausen, namelijk Johannes XXIII, belegd. Het verzoek viel he­lemaal niet in goede aarde bij paus Johannes XXIII (1410-1415), want zijn levenswandel en beleid waren helemaal niet van dien aard dat hij niet bang hoefde te zijn voor een onderzoek, ook al was het in handen van geestelijken die het met de eerlijkheid niet zo nauw na­men. Hij durfde zich echter niet tegen de wil van Sigismund te verzet­ten (zie Aanhangsel onder „Het Concilie van Konstanz”).

    De belangrijkste opdrachten die het concilie moest vervullen, wa­ren het beëindigen van het schisma en het uitroeien van de ketterij. Daarom werden de twee tegenpausen en de voornaamste verspreider van de nieuwe opvattingen, Johannes Hus, opgeroepen. De twee te­genpausen vreesden voor hun veiligheid en kwamen niet persoonlijk, maar werden door afgevaardigden vertegenwoordigd.
    Paus Johannes, die het concilie bijeen had geroepen, kwam met angstige voorgevoe­lens, want hij vermoedde dat de keizer hem wilde afzetten en vreesde ook rekenschap te moeten afleggen voor het kwaad dat de tiara te schande had gemaakt en voor de misdaden die hij had gepleegd om de troon te bemachtigen. Toch deed hij met veel pracht en praal zijn intrede in de stad Konstanz begeleid door de hoge geestelijkheid en gevolgd door vele hovelingen. Alle geestelijken en notabelen van de stad en een grote groep inwoners gingen tot buiten de stadsmuren om hem te verwelkomen. Vier van de belangrijkste gezagsdragers hielden een goudkleurig baldakijn boven zijn hoofd. Vóór hem droeg men „het heilig sacrament” en de prachtige gewaden van kardinalen en edel­lieden zetten het geheel veel luister bij.

    Intussen naderde een andere reiziger Konstanz. Hus was zich be­wust van de gevaren die hem bedreigden. Hij nam afscheid van zijn vrienden en dacht dat hij ze nooit meer terug zou zien, want hij ver­moedde dat hij naar de brandstapel zou worden gebracht. Hoewel hij een vrijgeleide van de koning van Bohemen had gekregen en onder­weg ook één van keizer Sigismund, regelde hij alles met het oog op zijn dood.

    In een brief aan zijn vrienden te Praag zei hij: „Broeders… Ik ver­trek met een vrijgeleide van de koning om mijn vele doodsvijanden te ontmoeten… Ik vertrouw helemaal op de almachtige God, op mijn Heiland. Ik hoop dat Hij jullie vurige gebeden zal verhoren, dat Hij mij zijn voorzichtigheid en wijsheid in de mond zal leggen, zodat ik tegen hen opgewassen zal zijn, dat Hij mij zijn Heilige Geest zal schenken om mij in zijn waarheid te versterken, zodat ik moedig ver­leidingen, gevangenschap en zo nodig de wrede dood onder ogen kan zien.
    Jezus Christus heeft voor zijn beminden geleden. Moet het ons dan verwonderen dat Hij ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, opdat wij alles geduldig zouden verdragen voor onze eigen zaligheid? Hij is God en wij zijn zijn schepselen; Hij is de Here en wij zijn zijn diena­ren; Hij is de Heer van de wereld en wij zijn verachtelijke stervelin­gen. En toch is Hij ter dood gebracht! Waarom zouden wij dan niet de marteldood sterven, vooral wanneer het lijden ons loutert? Daarom, geliefden, als mijn dood kan bijdragen tot zijn eer, moeten jullie bid­den dat ik spoedig mag sterven en dat de Here mij in staat mag stellen om al mijn ellende met goede moed te dragen. Maar als het beter is dat ik bij jullie terugkeer, moeten wij bidden dat ik onberispelijk mag zijn, dat wil zeggen zonder dat ik één jota van de waarheid van het evangelie heb verzwegen, om mijn broeders een uitstekend voorbeeld ter navolging te geven. Daarom zullen jullie mij waarschijnlijk nooit meer in Praag terugzien, maar mocht het de almachtige God behagen mij bij jullie terug te brengen, laten wij dan met een standvastiger hart in de kennis van en met liefde voor zijn wet vooruitgaan” (Bonnechose, vol.1, pp. 147,148).

    In een andere brief, gericht aan een priester die een volgeling van het evangelie was geworden, sprak Hus met grote nederigheid over zijn eigen dwalingen en beschuldigde hij zichzelf ervan „genoegen te hebben beleefd aan het dragen van dure priestergewaden en uren te hebben verspild aan onbenulligheden”. Hij gaf ook de aangrijpende vermaning: „Moge de eer van God en de redding van zielen je hoofd­bekommernis zijn en niet het bezitten van prebenden en landgoede­ren. Je moet ervoor oppassen dat je niet meer zorg besteedt aan je huis dan aan je geestelijk leven. Zorg vooral voor het geestelijk bouw­werk. Wees vroom en nederig bij de armen en verspil je geld niet aan smulpartijen. Als je je leven niet betert en je je niet onthoudt van al het overbodige, vrees ik dat je streng gestraft zal worden, zoals ik­zelf… Je kent mijn leer, want ik heb je daarover al in je jeugd onderricht. Daarom hoef ik je niet meer te schrijven. Maar ik bezweer je bij de genade van Onze Here mij niet na te volgen in enige ijdelheid waarin je mij hebt zien vallen”. Op de enveloppe schreef hij: „Beste vriend, ik smeek je dit zegel pas te verbreken als je er zeker van bent dat ik dood ben” (Ibid., vol. l, pp.148,149).

    Op zijn reis zag Hus overal aanwijzingen dat zijn leer ingang had gevonden en dat de mensen gunstig stonden tegenover zijn zaak. Het volk stroomde toe om hem te ontmoeten en in sommige steden werd hij door de notabelen rondgeleid.

    Toen hij in Konstanz aankwam, mocht hij overal vrij rondlopen. Naast het vrijgeleide van de keizer kreeg hij nog de persoonlijke ver­zekering van de paus dat hij zou worden beschermd. Maar ondanks de vele plechtige verklaringen werd de hervormer kort daarna op bevel van de paus gevangen genomen en in een afschuwelijke cel opgeslo­ten. Later werd hij naar een burcht op de andere oever van de Rijn ge­bracht en daar gevangen gehouden. De paus beleefde niet veel genoe­gen aan zijn woordbreuk, want hij werd in dezelfde gevangenis opgesloten (Ibid., vol. l, p.247).
    Het concilie had hem schuldig bevon­den aan de gemeenste misdaden: moord, simonie, ontucht en „zonden die men fatsoenshalve niet kan noemen”, zoals het concilie dat uit­drukte. Tenslotte werd hem de tiara ontnomen en kwam hij in de ge­vangenis terecht. Ook de tegenpausen werden afgezet en er werd een nieuwe paus verkozen.

    De paus had gruwelen bedreven die erger waren dan de misdaden waarvan Hus de priesters beschuldigde. Daarom had Hus trouwens aangedrongen op hervormingen. Toch zou hetzelfde concilie dat de paus had afgezet de hervormer ter dood laten brengen. De gevangen­neming van Hus had grote verontwaardiging uitgelokt in Bohemen.
    Machtige edellieden protesteerden met aandrang bij het concilie tegen deze schanddaad. De keizer, die niet wilde dat een vrijgeleide ge­schonden werd, verzette zich tegen de maatregelen die tegen Hus werden genomen. Maar de vijanden van de hervormer waren boosaar­dig en vastberaden. Zij deden een beroep op de vooroordelen van de keizer, op zijn vrees en op zijn geloofsijver. Met lange uitgewerkte ar­gumenten probeerden zijn vijanden te bewijzen „dat men zijn woord niet hoefde te houden tegenover ketters of personen die van ketterij worden verdacht, ook al hebben ze een vrijgeleide van de keizer en van de koningen” (Jacques Lenfant, History of the Council of Con-stance, vol. l, p.516).
    En ze kregen wat ze wilden. Verzwakt door ziekte en gevangenschap, door de vochtige, verpes­te lucht in zijn cel en door de koorts die hem bijna het leven kostte, werd Hus tenslotte voor het concilie gebracht. Geketend stond hij voor de keizer, die op zijn eer en goede trouw plechtig had beloofd hem te zullen beschermen. Tijdens het langdurig verhoor hield Hus onwrikbaar vast aan de waarheid en in aanwezigheid van alle gezags­dragers van Kerk en Staat protesteerde hij plechtig en oprecht tegen de corruptie van de kerkelijke overheid. Toen hij moest kiezen tussen het herroepen van zijn leer en de brandstapel verkoos hij de martel­dood.

    Gods genade gaf hem kracht. Tijdens zijn wekenlange lijdensweg vóór het eindvonnis werd hij van hemelse wede vervuld. In een brief aan een vriend zei hij: „Ik schrijf deze woorden in de gevangenis, met mijn handen in boeien geslagen in afwachting van mijn doodvonnis dat morgen wordt uitgesproken… Als wij elkaar door Christus’ gena­de terugzien in de heerlijke vrede van het eeuwige leven, zal het je duidelijk worden hoe barmhartig God is geweest en hoe Hij mij heeft geholpen in alle verleidingen en beproevingen” (Bonnechose, vol.2, p.67).

    In zijn donkere cel kwam Hus tot de overtuiging dat het ware ge­loof zou overwinnen. Hij droomde vaak van de kapel te Praag, waar hij het evangelie had verkondigd. Hij zag hoe de paus en de bisschop­pen de afbeeldingen van Christus die hij op de muren had geschilderd uitwisten. „Deze droom ontstelde hem, maar de volgende dag droom­de hij dat vele schilders weer nieuwe afbeeldingen in nog fellere kleu­ren op de muren aanbrachten. Zodra hun werk afwas, riepen de schil­ders, die in een grote menigte stonden: „Laat de pausen en bisschoppen nu maar komen! Zij zullen ze nooit meer uitwissen!”
    Toen de hervormer zijn droom vertelde, zei hij: „Ik ben er zeker van dat het beeld van Christus nooit meer zal worden uitgewist. Ze willen het vernietigen, maar het zal weer in alle harten worden gegrift door predikanten die veel bekwamer zijn dan ik” (D’Aubigné, b. 1, ch.6).

    Hus verscheen voor de laatste keer voor het concilie. Er waren vele illustere persoonlijkheden op de vergadering: de keizer, de vorsten van het keizerrijk, de koninklijke afgevaardigden, kardinalen, bis­schoppen, priesters en een ontelbare menigte die wilde zien wat er zou gebeuren. Uit alle delen van Europa waren de getuigen van dit grote offer in de lange strijd voor de gewetensvrijheid samengekomen.

    Toen Hus zijn definitieve beslissing kenbaar moest maken, weiger­de hij zijn beginselen te herroepen en met zijn doordringende blik keek hij naar de keizer, die zo schaamteloos woordbreuk had ge­pleegd. Hij zei: „Ik ben uit vrije wil voor dit concilie verschenen. De keizer, die hier aanwezig is, had beloofd mij te beschermen. Ik heb al mijn vertrouwen in hem gesteld” (Bonnechose, vol.2, p.84). Sigismund bloosde van schaamte toen de hele vergadering naar hem keek.

    Toen het vonnis was geveld, begon de plechtigheid om Hus uit het priesterambt te ontzetten. De bisschoppen staken hun gevangene in priesterkleren. Toen Hus zijn albe aannam zei hij: „Men heeft onze Here Jezus Christus ook in een wit kleed gestoken toen Herodes Hem naar Pilatus stuurde, omdat men Hem wilde bespotten” (Ibid., vol.2, p.86).
    Toen men Hus nogmaals aanspoorde om zijn leer te herroepen, richtte hij zich tot de menigte en zei: „Hoe zou ik dan naar de hemel kunnen opkijken? Hoe zou ik al die mensen kunnen aankijken aan wie ik het zuivere evangelie heb verkondigd? Neen, ik vind hun zalig­heid meer waard dan dit arme lichaam dat nu ten dode is opgeschre­ven”.
    De delen van het priestergewaad werden één voor één verwij­derd. Elke bisschop die aan de plechtigheid deelnam, moest een vloek uitspreken. Tenslotte zetten zij hem de papieren mijter beschilderd met afschuwelijke duivels en met het duidelijk leesbare woord „Aartsketter”, op het hoofd. „Met grote blijdschap wil ik deze kroon van schande dragen om Uwentwil, Heer Jezus, die voor mij een door­nenkroon hebt gedragen”, zei Hus.

    Toen hij zo was „uitgedost”, zeiden de prelaten: „Nu leveren wij u over aan de duivel”. Terwijl Johannes Hus zijn ogen naar de hemel opsloeg, zei hij: „In uw handen beveel ik mijn geest, want Gij hebt mij verlost” (Wylie, b.3, ch.7).

    Toen werd hij aan het wereldlijk gezag overgeleverd en naar de plaats van zijn terechtstelling gebracht. Er volgde een zeer lange stoet: wapenknechten, priesters, bisschoppen in dure gewaden en de inwo­ners van Konstanz. Toen hij aan de paal was vastgebonden en alles in gereedheid was gebracht om het vuur aan te steken, wees men de martelaar nogmaals op de mogelijkheid dat hij zijn leven kon redden als hij zijn dwalingen wilde herroepen. „Welke dwalingen moet ik herroepen?”, vroeg Hus. „Ik weet dat ik mij aan geen enkele dwaling heb schuldig gemaakt. Ik neem God tot getuige. Met mijn geschriften en preken heb ik alleen zielen willen redden van zonde en ondergang. Daarom wil ik de waarheid waarover ik geschreven en gepreekt heb vol blijdschap met mijn bloed bezegelen” (Ibid., b.3, ch.7).
    Toen het vuur rondom hem brandde, zong hij: „Jezus, Zone Davids, ontferm U over mij”. Hij hield pas op toen zijn stem voor altijd zweeg.

    Zijn moed maakte zelfs op zijn vijanden een diepe indruk. Een vu­rig aanhanger van de paus heeft over de marteldood van Hus en Hiëronymus, die hem niet lang daarna zou volgen, geschreven: „Ze waren kalm en vastberaden toen hun stervensuur naderde. Ze maakten zich gereed voor de brandstapel alsof ze naar een bruiloft gingen. Zij slaakten geen kreet van pijn. Toen de vlammen opsloegen, begonnen zij te zingen. De hitte van het vuur kon hun lied nauwelijks doen op­houden” (Ibid., b.3, ch.7).

    Toen het lichaam van Hus helemaal was verast, werden zowel de as als de grond waarop hij had gestaan in de Rijn uitgestrooid en naar zee gevoerd. Zijn vervolgers dachten dat zij toen ook de waarheid die hij had verkondigd hadden uitgeroeid. Ze beseften niet dat de as die naar zee werd gevoerd, zou zijn als zaad dat over alle landen wordt uitgestrooid en in landen die toen nog niet ontdekt waren overvloedig vrucht zou dragen en voor de waarheid zou getuigen.

    De stem die in de conciliezaal te Konstanz had gesproken zou in de komende eeu­wen weerklinken. Hus is dood, maar de waarheid waarvoor hij stierf zal blijven bestaan. Zijn voorbeeld van geloof en vastberadenheid zou talloze mensen moed geven om de waarheid te blijven verdedigen ook wanneer ze met foltering en met de dood werden bedreigd. Zijn terechtstelling had de gehele wereld getoond hoe wreed Rome eigen­lijk is. De vijanden van de waarheid hadden zonder dat ze het besef­ten bijgedragen tot de vooruitgang van de zaak die ze tevergeefs pro­beerden te vernietigen.

    Maar er zou nog een andere brandstapel te Konstanz worden opge­richt. Een andere martelaar zou ook met zijn bloed voor de waarheid getuigen. Hiëronymus had Hus moed ingesproken toen hij naar het concilie vertrok. Hij zei dat hij hem persoonlijk te hulp zou komen als hij in gevaar verkeerde. Toen hij hoorde dat de hervormer gevangen genomen was, wilde de trouwe volgeling onmiddellijk doen wat hij beloofd had. Hij vertrok met één reisgezel en zonder vrijgeleide naar Konstanz. Toen hij daar aankwam, besefte hij dat hij zichzelf slechts aan gevaren had blootgesteld zonder ook maar iets voor Hus te kun­nen doen. Hij vluchtte, maar werd op de terugweg gevangen geno­men, in boeien geslagen en door een bende soldaten naar Konstanz te­ruggebracht. Toen hij de eerste keer voor het concilie verscheen, werden zijn pogingen om te antwoorden op de beschuldigingen die tegen hem werden ingebracht, overstemd door gebrul: „Naar de brandstapel met hem! Naar de brandstapel!” (Bonnechose, vol.l, p.234).
    Hij werd in een cel opgesloten, vastgeketend in een houding die hem erg veel pijn deed en op water en brood gezet. Na enkele maanden werd Hiëronymus door die verschrikkelijke behandeling doodziek. Zijn vijanden vreesden dat hij door de dood zou ontsnappen en begonnen hem wat menselijker te behandelen. Toch zou hij een jaar in zijn cel blijven.

    De dood van Hus had niet het resultaat opgeleverd dat de aanhan­gers van de paus ervan hadden verwacht. De schending van het vrijgeleide had een storm van protest uitgelokt. Het concilie achtte het daarom raadzaam Hiëronymus niet naar de brandstapel te sturen. Ze wilden hem zo mogelijk dwingen alles te herroepen. Hij werd voor de vergadering gebracht en mocht kiezen tussen de openbare erkenning van zijn dwaling of sterven op de brandstapel. Hij zou het als een ze­gen hebben beschouwd als hij was gestorven toen hij pas in de gevangenis was, want hij had vreselijk geleden tijdens zijn gevangenschap. Maar nu was hij verzwakt door ziekte, door het harde leven in de ge­vangenis en door de foltering van angst en onzekerheid. Hij was ge­scheiden van zijn vrienden en ontmoedigd door de dood van Hus. Daarom zwichtte hij: hij stemde ermee in zich aan het concilie te on­derwerpen. Hij beloofde plechtig dat hij het rooms-katholicisme trouw zou blijven en aanvaardde de beslissingen van het concilie, dat de leer van Wyclif en Hus had veroordeeld, behalve de „heilige waar­heden” die hij had onderwezen (Ibid., vol.2, p. 141).

    Hierdoor probeerde Hiëronymus zijn geweten te sussen en aan zijn veroordeling te ontkomen. Maar in de stilte van zijn cel besefte hij be­ter wat hij had gedaan. Hij dacht aan de moed en trouw van Hus en vergeleek die met zijn eigen verloochening van de waarheid. Zijn ge­dachten gingen uit naar de goddelijke Meester aan Wie hij had be­loofd dat hij Hem zou dienen en die voor hem aan het kruis stierf. Vóór de herroeping had hij ondanks al het lijden troost gevonden in de zekerheid van Gods genade, maar nu werd hij door wroeging en twijfel gekweld. Hij wist dat hij nog meer zou moeten herroepen voor hij in vrede met Rome zou kunnen leven. De weg die hij had ingesla­gen, leidde alleen maar tot volledige afvalligheid. Zijn besluit stond vast. Hij wilde de Here niet verloochenen om aan een korte lijdens­weg te ontkomen.

    Kort daarna stond hij weer voor de concilievaders. Zijn onderwer­ping had de rechters toch geen voldoening geschonken. Hun bloeddorst, die door de dood van Hus was geprikkeld, vroeg om nieuwe slachtoffers. Hiëronymus kon zijn leven alleen redden door een on­voorwaardelijke herroeping van de waarheid. Maar hij was vastbeslo­ten zijn geloof te belijden en zijn broeder die als een martelaar was gestorven naar de brandstapel te volgen.
    Hij trok zijn vroegere herroeping in en met de dood voor ogen vroeg hij plechtig toestemming om zich te verdedigen. De prelaten vreesden voor de invloed die van zijn woorden zou kunnen uitgaan, en wilden dat hij alleen de rechtvaardigheid van de tegen hem inge­brachte beschuldigingen zou bevestigen of ontkennen.
    Hiëronymus protesteerde tegen zo’n wreedheid en onrechtvaardigheid. „Jullie hebben mij driehonderd veertig dagen lang opgesloten in een ver­schrikkelijke, vuile, ongezonde en stinkende cel. Ik had aan alles ge­brek. Jullie roepen mij op om voor het concilie te verschijnen. Jullie luisteren wel naar mijn doodsvijanden, maar weigeren naar mij te luisteren. Als jullie echt wijs en verstandig waren, zouden jullie niet onrechtvaardig zijn. Ik ben maar een zwakke sterveling. Mijn leven is onbelangrijk. Als ik jullie vraag om geen onrechtvaardig vonnis te vellen, spreek ik niet zo zeer in mijn eigen belang als wel in jullie be­lang” (Ibid., vol.2, pp. 146,147).

    Zijn verzoek werd dan toch ingewilligd. In aanwezigheid van zijn rechters knielde hij neer en bad om de leiding van de Heilige Geest bij het uitdrukken van zijn gedachten en bij de keuze van zijn woor­den, opdat hij niets zou zeggen dat de waarheid geweld aandeed of zijn Meester onwaardig was. Op die dag ging de belofte van God aan de eerste discipelen in vervulling: „Gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil… Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult: want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt” (Mattheüs 10:18-20).

    De woorden van Hiëronymus dwongen zelfs bij zijn vijanden verbazing en bewondering af. Hij had een heel jaar in de cel gezeten, had niets kunnen lezen of zien, had lichamelijk en geestelijk veel geleden. Toch bracht hij zijn argumenten zo duidelijk en overtuigend naar vo­ren alsof hij volop de gelegenheid had gekregen ze voor te bereiden. Hij wees zijn toehoorders op de lange reeks heilige mannen die door onrechtvaardige rechters waren veroordeeld. In bijna elke generatie zijn er mannen geweest die de mensen van hun tijd tot betere gedachten en gevoelens probeerden te brengen, maar daarvoor werden ver­oordeeld en verbannen. De mensen die na hen kwamen erkenden ech­ter hun verdiensten. Ook Christus werd als een boosdoener door de onrechtvaardige rechters veroordeeld.

    Bij de herroeping van zijn beginselen had Hiëronymus ook toege­geven dat het vonnis van Hus rechtvaardig was. Nu zei hij dat hij er spijt van had. Hij verklaarde dat de martelaar een onschuldig en heilig man was: „Ik kende hem al toen hij nog een jongen was. Hij was een voortreffelijk rechtvaardig en heilig mens. Hij werd veroordeeld hoe­wel hij onschuldig was…… Ook ik ben bereid te sterven: ik schrik niet terug voor martelwerktuigen die door mijn vijanden en door valse ge­tuigen voor mij in gereedheid zijn gebracht. Maar eens zullen ze voor de grote God, die niet kan worden bedrogen, rekenschap moeten af­leggen voor hun bedrog” (Bonnechose, vol.2, p.151).

    Hiëronymus verklaarde dat het hem speet dat hij de waarheid had ontkend en zei ook: „Geen van de zonden die ik sinds mijn jeugd heb gedaan, drukt zó zwaar op mij en kwelt mijn geweten zó erg als de zonde die ik hier op deze ellendige plaats heb bedreven, toen ik in­stemde met het zeer onrechtvaardige vonnis dat tegen Wyclif werd uitgesproken en tegen de heilige martelaar Johannes Hus, mijn leer­meester en vriend. Ja, ik belijd uit de grond van mijn hart en ik ver­klaar met afschuw dat ik uit vrees voor de dood op een schandelijke manier bezweken ben en hun leer heb veroordeeld. Ik smeek daarom … de almachtige God dat Hij al mijn zonden zou willen vergeven en vooral deze, de ergste van alle”. Hij wees met zijn vinger naar de rechters en zei vastberaden: „Jullie hebben Wyclif en Johannes Hus veroordeeld, niet omdat zij de leer van de kerk hebben ondermijnd, maar omdat zij het schandelijk gedrag van de geestelijken hebben veroordeeld – hun pracht en praal, hun hoogmoed en alle ondeugden van de prelaten en priesters. Wat zij hebben gezegd, kunnen jullie niet weerleggen. Ik ben het met hen eens”.

    Hij werd onderbroken. De prelaten waren buiten zichzelf van woe­de en brulden: „Hebben we nog meer bewijzen nodig? Deze kerel is de hardnekkigste ketter!”

    Onberoerd door de storm die opstak, zei Hiëronymus: „Denken jullie soms dat ik bang ben om te sterven? Jullie hebben me een heel jaar opgesloten in een vreselijke cel die afschuwelijker was dan de dood. Jullie hebben me wreder behandeld dan een Turk, Jood of hei­den en mijn vlees is van mijn beenderen weggerot. Toch klaag ik niet. Een moedig man doet dat niet. Ik kan alleen mijn verbazing uitspre­ken over zo’n barbaarsheid tegenover een christen” (Ibid., vol.2, pp.151-153).

    Opnieuw barstte een storm van woede los. Hiëronymus werd vlug naar de gevangenis gebracht. Toch waren er sommigen in de vergade­ring op wie zijn woorden diepe indruk hadden gemaakt en die zijn le­ven wilden sparen. Kerkelijke gezagsdragers kwamen hem opzoeken en drongen erop aan dat hij zich aan het concilie zou onderwerpen. Eén van hen beloofde hem een schitterende toekomst als hij zijn ver­zet tegen Rome wilde opgeven. Maar Hiëronymus bleef standvastig zoals zijn Meester toen men Hem de heerlijkheid van de wereld wilde aanbieden.

    „Bewijs me uit de Heilige Schrift dat ik dwaal en ik zal mijn dwa­ling herroepen”, zei hij.
    Een van de belagers zei: de Heilige Schrift! Moet men dan alles aan de hand van dat boek beoordelen? Wie kan het begrijpen voordat de kerk het heeft uitgelegd?”
    Daarop antwoordde Hiëronymus: „Zijn menselijke overleveringen geloofwaardiger dan het evangelie van onze Heiland? Paulus heeft de gelovigen aan wie hij schreef niet aangeraden menselijke overleverin­gen te volgen, maar hij zei: ‘Onderzoek de Schrift'”.

    „Ketter”, was het antwoord. „Het spijt me dat ik zo lang met je heb gepraat. Ik zie dat je een werktuig van de duivel bent!” (Wylie, b.3,ch.l0).

    Hiëronymus werd toen ter dood veroordeeld. Hij werd verbrand op dezelfde plaats waar Hus op de brandstapel had gestaan. Zingend ging hij naar de plaats van zijn terechtstelling. Zijn gezicht straalde van vreugde en vrede. Zijn blik was op Christus gericht en de dood had voor hem al zijn verschrikking verloren. Toen de beul die de brandstapel wilde aansteken achter hem ging staan, zei de martelaar: „Kom maar vóór mij staan! Steek het vuur aan terwijl ik het zie. Als ik bang was, zou ik hier niet staan”.

    De laatste woorden die hij uitsprak toen de vlammen oplaaiden, waren tot God gericht: „Here, almachtige Vader, heb medelijden met mij en vergeef mij mijn zonden, want Gij weet dat ik altijd uw waar­heid heb liefgehad” (Bonnechose, vol.2, p. 168). Zijn stem was niet meer hoorbaar, maar zijn lippen prevelden een gebed. Toen de martelaar verbrand was, werd zijn as verzameld met de aarde waarop ze was gevallen en werd zoals die van Hus in de Rijn uitgestrooid.

    Zo kwamen Gods trouwe getuigen om het leven. Maar het licht van do waarheid die ze hadden verkondigd het licht van hun moedig voorbeeld kon niet worden gedoofd. Zoals men de zon niet in haar loop kan tegenhouden, kan men ook de dageraad die toen begon aan te breken niet tegenwerken.

    De terechtstelling van Hus had een golf van verontwaardiging en afschuw in Bohemen uitgelokt. Iedereen had de indruk dat hij het slachtoffer van de boosaardigheid van de priesters en van de onbetrouwbaarheid van de keizer was geworden. Men vond dat hij de waarheid getrouw had verkondigd en dat het concilie, dat hem had la­ten terechtstellen, schuldig was aan moord. Zijn leer kreeg nu meer aandacht dan ooit tevoren. De werken van Wyclif moesten op bevel van de paus worden verbrand. Enkele daarvan waren aan de vlammen ontsnapt en werden nu tevoorschijn gehaald. Ze werden samen met de Bijbel of met de bijbelgedeelten die het volk bezat, bestudeerd en ve­len namen het geloof van de hervormers aan.

    De moordenaars van Hus bleven niet werkeloos toezien toen zijn opvattingen op grote schaal werden aangenomen. De paus en de kei­zer werkten samen om de beweging de kop in te drukken: De legers van Sigismund vielen Bohemen binnen.

    Maar er stond een bevrijder op. Ziska, die kort na het uitbreken van de oorlog helemaal blind werd, was één van de bekwaamste generaals van zijn tijd. Hij werd de leider van de Bohemers. Ze vertrouwden op Gods hulp, waren overtuigd van de rechtvaardigheid van hun zaak en boden weerstand aan de machtigste legers die tegen hen op de been werden gebracht. Telkens weer huurde de keizer nieuwe troepen en viel Bohemen binnen, maar elke keer leed hij een grote nederlaag. De Hussieten waren niet bang voor de dood en niemand was tegen hen opgewassen. Enkele jaren na het uitbreken van de oorlog stierf de dappere Ziska. Zijn plaats werd ingenomen door Procopius, een even moedig en bekwaam generaal en in sommige opzichten een knapper leider.

    De vijanden van de Bohemers, die wisten dat de blinde generaal dood was, dachten dat het ogenblik nu gekomen was om alles wat ze hadden verloren te heroveren. De paus organiseerde een kruistocht te­gen de Hussieten en voor de zoveelste keer werd een groot leger op de Bohemers losgelaten. Maar ook deze strijdmacht leed een vreselijke nederlaag.
    Er werd een tweede kruistocht georganiseerd. In alle pausgezinde landen van Europa werden manschappen, geld en munitie bijeengebracht. Velen schaarden zich achter de banier van de paus in de overtuiging dat ze eindelijk met de ketterse Hussieten zouden afrekenen.
    De enorme strijdmacht was er weer van overtuigd dat ze zou winnen en drong Bohemen binnen. Het volk sloot zich aaneen om ze te verdrijven. De twee legers rukten naar elkaar op tot ze alleen nog door de rivier van elkaar werden gescheiden. „De kruisvaarders waren veel talrijker, maar staken de rivier niet over om te strijden tegen de Hussieten, die ze al zover tegemoet waren gekomen. Ze stonden de Hussieten aan te gapen, maar zeiden geen woord” (Wylie, b.3, ch. 17).
    Toen bekroop een geheimzinnige angst het vijandelijke leger. Het trok zich zonder slag of stoot terug en verspreidde zich alsof het door een verborgen kracht was verdreven. Het leger van de Hussieten richtte een groot bloedbad aan onder de vluchtelingen.
    Een grote buit viel in handen van de overwinnaars, waardoor de oorlog de Hussieten niet armer, maar rijker maakte. Enkele jaren later werd er onder een nieuwe paus nog een kruistocht georganiseerd. Ook nu werden uit alle katholieke landen van Europa manschappen en middelen bijeen­gebracht. Er werd veel voorgespiegeld aan degenen die aan deze gevaarlijke onderneming wilden deelnemen.
    De afschuwelijkste misdaden zouden volledig worden kwijtgescholden. Wie in de oorlog sneuvelde, zou een rijke beloning in de hemel krijgen en wie de oorlog overleefde zou op het slagveld met eer en rijkdom worden overladen.

    Weer werd er een enorm leger op de been gebracht dat de grens overschreed en Bohemen binnenrukte. De strijdkrachten van de Hus­sieten trokken zich terug en lokten de invallers steeds verder het land in, waardoor ze begonnen te geloven dat ze de overwinning al hadden behaald. Toen hield het leger van Procopius halt en rukte op naar de vijand om toe te slaan. De kruisvaarders zagen toen in dat ze een fout hadden gemaakt en wachtten in hun kamp de aanval af. Toen ze het gedreun van het oprukkende leger hoorden, brak er paniek uit onder de kruisvaarders, nog voordat de Hussieten te zien waren. Vorsten, generaals en gewone soldaten wierpen hun wapenrusting weg en sloe­gen in alle richtingen op de vlucht. De pauselijke legaat die de invasie leidde probeerde tevergeefs zijn verschrikte en in de war gebrachte strijdkrachten weer te verzamelen. Hij deed alles wat hij kon, maar werd door de stroom vluchtelingen meegesleurd. Het werd een verpletterende nederlaag en weer viel een zeer grote buit in handen van de overwinnaars.

    Zo vluchtte een zeer groot leger van moedige, krijgshaftige en goed geoefende soldaten dat door de machtigste volken van Europa op de been was gebracht voor de tweede keer zonder slag of stoot voor de verdedigers van een klein, en tot op dat ogenblik, zwak volk.
    God had zijn kracht weer geopenbaard. De invallers waren verschrikt door de bovennatuurlijke kracht. De God die de legers van Farao in de Rode Zee had vernietigd, de legers van Midian verdreef voor Gideon en zijn driehonderd man, in één nacht de strijdkrachten van de trotse Assyriër had neergeslagen, had weer zijn hand uitgestrekt om de macht van de verdrukker te vernietigen. „Daar verschrikken zij, terwijl er geen verschrikking is; want God verstrooit het gebeente van uw belager; gij doet hen beschaamd staan, want God heeft hen verworpen” (Psalm 53:6).

    De pausgezinde leiders die alle hoop hadden opgegeven om nog met geweld te overwinnen, gingen later met sluwheid te werk. Er werd een overeenkomst gesloten waarin werd bepaald dat de Bohemers gewetensvrijheid zouden krijgen. In werkelijkheid werden ze aan de macht van Rome overgeleverd. De Bohemers hadden vier voorwaarden gesteld om vrede met Rome te kunnen sluiten: De vrije verkondiging van het evangelie; het recht van de hele gemeente op het brood en de wijn bij het Heilig Avondmaal en het gebruik van de volkstaal voor kerkdiensten; de geestelijkheid mocht geen enkel wereldlijk ambt bekleden of wereldlijk gezag uitoefenen; in geval van een misdrijf mocht alleen een burgerlijke rechtbank recht spreken over geestelijken en leken. De rooms-katholieke leiders stemden er tenslotte mee in „dat de vier punten van de Hussieten werden aan­vaard, maar dat hun interpretatie, dus hun juiste betekenis, aan het concilie – met andere woorden aan de paus en de keizer – voorbehou­den bleef” (Wylie, b.3, ch.18).
    Op deze basis werd een verdrag geslo­ten. Rome won door huichelarij en bedrog wat ze niet door strijd had kunnen bereiken, want door haar interpretatie van de punten van de Hussieten kon ze, zoals met de Bijbel, de betekenis in haar voordeel verdraaien.

    Veel Bohemers begrepen dat de overeenkomst een gevaar beteken­de voor hun vrijheid en weigerden ermee akkoord te gaan. Er ont­stond tweedracht en onenigheid. Dit leidde tot onderlinge strijd en bloedvergieten. De edele Procopius sneuvelde in deze strijd en zo ver­loren de Bohemers hun vrijheid.

    Sigismund, die Hus en Hiëronymus verraden had, werd nu koning van Bohemen. Hij hield geen rekening met de eed die hij gezworen had om de rechten van de Bohemers te handhaven en voerde het rooms-katholicisme in. Zijn onderdanigheid aan Rome bracht hem echter weinig voordeel. Twintig jaar lang was zijn leven een aaneen­schakeling van moeite en gevaar geweest. Zijn legers waren gedeci­meerd en zijn schatkist was leeg door de lange, vruchteloze strijd. Na één jaar aan het bewind te zijn geweest stierf hij. Zijn koninkrijk was aan de rand van een burgeroorlog en zijn naam was overladen met schande.

    Er kwam maar geen einde aan de beroering, de strijd en het bloed­vergieten. Weer vielen vreemde legers Bohemen binnen en door de tweedracht kwam er nog meer verwarring in het land. De trouwe vol­gelingen van het evangelie werden aan bloedige vervolgingen bloot­gesteld.

    Terwijl hun vroegere broeders een overeenkomst met Rome had­den gesloten en haar dwaalleer gretig overnamen, hadden zij die het oude geloof hadden behouden een afzonderlijke gemeente, de Broe­dergemeente, gesticht. Hierdoor haalden zij zich de verwensingen van alle standen op de hals. Toch bleef hun standvastigheid onwankel­baar. Ze moesten zich in bossen en holen schuilhouden, maar kwa­men samen om de Bijbel te onderzoeken en God te aanbidden.

    Van de boodschappers die in het geheim naar verschillende landen werden uitgestuurd, hoorden ze dat er hier en daar „enkelingen waren die de waarheid hadden aangenomen, een paar in deze stad en dan weer een paar in een andere stad; ze stonden zoals zijzelf ook bloot aan vervolgingen. Ze hadden ook gehoord dat er in de Alpen een oude gemeente was die steunde op de grondslagen van de Schrift en zich tegen de afgodische misbruiken van Rome kantte” (Wylie, b.3, ch.19). Dit nieuws werd met grote vreugde ontvangen en de Broeder­gemeente begon met de Waldenzen te corresponderen.

    De Bohemers bleven onwrikbaar trouw aan het evangelie terwijl ze wachtten op het einde van de nacht van hun vervolgingen. In het don­kerste uur keken ze nog naar de horizon zoals mensen die uitkijken naar de dageraad. „Ze moesten in zeer moeilijke tijden leven, maar …… zij herinnerden zich de woorden die Hus vroeger had gesproken en door Hiëronymus waren herhaald: „Het zal nog een eeuw duren eerde dageraad aanbreekt”.
    Deze woorden waren voor de Taborieten (Hussieten) zoals de woorden van Jozef tot de stammen die in gevan­genschap leefden: „Ik ga sterven; God zal zeker naar u omzien en u uit dit land voeren” (Ibid., b.3, ch.19). „Op het einde van de vijftiende eeuw begonnen de Broedergemeenten langzaam maar zeker te groeien. Ze konden niet helemaal ongestoord hun gang gaan, maar genoten toch een betrekkelijke rust. In het begin van de zestiende eeuw waren er in Bohemen en Moravië tweehonderd gemeenten” (Ezra Hall Gillett, Life and Times of John Huss, vol.2, p.570).
    „Zó talrijk was het overblijfsel dat aan het vuur en het zwaard was ont­snapt en de dageraad mocht zien die Hus had voorzegd” (Wylie, b.3, Ch.19).
    (“Het grote Conflict” – E.G.White)

Maarten Luther was één van de belangrijkste hervormers die door God werd uitgekozen om de kerk uit de duisternis van het pausdom naar het licht van een zuiverder geloof te leiden. Hij was ijverig, en­thousiast en toegewijd. Hij vreesde alleen God en beschouwde de Bij­bel als de enige grondslag voor het christelijk geloof. Hij was de man aan wie zijn tijd dringend behoefte had. Hij werd door God uitgeko­zen om de kerk te hervormen en de wereld te verbeteren.

Zoals de eerste discipelen kwam ook Luther uit een arm gezin. Zijn eerste levensjaren bracht hij door in het eenvoudige huis van zijn ou­ders op het platteland. Zijn vader was mijnwerker en moest hard wer­ken om zijn zoon te laten studeren. Hij wilde dat zijn zoon rechten zou studeren, maar God had de jonge Luther uitgekozen om te wer­ken aan de grote tempel die zo langzaam in de loop der eeuwen werd opgetrokken. Ontberingen en strenge tucht waren de middelen die God gebruikte om hem op zijn belangrijke levenstaak voor te berei­den.

Luthers vader was intelligent en had een sterke persoonlijkheid. Hij was eerlijk, vastberaden en integer. Hij was ook consequent en ging recht door zee. Hij gebruikte zijn gezond verstand en stond daardoor wantrouwig tegenover het kloosterwezen. Hij was erg boos toen Luther zonder zijn toestemming in het klooster trad. Het duurde twee jaar eer Luthers vader zich met zijn zoon verzoende, maar ook toen bleef zijn vader op zijn standpunt staan.

Luthers ouders besteedden veel zorg aan de opvoeding en oplei­ding van hun kinderen. Ze wilden hen in de kennis van God opvoeden en hun de christelijke deugden aanleren. Luthers vader bad vaak in bijzijn van zijn zoon dat de jongen God trouw mocht blijven en eens zou mogen meewerken aan de verspreiding van de waarheid. On­danks het harde leven maakten zijn ouders dankbaar gebruik van elke gelegenheid die zich voordeed om hun kinderen op moreel en intellectueel gebied te begeleiden. Zij deden hun uiterste best om hun kin­deren voor te bereiden op een vroom en nuttig leven. Door hun on­wrikbaar karakter waren ze soms te streng. Luther gaf er zich later wel rekenschap van dat zijn ouders het in sommige opzichten bij het verkeerde eind hadden, maar vond in hun aanpak meer positiefs dan negatiefs.

Luther werd heel jong naar school gestuurd en werd er met harde hand en zelfs met geweld behandeld. Zijn ouders waren zó arm dat hij onderweg tussen zijn ouderlijk huis en zijn school, die in een andere stad lag, gedurende enige tijd zelf aan de kost moest zien te komen door van deur tot deur te zingen. In die tijd leed hij vaak honger. De sombere, bijgelovige opvattingen van toen maakten hem bang. Vaak ging hij verdrietig naar bed en zag hij de toekomst met vrees tegemoet. De angst sloeg hem om het hart als hij aan God dacht, want hij beschouwde Hem meer als een hardvochtige, meedogenloze rechter en een wrede tiran dan als een liefhebbende hemelse Vader.

Ondanks de vele redenen om ontmoedigd te zijn, streefde Luther toch vol overtuiging naar de hoge morele en intellectuele idealen die hij zich had gesteld. Hij wilde altijd méér weten en door zijn ernstige instelling en praktische aanleg had hij meer belangstelling voor dege­lijkheid en nuttigheid dan voor het opzienbarende en het oppervlakki­ge.
Toen hij op achttienjarige leeftijd aan de universiteit van Erfurt ging studeren, stond hij er financieel veel beter voor dan vroeger en waren zijn vooruitzichten gunstiger dan in zijn jeugd. Zijn ouders wa­ren door spaarzaamheid en vlijt welgesteld geworden en konden hem alle hulp bieden die hij nodig had. Onder invloed van enkele verstan­dige vrienden waren de negatieve gevolgen van zijn vroegere opvoe­ding gedeeltelijk verdwenen. Hij legde zich toe op de studie van de beste schrijvers, verwerkte vol ijver hun diepste gedachten en wilde de wijsheid van de wijzen verwerven. Ondanks de harde tucht van zijn vroegere leraren bleek hij al heel vroeg een veelbelovend student te zijn. Dankzij de goede begeleiding maakte hij snel vorderingen in zijn studie. Door zijn uitzonderlijk geheugen, zijn levendige verbeel­ding, zijn buitengewone intelligentie en zijn volledige toewijding was hij spoedig één van de beste studenten. De intellectuele discipline sti­muleerde zijn verstand, prikkelde zijn geest en scherpte zijn kritische zin, zodat hij werd gewapend voor de levensstrijd.

Luther leefde in de vreze des Heren. Daardoor kon hij in het geloof volharden en zich voor God verootmoedigen. Hij was zich altijd be­wust van zijn behoefte aan Gods hulp. Hij begon elke dag met een ge­bed en vroeg God voortdurend om leiding en steun. Hij zei dikwijls: „Goed bidden is méér dan de helft van de studie” (1 D’Aubigné, b.2, ch.2).

Toen Luther eens langs de boekenrekken in de universiteitsbiblio­theek liep, ontdekte hij een bijbel in het Latijn. Zo’n boek had hij nog nooit gezien. Hij wist zelfs niet dat zoiets bestond. Hij had wel ge­deelten uit de evangeliën en de brieven in de kerk horen voorlezen en had altijd gedacht dat de Bijbel daarmee volledig was. Voor de eerste keer in zijn leven zag hij het volledige Woord van God. Met eerbied en verwondering sloeg hij de bladen van het heilig Woord om. Zijn pols klopte sneller en zijn hart bonsde toen hij de woorden des levens las. Af en toe stopte hij even en zei: „Ik hoop dat God mij zo’n boek zal geven!” (Ibid., b.2, ch.2).
Engelen stonden naast hem en lichtstra­len van Gods troon wezen hem de weg in de schatkamer der waar­heid. Hij was altijd bang geweest dat hij God zou beledigen, maar nu werd hij zich meer dan ooit bewust van zijn zondige toestand.

Hij wilde radicaal met de zonde breken en vrede vinden bij God. Daarom besloot hij in het klooster te treden en monnik te worden. In het klooster moest hij de meest vernederende en geestdodende kar­weitjes opknappen. Hij moest van deur tot deur gaan bedelen. Hij was op een leeftijd gekomen dat de mens erg veel behoefte heeft aan waardering en begrip. Dit vernederende werk kwetste hem uitermate, maar hij verdroeg deze vernederingen geduldig omdat hij dacht dat hij op die manier voor zijn zonden moest boeten.

Zodra hij even vrij was, wijdde hij zich aan de studie. Hij sliep te weinig en gunde zich nauwelijks tijd om zijn karige maaltijden te ge­bruiken. Het liefste wat hij deed was het overdenken van Gods Woord. Hij had een bijbel gevonden die met een ketting aan de kloos­termuur lag. Hij las er vaak in. Naarmate zijn schuldgevoel groter werd, probeerde hij door zijn eigen goede werken vergeving te krij­gen en rust te vinden. Hij leidde een zeer streng leven en wilde door vasten, waken en kastijding het kwaad in hem bedwingen, want het kloosterleven had hem er niet van bevrijd.
Geen offer was hem te groot, als het hem maar van zijn zonden verloste, zodat hij door God „waardig gekeurd” kon worden. „Ik was echt een vrome monnik. Ik hield mij zeer stipt aan de regels van mijn orde. Als een monnik ooit door zijn eigen goede werken de hemel kon verdienen ,zou ik daar ze­ker voor in aanmerking komen..….. Als ik nog langer met mijn zelfkas­tijding was doorgegaan, zou ik er beslist aan bezweken zijn” (Ibid., b.2, ch.3). Hij verzwakte door de pijnlijke kastijdingen en viel vaak flauw. Hij is de gevolgen van zijn „zelfdiscipline” eigenlijk nooit helemaal te boven gekomen. Ondanks al zijn inspanningen vond hij geen rust. Op den duur was hij de wanhoop nabij.

Toen Luther dacht dat zijn geval hopeloos was, gaf God hem een vriend en helper. De vrome von Staupitz legde hem het Woord van God uit en zei dat hij zijn aandacht niet meer op zichzelf moest con­centreren en niet meer aan de eeuwige straf op de overtreding van Gods wet mocht denken.
Von Staupitz gaf hem de raad zijn denken te richten op Jezus, zijn Verlosser, die vergeving kon schenken. „Je moet je lichaam niet kastijden omdat je een zondaar bent, maar je moet tot Jezus gaan. Vertrouw op Hem, op zijn gerechtigheid, op de verzoening door zijn dood .…. Luister naar Gods Zoon. Hij werd mens om je de zekerheid van Gods genade te geven”. „Heb Hem lief die jou heeft liefgehad” (Ibid., b.2, ch 4). Dit zei de boodschapper die hem Gods genade verkondigde. Zijn woorden maakten diepe indruk op Luther. Na heel veel strijd tegen de dwalingen waar hij al zo lang in geloofde, kreeg hij steeds meer inzicht in de waarheid en kwam er een eind aan zijn verwarring.

Luther ontving de priesterwijding en werd daarna hoogleraar aan de universiteit van Wittenberg. Hij legde zich toe op de studie van de Bijbel in de oorspronkelijke talen. Hij begon college te geven over de Bijbel en leerde zijn enthousiast publiek de psalmen, de evangeliën en de brieven kennen.
Von Staupitz, zijn vriend en overste, spoorde hem aan om op de kansel te gaan en het Woord van God te preken. Luther aarzelde echter omdat hij zichzelf niet waardig vond om in de naam van Christus tot het volk te spreken. Pas na een lange strijd ging hij op het verzoek van zijn vriend in. Hij kende de Bijbel toen al grondig en Gods genade rustte op hem. Zijn welsprekendheid boeide zijn toehoorders. Door de duidelijkheid en overtuigingskracht waarmee hij de waarheid verkondigde, kon hij zijn publiek tot andere gevoelens en gedachten brengen.

Hij was nog een trouwe zoon van de rooms-katholieke kerk en zag dit trouwens als de enige mogelijkheid. Door Gods voorzienigheid werd hij ertoe gebracht een voetreis naar Rome te maken. Onderweg nam hij zijn intrek in kloosters. In Italië verbaasde hij zich over de rijkdom, pracht en weelde die hij in de kloosters zag. De monniken hadden een vorstelijk inkomen, woonden in mooie kamers, droegen de duurste mantels en smulden aan een rijk gedekte tafel.
Luther was pijnlijk getroffen door de tegenstelling tussen dit luilek­kerland en de offers en ontberingen in zijn eigen leven. Hij was ge­woon verbijsterd.

Toen hij de stad op de zeven heuvels in de verte zag verrijzen, knielde hij diep ontroerd neer en riep uit: „Heilig Rome, ik groet u!” (Ibid., b.2, ch.6). Hij trok de stad in, bezocht de kerken, luisterde naar de verhaaltjes van de priesters en monniken en vervulde alle gods­dienstige plichten. Overal zag hij dingen die hem met verbazing en afschuw vervulden. Hij stelde vast dat de geestelijkheid, van hoog tot laag, in zonde leefde.
Prelaten vonden het niet beneden hun waardig­heid allerlei schunnige moppen te tappen. Luther werd met stomheid geslagen door hun hemeltergend gedrag, dat ze zelfs tijdens de mis niet konden nalaten. Bij zijn contacten met monniken en burgers merkte hij dat losbandigheid en uitspattingen welig tierden. Overal waar hij kwam, vond hij heiligschennis in plaats van heiligheid. „Men kan zich gewoon niet voorstellen welke zonden en gruwelen er in Rome worden bedreven. Men moet het met eigen ogen zien en met eigen oren horen. Daarom zeggen de mensen dikwijls: „Als er een hel is, dan is Rome erop gebouwd: Het is een poel van alle denkbare gru­welen” (Ibid., b.2, ch.6).

Kort tevoren had de paus een aflaat beloofd aan iedereen die op zijn knieën de Pilatustrap zou beklimmen. Volgens de overlevering zou Christus via deze trap naar beneden zijn gegaan toen Hij de Ro­meinse rechtszaal verliet; de trap zou later op wonderbaarlijke wijze van Jeruzalem naar Rome zijn overgebracht. Eens ging Luther op zijn knieën deze trap op. Plots zei een stem als een donderslag: „De recht­vaardige zal uit geloof leven” (Romeinen 1:17). Hij sprong onmid­dellijk overeind. Beschaamd en vol afgrijzen ging hij zo vlug moge­lijk weg.
Deze tekst heeft hem trouwens nooit meer losgelaten. Vanaf dat ogenblik besefte hij duidelijker dan ooit dat het helemaal geen zin heeft om voor zijn zaligheid op eigen goede werken te rekenen en be­greep hij de noodzaak van een vast geloof in de verdiensten van Christus. Zijn ogen waren nu voorgoed geopend voor de misleidingen van het pausdom. Hij keerde Rome letterlijk en figuurlijk de rug toe. Dit was het begin van de steeds groter wordende kloof tussen hem en de rooms-katholieke kerk die tenslotte uitliep op een definitieve breuk met Rome.

Na zijn terugkeer uit Rome promoveerde hij tot doctor in de godge­leerdheid aan de universiteit van Wittenberg. Vanaf dat ogenblik kon hij zich meer dan ooit toeleggen op het onderzoek van de Bijbel. Hij had zich heilig voorgenomen zijn geliefkoosd onderwerp, het Woord van God, elke dag van zijn leven grondig te bestuderen en alleen de Schrift – niet de uitspraken en leerstellingen van pausen – in alle ge­trouwheid te verkondigen. Hij was nu niet alleen monnik en hoogleraar, maar ook de gezaghebbende verdediger van de Bijbel. God had hem uitgekozen om de herder te zijn van zijn kudde, die naar waar­heid hongerde en dorstte. Hij verklaarde uitdrukkelijk dat christenen alleen leerstellingen mochten aannemen die op het gezag van de Hei­lige Schrift steunden. Deze woorden, die het grondbeginsel van de Hervorming uitdrukken, ondermijnden de grondslag van het pauselijk oppergezag.

Luther begreep hoe gevaarlijk het is als menselijke theorieën boven het Woord van God worden geplaatst. Hij viel de speculatieve wijsbe­geerte van de scholastici onvervaard aan. Hij kantte zich tegen de filo­sofie en theologie die zó lang het denken van de mensen hadden beïn­vloed. Hij vond ze niet alleen nutteloos, maar ook gevaarlijk. Hij probeerde zijn toehoorders af te wenden van de drogredenen van filo­sofen en theologen en wilde hun aandacht vestigen op de eeuwige waarheden die de profeten en apostelen hadden verkondigd.

De mensen luisterden aandachtig naar zijn waardevolle boodschap. Zij hadden zoiets nog nooit gehoord. Het goede nieuws van een lief­devolle Heiland en de verzekering van vergeving en vrede door zijn verzoenend bloed maakte de mensen blij en gaf hun een onverganke­lijke hoop. In Wittenberg werd een licht ontstoken dat tot de verste uithoeken van de aarde zou schijnen en tot het einde der tijden steeds helderder zou stralen.

Licht en duisternis kunnen echter niet samengaan. Waarheid en dwaling zijn absoluut onverenigbaar. Als men de waarheid verkon­digt en verdedigt, valt men onvermijdelijk het bedrog aan, en omge­keerd. Christus zei: „Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard” (Matteüs 10:34). Enkele jaren na het begin van de Her­vorming zei Luther: „God leidt me niet, Hij stuwt me voort. Hij sleept me mee. Ik ben geen baas meer over mezelf. Ik wil rustig le­ven, maar moet van Hem in het strijdperk treden” (D’Aubigné, b.5, ch.2). Hij stond op het punt dat ook te doen.

De rooms-katholieke kerk had Gods genade tot koopwaar gemaakt. De tafels van de geldwisselaars (Matteüs 21:12) stonden naast haar altaren. Kopers en verkopers boden luidkeels tegen elkaar op. De paus had geld nodig voor de bouw van de Sint-Pieterskerk in Rome en bood onder dit voorwendsel in het openbaar aflaten voor de zonde te koop aan. Met de prijs die de mensen voor hun zonden betaalden, wilde hij een tempel voor God bouwen en met het loon van de onge­rechtigheid zou hij de hoeksteen leggen! Maar de middelen die werden gekozen om Rome luisterrijker te maken, brachten een zware slag toe aan haar grootheid en macht. Hierdoor werd één van de hardnek­kigste en meest succesvolle vijanden van het pausdom tot actie aange­zet. Er ontbrandde een strijd die de pauselijke troon aan het wankelen bracht en de tiara bijna van het hoofd van de paus stootte.

Tetzel werd door Rome belast met de verkoop van aflaten in Duits­land. Hij was veroordeeld voor de gemeenste misdaden tegen de sa­menleving en was schuldig aan de ergste vergrijpen tegen Gods wet. Hij slaagde er echter in door de mazen van het net te glippen en werd ingeschakeld om de schraapzuchtige, gewetenloze plannen van de paus te bevorderen. Hij vertelde zonder enige schaamte de grofste leugens en diste allerlei verzinsels op om de onwetende, lichtgelovige massa te misleiden. Als zij Gods Woord hadden zouden zij niet om de tuin zijn geleid. De mensen mochten de Bijbel echter niet lezen omdat men ze onder het juk van het pausdom wilde houden om de eerzuchtige leiders machtiger en rijker te maken, (zie John C. L. Giesiler, A Compen­dium of Ecclesiastical History, par.4, sec. l, par.5).

Wanneer Tetzel in een stad kwam, werd hij voorafgegaan door een heraut die aankondigde: „Wij brengen de genade van God en van de heilige Vader” (D’Aubigné, b.3, ch.l).
Het volk verwelkomde de godlasterende bedrieger alsof hij God zelf was, die uit de hemel was gekomen. Deze schandelijke handel werd in de kerk gedreven. Tetzel verkondigde vanaf de kansel dat de aflaten het kostbaarste geschenk van God waren. Hij beweerde dat elke zonde die een afnemer van zijn aflaatbrieven later zou begaan, op grond van zijn aflaten zou worden vergeven en dat de betrokkene zelfs geen berouw hoefde te hebben” (Ibid., b.3, ch.l). Hij gaf zijn publiek bovendien de verzekering dat de aflaten niet alleen de levenden, maar ook de doden konden redden. Zodra het geldstuk op de bodem van zijn geldkoffer zou rinkelen, zou de ziel van degene voor wie men had betaald uit het vagevuur worden verlost en naar de hemel gaan (zie K. R. Hagenbach, History of the Reformation, vol. l, p.96).

Toen Simon de tovenaar de apostelen geld aanbood om ook won­deren te kunnen verrichten, zei Petrus: „Uw geld zij met u ten verdërve, daar gij gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen verwer­ven” (Handelingen 8:20). Maar duizenden gingen gretig op het aan­bod van Tetzel in. Goud en zilver vloeiden in zijn schatkist. Verlos­sing die men met geld kon kopen, was gemakkelijker dan wanneer men berouw en geloof moest hebben en zich moest inspannen om de zonde te weerstaan en te overwinnen (zie Aanhangsel onder „De mis”).

De leer van de aflaten werd door geleerde en vrome mannen in de rooms-katholieke kerk bestreden. Velen hechtten absoluut geen ge­loof aan beweringen die zowel in strijd met de rede als met de open­baring waren. Geen enkele prelaat durfde deze zondige handel te ver­oordelen. De mensen werden verontrust en velen vroegen zich bezorgd af of God niet door iemand kon ingrijpen om zijn kerk te zui­veren.

Hoewel Luther nog altijd zeer pausgezind was, vervulden de god­lasterende beweringen van deze aflaatverkopers hem met afschuw. Veel monniken van zijn eigen orde hadden aflaatbrieven gekocht en gingen naar hun biechtvader om hun zonden te belijden. Ze wilden de absolutie hebben, niet omdat zij berouw hadden en hun leven wilden beteren, maar op grond van de aflaat. Luther weigerde ze echter de absolutie te geven en waarschuwde hen dat zij in hun zonden zouden sterven als ze geen berouw hadden en hun leven niet wilden beteren. Verbijsterd keerden ze naar Tetzel terug om zich erover te beklagen dat hun biechtvader zijn aflaatbrieven niet wilde aannemen. Sommi­gen wilden hun geld onmiddellijk terug hebben. Tetzel barstte van woede. Hij sprak de vreselijkste vloeken uit, liet vuren op de pleinen aansteken en verklaarde dat „de paus hem de opdracht had gegeven alle ketters die zich tegen zijn allerheiligste aflaten zouden verzetten, te laten verbranden” (D’Aubigné, b.3, ch.4).

Luther trad toen onbevreesd in het strijdperk als voorvechter van de waarheid. Hij liet zijn plechtige waarschuwing van de kansel horen. Hij wees het volk op het weerzinwekkende van de zonde en leerde dat de mens onmogelijk door eigen werken zijn schuld kan verminderen of aan de straf kan ontkomen. De zondaar kan alleen gered worden door zijn berouw tegenover God en door geloof in Christus. De genade van Christus is geen koopwaar, maar een geschenk. Hij gaf de mensen de raad geen aflaten te kopen, maar hun vertrouwen te stellen in de ge­kruisigde Christus. Hij vertelde zijn eigen pijnlijke ervaring toen hij tevergeefs zijn zaligheid wilde bewerken door zelfkastijding en boetedoening en hij verzekerde zijn toehoorders dat hij vrede en vreugde had gevonden toen hij zijn aandacht niet meer op zichzelf concen­treerde, maar in Christus geloofde.

Toen Tetzel niet met zijn handel en goddeloze beweringen wilde ophouden besloot Luther krachtiger te protesteren tegen zijn hemeltergende misbruiken. Kort daarna kreeg hij daartoe de kans. In de slotkerk van Wittenberg waren er veel relikwieën die op bepaalde kerkelijke feestdagen aan het volk werden getoond. Iedereen die op zo’n hoogtijdag naar de kerk ging en biechtte, kreeg volledige kwijt­schelding van zonden. Het volk stroomde op die dagen dan ook naar de kerk. Eén van de belangrijkste kerkelijke feestdagen, het feest van Allerheiligen, naderde. De dag vóór het feest liep Luther mee met de mensen die al op weg waren naar de kerk en plakte zijn vijfennegen­tig stellingen tegen de leer van de aflaten op de kerkdeur. Hij ver­klaarde daarin dat hij bereid was de volgende dag zijn stellingen op de universiteit te verdedigen tegen alle bezwaren van opponenten.

Zijn stellingen waren het gesprek van de dag. Ze werden gelezen, herlezen en overal herhaald. Er was veel opschudding op de universi­teit en in de stad. Luther poneerde dat de bevoegdheid om zonden te vergeven en straffen kwijt te schelden nooit aan de paus of aan enig ander mens was gegeven. Het systeem was een klucht, een list om geld af te troggelen door handig misbruik te maken van de bijgelovig­heid van het volk, een plan van Satan om de levens van allen die zul­ke leugens willen geloven in het verderf te storten. Hij stelde dat het evangelie van Christus de kostbaarste schat van de kerk is en dat de genade van God die daarin geopenbaard wordt overvloedig wordt verleend aan allen die er in geloof en in ootmoed naar verlangen.

De stellingen van Luther lokten discussie uit, maar niemand durfde op zijn uitdaging in te gaan. De problemen die hij stelde, werden in enkele dagen tijd over het hele Duitse rijk verspreid en vonden in en­kele weken tijd in heel Europa weerklank. Veel trouwe rooms-katho­lieken die het vreselijke zedenverval in de kerk zagen en betreurden, maar niet wisten hoe ze de voortwoekering ervan moesten stuiten, na­men met grote blijdschap kennis van de stellingen en dachten dat God nu wel zou ingrijpen en zijn hand zou uitstrekken om de snel wassen­de vloed van corruptie die van de pauselijke stoel uitging te keren. De vorsten en notabelen lachten in hun vuistje omdat de macht die hun het recht ontzegde tegen haar beslissingen in hoger beroep te gaan, zou worden gekortwiekt.

Maar de aan de zonde verknochte, bijgelovige massa was ontsteld toen de drogredenen die hun angst hadden gesust, stuk voor stuk wer­den weerlegd. De sluwe geestelijken waren woedend omdat ze wer­den gehinderd in hun pogingen om misdrijven door de vingers te zien en omdat ze zich ook financieel bedreigd voelden. Ze staken de kop­pen bij elkaar om hun zaak te verdedigen. De hervormer moest het hoofd bieden aan de felle aanvallen van zijn tegenstanders.

Sommi­gen beschuldigden hem van onbezonnen en impulsief optreden. An­deren vonden hem arrogant en beweerden dat hij niet door God werd geleid, maar werd gedreven door hoogmoed en betweterij. Zijn reac­tie was: „Het is een algemeen bekend feit dat de meeste mensen die met nieuwe ideeën komen als hoogmoedigen en onruststokers worden beschouwd .…..
Waarom zijn Christus en alle martelaren ter dood ge­bracht? Omdat men vond dat ze de wijsheid van hun tijd verachtten en omdat ze met nieuwe ideeën voor de dag kwamen zonder dat ze de gezaghebbende instanties eerst om hun zegen hadden gewaagd.”

Hij zei ook: „Wat ik wil doen, zal niet door menselijke beslissin­gen, maar door het besluit van God tot stand worden gebracht. Als God ervoor is, wie kan er dan tegen zijn? Wie zal dit werk tot een goed eind kunnen brengen als het Gods goedkeuring niet wegdraagt? Niet mijn wil, niet de hunne, niet de onze, maar uw wil, o heilige Va­der, die in de hemel is” (Ibid., b.3, ch.6).

Hoewel Luther door Gods Geest werd aangezet om tot de hervor­ming over te gaan, moest hij veel strijd leveren. De laster van zijn vij­anden, hun verkeerde voorstelling van zijn bedoelingen en de on­rechtvaardige, gemene verdachtmakingen in verband met zijn karakter en zijn motieven troffen hem zeer pijnlijk en bleven niet zon­der uitwerking.

Hij was ervan overtuigd geweest dat de leiders van het volk, zowel in de kerk als in de onderwijsinstellingen, graag met hem zouden wil­len samenwerken om de hervorming te verwezenlijken. De aanmoedi­ging van invloedrijke personen had hem met blijdschap en hoop ver­vuld. Hij zag al een nieuwe tijd voor de kerk aanbreken. Maar nu beschuldigden en veroordeelden ze hem. Veel burgerlijke en kerkelij­ke gezagsdragers waren wel overtuigd van de juistheid van zijn stellingen, maar zagen ook onmiddellijk in dat het aannemen van deze waarheden tot grote veranderingen zou leiden.
Als zij het volk infor­matie verstrekten en naar het evangelie terugvoerden, zouden zij het gezag van Rome ondermijnen, de duizenden inkomstenbronnen van haar schatkist afsnijden en daardoor de weelde en verkwisting van de kerkelijke leiders grotendeels besnoeien.
Als zij het volk kritisch leer­den denken en leerden dat zij op Christus moesten vertrouwen voor hun verlossing zouden ze de pauselijke troon omverwerpen en uitein­delijk hun eigen gezag ondermijnen. Daarom wezen zij de kennis die van God kwam van de hand en stelden zij zich op tegen Christus en de waarheid door hun verzet tegen de man die God had gezonden om hun meer inzicht te geven.

Luther beefde wanneer hij eraan dacht dat hij alleen stond tegen­over de grootste machten op aarde. Hij twijfelde er soms aan of God hem inderdaad in zijn verzet tegen het gezag van de kerk had geleid. „Wie was ik dat ik mij wilde verzetten tegen de majesteit van de paus, voor wie … de koningen der aarde en alle mensen beefden? …
Niemand weet welke angst ik in de eerste twee jaar heb doorstaan en hoe moedeloos, ja hoe wanhopig ik toen was” (Ibid., b.3, ch.6). Maar God zorgde ervoor dat er een eind kwam aan zijn ontmoediging. Toen de mensen hem in de steek lieten, rekende hij alleen op God en besef­te hij dat hij helemaal veilig was als God zijn bondgenoot was.

Luther schreef aan een vriend die positief stond tegenover de Her­vorming: „Wij kunnen de Bijbel niet door studie of door ons eigen verstand doorgronden. Je moet eerst bidden. Bid God om je in zijn grote genade het juiste inzicht in zijn Woord te schenken.
Er is geen andere uitlegger voor het Woord van God dan de Schrijver van het Woord, die immers zelf heeft gezegd: ,,Ik leer en onderwijs u aan­gaande de weg die gij gaan moet”.
Reken niet op je eigen werken, vertrouw niet op je eigen inzichten, maar op God alleen en op de in­vloed van zijn Geest. Neem dit aan van iemand die uit ervaring spreekt” (Ibid., b.3, ch.7). Dit is een uitermate belangrijke les voor degenen die denken dat God hen geroepen heeft om de plechtige waarheden voor hun tijd aan anderen bekend te maken. Deze waarhe­den zullen de vijandschap van Satan en van de mensen die dol zijn op hun eigen verzinsels opwekken. Voor de strijd tegen de machten van het kwaad is er meer nodig dan intelligentie en menselijke wijsheid.

Wanneer zijn vijanden zich op de gebruiken van de kerk, op de overlevering of op de uitspraken en het gezag van de paus beriepen, weerlegde Luther alles met de Bijbel en met de Bijbel alléén. Zij wa­ren machteloos tegenover dit wapen. Daarom wilden de slaven van vormendienst en bijgeloof hem vermoorden. Ze volgden het voor­beeld van de joden, die luidkeels om het bloed van Christus hadden geroepen. „Hij is een ketter”, brulden de rooms-katholieke fanatici.
„Het is hoogverraad tegen de kerk als men zo’n ketter nog een uur langer laat leven. Breng hem onmiddellijk naar het schavot” (Ibid., b.3, ch.9).
Luther viel niet ten prooi aan hun woede. God had een taak voor hem weggelegd. Hij zond engelen uit de hemel om Luther te be­schermen. Velen die van Luther het kostbare licht hadden ontvangen, werden het mikpunt van Satans gramschap en doorstonden onbe­vreesd foltering en dood ter wille van de waarheid.

Luthers leerstellingen trokken de aandacht van alle kritische gees­ten in het Duitse rijk. Zijn preken en publicaties droegen bij tot de be­wustwording van duizenden en verschaften hun inzicht. Een levend geloof kwam in de plaats van het dode formalisme, dat de gelovigen zo lang slaafs hadden gevolgd. Elke dag opnieuw verloren de mensen hun vertrouwen in de bijgelovige praktijken van het rooms-katholicisme. Vooroordelen moesten wijken. Het Woord van God, waaraan Luther iedere leerstelling en iedere uitspraak toetste, was als een tweesnijdend zwaard dat diep in de harten van de mensen doordrong.
Overal begon men naar vooruitgang in het geestelijk leven te verlan­gen. Overal dorstten de mensen naar gerechtigheid. Zoiets was al in eeuwen niet meer voorgekomen. De mensen die zó lang hun vertrou­wen in menselijke riten en aardse middelaars hadden gesteld, kwamen vol berouw en in geloof „tot Christus en die gekruisigd”.

De algemene belangstelling verontrustte de rooms-katholieke lei­ders nog meer. Luther werd gedagvaard om zich in Rome te verant­woorden voor zijn ketterijen. Zijn vrienden werden bang toen ze hoorden dat er zo’n bevel was uitgevaardigd. Ze waren zich maar al te goed bewust van het gevaar dat hem bedreigde in die verdorven stad, die reeds dronken was van het bloed van de martelaren voor Christus. Zij protesteerden tegen zijn vertrek naar Rome en vroegen of hij zich in eigen land mocht verdedigen.

Rome keurde dit voorstel na enige tijd goed. Er werd een pauselij­ke legaat aangewezen om de zaak te behandelen. In de richtlijnen die hij van de paus kreeg, werd gezegd dat Luther al tot ketter was ver­oordeeld. Daarom moest de legaat hem „onverwijld vervolgen en la­ten opsluiten”. Als hij zich bleef verzetten en als de legaat er niet in slaagde hem te grijpen, mocht hij „hem in elke streek van het Duitse rijk vogelvrij laten verklaren. Al zijn aanhangers moesten worden verbannen, vervloekt en in de ban van de kerk worden gedaan” (Ibid., b.4, ch.2).

Met het oog op de definitieve uitroeiing van deze „verderfelijke ketterij” gaf de paus zijn legaat bovendien opdracht dat allen die wei­gerden Luther en zijn aanhangers gevangen te nemen om hen aan de wraak van Rome over te leveren ook in de ban van de kerk moesten worden gedaan, ongeacht hun burgerlijke of kerkelijke functie. Er mocht alleen een uitzondering worden gemaakt voor de keizer.

Hieruit bleek de ware geest van het pausdom. Er was geen greintje christelijke naastenliefde en zelfs geen gevoel van elementaire recht­vaardigheid in het hele document te vinden. Luther was ver van Rome. Hij was niet in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uit te leggen of te verdedigen. Nog voor zijn zaak was onderzocht, werd hij zonder vorm van proces tot ketter veroordeeld en op dezelfde dag ver­maand, beschuldigd en gevonnist. Dit was dan het werk van een man die zichzelf „Heilige Vader” noemde en zichzelf als de enige, hoog­ste en onfeilbare autoriteit in Kerk en Staat beschouwde!

In die dagen toen Luther zoveel behoefte had aan begrip en steun van een ware vriend zond God in zijn voorzienigheid Melanchton naar Wittenberg. Hij was jong, bescheiden en bedachtzaam en stond bij iedereen in hoog aanzien vanwege zijn gezond oordeel, zijn gron­dige kennis, zijn innemendheid, zijn welsprekendheid en zijn recht­schapenheid. Hij viel op door zijn uitzonderlijke talenten en zijn inne­mend karakter. Na heel korte tijd werd hij een oprechte volgeling van het evangelie en de beste vriend en meest gewaardeerde aanhanger van Luther. Zijn vriendelijkheid, voorzichtigheid en stiptheid vulden de moed en werkkracht van Luther aan. Hun samenwerking kwam de Hervorming buitengewoon ten goede en was ook een bron van aan­moediging voor Luther.

Het proces zou in Augsburg plaatsvinden. De hervormer ging er te voet heen. Men was erg bezorgd over het lot dat hem te wachten stond. Zijn tegenstanders hadden openlijk gezegd dat ze hem onder­weg gevangen zouden nemen en vermoorden. Zijn vrienden smeekten hem om zich niet in het hol van de leeuw te wagen. Ze hadden hem zelfs dringend verzocht voor enige tijd uit Wittenberg weg te gaan en een veilige schuilplaats te zoeken bij degenen die hem wilden be­schermen. Maar Luther wilde de plaats die God hem had aangewezen niet verlaten. Hij moest ondanks de stormen die hem boven het hoofd hingen trouw blijven aan de waarheid. Hij zei: „Ik ben zoals Jeremia een strijder en een teken van verdeeldheid. Hoe erger hun bedreigin­gen, des te groter mijn blijdschap. Mijn goede naam en faam hebben ze al door de modder gehaald. Ik heb nog één ding: mijn ellendig li­chaam. Als ze me gevangen nemen, kunnen ze mijn leven maar een paar uur verkorten. Maar aan mijn ziel kunnen ze niet komen. Wie het Woord van Christus aan de wereld wil brengen, moet op elk ogenblik gereed zijn om te sterven” (Ibid., b.4, ch.4).

De pauselijke legaat was heel blij toen hij hoorde dat Luther in Augsburg was aangekomen. De vervelende ketter die de aandacht van de hele wereld op zich vestigde, scheen nu in de macht van Rome en de legaat was vastbesloten hem niet te laten ontsnappen.
De hervor­mer had niet voor een vrij geleide gezorgd. Zijn vrienden hadden hem gesmeekt niet zonder vrijgeleide voor de legaat te verschijnen; daar­om zorgden zij zelf voor een vrijgeleide van de keizer. De legaat wil­de Luther zo mogelijk alles laten herroepen. Als hij daar niet in slaag­de, zou hij hem naar Rome laten overbrengen om hetzelfde lot als Hus en Hiëronymus te ondergaan. Daarom probeerde hij Luther door middel van tussenpersonen zover te krijgen dat hij zonder vrijgeleide zou verschijnen, waardoor hij aan zijn genade overgeleverd zou zijn. De hervormer wees dit onvoorwaardelijk van de hand. Pas toen hij het document had ontvangen waarin hem de bescherming van de kei­zer werd toegezegd, verscheen hij voor de afgezant van de paus.

De rooms-katholieken wilden Luther door vriendelijkheid voor zich winnen. De legaat deed zich heel vriendelijk voor in zijn ge­sprekken met Luther, maar eiste dat Luther zich onvoorwaardelijk aan het gezag van de kerk zou onderwerpen en ieder punt zonder discus­sie of twijfel zou toegeven. De legaat had het karakter van de man met wie hij te doen had niet juist beoordeeld. Luther zei in zijn repliek dat hij eerbied had voor de kerk, naar waarheid verlangde, bereid was alle bezwaren tegen zijn leerstellingen te beantwoorden en ze ook aan sommige belangrijke universiteiten wilde voorleggen.
Hij protesteer­de echter ook tegen de tactiek van de kardinaal, die eiste dat hij zijn leer zou herroepen zonder dat hij hem had aangetoond op welke pun­ten hij dwaalde. Het enige antwoord dat hij daarop gaf, was: „Je moet alles herroepen!” De hervormer toonde aan dat hij zijn standpunten aan de hand van de Bijbel kon bewijzen. Hij verklaarde uitdrukkelijk dat hij de waarheid niet kon herroepen, de legaat kon de argumenten van Luther niet weerleggen en overstelpte hem met een vloed van verwijten, hatelijkheden en vleierij, doorspekt met citaten uit de tradi­tie en uitspraken van de kerkvaders, maar gaf de hervormer geen kans aan het woord te komen. Luther begreep dat de bijeenkomst op die manier helemaal zinloos zou zijn en kreeg met veel moeite toestem­ming om schriftelijk te antwoorden. Hij schreef aan een vriend: „Door deze benadering hebben de verdrukten twee voordelen: In de eerste plaats kan men iets dat schriftelijk is vastgelegd aan het oordeel van anderen voorleggen; in de tweede plaats kan men beter gebruik maken van vrees en eventueel ook invloed uitoefenen op het geweten van een verwaande, wauwelende despoot, die je anders door zijn aan­matigende taal zou overdonderen” (Martyn, The Life and Times of Luther, pp. 271,272).

Bij het volgende onderhoud gaf Luther een duidelijke, beknopte en overtuigende uiteenzetting van zijn opvattingen, gestaafd met een groot aantal bijbelteksten. Nadat hij de uiteenzetting had voorgelezen, gaf hij de tekst aan de kardinaal, die het document echter met minach­ting terzijde schoof en zei: „Een hoop ijdele woorden en irrelevante citaten!” Luther ging toen over in het offensief en viel de trotse pre­laat aan op zijn eigen terrein: de traditie en de leer van de kerk. Luther boorde al zijn beweringen in de grond.

Toen de prelaat zag dat Luthers uiteenzetting onweerlegbaar was, barstte hij van woede en brulde: „Herroep alles of ik laat je naar Rome overbrengen om te verschijnen voor de rechters die jouw dos­siers hebben onderzocht. Ik zal je in de ban doen, met al je aanhan­gers en sympathisanten en jullie uit de kerk stoten”. Hij besloot zijn scheldpartij op een hoogmoedige en nijdige toon: „Herroep alles of verdwijn” (D’Aubigné, b.4, ch.8).

De hervormer trok zich onmiddellijk met zijn vrienden terug. Hiermee wilde hij duidelijk te kennen geven dat ze er niet op hoefden te rekenen dat hij iets zou herroepen. Dat was niet de bedoeling van de kardinaal geweest. Hij had zich met de hoop gevleid dat hij Luther met geweld tot onderwerping kon brengen. Hij bleef alleen met zijn aanhangers achter. Ze keken elkaar uiterst geërgerd aan vanwege de onverwachte mislukking van hun listen.

De ontmoeting was niet nutteloos. De vele aanwezigen konden de twee mannen met elkaar vergelijken en zelf oordelen over hun instel­ling, degelijkheid en oprechtheid. Wat een opvallende tegenstelling! De hervormer was eenvoudig, nederig, overtuigd en sterk in de kracht van God, met de waarheid aan zijn kant. De vertegenwoordiger van de paus was verwaand, aanmatigend, trots en onredelijk; hij voerde geen enkel argument uit de Bijbel aan, maar schreeuwde: „Herroep alles of ik laat je naar Rome overbrengen om gestraft te worden.”

Hoewel Luther een vrijgeleide had gekregen, wilden de aanhangers van de paus hem grijpen en in de gevangenis laten opsluiten. Zijn vrienden zeiden hem dat het helemaal geen zin had nog langer te blij­ven. Ze vonden dat hij onmiddellijk naar Wittenberg moest terugke­ren. Men moest ervoor zorgen dat niets van deze plannen uitlekte. Vóór zonsopgang verliet hij Augsburg te paard en was slechts verge­zeld door een gids die het stadsbestuur hem ter beschikking had ge­steld.

Met angstige voorgevoelens trok hij door de donkere, stille stra­ten van de stad. Waakzame en wrede vijanden wilden hem vermoorden. Zou hij ontkomen aan de strikken die zij hadden gespan­nen? Hij was erg bang, maar vond kracht in het gebed. Hij kwam aan een kleine poort in de stadsmuur, die voor hem werd geopend zodat hij ongehinderd met zijn gids verder kon trekken. Toen zij eenmaal veilig buiten de stad waren, spoorden de vluchtelingen de paarden aan om harder te draven. Toen de legaat hoorde dat Luther was vertrok­ken, was hij al buiten het bereik van zijn vervolgers. Satan en zijn me­dewerkers hadden het onderspit gedolven. Ze dachten dat ze Luther in hun macht hadden, maar hij ontkwam als een vogel aan de strik van de vogelvanger.

Toen de legaat vernam dat Luther ontsnapt was, werden zijn verba­zing en zijn woede hem te machtig. Hij had gehoopt dat hij geëerd zou worden voor zijn wijsheid en voor de manier waarop hij deze rustverstoorder had aangepakt. Maar daarin had hij zich deerlijk ver­gist. In een brief aan Frederik, keurvorst van Saksen, gaf hij uiting aan zijn woede en viel hij Luther fel aan. De legaat wilde dat keur­vorst Frederik de hervormer naar Rome zou sturen of hem uit Saksen zou verbannen.

In zijn verweerschrift drong Luther erop aan dat de legaat of de paus hem op grond van de Bijbel zou bewijzen dat hij dwaalde. Hij beloofde plechtig dat hij zijn leerstellingen zou herroepen als zij kon­den aantonen dat zijn leer in strijd was met Gods Woord. Hij dankte God dat hij waardig bevonden was om voor zo’n heilige zaak te lij­den.

De keurvorst kende nog niet veel van de leerstellingen van de Re­formatie, maar de oprechtheid, kracht en duidelijkheid van Luthers woorden hadden grote indruk op hem gemaakt. Frederik besloot de hervormer te beschermen tot men had bewezen dat hij dwaalde. In antwoord op het verzoek van de legaat schreef hij: „Aangezien dr. Maarten Luther te Augsburg verschenen is, zou u daar genoegen mee moeten nemen. Wij hadden niet gedacht dat u hem zou willen laten herroepen zonder hem van zijn dwaling te hebben overtuigd. Geen enkele geleerde in ons vorstendom heeft mij laten weten dat de leer van Luther goddeloos, antichristelijk of ketters is”. Bovendien wei­gerde de vorst Luther naar Rome te sturen of hem uit zijn vorstendom te verbannen” (D’Aubigné, b.4, ch.10).

De keurvorst was er zich van bewust dat er grondige hervormingen nodig zouden zijn om een eind te maken aan het algemene zedenverval in de samenleving. Het ingewikkelde en dure gerechtsapparaat, dat misdrijven moest beteugelen en bestraffen, zou overbodig zijn als de mensen de geboden van God en de stem van hun gevormd geweten zouden erkennen en gehoorzamen. Hij wist dat Luther hiernaar streefde en verheugde er zich in stilte over dat een frisse wind door de kerk begon te waaien.

Hij wist ook dat Luther zijn werk op de universiteit uitstekend deed. De hervormer had zijn leerstellingen amper een jaar geleden aan de slotkerk geplakt, maar het aantal pelgrims dat op Allerheiligen naar de kerk kwam, was al sterk verminderd. Rome had minder kerkgangers en offergaven, maar er kwamen nu andere mensen naar Wittenberg: geen pelgrims om relikwieën te vereren, maar studenten die de collegezalen vulden. De publicaties van Luther hadden overal be­langstelling gewekt voor de Heilige Schrift.
Niet alleen uit alle delen van Duitsland, maar ook uit andere landen kwamen studenten bij Luther college lopen. Jongemannen die voor de eerste keer Wittenberg zagen „hieven hun handen naar de hemel en loofden God omdat Hij het licht van de waarheid uit deze stad had laten schijnen. Wittenberg werd als het Sion van vroeger zijn licht bereikte zelfs de verst afgelegen landen.” (Ibid., b.4, ch.10).

Luther was nog maar gedeeltelijk van de dwalingen van het rooms- katholicisme bekeerd. Hij stond telkens stomverbaasd wanneer hij de Bijbel met de pauselijke decreten en verordeningen vergeleek. Hij schreef: „Ik ben de decreten van de pausen aan het lezen en… ik weet niet of de paus de antichrist zelf of zijn apostel is, want Christus wordt in de pauselijke documenten helemaal verkeerd voorgesteld en gekruisigd” (Ibid., b.5, ch.l). Toch was Luther op dat ogenblik nog een aanhanger van de roomse kerk en dacht hij er helemaal niet aan ooit met die kerk zou breken.

De werken en de leer van de hervormer werden in alle landen van Europa verspreid. Het werk breidde zich uit tot Zwitserland en Nederland. Zijn publicaties werden uitgegeven in Frankrijk en Spanje. In England werd zijn leer ontvangen als het levende woord. Ook in Nederland en Italië drong de waarheid door. Duizenden ontwaakten uit hun geestelijke slaap en kenden de vreugde en hoop van een rijk ge­loofsleven.

De aanvallen van Luther ergerden Rome steeds meer. Sommige van zijn fanatieke tegenstanders en zelfs enkele geleerden van rooms-katholieke universiteiten beweerden dat hij die de opstandige Luther vermoordde geen zonde deed. Eens kwam een onbekende man met een pistool onder zijn mantel op Luther af. Hij vroeg de hervormer waarom hij alleen op weg was gegaan. „Ik ben in Gods hand”, ant­woordde Luther. „Hij is mijn kracht en mijn schild. Wat kan een mens dan tegen mij doen?” (Ibid., b.6, ch.2). Toen de onbekende dit hoorde, schrok hij en vluchtte. Het was alsof hij door engelen werd achtervolgd.”

Rome wilde Luther absoluut uit de weg ruimen, maar God be­schermde hem. Zijn leer werd overal verkondigd – „in huizen en kloosters ….. in de kastelen van edelen, op de universiteiten en in de paleizen van koningen”. Overal werd hij door fijne mensen gesteund. (Ibid., b.6, ch.2)

In die tijd ontdekte Luther bij het lezen van de publicaties van Hus dat de belangrijke waarheid van de rechtvaardiging door het geloof die hij verdedigde en verkondigde ook door de hervormer uit Bohemen was onderwezen. „Wij allen – Paulus, Augustinus en ik zelf -zijn zonder dat wij het wisten Hussieten geweest!” „God zal de we­reld zeker laten weten dat de waarheid een eeuw geleden is gepredikt en met vuur is bestreden!” (Wylie, b.6, ch. 1).

In een oproep tot de keizer en de Duitse adel ten gunste van de her­vorming van het christendom schreef Luther over de paus: „Het is verschrikkelijk dat de man die zich de stedehouder van Christus noemt een pracht ten toon spreidt die geen enkele keizer kan evena­ren. Is hij zoals de arme Jezus en de nederige Petrus? Men noemt hem de heer van de wereld! Maar Christus, wiens plaatsvervanger hij be­weert te zijn, zei: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.” Kan de heerschappij van een stedehouder verder reiken dan die van zijn meerdere?” (D’Aubigné, b.6, ch.3).

Over de universiteiten schreef Luther het volgende: „Ik vrees ten zeerste dat de universiteiten de grote poorten van de hel zullen blijken te zijn als ze zich niet volledig inspannen om de Heilige Schrift uit te leggen en haar in het verstand van de jongeren griffen. Ik raad ieder­een aan zijn kinderen niet te sturen naar instellingen waar de Schrift niet de eerste plaats inneemt. Iedere instelling waar mensen niet voortdurend met Gods Woord bezig zijn, wordt zeker verdorven” (Ibid., b.6, ch.3).

Deze oproep werd snel in het hele Duitse rijk verspreid en had gro­te invloed op de bevolking. Het hele rijk werd in beroering gebracht en zeer velen sloten zich aan bij de Hervorming. Luthers tegenstan­ders waren weer op wraak belust. Ze verzochten de paus dringend om radicale maatregelen tegen hem te nemen. Er werd bepaald dat zijn leer onmiddellijk veroordeeld moest worden. De hervormer en zijn aanhangers kregen zestig dagen de tijd. Als zij hun dwaling niet open­lijk wilden erkennen, zouden ze in de ban van de kerk worden ge­daan.

Dit was een vreselijke beproeving voor de Hervorming. Eeuwen­lang had de banvloek van Rome machtige vorsten met angst vervuld en grote rijken in nood en ellende gedompeld. Zij die door de ban­vloek waren getroffen, werden door iedereen met vrees en afschuw behandeld. Ze mochten geen contact meer hebben met hun medemen­sen. Ze werden vogelvrij verklaard, vervolgd en uitgeroeid. Luther was niet blind voor de storm die over hem zou losbarsten.
Hij week echter geen duimbreed en was er zeker van dat Christus zijn steun en schild zou zijn. Met het geloof en de moed van een martelaar schreef hij: ,,Ik weet niet wat er ons te wachten staat. Het doet er trouwens niet toe … Laat de slag maar neerkomen; ik ben niet bang. Zelfs een blad valt niet van de boom zonder dat onze hemelse Vader het wil.
Hoeveel te meer zal Hij voor ons zorgen! Het valt mij niet zwaar voor het Woord te sterven, aangezien het Woord dat vleesgeworden is, zelf gestorven is. Als wij met Hem sterven, zullen wij met Hem leven. Als wij meemaken wat Hij vóór ons heeft meegemaakt, zullen wij komen waar Hij is en eeuwig bij Hem blijven” (Ibid., 3d London ed., Walther, 1840,b.6,ch.9).

Toen Luther de pauselijke bul ontving, zei hij: „Ik veracht en ver­werp deze bul, omdat zij goddeloos en vals is… Christus zelf wordt erin veroordeeld … Ik ben blij dat ik zoveel moet lijden voor de beste zaak ter wereld. Ik voel me al heel wat vrijer. Nu weet ik tenminste dat de paus de antichrist is en dat hij op de troon van Satan zit” (D’Aubigné, b.6, ch.9).




Toch bleef het bevelschrift van Rome niet zonder uitwerking. Ge­vangenschap, foltering en het zwaard waren wapens die gehoorzaam­heid konden afdwingen. De zwakke, bijgelovige massa beefde voor het decreet van de paus. Velen sympathiseerden wel met Luther, maar vonden dat hun leven te veel waard was om het voor de Hervorming in de waagschaal te stellen.
Alles scheen erop te wijzen dat dit de ge­nadeslag voor het werk van de hervormer zou zijn.

Maar Luther was nog altijd even onbevreesd. Rome had haar ban­vloeken over hem uitgesproken. De wereld keek toe. Iedereen was er zeker van dat hij zijn verzet met de dood zou moeten bekopen of zou moeten zwichten. Maar met volle overtuiging verwierp hij het vonnis van de paus en verklaarde in het openbaar dat hij vastbesloten was de­finitief met Rome te breken. In aanwezigheid van studenten, geleer­den en burgers van elke stand verbrandde Luther de pauselijke bul, samen met de kerkelijke wetten, de pauselijke beslissingen en sommi­ge werken waarin de macht van de paus werd verdedigd.

„Mijn vijan­den hebben door het verbranden van mijn boeken in de geest van het gewone volk afbreuk gedaan aan de waarheid en zijn erin geslaagd hun ziel te verwoesten. Daarom heb ik hun boeken ook verbrand. Dit is het begin van een ernstige strijd. Tot nu toe heb ik de paus heel zacht aangepakt. Ik ben dit werk in opdracht van God begonnen. Het zal zonder mij, maar door Zijn macht, worden voltooid” (Ibid., b.6, ch.10).

Toen zijn vijanden hem spottend wezen op het feit dat zijn zaak er zo slecht voor stond, antwoordde Luther: „Wie weet of God mij niet gekozen en geroepen heeft. Zij zouden zich moeten afvragen of zij God niet verwerpen als ze met mij spotten. Bij het vertrek uit Egypte stond Mozes alleen. Elia stond alleen in het rijk van koning Achab.
Jesaja stond alleen in Jeruzalem. Ezechiël stond alleen in Babyion … God heeft nooit de hogepriester of een andere belangrijke persoonlijk­heid als profeet uitgekozen. Hij koos gewoonlijk nederige, verachte mannen. Eens koos hij zelfs een schapenfokker: Amos.
De heiligen hebben altijd invloedrijke mensen, koningen, vorsten, priesters en wijzen moeten vermanen en hebben daardoor zelfs hun eigen leven in gevaar gebracht …Ik zeg niet dat ik een profeet ben, maar beweer wel dat zij heel voorzichtig moeten zijn omdat ik alleen sta en zij talrijk zijn. Ik ben er zeker van dat het Woord van God mij gelijk geeft en dat zij ongelijk hebben” (Ibid., b.6, ch.10).

Pas na een vreselijke innerlijke strijd besloot Luther definitief met de kerk te breken. In die tijd schreef hij: „Het wordt me elke dag dui­delijker hoe moeilijk het is de gewetensbezwaren die je van kinds­been af hebt meegekregen van je af te zetten. Hoewel de Schrift mij gelijk gaf, heeft het mij toch enorm veel pijn gedaan toen ik mij tegen de paus verzette en hem de antichrist noemde!
Mijn hart heeft veel beproevingen doorstaan. Ik heb mezelf vaak verbitterd de vraag ge­steld die ik al zo vaak van de verdedigers van de paus had gehoord: „Ben jij alleen verstandig? Hebben alle anderen ongelijk? En als jij het nou bij het verkeerde eind hebt en in je dwaling zoveel zielen meesleept die voor eeuwig verdoemd zullen zijn?” „Het was alsof ik tegen mezelf en tegen Satan vocht tot Christus mij met zijn onfeilbaar Woord kracht gaf en een eind maakte aan mijn twijfel” (Martyn, pp.372,373).
De paus had gedreigd Luther in de ban van de kerk te zullen doen als hij zijn dwalingen niet wilde herroepen. Deze bedreiging werd nu uitgevoerd. Er werd een nieuwe bul uitgegeven waarin Luthers defini­tieve breuk met de rooms-katholieke kerk bekend werd gemaakt en de hervormer werd gebrandmerkt als een door God vervloekte, terwijl allen die zijn leer zouden aannemen door dezelfde veroordeling wer­den getroffen. De grote strijd was nu in alle hevigheid ontbrand.

Iedereen die door God wordt uitgekozen om de waarheid voor zijn tijd te verkondigen, moet op verzet rekenen. In Luthers dagen was er een belangrijke waarheid die speciaal voor zijn tijd bestemd was. Er is ook een speciale waarheid voor Gods gemeente in die tijd. De Al­machtige plaatst mensen in verschillende omstandigheden en geeft hun een taak die beantwoordt aan de behoefte van hun tijd en aan de omstandigheden waarin zij leven.
Als zij het licht dat ze al hebben op prijs stelden, zouden zij een bredere kijk op de waarheid krijgen. Maar de meeste mensen verlangen tegenwoordig niet méér naar waar­heid dan toen de aanhangers van de paus zich tegen Luther verzetten. Ze willen net als de mensen van vroeger menselijke theorieën en overleveringen aannemen in plaats van het Woord van God. De ver­kondigers van de waarheid voor deze tijd moeten niet denken dat ze beter zullen worden ontvangen dan de hervormers in het verleden. De grote strijd lussen waarheid en dwaling, tussen Christus en Satan zal tot het einde van de geschiedenis van deze wereld in hevigheid toenemen.

Jezus zei aan zijn discipelen: „Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.
Ge­denkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet bo­ven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervol­gen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren” (Johannes 15:19,20).

Christus zei ook onomwonden: „Wee u, wanneer alle mensen wél van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld” (Lucas 6:26).
De geest van de wereld is tegenwoordig niet méér in overeenstem­ming met de geest van Christus dan vroeger. Zij die het Woord van God in al zijn zuiverheid verkondigen, zullen nu niet beter worden ontvangen dan toen. De vormen van het verzet tegen de waarheid kunnen veranderen en de vijandschap is misschien minder openlijk omdat zij sluwer is, maar dezelfde tegenstand bestaat nog altijd en zal tot het einde der tijden tot uiting komen.
(“Het Grote Conflict” E.G.White)

Karel V had intussen de troon van het Duitse rijk bestegen. De ge­zanten van Rome boden hem onmiddellijk hun gelukwensen aan en wilden de vorst er direct toe aanzetten zijn macht tegen de Hervor­ming te gebruiken. Aan de andere kant deed de keurvorst van Saksen, aan wie Karel V in belangrijke mate zijn troon te danken had, een dringend beroep op de keizer om geen enkele stap tegen Luther te ne­men voordat hij hem gehoord had. Hierdoor kwam de keizer in een bijzonder moeilijk parket. De aanhangers van de paus zouden alleen genoegen nemen met een keizerlijk edict dat Luther ter dood veroor­deelde. De keurvorst had duidelijk gezegd dat „noch zijne keizerlijke majesteit, noch iemand anders had aangetoond dat de werken van Luther waren weerlegd”. Daarom vroeg hij „dat dr. Luther een vrij-geleide zou krijgen om voor een tribunaal van geleerde, vrome en on­partijdige rechters te kunnen verschijnen” (D’Aubigné, b. 6, ch, 11).

De aandacht van alle partijen ging nu uit naar de vergadering van de Duitse vorstendommen, die kort na de troonsbestijging van Karel V te Worms was belegd. Deze nationale raad moest over belangrijke politieke problemen en belangen beraadslagen. De Duitse vorsten zouden hun jonge keizer voor de eerste keer op een Rijksdag ontmoe­ten. Uit alle delen van hel rijk waren er kerkelijke en burgerlijke ge­zagsdragers gekomen. Machtige, adellijke vorsten, die angstvallig over hun erfrechten waakten; kerkvorsten, die zich door en door be­wust waren van hun hoge positie en macht; adellijke ridders en hun gewapend gevolg; gezanten uit vreemde en verre landen; zij allen kwamen samen in Worms. Maar de zaak van de hervormer uit Saksen trok wel de grootste aandacht.

Karel V had de keurvorst opdracht gegeven om samen met Luther naar de Rijksdag te komen. De keizer had hem verzekerd dat hij hem zou beschermen en had beloofd dat hij over de betwiste punten vrij van gedachten zou kunnen wisselen met bevoegde personen. Het was Luthers vurige wens voor de keizer te mogen verschijnen. Zijn ge­zondheid was in die tijd erg achteruit gegaan. Toch schreef hij aan de keurvorst; „Als ik niet in goede gezondheid naar Worms kan gaan, zal ik gaan zoals ik ben, want als de keizer mij uitnodigt, is het voor mij een onweerlegbaar bewijs dat deze oproep van God komt. Als zij geweld tegen mij gebruiken – en dat is volgens mij zeer waarschijnlijk- (want ze hebben me echt niet opgeroepen omdat ze meer informatie willen hebben), dan laat ik alles aan God over.
Hij die de drie jonge­lingen uit de vurige oven heeft gered, leeft en heerst nog altijd. Als Hij mij niet wil redden, is het niet erg, want mijn leven is van weinig belang. Wij moeten er alleen voor zorgen dat het evangelie niet wordt blootgesteld aan de spot van slechte mensen.
Wij moeten bereid zijn er ons bloed voor te vergieten als wij niet willen dat zij overwinnen. Het ligt niet aan mij om te bepalen of mijn leven, dan wel mijn dood, het meest tot de verlossing van allen zal bijdragen… Van mij kunt u alles verwachten… behalve vaandelvlucht en herroeping. Ik kan niet wegvluchten, laat staan herroepen.” (Ibid,. b. 7, ch. l).

Toen het nieuws dat Luther voor de Rijksdag zou verschijnen in Worms de ronde deed, was de stad in rep en roer. Aleander, de pause­lijke legaat aan wie de zaak was toevertrouwd, was verontrust en kookte van woede. Hij zag wel in dat de afloop rampzalig zou zijn voor de paus. Het instellen van een onderzoek in een zaak waar de paus al een veroordeling over uitgesproken had, betekende volgens hem niet meer of niet minder dan een aantasting van het pauselijk gezag. Bovendien was hij bang dat veel vorsten door de overtuigende argumenten van deze man het pausdom de rug zouden toekeren. Daarom protesteerde hij nadrukkelijk bij keizer Karel tegen het optre­den van Luther te Worms.
Rond die tijd werd de bul waarbij Luther in de ban van de kerk werd gedaan gepubliceerd. Door deze publicatie en onder druk van de bezwaren van de legaat zwichtte de keizer. Hij schreef de keurvorst dat Luther maar in Wittenberg moest blijven als hij zijn leer niet wilde herroepen.

Aleander nam geen genoegen met deze overwinning. Hij deed zijn uiterste best en gebruikte al zijn sluwheid om Luther toch te laten ver­oordelen. Met een volharding die hij liever voor een betere zaak had gebruikt, legde hij de zaak voor aan de vorsten, prelaten en andere le­den van de vergadering en beschuldigde Luther van ,,opruiing, op­standigheid, goddeloosheid en godslastering”. Maar de ijver en de hartstocht van de legaat bewezen heel duidelijk welke geest hem be­zielde. Bijna iedereen zei: ,,Hij wordt veeleer door haat en wrok dan door geloofsijver en vroomheid gedreven” (Ibid., b. 7, ch. l). De meerderheid op de Rijksdag stond meer dan ooit positief tegenover de zaak die Luther verdedigde.

Met nog grotere ijver wees Aleander de keizer op zijn plicht de pauselijke decreten uit te voeren. Maar volgens de wetten van het Duitse rijk kon dat niet zonder de medewerking van de vorsten. Op den duur gaf Karel V toe aan de opdringerigheid van de legaat en ver­zocht hem zijn zaak aan de Rijksdag voor te leggen. „Het was een heerlijke dag voor de nuntius. Er waren veel mensen op de vergade­ring aanwezig, want het was een bijzonder belangrijke kwestie. Aleander zou het voor Rome … de moeder en meesteres van alle kerken opnemen.”
Hij zou het primaatschap van Petrus voor de vorsten van het christendom verdedigen. Hij was welsprekend en was geknipt voor deze belangrijke zaak. De voorzienigheid had het zo geregeld dat Rome voor het hoogste tribunaal door haar knapste redenaar werd vertegenwoordigd en verdedigd, voordat ze werd veroordeeld” (Wylie, b. 6, ch. 4).
De mensen die achter de hervormer stonden, zagen met bange voorgevoelens uit naar de weerslag van de toespraak van Aleander. De keurvorst van Saksen was niet aanwezig, maar had en­kele van zijn raadslieden opdracht gegeven aantekeningen te maken van de toespraak van de nuntius.

Aleander gebruikte al zijn welsprekendheid en geleerdheid om de waarheid te weerleggen. Hij slingerde de ene beschuldiging na de an­dere naar het hoofd van Luther, die hij bestempelde als een vijand van Kerk en Staat, van levenden en doden, van geestelijken en leken, van concilies en individuele christenen. „Er is genoeg in de dwalingen van Luther om het verbranden van honderdduizend ketters te rechtvaardigen”, zei hij.
Tot besluit probeerde hij de aanhangers van de Hervorming bela­chelijk te maken. Hij zei: ,,Wie zijn al die lutheranen? Een stelletje onbeschaamde schoolvossen. corrupte priesters, liederlijke monniken, onwetende rechtsgeleerden, aan lagerwal geraakte edellieden en al het gepeupel dat ze hebben misleid en afvallig hebben gemaakt. Onze Kerk heeft veel meer aanhangers, heeft meer bekwame mensen en is veel machtiger! Een eenparig besluit van deze illustere vergadering zal de gewone mensen alles duidelijk maken, de onvoorzichtigen waarschuwen, de twijfelaars overtuigen en de zwakken kracht geven” (D’Aubigné, b. 7, ch. 3).

De verdedigers van de waarheid zijn in alle eeuwen met dergelijke wapens aangevallen. Nog altijd worden dezelfde argumenten aange­voerd tegen allen die de algemeen aanvaarde dwalingen bestrijden en de duidelijke uitspraken van Gods Woord verkondigen. „Welke mensen prediken deze nieuwe leerstellingen?”, vragen zij die een populai­re godsdienst willen. „Ze zijn niet geschoold, ze zijn gering in aantal en hebben geen geld. Toch denken ze dat ze de waarheid in pacht hebben en Gods uitverkoren volk zijn. Ze zijn achterlijk en hebben zich laten misleiden. Onze kerk is veel groter en invloedrijker! Bij ons zijn er veel belangrijke en knappe mannen! Wij zijn veel machti­ger!” Deze argumenten maken grote indruk op de wereld, maar ze zijn nu relevanter dan in de tijd van de hervormer.

De Hervorming eindigde niet met Luther, zoals velen hadden ver­ondersteld, maar zal tol het einde van de wereldgeschiedenis worden voortgezet. Luther had een belangrijke taak te vervullen. Hij moest de kennis die God hem had gegeven aan anderen doorgeven. Hij kreeg evenwel niet al het licht dat God aan de wereld zou schenken. Vanaf die tijd is er voortdurend nieuw licht blijven schijnen op de Schrift en zijn steeds weer nieuwe waarheden ontdekt.

De toespraak van de legaat maakte diepe indruk op de Rijksdag. Er was geen man als Luther aanwezig die de verdediger van het pausdom met de duidelijke en overtuigende uitspraken van Gods Woord kon weerleggen. Niemand nam de verdediging van de hervormer op zich. Men wilde blijkbaar niet alleen Luther en de leer die hij verkon­digde veroordelen, maar eventueel ook alle ketterij volledig uitroeien.
Rome had haar zaak in de gunstigste omstandigheden verdedigd. Al­les wat tot haar rechtvaardiging gezegd kon worden, was gezegd. Maar deze schijnoverwinning was het begin van haar nederlaag. Voortaan zou de tegenstelling tussen waarheid en dwaling nog duide­lijker op de voorgrond treden, omdat ze in het openbaar met elkaar geconfronteerd zouden worden. Vanaf die dag heeft Rome nooit meer zo sterk gestaan als vroeger.

De meeste leden van de Rijksdag zouden geen moment geaarzeld hebben om Luther aan de wraak van Rome over te leveren, ondanks het feit dat velen wisten hoe diep de kerk gezonken was, haar verval betreurden en een eind wilden maken aan de wantoestanden waarvan het Duitse volk het slachtoffer was ten gevolge van de corruptie en hebzucht van de geestelijkheid. De legaat had het pausdom heel gun­stig afgeschilderd. God zette een lid van de Rijksdag er echter toe aan een nauwkeurige beschrijving van de gevolgen van de pauselijke tirannie te geven. Hertog George van Saksen stond ridderlijk en vastberaden op om het woord te voeren op deze vergadering van vorsten. Met meedogenloze nauwkeurigheid beschreef hij het bedrog en de gruwelen van het pausdom en de verschrikkelijke gevolgen daarvan. Tot be­sluit zei hij:

„Dit zijn enkele van de misbruiken die luid tegen Rome roepen. Ze hebben elk schaamtegevoel verloren en hun enig oogmerk is… geld, geld en nog eens geld… waardoor mensen die de waarheid zouden moeten verkondigen alleen leugens vertellen. Dit wordt niet alleen geduld, maar ook beloond, want hun winst wordt groter naarmate ze meer liegen. Uit deze onzuivere bron komt het verontreinigde water. Losbandigheid en schraapzucht gaan hand in hand… Door het schandelijke gedrag van de geestelijkheid worden helaas zoveel onschuldi­ge mensen voor eeuwig verdoemd. Er moet een algemene hervorming komen” (Ibid., b. 7, ch. 4).

Zelfs Luther had de misbruiken van het pausdom niet beter en overtuigender kunnen hekelen. Het feit dat de spreker een uitgespro­ken vijand van de hervormer was, gaf meer gewicht aan zijn woorden. Als de ogen van de aanwezigen geopend waren, zouden zij engelen in hun midden hebben gezien die lichtbundels dwars door de duister­nis van de dwaling lieten schijnen en het hart van de mensen openden om de waarheid te ontvangen. De macht van de God van waarheid en wijsheid hield zelfs de tegenstanders van de Hervorming in bedwang en bereidde de weg voor het belangrijke werk dat op het punt stond te worden volbracht. Maarten Luther was niet aanwezig, maar de stem van Iemand die groter was dan hij werd in de vergadering gehoord.

De Rijksdag benoemde onmiddellijk een commissie die belast werd met het opstellen van een lijst van de pauselijke lasten, die zo zwaar op het Duitse volk drukten. Deze lijst met honderd en één be­zwaren werd aan de keizer voorgelegd met het verzoek direct maatre­gelen te nemen om een eind aan deze misbruiken te maken. De op­stellers van dit verzoekschrift zeiden: „Talloze christenen gaan verloren! Het hoofd van de kerk maakt zich schuldig aan zeer vele plunderingen en afpersingen! Wij beschouwen het als onze plicht ons volk voor ondergang en schande te behoeden. Daarom verzoeken wij u zeer beleefd, maar dringend ervoor te zorgen dat er een algemene hervorming komt en onder uw toezicht tot een goed eind wordt ge­bracht” (Ibid., b. 7, ch. 4).

De raad eiste toen dat Luther voor de afgevaardigden zou verschij­nen. Ondanks het herhaald verzoek, de protesten en de bedreigingen van Aleander ging de keizer daar tenslotte mee akkoord en werd Luther voor de Rijksdag gedaagd. De dagvaarding werd samen met een vrijgeleide uitgegeven. Men gaf Luther de verzekering dat hij vei­lig zou kunnen terugkeren. Een heraut bracht de twee documenten naar Wittenberg en kreeg ook opdracht Luther naar Worms te brengen.

Luthers vrienden waren erg bang en maakten zich zorgen. Zij wis­ten hoe bevooroordeeld en vijandig zijn tegenstanders waren. Ze vreesden dat men zelfs met een vrijgeleide geen rekening zou houden, Ze smeekten hem zijn leven niet in gevaar te brengen. Luthers ant­woord daarop was: „De aanhangers van de paus willen mij niet in Worms hebben, maar ze willen dat ik veroordeeld en ter dood ge­bracht word. Het kan mij niet schelen. Bid niet voor mij, maar voor het Woord van God… Christus zal mij zijn Geest schenken om deze dienaren van de dwaling te overwinnen. Ik veracht hen zolang ik leef. Ik zal hen door mijn dood overwinnen. In Worms zijn ze druk in de weer om mij te dwingen mijn leer te herroepen. Ik zal mijn herroeping zo formuleren: „Vroeger zei ik dat de paus de stedehouder van Christus was. Nu zeg ik dat hij de tegenstander van onze Heer en de apostel van de duivel is” (Ibid., b. 7, ch. 6).

Luther maakte zijn gevaarlijke reis niet alleen. Behalve de heraut van de keizer besloten ook drie van zijn beste vrienden mee te gaan. Melanchton wilde ook absoluut meegaan. Hij was Luthers boezem­vriend en wilde hem overal volgen. Hij was zelfs bereid met hem in de gevangenis te gaan of met hem te sterven. Maar men stond hem dat niet toe. Als Luther vermoord werd, moest zijn jeugdige mede­werker de verantwoordelijkheid voor de vooruitgang van de Hervor­ming op zich nemen. Bij zijn afscheid zei Luther aan Melanchton: ,,Als ik niet terugkeer en als mijn vijanden mij ter dood brengen, moet jij het evangelie blijven verkondigen en volharden in de waar­heid. Jij moet mijn taak overnemen… Als jij in leven blijft, is het niet zo erg als ik sterf’ (Ibid., b. 7. ch. 7).
De studenten en burgers die bij­eengekomen waren om Luther te zien vertrekken, waren erg onder de indruk. Velen die het evangelie hadden aangenomen, namen bedroefd afscheid van hem. Zo vertrokken Luther en zijn vrienden uit Wittenberg.

Onderweg konden ze de sombere voorgevoelens op de gezichten van de mensen lezen. In sommige steden werden ze niet verwelkomd. Toen ze voor de nacht halt hielden, gaf een vriendelijke priester uiting aan zijn bezorgdheid: Hij toonde Luther het portret van een Italiaanse hervormer die de marteldood gestorven was. De volgende dag hoor­den ze dat de werken van Luther te Worms waren veroordeeld. Herauten van de keizer maakten het keizerlijk decreet overal bekend en maanden het volk aan de verboden boeken naar de magistraten te bren­gen.
De heraut maakte zich zorgen om Luthers veiligheid op de Rijksdag en dacht dat Luther nu misschien niet meer zo zeker van zijn stuk was. Hij vroeg aan Luther of hij nog verder wilde. Hij antwoordde: „Ja! Ook al zou in elke stad de banvloek over mij zijn uitgesproken, ik zou toch verder gaan” (Ibid., b. 7, ch. 7).

Luther werd met grote eer in Erfurt ontvangen. Hij werd door veel bewonderaars omgeven en liep weer door de straten waar hij zo vaak met zijn bedelzak had gelopen. Hij bezocht zijn kloostercel en dacht aan de strijd die hij had gevoerd om het licht dat nu zo overvloedig over het Duitse rijk scheen te kunnen ontvangen. De mensen wilden dat hij zou preken. Dat was hem uitdrukkelijk verboden, maar de he­raut gaf hem toestemming. De monnik die eens de werkezel van het klooster was geweest, ging op de kansel.

Hij sprak de samengestroomde menigte toe. Zijn preek ging over de woorden van Christus: „Vrede zij u!” Luther zei: ,,Wijsgeren, theologen en schrijvers hebben zich uitgesloofd om de mensen te le­ren hoe ze het eeuwige leven kunnen verkrijgen, maar ze zijn er niet in geslaagd. Ik zal u de weg wijzen: … God heeft één Man uit de do­den opgewekt, onze Here Jezus Christus, opdat Hij de dood zou over­winnen, de zonde zou uitroeien en de poorten van het dodenrijk zou sluiten. Dit is het verlossingswerk … Christus is de overwinnaar! Dat is het goede nieuws. Wij worden behouden door zijn verdiensten en niet door onze eigen werken …
Onze Here Jezus Christus zei: „Vrede zij u! Zie mijn handen”. Daarmee bedoelde Hij: „Zie, o mens, Ik ben het. Ik alleen, die uw zonden heb weggenomen en u heb vrijgekocht, zodat u nu vrede kunt hebben”.

Verder toonde hij aan dat het ware geloof uit een heilig leven blijkt. „Aangezien God ons heeft verlost, moeten wij zó handelen dat Hij ons aanneemt. Ben je rijk? Gebruik je bezit om de nood van de armen te lenigen. Ben je arm? Stel je dan in dienst van de rijke. Als de din­gen die je doet alleen jezelf ten goede komen, is je zogenaamde gods­dienst een leugen” (Ibid., b. 7, ch. 7).

De mensen luisterden als betoverd. Het brood des levens werd voor deze hongerende zielen gebroken. Luther toonde hun dat Christus ho­ger stond dan pausen, legaten, keizers en koningen. Hij repte echter met geen woord over zijn eigen gevaarlijke positie. Hij probeerde op geen enkele manier sympathie of medelijden voor zichzelf te wekken.
Bij de overdenking van Christus cijferde hij zichzelf helemaal weg. Hij plaatste zichzelf achter de Man van Golgotha en wilde alleen Je­zus als de Verlosser van zondaars op de voorgrond plaatsen.

Overal waar de hervormer op zijn reis kwam, werd hij met grote belangstelling gevolgd. Een geestdriftige menigte verdrong zich rond­om hem en mensen die met hem sympathiseerden waarschuwden hem voor de bedoelingen van de pausgezinden. „Ze zullen u naar de brandstapel brengen en u tot as verbranden, zoals ze ook met Johannes Hus hebben gedaan”, zeiden sommigen. Luther antwoordde: „Al zouden ze een vuur ontsteken dat brandde van Worms tot Wittenberg en al zouden de vlammen tot de hemel reiken, ik zou er toch dwars doorheen lopen in de naam van de Heer en voor hen verschijnen. Ik zal in de muil van dit monster gaan, zijn tanden breken en de Here Je­zus Christus belijden” (Ibid., b. 7, ch. 7).

Het nieuws dat Luther Worms naderde, bracht grote opschudding teweeg. Zijn vrienden maakten zich zorgen over zijn veiligheid. Zijn vijanden vreesden dat zij het onderspit zouden delven. Men stelde al­les in het werk om hem zover te krijgen dat hij niet in de stad ging. Op aansporing van de aanhangers van de paus verzocht men hem dringend naar het kasteel van een bevriende ridder te gaan, waar er volgens hen voor alle moeilijkheden wel een minnelijke schikking kon worden getroffen. Zijn vrienden probeerden hem bang te maken door de gevaren te beschrijven die hem daar bedreigden. Al hun moei­te was tevergeefs. Luther verklaarde onbewogen: „Zelfs al waren er in Worms evenveel duivels als dakpannen, ik zou toch gaan” (Ibid., b. 7, ch.7).

Toen hij in Worms aankwam, ging een grote menigte naar de stadspoorten om hem te verwelkomen. Zelfs bij de aankomst van de keizer was er niet zo’n grote toeloop geweest. De mensen waren zeer uitbundig. Uit de menigte klonk een schelle, klagende stem die een lijkzang zong om Luther te waarschuwen voor het lot dat hem te wachten stond. „God zal mij beschermen”, zei hij toen hij uit zijn rij­tuig stapte.

De aanhangers van de paus hadden echt niet verwacht dat Luther de moed zou hebben naar Worms te komen. Ze waren dan ook stom­verbaasd toen hij er toch was. De keizer ontbood zijn raadslieden onmiddellijk om te beraadslagen over de gedragslijn die ze zouden vol­gen. Een van de bisschoppen, een papist in merg en been, zei: „Wij hebben deze zaak allang overwogen. Uwe keizerlijke majesteit dient deze man op staande voet uit de weg te ruimen. Heeft Sïgismund Johannes Hus niet naar de brandstapel gestuurd? Wij hoeven een ketter geen vrijgeleide te geven en hoeven ons niet aan onze belofte te hou­den”. „Nee!”, zei de keizer, „we moeten woord houden” (Ibid., b. 7, ch. 8) Daarom besloot men te luisteren naar hetgeen de hervormer te vertellen had.

De hele stad wilde deze merkwaardige man zien. De kamers waar hij verbleef waren vrijwel onmiddellijk vol bezoekers. Luther was nauwelijks hersteld van de ziekte die hij kort tevoren had opgelopen. Hij was bovendien uitgeput door de reis, die twee volle weken had geduurd. Hij moest zich ook voorbereiden op de belangrijke gebeurte­nissen van de volgende dag en had daarom behoefte aan stilte en rust.
Maar het verlangen hem te zien was zo groot dat hij maar een paar uren rust had genoten toen edellieden, ridders, priesters en burgers zich rondom hem verdrongen. Onder hen waren er vele edellieden die het hadden aangedurfd een verzoek tot de keizer te richten om een eind te maken aan de wantoestanden in de kerk en die volgens Luther „allen bevrijd waren door mijn verkondiging van het evangelie” (Martyn, p. 393).
Vriend en vijand kwamen de moedige monnik op­zoeken. Hij ontving hen met onverstoorbare kalmte en gaf aan ieder­een een beleefd en verstandig antwoord. Zijn optreden was moedig en vastberaden. Zijn bleek en mager gezicht, dat door zware arbeid en ziekte was getekend, straalde van vriendelijkheid en blijdschap. Zijn plechtige, ernstige woorden schonken hem een kracht die zelfs zijn vijanden niet helemaal konden weerstaan. Zowel zijn vrienden als zijn tegenstanders waren vol verbazing. Sommigen waren ervan over­tuigd dat er een goddelijke invloed van hem uitging. Anderen zeiden zoals de Farizeeën over Christus: „Hij is van de duivel bezeten!”

De volgende dag werd Luther opgeroepen om voor de Rijksdag te verschijnen. Er werd een keizerlijke bode aangesteld om hem naar de vergaderzaal te brengen. Toch kon hij de zaal met moeite bereiken. In alle stralen verdrongen de mensen zich om de monnik te zien die het had aangedurfd zich tegen het gezag van de paus te verzetten.

Kon vóór hij de rechtszaal binnentrad, zei een oude generaal, die zich vaak op het slagveld had onderscheiden: ,,Arme monnik je zal nu voor hetere vuren komen te staan dan ik of enige andere legeraan­voerder ooit in het bloedigste gevecht hebben getrotseerd. Maar als je zaak rechtvaardig is en jij er zelf van overtuigd bent, moet je met Gods hulp verder gaan en voor niemand bang zijn. God zal je niet in de steek laten” (D’Aubigné, b. 7, ch. 8).

Eindelijk stond Luther dan voor de raad. De keizer zat op de troon. Hij was omringd door de grootste beroemdheden uit zijn rijk. Nog nooit was er iemand verschenen voor zo’n indrukwekkende vergade­ring als de Rijksdag waarop Luther zich voor zijn geloof moest ver­antwoorden, „Alleen al het feit dat hij verscheen, was een schitteren­de overwinning op het pausdom. De paus had Luther veroordeeld en hij stond nu voor een tribunaal dat zich alleen al door zijn samen­komst boven de paus stelde. De paus had een interdict over hem uitgesproken en hem uit de gemeenschap gestoten. Toch was hij in vriendelijke bewoordingen gedagvaard en door de hoogste raad ter wereld ontvangen. De paus had hem „een eeuwigdurend spreekverbod” opgelegd, maar hij stond nu op het punt he woord te voeren voor duizenden aandachtige toehoorders die uit de verste delen van Europa waren samengekomen. God had door bemiddeling van Luther een reusachtige omwenteling tot stand gebracht. Rome begon al af­stand te doen van haar troon. Het was de stem van een monnik die voor deze vernedering zorgde” (Ibid., b. 7, ch. 8).

Luther was van eenvoudige afkomst en scheen onder de indruk. Hij was niet helemaal op zijn gemak toen hij voor de machtige vorsten en prinsen stond. Verscheidene afgevaardigden merkten hoe hij zich voelde en gingen naar hem toe. Een van hen fluisterde: „Wees niet bevreesd voor hen, die wél het lichaam doden, maar de ziel niet kun­nen doden.” Een ander zei: „Wanneer gij voor stadhouders en konin­gen geleid wordt om Mijnentwil, zal het u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws vaders, die in u spreekt.” Zo werden de woorden van Christus door de belangrijkste mannen op aarde aangehaald om Gods boodschapper in het uur van de beproeving moed in te spreken.

Luther werd tot vlak vóór de troon van de keizer gebracht. Er viel een diepe stilte in de grote vergadering. Toen stond een bode van de keizer op, wees naar een stapel met Luthers werken en vroeg de her­vormer op twee vragen te antwoorden. Hij wilde weten of Luther er­kende dat die publicaties van zijn hand waren en of hij bereid was de opvattingen die hij daarin had verkondigd te herroepen. Toen de titels van de boeken waren voorgelezen, antwoordde Luther dat die boeken inderdaad door hem waren geschreven. ,,Wat de tweede vraag be­treft”, zei hij, „zou het onverstandig van mij zijn als ik antwoordde zonder na te denken, want deze vraag heeft betrekking op het geloof, de zaligheid van mensen en het Woord van God de grootste en kost­baarste schat in de hemel en op aarde. Ik zou misschien minder erken­nen dan in de gegeven omstandigheden vereist is en op die manier zondigen tegen de woorden van Christus: „Al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is” (Mattheüs 10: 33). Daarom verzoek ik uwe keizerlij­ke majesteit in alle nederigheid mij de tijd te gunnen zodat ik de vraag kan beantwoorden zonder tegen het Woord van God te zondigen” (D’Aubigné, b. 7,ch. 8).

Luther had er verstandig aan gedaan de keizer dit te vragen. Daar­door overtuigde hij de Rijksdag dat hij niet uit hartstocht of in een op­welling handelde. Door zijn kalmte en zelfbeheersing, die men niet had verwacht van iemand die zó moedig en beginsel vast was geweest, stond hij sterker en kon hij later met wijsheid, voorzichtigheid, vast­beradenheid en waardigheid antwoorden. Daardoor verbaasde hij zijn tegenstanders, stelde hen teleur en veroordeelde hun onbeschaamd­heid en trots.

De volgende dag moest hij voor de raad verschijnen om zijn defini­tief antwoord te geven. Luther werd even ontmoedigd als hij dacht aan de machten die tegen de waarheid samenspanden. Zijn geloof be­gon te wankelen. Hij werd door vrees overmand en met angst ver­vuld. Hij werd door steeds meer gevaren bedreigd. Het scheen alsof zijn vijanden zouden winnen en de machten van de duisternis de overhand zouden krijgen. Donkere wolken trokken zich boven hem samen en schenen een scheiding tussen hem en God te brengen. Hij wilde er zeker van zijn dat de Here der heerscharen met hem zou zijn. Wanhopig wierp hij zich met zijn gezicht ter aarde en uitte jammer­klachten die God alleen volledig kan begrijpen.

Hij smeekte: „Almachtige God, deze wereld is verschrikkelijk! Ze opent haar muil om mij te verslinden en ik heb zo weinig vertrouwen in U … Als ik alleen op de macht van deze wereld moet rekenen, ben ik reddeloos verloren … Mijn laatste uur heeft geslagen; ik ben een veroordeeld man. … O God, help mij tegen alle wijsheid van deze we­reld. Doe het… U alleen kan het; … want dit is niet mijn werk, maar uw werk. Ik kan hier niets verrichten. Ik kan niet tegen de groten van deze aarde strijden. … Het is uw rechtvaardige en eeuwige zaak. O Here, help mij! Getrouwe en onveranderlijke God, ik stel mijn ver­trouwen niet in de mensen,… Alles wat van de mensen komt. is onbetrouwbaar. …U heeft me voor dit werk uitgekozen. …Help mij terwille van uw geliefde Zoon Jezus Christus, die mijn bescherming, mijn schild en mijn burcht is.” (Ibid, b. 7, ch. 8).

In zijn wijsheid heeft God Luther de gevaren laten inzien opdat hij niet op eigen kracht zou rekenen en zich niet overmoedig in het ge­vaar zou storten. Toch was hij niet bang voor het persoonlijk lijden, de foltering of de dood die hem nu boven het hoofd schenen te han­gen. Hij was in een beslissend stadium gekomen en voelde zich niet opgewassen tegen de problemen. Door zijn zwakheid zou hij afbreuk aan de zaak van de waarheid kunnen doen. Hij streed niet met God voor zijn eigen veiligheid, maar voor de overwinning van het evange­lie.
Zijn angst en strijd waren als die van Jakob in dat nachtelijk ge­vecht met de engel op de oever van de verlaten rivier. Zoals Jakob slaagde hij erin God te overwinnen. Toen hij helemaal hulpeloos was, stelde hij al zijn vertrouwen in Christus, de machtige Verlosser.
Hij scheen gesterkt door de zekerheid dat hij niet alleen voor de Rijksdag verscheen. Hij kwam weer tot rust en was blij dat hij het Woord van God mocht verdedigen voor de machthebbers van de volken.

Met zijn geest op God gericht, bereidde Luther zich voor op de strijd die hem te wachten stond. Hij dacht erover na hoe hij zijn ant­woord zou formuleren, bestudeerde passages in zijn eigen boeken en haalde het juiste bewijsmateriaal uit de Heilige Schrift om zijn stellin­gen te verdedigen. Toen legde hij zijn linkerhand op de geopende bij­bel die vóór hem lag en met zijn rechterhand ten hemel geheven, be­loofde hij „trouw te zullen blijven aan het evangelie en vrijmoedig zijn geloof te belijden, ook al zou hij zijn getuigenis met zijn bloed moeten bezegelen” (Ibid,, b. 7, ch. 8).

Toen hij weer in de raadsvergadering werd binnengeleid, was er op zijn gezicht geen spoor van vrees of verwarring. Rustig en kalm, maar toch moedig en indrukwekkend stond hij als Gods getuige voor de groten van deze aarde. De bode van de keizer vroeg hem of hij bereid was zijn leer te herroepen. Luther gaf beleefd en in alle bescheiden­heid, zonder opwinding of hartstocht antwoord. Hij was ingetogen en eerbiedig, maar gaf toch blijk van vertrouwen en vreugde, waardoor hij de aanwezigen verbaasde.

„Zeer doorluchtige majesteit, hoogedele vorsten, genadige heren”, zei Luther, „ik verschijn op deze dag voor u, overeenkomstig het be­vel dat mij gisteren werd gegeven. Bij Gods genade verzoek ik uwe doorluchtige majesteit en uwe hoogheden beleefd te willen luisteren naar de verdediging van een zaak waarvan ik overtuigd ben dat zij rechtvaardig en juist is. Als ik uit onwetendheid mocht ingaan tegen de gebruiken en vormen van de rechtbanken, verzoek ik u mij te ver­geven, want ik ben niet in de paleizen van koningen, maar in de af­zondering van een klooster opgevoed” (Ibid., b. 7. ch. 8).

Hij ging toen over tot de beantwoording van de vraag en verklaar­de dat zijn gepubliceerde werken niet alle van denelfde aard waren. In sommige publicaties had hij het onderwerp van het geloof en de goe­de werken behandeld. Hij zei dat zelfs zijn vijanden hadden verklaard dat ze niet alleen onschadelijk, maar beslist positief waren. Als hij deze werken afzwoer, zou hij tegelijk waarheden loochenen waar alle partijen het over eens waren.
De tweede categorie bestond uit werken die de corruptie en misbruiken van het pausdom behandelden. Als hij deze werken afzwoer, zou hij de tirannie van Rome versterken en de deur verder openzetten voor nog meer goddeloosheid.

In de derde ca­tegorie had hij personen aangevallen die bestaande wantoestanden hadden verdedigd. Hij gaf toe dat hij in deze werken feller was ge­weest dan strikt nodig was. Hij beweerde niet dat hij vrij van schuld was, maar zelfs deze boeken kon hij niet afzweren, want als hij dat deed, zouden de vijanden van de waarheid worden aangemoedigd. Ze zouden van de gelegenheid gebruik maken om Gods volk nog wreder te verdrukken.

„Toch ben ik maar een mens en geen God”, zei hij verder. „Daar­om zal ik mezelf verdedigen zoals Christus dat gedaan heeft: „Als ik kwaad gesproken heb, getuig dan tegen het kwaad”. … Zeer door­luchtige keizer, hoogedele vorsten en alle mensen van alle rangen en standen, ik verzoek u bij Gods genade mij uit de boeken van de profe­ten en apostelen te bewijzen dat ik dwaal. Zodra ik daarvan overtuigd ben, zal ik elke dwaling herroepen en zal ik de eerste zijn om mijn boeken te verbranden.

„Ik hoop dat met hetgeen ik zoëven heb gezegd duidelijk is aange­toond dat ik de gevaren waaraan ik me blootstel zorgvuldig heb over­wogen. Maar ik ben niet bang. Integendeel! Ik ben blij dat het evan­gelie nu, zoals vroeger, een oorzaak van moeilijkheden en verdeeldheid is. Dit is het kenmerk en het lot van Gods Woord. Jezus zei: „Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard”. God is wonderbaarlijk en vreselijk in zijn besluiten. U moet ervoor oppassen dat u het Woord van God niet vervolgt. U zou zich de ver­schrikkelijke stortvloed van onoverkomelijke gevaren, rampen en eeuwige verdoemenis op de hals kunnen halen terwijl u in de waan verkeert dat u de verdeeldheid de kop indrukt. .…..
Ik zou daar veel voorbeelden van uit Gods Woord kunnen aanhalen. Ik zou u kunnen spreken over de farao’s, de koningen van Babylon en die van Israël. Hun inspanningen droegen met buitengewoon succes bij tot hun eigen ondergang wanneer zij plannen maakten om hun macht uit te breiden en zij zichzelf erg wijs vonden. „God kan bergen verzetten, maar zij weten het niet” (Ibid., b. 7, ch. 8).

Luther had in het Duits gesproken. Men verzocht hem in het Latijn te herhalen wat hij had gezegd. Hoewel hij uitgeput was door de in­spanning die hij al had geleverd, ging hij toch op het verzoek in en sprak nogmaals met dezelfde duidelijkheid en kracht als de eerste keer. God wees in deze zaak de weg. Het verstand van vele vorsten was door dwaling en bijgeloof zo verduisterd dat zij de degelijkheid van Luthers uiteenzetting niet onmiddellijk door hadden. Nadat zij het betoog voor de tweede keer hadden gehoord, werd alles duidelijk.

Zij die hun ogen dichtknepen voor het licht en niet van de waarheid overtuigd wilden worden, waren woedend vanwege de overtuigings­kracht van Luthers woorden. Toen hij klaar was, zei de woordvoerder van de Rijksdag geërgerd: „U heeft de vraag die wij u hadden gesteld niet beantwoord … U moet een duidelijk en nauwkeurig antwoord ge­ven. … Bent u bereid uw leer te herroepen, ja of nee?”

De hervormer antwoordde: ..Aangezien uwe zeer doorluchtige ma­jesteit en uwe hoogheden een duidelijk, eenvoudig en nauwkeurig antwoord van mij verwachten, zal ik het u geven: „Ik kan mijn geloof niet aan de paus of aan de concilies onderwerpen omdat het zonne­klaar is dat zij vaak hebben gedwaald en elkaar hebben tegengespro­ken, Als men mij niet met de Schrift of met steekhoudende argumen­ten kan weerleggen, als men mij niet met de teksten die ik heb aangehaald kan overtuigen en als men mij niet door middel van Gods Woord kan aantonen dat ik ongelijk heb, kan ik en wil ik niets herroe­pen, want een christen mag zijn geweten geen geweld aandoen. Hier sta ik; ik kan niet anders. Zo helpe mij God. Amen” (Ibid., b. 7, ch. 8).

Deze integere man bleef op het vaste fundament van Gods Woord staan. Zijn gezicht straalde met een hemelse lichtglans. Zijn grootheid en onkreukbaarheid, zijn vrede en blijdschap waren voor iedereen duidelijk toen hij tegen de macht van de dwaling getuigde en de voor­treffelijkheid van het geloof dat de wereld overwint, verdedigde.

De hele vergadering was enige tijd sprakeloos van verbazing. Bij zijn eerste antwoord had Luther zacht, eerbiedig en bijna onderdanig gesproken. De aanhangers van de paus dachten daarom dat zijn moed aan het wankelen was gebracht. Zij beschouwden het verzoek om uit­stel als de eerste stap tot zijn herroeping.
De keizer had een beetje vanuit de hoogte neergekeken op het verzwakte lichaam van de mon­nik, op zijn schamele kleding en op zijn eenvoudige toespraak. Hij had gezegd: “Deze monnik zal mij nooit tot een ketter maken”. Luthers moed en vastberadenheid en zijn duidelijke, overtuigende ar­gumenten vervulden alle partijen met verbazing.
De keizer zei vol be­wondering: „Deze monnik is onverschrokken, onwrikbaar en moe­dig”. Vele Duitse vorsten keken met trots en vreugde naar deze vertegenwoordiger van hun volk. De aanhangers van Rome waren verslagen Hun zaak kwam in een zeer ongunstig licht te staan. Ze wilden hun machtspositie behouden, maar deden daarvoor geen be­roep op de Schrift; ze namen hun toevlucht tot dreigementen – de meest doeltreffende methode van Rome. De woordvoerder van de Rijksdag zei: „Als u uw leer niet wilt herroepen, zullen de keizer en de vorsten van het rijk beraadslagen hoe ze een onverbeterlijke ketter moeten aanpakken.”

Luthers vrienden hadden met grote vreugde naar zijn indrukwek­kend pleidooi geluisterd. Ze werden bang toen ze deze woorden hoor­den, maar Luther zei rustig: „God moet mij helpen, want ik kan niets herroepen” (Ibid., b. 7, ch. 8).
Luther moest de vergaderzaal verlaten terwijl de vorsten beraad­slaagden.

Iedereen besefte dat dit een kritiek moment was. Luthers hardnekkige weigering om zich te onderwerpen, zou de geschiedenis van de kerk voor eeuwen kunnen beïnvloeden. Ze besloten hem nog een kans te geven om zijn leer te herroepen. Hij werd voor de laatste keer in de raadszaal gebracht. Weer stelde men hem de vraag of hij zijn leer wilde herroepen. Hij zei: „Ik heb geen ander commentaar dan het antwoord dat ik al gegeven heb.” Het was duidelijk dat hij noch door beloften, noch door bedreigingen ertoe kon worden bewo­gen voor liet bevel van Rome te zwichten.

De leiders van de rooms-katholieke kerk ergerden zich over het feit dat hun macht, die koningen en edellieden had doen beven, op zo’n manier door een gewone monnik kon worden veracht. Zij wilden hem hun gramschap aan den lijve doen ondervinden door hem dood te fol­teren. Luther wist echter in welke gevaarlijke positie hij was en had zijn toehoorders met christelijke waardigheid en kalmte toegesproken. Hij was niet hoogmoedig of agressief geweest en had de waarheid geen geweld aangedaan. Hij had zichzelf en de machthebbers die rondom hem stonden gewoon weggecijferd en voelde alleen dat er Ie­mand bij hem was die oneindig machtiger dan pausen, prelaten, ko­ningen en keizers was.

Christus had door het getuigenis van Luther overtuigend en voortreffelijk gesproken, zodat zijn toespraak vriend en vijand enige tijd met ontzag en verbazing vervulde. De Geest van God was aanwezig in die raadsvergadering en beïnvloedde de rijks­groten. Verscheidene vorsten erkenden openlijk dat Luthers zaak rechtvaardig was. Velen waren overtuigd van de waarheid, maar bij sommigen waren de indrukken niet van blijvende aard. Er waren ook mensen die op dat ogenblik hun overtuiging niet kenbaar maakten, maar later, nadat ze de Schrift zelf hadden onderzocht onbevreesde aanhangers van de Hervorming werden.

Keurvorst Frederik had angstig uitgekeken naar Luthers verschij­ning voor de Rijksdag en hij luisterde met diepe ontroering naar zijn toespraak. Hij was blij en trots toen hij zag hoe moedig, vastberaden en beheerst Luther was en besloot hem nog meer te steunen. Hij ver­geleek de groepen die tegenover elkaar stonden en stelde vast dat de wijsheid van pausen, koningen en prelaten door de macht van de waarheid tot niets was herleid. Het pausdom had een nederlaag gele­den die in alle landen en in alle tijden voelbaar zou zijn.

Toen de legaat merkte welke indruk Luthers toespraak had ge­maakt, vreesde hij meer dan ooit voor de macht van Rome en wilde hij Luther met alle mogelijke middelen kraken. Met al de welspre­kendheid en diplomatie waardoor hij zich had onderscheiden, pro­beerde hij de jonge keizer duidelijk te maken hoe dwaas en gevaarlijk het was de vriendschap en steun van het machtige Rome voor een on­belangrijke monnik op te offeren.

Zijn woorden bleven niet zonder uitwerking. Op de dag na het ant­woord van Luther liet keizer Karel een boodschap aan de Rijksdag voorlezen waarin hij meedeelde dat hij vastbesloten was het beleid van zijn voorgangers, dat erop gericht was het rooms-katholicisme te steunen en te beschermen, voort te zetten. Daar Luther zijn dwalingen niet wilde herroepen, moesten de strengste maatregelen tegen hem en tegen de ketterijen die hij onderwees, worden genomen. „Eén enkele monnik die door zijn eigen dwaasheid op een dwaalspoor is gebracht, verzet zich tegen de christelijke leer. Om dit ongeloof uit te roeien, ben ik bereid mijn koninkrijken, mijn rijkdom mijn vrienden, mijn li­chaam, mijn bloed, mijn ziel en mijn leven op te offeren. Ik sta op het punt de augustijner monnik Luther weg te sturen. Ik zal hem verbie­den enige onrust onder het volk te zaaien. Ik zal hem en zijn aanhan­gers als weerspannige ketters beschouwen en tegen hen optreden met banvloeken, interdicten en met alle mogelijke middelen waarmee ik hen kan uitroeien. Ik doe een beroep op de vertegenwoordigers van de standen zich als trouwe christenen te gedragen” (Ibid., b. 7, ch. 9).
Toch verklaarde de keizer dat het vrijgeleide van Luther moest wor­den geëerbiedigd en dat men hem moest toestaan zijn woonplaats vei­lig te bereiken, voordat men tegen hem begon op te treden.

De leden van de Rijksdag waren in twee kampen verdeeld. De ge­zanten en vertegenwoordigers van de paus eisten nogmaals dat er geen rekening zou worden gehouden met het vrijgeleide dat aan Luther was gegeven. Ze zeiden: „Zijn as moet in de Rijn worden uit­gestrooid, zoals een eeuw geleden ook met Johannes Hus is gebeurd” (Ibid., b. 7, ch. 9). Maar hoewel de Duitse vorsten zelf pausgezind waren en zeer vijandig tegenover Luther stonden, protesteerden ze te­gen zo’n woordbreuk omdat ze vonden dat het een smet op het bla­zoen van het Duitse volk zou zijn. Ze wezen op de rampen die op de dood van Hus waren gevolgd en zeiden dat ze niet wilden dat Duits­land en de jonge keizer ook door zo’n onheil werden getroffen.

De keizer reageerde zelf ook op dit gemene voorstel: ,, Al worden eer en goede trouw uit de hele wereld gebannen, dan behoren ze toch een veilig toevluchtsoord in het hart van de vorsten te vinden” (Ibid., b. 7, ch. 9).
De felste pausgezinde vijanden van Luther drongen er bij de keizer op aan met de hervormer af te rekenen zoals Sigismund met Hus had gedaan. Ze wilden dat hij Luther aan de genade van de kerk zou overleveren.
De keizer herinnerde zich echter dat Hus op de ver­gadering in het openbaar naar zijn boeien had gewezen om de keizer op zijn woordbreuk te attenderen. Daarom zei Karel V: „Ik zou niet graag als Sigismund blozen” (Lenfant, vol. l, p. 422).

Toch had Karel V de waarheden die Luther had verdedigd willens en wetens verworpen. „Ik ben vastbesloten het voorbeeld van mijn voorouders te volgen”, schreef de vorst (D’Aubigné, b. 7, ch. 9). Hij wilde niet met de traditie breken, zelfs niet wanneer hij daardoor de waarheid en de rechtvaardigheid diende. Hij wilde het pausdom met al zijn wreedheid en corruptie steunen, omdat zijn voorouders dat ook hadden gedaan. Hij nam zijn standpunt in, verwierp alle inzichten die zijn voorouders niet hadden en weigerde iets te doen dat zij niet had­den gedaan.

Tegenwoordig zijn er veel mensen die zich op dezelfde manier aan de gewoonten en tradities van hun voorouders vastklampen. Wanneer God hun meer licht zendt, weigeren ze het aan te nemen omdat hun voorouders die kennis niet hadden en zij haar dus ook niet nodig heb­ben. Wij leven niet in dezelfde omstandigheden als onze voorouders; daarom zijn onze verantwoordelijkheid en onze verplichtingen niet helemaal dezelfde als de hunne. God zal ons niet aannemen als wij naar het voorbeeld van onze voorouders kijken om te bepalen wat wij behoren te doen in plaats dat wij zelfde waarheid proberen te ontdek­ken. Wij dragen een grotere verantwoordelijkheid dan onze voorou­ders. Wij dienen rekenschap af te leggen voor het licht dat zij hebben ontvangen en aan ons hebben doorgegeven, maar wij zijn ook verant­woording verschuldigd voor het grotere licht dat nu voor ons uit het Woord van God schijnt.

Christus zei over de ongelovige Joden: „Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde” (Johannes 15: 22).
De­zelfde goddelijke macht sprak bij monde van Luther tot de keizer en de vorsten van het Duitse rijk. Toen het licht uit zijn Woord scheen, pleitte zijn Geest voor de laatste keer met velen die daar bijeengeko­men waren. Zoals Pilatus vele eeuwen vroeger, door trots en populari­teit gedreven, zijn hart voor de Verlosser van de wereld sloot; zoals de bange Felix aan Paulus zei: „Ga voor heden heen; wanneer ik nog eens gelegenheid heb, zal ik u wel weder ontbieden”; zoals de hoog­moedige Agrippa moest toegeven: „Gij wilt mij wel spoedig als christen laten optreden!” (Handelingen 24: 25; 26: 28), maar de boodschap die God hem zond verwierp – zo besloot Karel V het licht van de waarheid af te wijzen. Hij wilde de ijdelheid van deze wereld en de diplomatie volgen.

Geruchten over samenzweringen die tegen Luther werden beraamd, deden overal de ronde en brachten de hele stad in rep en roer. Luther had vriendschap gesloten met veel mensen die de verraderlijke wreed­heid van Rome tegenover iedereen die haar corruptie aan het licht durfde te brengen goed kenden. Ze besloten dat hij geen slachtoffer van de listen van Rome mocht worden. Honderden edellieden beloof­den plechtig hem te zullen beschermen. Velen stelden de boodschap van de keizer openlijk aan de kaak en vonden haar een bewijs van slaafse onderwerping aan de heerschappij van Rome.
Op de deuren van de huizen en op openbare plaatsen werden er aanplakbiljetten pro en contra Luther aangebracht. Op één daarvan stonden alleen de veel­betekenende woorden van de Prediker: „Wee u, o land, welks koning een kind is” (Prediker 10: 16).
De geestdrift van het volk in het hele Duitse rijk voor Luther overtuigde zowel de keizer als de Rijksdag dat elke onrechtvaardigheid tegenover Luther de vrede in het rijk en zelfs de stabiliteit van de troon in gevaar zou brengen.

Frederik van Saksen pakte de zaak heel voorzichtig aan en hield zijn sympathie voor Luther zorgvuldig geheim, terwijl hij hem tegelij­kertijd met onvermoeibare waakzaamheid beschermde en al zijn be­wegingen alsook die van zijn tegenstanders volgde. Maar velen sta­ken hun sympathie voor Luther niet onder stoelen of banken. Hij werd bezocht door vorsten, graven, baronnen en andere vooraanstaan­de leken en geestelijken. Spalatinus schrijft hierover: „Het kamertje van Luther was te klein voor al die bezoekers” (Martyn, vol. l, p. 404).
De mensen keken hem aan alsof hij een bovennatuurlijk wezen was. Zelfs zij die zijn leer niet aannamen, hadden bewondering voor zijn onkreukbaarheid, waardoor hij liever de dood trotseerde dan zijn geweten geweld aandeed.

Men stelde alles in het werk om Luther zover te krijgen dat hij een compromis met Rome sloot. Edellieden en vorsten beweerden dat hij uit het rijk zou worden verbannen en weerloos zou zijn als hij zich ei­genwijs tegen de kerk en de concilies bleef verzetten. Luthers reactie op hun waarschuwing was: „Men kan het evangelie van Christus niet verkondigen zonder aanstoot te geven. … Waarom zouden vrees en angst voor het gevaar mij dan van Christus en het Woord van God, dat de waarheid is, scheiden? Nee, ik geef liever mijn lichaam, mijn bloed en mijn leven” (D’Aubigné, b. 7, ch. 10).

Weer deed men een dringend beroep op Luther om zich alsnog aan de keizer te onderwerpen. Men zei dat hij dan niets meer hoefde te vrezen. Luther antwoordde: „Ik ga er volledig mee akkoord dat de keizer, de vorsten en zelfs de eenvoudigste christen het recht hebben mijn werken te onderzoeken en te beoordelen, op één voorwaarde: Zij moeten het Woord van God als hun maatstaf aannemen. Er staat de men­sen niets anders te doen dan dat Woord te gehoorzamen. Doe mijn gewe­ten geen geweld aan, want het is gebonden en geketend aan de Heilige Schrift” (Ibid., b. 7, ch. 10).



Op een andere dringende oproep antwoordde hij: „Ik ben bereid van mijn vrijgeleide af te zien. Ik stel mijn persoon en mijn leven in handen van de keizer, maar het Woord van God zal ik nooit verloo­chenen!” (Ibid., b. 7, ch. 10).
Hij zei ook dat hij zich aan het besluit van een algemeen concilie wilde onderwerpen, maar alleen op voor­waarde dat er van het concilie geëist werd dat het op grond van de Schrift besluiten zou nemen. Verder verklaarde hij: „Iedere christen kan het Woord van God en de leer even goed beoordelen als de paus, zelfs al wordt deze laatste door een miljoen concilies bijgestaan” (Mar­tyn, vol. 1, p. 410). Op de lange duur waren zowel vriend als vijand er­van overtuigd dat alle verdere verzoeningspogingen nutteloos waren.

Als de hervormer maar op één punt had toegegeven, zouden Satan en zijn aanhang de overwinning hebben behaald, maar Luthers on­wankelbare vastberadenheid was het middel om de kerk vrij te maken en het begin van een nieuw en beter tijdperk in te luiden. Deze ene man, die op het gebied van de godsdienst onafhankelijk durfde te den­ken en te handelen, zou de kerk en de wereld niet alleen in zijn eigen tijd, maar ook in alle generaties na hem beïnvloeden. Zijn vastbera­denheid en trouw zullen allen die voor dezelfde problemen komen te staan tot het einde der tijd moed schenken. De macht en majesteit van God waren boven de beslissingen van mensen en boven de grote macht van Satan verheven.

Kort daarna moest Luther op bevel van de keizer naar huis terugke­ren. Hij wist dat zijn veroordeling spoedig op dit bericht zou volgen. De toekomst zag er somber uit. Toch vertrok hij blij en dankbaar uit Worms. Hij zei: „De duivel in hoogst eigen persoon bewaakte de pauselijke burcht, maar Christus heeft er een grote bres in geslagen en Satan werd gedwongen toe te geven dat God machtiger is dan hij” (D’Aubigné, b. 7, ch. 11).

Na zijn vertrek schreef Luther, die nog altijd wilde dat men zijn vastberadenheid niet als opstandigheid zou beschouwen, aan de kei­zer: „God doorzoekt de harten en Hij is mijn getuige dat ik in alle oprechtheid uwe majesteit in alle omstandigheden onvoorwaarde­lijk wil gehoorzamen, zolang dat niet in strijd is met het Woord van God, waarnaar de mens behoort te leven. In alle aangelegenheden van dit leven zal mijn trouw onwrikbaar zijn, want verlies of winst op dit gebied spelen geen rol voor iemands zaligheid. Maar als er eeuwige belangen op het spel staan, is het Gods wil dat de mens zich niet aan een ander mag onderwerpen, want zo’n, onderwerping in geestelijke dingen komt in feite neer op aanbidding en de mens mag alleen zijn Schepper aanbidden” (Ibid., b. 7, ch. 11).

Op de terugreis uit Worms werd Luther nog meer verwelkomd dan op zijn heenreis. Kerkvorsten verwelkomden de geëxcommuniceerde monnik en wereldlijke machthebbers eerden de man die door de kei­zer was veroordeeld. Men vroeg hem of hij wilde preken en ondanks het verbod van de keizer, ging hij op de kansel. ,,Ik heb nooit beloofd dat ik het Woord van God aan banden zou leggen”, zei hij, „en zal dat ook nooit doen” (Martyn, vol. 1, p. 420).

Nauwelijks was hij uit Worms vertrokken of de aanhangers van de paus haalden de keizer ertoe over een edict tegen hem uit te vaardi­gen. In dit decreet werd Luther gebrandmerkt als „Satan in mensen­gedaante en in monnikspij” (D’Aubigné, b. 7, ch. 11).
Er werd een bevel uitgevaardigd dat men onmiddellijk na het verstrijken van zijn vrijgeleide maatregelen diende te nemen om een eind aan zijn werk te maken. Niemand mocht hem onderdak, voedsel of drank geven, noch hem door woord of daad, in het openbaar of in het geheim helpen. Hij moest gevangen genomen worden, waar hij zich ook mocht bevinden en aan de overheid worden uitgeleverd. Zijn aanhangers moesten ook gevangen genomen worden en hun bezittingen moesten verbeurd ver­klaard worden. Zijn geschriften moesten worden vernietigd.

Tenslotte zou iedereen die dit bevelschrift zou durven overtreden ook worden veroordeeld. De keurvorst van Saksen en de vorsten die Luther het meest genegen waren, hadden Worms onmiddellijk nadat Luther vertrokken was, verlaten. Daarom kon het decreet van de kei­zer door de Rijksdag worden bekrachtigd. De aanhangers van de paus waren in hun nopjes. Ze dachten dat het lot van de Hervorming nu be­zegeld was.

God had echter in dit uur van gevaar voor een uitweg gezorgd. Een waakzaam oog had Luther gevolgd en een oprecht en trouw man had besloten hem te redden. Het stond vast dat Rome alleen met zijn dood genoegen zou kunnen nemen. Luther kon alleen uit de muil van de leeuw gered worden als hij zich ergens schuil hield.
God gaf Frederik van Saksen de wijsheid een plan te bedenken om de hervormer te red­den. Met medewerking van enkele trouwe vrienden werd het plan van de keurvorst ten uitvoer gebracht. Luther werd voor vriend en vijand op een veilige plaats verborgen. Op zijn terugreis werd hij gevangen genomen, van zijn metgezellen gescheiden en vlug dwars door het bos naar de Wartburg, een afgelegen burcht in de bergen, gebracht.
Zijn gevangenneming en zijn schuilplaats werden zó goed geheim ge­houden dat zelfs Frederik lange tijd niet wist waar Luther zat. Men had dit opzettelijk zo geregeld: Als de keurvorst niet wist waar Luthers geheime schuilplaats was, kon hij ook niets verraden. Hij was er zeker van dat Luther in veiligheid was en nam daar genoegen mee.

Lente, zomer en herfst gingen voorbij. De winter stond voor de deur en Luther zat nog altijd gevangen. Aleander en zijn aanhangers waren blij omdat ze dachten dat het licht van het evangelie spoedig zou worden gedoofd. Maar daarin vergisten ze zich deerlijk, want de hervormer was zijn lamp aan het vullen uit de schatkamer van de waarheid. Zijn licht zou nog helderder gaan schijnen.

Door de prettige sfeer en de veiligheid op de Wartburg was Luther in het begin blij dat hij ver van de hitte van de strijd en de verwarring was. De kalmte en rust konden hem evenwel niet lang voldoening schenken. Hij was gewend aan een actief leven en aan de harde strijd en kon zich moeilijk aan het rustige leven aanpassen. In die dagen van eenzaamheid kwam de toestand van de kerk hem voor de geest. Wan­hopig riep hij uit: „Het is toch erg jammer! Er is niemand die in deze dagen van Gods toorn als een muur voor de Here kan staan om Israël te redden!” (Ibid., b. 9, ch. 2).
Toen dacht hij weer aan zijn eigen toe­stand. Hij was bang dat men hem van lafheid zou beschuldigen omdat hij zich uit de strijd had teruggetrokken. Hij vond zichzelf ook lauw en gemakzuchtig. Toch deed hij in die tijd elke dag méér dan men voor één man mogelijk achtte. Zijn pen rustte nooit. Terwijl zijn vijanden zich met de ijdele hoop vleiden dat ze hem het zwijgen hadden opgelegd, werden ze verbaasd en in de war gebracht door de tastbare bewijzen van zijn activiteit. Tal van verhandelingen die uit zijn pen waren gevloeid, werden in alle delen van het Duitse rijk verspreid. Hij bewees zijn landgenoten ook een zeer belangrijke dienst door zijn vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits. Vanuit zijn Patmos in het gebergte verkondigde hij bijna een heel jaar lang het evangelie en veroordeelde hij de zonden en dwalingen van zijn tijd.

Maar God had zijn dienaar niet alleen uit het openbare leven weg­genomen om hem tegen de woede van zijn vijanden te beschermen of hem rust te geven voor dit belangrijke werk. Er waren nóg belangrij­kere waarden die gevrijwaard moesten worden. In de eenzaamheid en duisternis van zijn schuilplaats in de bergen was Luther ver van alle menselijke hulp en onbereikbaar voor menselijke lof. Zo werd hij beschermd tegen hoogmoed en zelfingenomenheid, die zo vaak samen­gaan met succes. Door lijden en vernedering werd hij weer voorbereid om veilig de duizelingwekkende hoogten te betreden waartoe hij plots verheven was.

In hun blijdschap over de vrijheid die de waarheid schenkt, zijn de mensen vaak geneigd om degenen die God heeft gebruikt om de ke­tens van dwaling en bijgeloof te verbreken, lof toe te zwaaien. Satan probeert de gedachten en de liefde van de mensen van God af te lei­den en ze op menselijke bemiddelaars te vestigen.
Hij zet hen ertoe aan alleen het middel te eren en wil dat ze de Hand die alle gebeurte­nissen leidt, vergeten. Heel vaak verliezen godsdienstige leiders die zo geprezen en geëerd worden hun afhankelijkheid van God uit het oog en gaan op zichzelf vertrouwen. Ze proberen dan de geest en het geweten te beheersen van mensen die op hèn rekenen om geleid te worden in plaats dat ze vragen wat het Woord van God zegt.
Hervor­mingen worden vaak vertraagd omdat hun aanhangers door deze instelling gekenmerkt worden. God wilde de Hervorming voor dit ge­vaar behoeden. Hij wilde dat dit werk geen menselijk, maar een goddelijk stempel zou dragen. De blik van de mensen was op Luther gericht. Ze beschouwden hem als de uitlegger van de waarheid. Daar­om werd hij tijdelijk uit hun midden weggenomen, zodat alle ogen op de eeuwige Bron van waarheid gericht konden worden.
(“Het Grote Conflict” E.G.White)

Toen God de mensen uitkoos die de hervorming in de kerk tot stand moesten brengen, ging hij op dezelfde manier te werk als bij de stichting van de gemeente. De hemelse Leraar hield geen rekening met de machthebbers van deze aarde. Hij passeerde de mensen van hoge afkomst en liet de rijken links liggen. Als leiders van het volk waren ze eraan gewend dat men hen eerde en lof toezwaaide. Zij wa­ren zó trots en vonden zichzelf zó superieur dat ze onmogelijk solidair konden zijn met hun medemensen en geen medewerkers konden wor­den van de nederige Man van Nazareth. Tot de ongeschoolde, hard werkende vissers uit Galiléa richtte Christus de oproep: „Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken” (Mattheüs 4:19).
Deze dis­cipelen waren eenvoudige mensen en stonden open voor zijn leer. Hoe minder zij door de dwaalleer van hun tijd waren beïnvloed, des te beter kon Christus hen voor zijn dienst onderwijzen en opleiden. Zo was het ook in de tijd van de Hervorming. De belangrijkste hervor­mers waren gewone mensen, die veel minder klassebewust en fana­tiek waren dan al hun tijdgenoten en niet deelnamen aan de intriges van de geestelijkheid. God wil eenvoudige medewerkers gebruiken om belangrijke resultaten te bereiken. De eer zal dan niet te beurt val­len aan mensen, maar aan Hem die door hun medewerking zijn plan­nen en bedoelingen wil verwezenlijken.

Enkele weken na de geboorte van Luther in het huisje van een Sak­sische mijnwerker zag Ulrich Zwingli in de hut van een herder in de Alpen het levenslicht. De omgeving waar hij als jongen leefde en de opvoeding die hij in zijn kinderjaren genoot, waren een goede voorbe­reiding op zijn toekomstige taak. Hij groeide op te midden van adem­benemend mooie berglandschappen en werd al op jeugdige leeftijd doordrongen van de grootheid, macht en majesteit van God. De ge­schiedenis van de heldendaden die in de bergen van zijn geboorte­streek waren verricht, stimuleerden het verlangen van de jonge Zwin­gli.

Hij zat naast zijn vrome grootmoeder te luisteren naar de weinige, mooie bijbelverhalen die zij uit de legenden en overlevering van de kerk had gesprokkeld. Met grote belangstelling luisterde hij naar de indrukwekkende prestaties van patriarchen en profeten, van de her­ders die hun kudden hoedden op de heuvels van Palestina, waar engelen met hen spraken, van het Kind van Bethlehem en de Man van Golgotha.

Zoals Johannes Luther, wilde de vader van Zwingli dat zijn zoon zou studeren. Toen Ulrich nog heel jong was, vertrok hij uit het dal waar hij geboren was. Hij maakte zo snel vorderingen dat men na korte tijd voor het probleem stond waar men leraren kon vinden die bevoegd genoeg waren om hem te begeleiden. Toen hij dertien was ging hij naar Bern, waar toen de beroemdste school van Zwitserland gevestigd was. Daar dreigde er echter groot gevaar voor deze veelbe­lovende jongeman.
De monniken deden hun uiterste best om hem in het klooster te lokken. Dominicanen en franciscanen wedijverden om de gunst van het volk. Zij hoopten hun doel te bereiken door luxueuze kerkinterieurs, door pracht en praal tijdens de kerkdiensten en door de aantrekkingskracht van beroemde relikwieën en beelden die won­deren konden verrichten.
De dominicanen van Bern wisten wel dat als zij deze begaafde jonge student voor zich konden winnen het een enorme winst en een eer voor hen zou zijn. Zijn jeugdige leeftijd, zijn natuurlijk talent als spreker en schrijver en zijn buitengewone aanleg voor muziek en poëzie zouden meer aantrekkingskracht op het volk uitoefenen, hen naar hun diensten lokken en de inkomsten van hun orde meer verhogen dan al hun pracht en praal.
Met bedrog en vleierij probeerden zij Zwingli ertoe over te halen in hun klooster te treden. Luther had zich als student in zijn kloostercel opgesloten en zou voor de wereld verloren zijn geweest als Gods voorzienigheid hem niet uit zijn situatie had bevrijd. Zwingli mocht niet het zelfde gevaar lopen. God zorgde ervoor dat zijn vader werd ingelicht over de bedoelingen van de monniken. Hij was niet van plan zijn zoon als monnik een waardeloos leeglopersleven te laten leiden. Hij begreep dat zijn toe­komst op het spel stond en wilde dat zijn zoon direct naar huis terug keerde.

Zwingli gehoorzaamde. Zijn verblijf in het dal waar hij geboren was, kon hem echter niet lang boeien en het duurde niet lang of hij begon weer te studeren. Na enige tijd ging hij naar Bazel. Daar hoor­de Zwingli voor het eerst het grote nieuws van Gods vrije genade.
Wittembach, een leraar oude talen, had de Bijbel door zijn studie van het Grieks en het Hebreeuws ontdekt waardoor hij het goddelijk licht kon doorgeven aan de studenten aan wie hij les gaf. Hij zei dat er een waarheid was die aanzienlijk ouder en oneindig waardevoller was dan de theorieën van scholastici en wijsgeren. Volgens deze oude waarheid was de dood van Christus de enige losprijs voor de zondaar. Voor Zwingli waren deze woorden de eerste stralen van de dageraad.

Zwingli werd kort daarna uit Bazel teruggeroepen om zijn levens­taak aan te vatten. Zijn eerste werkterrein was een parochie in de Al­pen, niet ver van het dal waar hij geboren was. Hij werd tot priester gewijd en „legde zich met hart en ziel toe op het speuren naar Gods waarheid, want hij gaf er zich wel rekenschap van”, zei een andere hervormer, „hoeveel de herder aan wie de kudde van Christus is toe­vertrouwd moet weten” (Wylie, b.8, ch.5).
Hoe meer hij de Schriften onderzocht, hoe meer hij zich bewust werd van de tegenstelling tus­sen de bijbelwaarheid en de ketterijen van Rome. Hij beschouwde de Bijbel als het Woord van God en het enige, onfeilbare richtsnoer.
Hij begreep dat de Bijbel zichzelf uitlegde en durfde de Schrift niet te verklaren om een vooropgezette theorie of leer te verdedigen, maar beschouwde het als zijn plicht haar duidelijke uitspraken aan te ne­men. Hij wilde elk middel gebruiken om haar betekenis zo goed en zo volledig mogelijk te doorgronden en vroeg om hulp van de Heilige Geest, die volgens hem de Bijbel uitlegt aan allen die er oprecht en biddend naar verlangen.

Hij zei: ,,De schrift komt van God en niet van de mens. God geeft inzicht en zal je laten begrijpen dat deze woorden van Hem komen. Het Woord van God….. is onfeilbaar.
Het is duidelijk, het legt zichzelf uit en openbaart zichzelf, het verlicht de ziel door het heil en de gena­de, brengt haar troost in God, verootmoedigt haar zodat ze zichzelf niet meer kent en zich zelfs wegcijfert en helemaal in God opgaat”.

Zwingli had in zijn leven ervaren dat deze woorden waar zijn. Over zijn ervaringen in die tijd schreef hij later: „Toen….. ik mij volledig in de Schrift begon te verdiepen, bleven de scholastische filosofen en theologen mij strijdvragen voorleggen. Tenslotte dacht ik: ,Je moet al die leugens laten varen en Gods bedoelingen alleen uit zijn eigen, dui­delijk Woord leren’. Ik vroeg God of Hij mij zijn licht wilde schen­ken; toen werd de schrift mij veel duidelijker” (Ibid., b.8, ch.6)

Zwingli had de leer die hij verkondigde niet van Luther overgeno­men. Het was de leer van Christus. De Zwitserse hervormer zei: „Als Luther Christus predikt, doet hij precies wat ik ook doe. Hij heeft meer mensen tot Christus gebracht dan ik, maar dat doet er niet toe. Ik zal alleen de naam van Christus verheerlijken. Ik ben zijn soldaat en Hij alleen is mijn Leider. Ik heb nog nooit één enkel woord aan Luther geschreven en hij ook niet aan mij. Waarom?…. Omdat het daardoor duidelijk zal worden hoezeer de Geest van God in harmonie is met Zichzelf, daar wij beiden dezelfde leer van Christus verkondi­gen, zonder dat wij daar van tevoren geheime afspraken over gemaakt hebben” (D’Aubigné, b.8, ch.9).

In 1516 deed men een beroep op Zwingli om prediker te worden in het klooster van Einsiedeln. Hier zou hij een betere kijk op de corrup­tie van Rome krijgen en zou hij als hervormer een invloed uitoefenen die veel verder reikte dan zijn geboortestreek, de Alpen.
Eén van de belangrijkste attracties van Einsiedeln was een beeld van de Heilige Maagd. Men beweerde dat dit beeld wonderen kon verrichten. Boven de Kloosterpoort prijkte het opschrift: „Hier kan men volledig kwijt­schelding van zonden verkrijgen” (Ibid., b 8, ch.5). In elk jaargetijde bezochten pelgrims het heiligdom van de Maagd, maar bij het grote jaarlijkse feest van de wijding van dit beeld kwamen zeer velen uit alle delen van Zwitserland en zelfs uit Frankrijk en Duitsland. Zwin­gli was diep bedroefd toen hij dat zag en maakte van de gelegenheid gebruik om aan deze slaven van het bijgeloof de vrijheid van het evangelie te verkondigen.

Hij zei: „Jullie moeten niet denken dat God in dit heiligdom méér aanwezig is dan op enige andere plaats op aarde. Uit welk land jullie ook komen, God is altijd nabij en luistert naar jullie….. Kunnen nutte­loze werken, lange pelgrimstochten, offergaven, beelden, de aanroe­ping van de Heilige Maagd of van de heiligen jullie verzekeren van Gods genade?.….
Wat baat de omhaal van woorden bij het uitspreken van onze gebeden? Wat voor zin hebben een glanzende monnikskap, een gladgeschoren kruin, een lange wapperende toga of met goud­draad geborduurde sandalen?… God kijkt naar onze harten en die zijn ver van Hem”. „Christus, die op het kruis stierf, is het slachtoffer dat volledig voor de zonden van alle gelovigen van alle tijden heeft ge­boet” (Ibid., b.8, ch.5).

Voor veel toehoorders was deze leer onaanvaardbaar. Het was voor hen een bittere teleurstelling toen ze hoorden dat ze hun moeilijke reis voor niets hadden gemaakt. Ze konden niet begrijpen dat Christus hun de vergeving van zonden aanbood zonder daarvoor een tegenprestatie te eisen. Ze waren tevreden met de oude weg naar de hemel, die Rome voor hen had uitgestippeld. Zij zagen op tegen de moeite die het zoeken naar iets anders met zich mee bracht. Het was makkelijker hun zaligheid aan priesters en aan de paus toe te vertrouwen dan naar een rein hart te streven.

Maar sommigen namen het goede nieuws van de verlossing door Christus met blijdschap aan. De regels die Rome had opgelegd, kon­den hen geen vrede schenken en vol vertrouwen aanvaardden ze het bloed van Christus als hun zoenoffer. Ze keerden naar huis terug om het kostbare licht dat zij hadden ontvangen aan anderen door te geven. Zo werd de waarheid van het ene dorp naar het andere en van de ene stad naar de ander verspreid en nam het aantal pelgrims naar het beeld van de Heilige Maagd sterk af.
De mensen gaven minder geld en daardoor verminderde ook het inkomen van Zwingli, die met hun ga­ven werd betaald. Maar dat was voor hem alleen een reden om blij te zijn, want hij zag dat de macht van fanatisme en bijgeloof werd ge­broken. De kerkelijke overheid was niet blind voor het werk dat Zwingli deed, maar greep voorlopig niet in. Ze hoopte hem nog voor de kerk te winnen en probeerde haar doel met vleierij te bereiken. In­tussen oefende de waarheid een steeds grotere invloed op de mensen uit.

Het werk dat Zwingli in Einsiedeln deed had hem voorbereid op de belangrijkere taak die hij spoedig zou vervullen. Na drie jaar werd hij prediker in de kathedraal van Zürich, dat in die tijd de belangrijkste stad van de Zwitserse bondsstaat was. De invloed die hij hier zou uit­oefenen, zou in het hele land een grote weerslag hebben. De geestelij­ken die hem naar Zürich hadden laten komen, wilden echter elke ver­nieuwing in de kerk verhinderen; ze vertelden hem dan ook nauwkeurig wat hij doen en laten moest.

Hun opdracht luidde: „U moet alles in het werk stellen om de in­komsten van het kapittel te vergaren. U mag daarbij zelfs het gering­ste niet over het hoofd zien. U dient de gelovigen zowel van de preek­stoel als in de biechtstoel ertoe aan te sporen alle tienden en gaven te betalen en hen eraan herinneren dat ze hun liefde voor de kerk door hun mildheid kunnen laten blijken. U moet er zich voor inzetten de inkomsten die voortkomen van de zieken, de missen en van alle kerk­diensten in het algemeen te doen toenemen”. Zijn opdrachtgevers zei­den ook: „De toediening van sacramenten, de preek en de pastorale zorg behoren ook tot de taak van een parochiegeestelijke, maar daar­voor mag u een beroep doen op een plaatsvervanger – vooral veel pre­ken. U mag de sacramenten alleen toedienen aan personen van aan­zien en alleen wanneer er een beroep op u wordt gedaan. Het is verboden dit zonder onderscheid des persoons te doen” (Ibid., b.8, ch.6).

Zwingli luisterde naar deze instructies zonder een woord te zeggen. In zijn antwoord sprak hij eerst zijn dank uit voor de eer die men hem had bewezen door hem naar deze belangrijke standplaats te beroepen. Daarna legde hij uit op welke manier hij zijn taak wilde vervullen: „Men heeft het leven van Christus te lang verborgen gehouden voor het volk. Ik ben van plan het hele evangelie van Mattheüs in mijn pre­ken te behandelen….. en zal alleen uit de bronnen van de Schrift putten, haar diepten peilen, de teksten met elkaar vergelijken en ernaar stre­ven ze te begrijpen door voortdurend en oprecht tot God te bidden. Ik zal mijn pastoraat wijden aan de eer van God, aan de lof van Zijn eni­ge Zoon, aan de ware redding van zielen en aan hun geestelijke groei in het ware geloof’ (Ibid., b.8, ch.6).
Hoewel sommige geestelijken zijn plan afkeurden en hem tot andere gedachten wilden brengen, bleef Zwingli op zijn standpunt staan. Hij zei dat het niet in zijn be­doeling lag een nieuwe methode in te voeren, maar dat hij de beproef­de methode wilde gebruiken die dateerde uit de tijd toen de kerk zui­verder was.

De mensen hadden belangstelling voor de leer die hij onderwees en kwamen massaal op om naar zijn prediking te luisteren. Velen die al­lang geen voet meer in de kerk hadden gezet, wilden toch horen wat hij te vertellen had. Hij begon zijn evangelieverkondiging met het on­derzoek van de evangeliën: Hij las het geïnspireerde verhaal over het leven, de leer en de dood van Christus en gaf er uitleg over.
Zoals in Einsiedeln zei hij ook hier dat het Woord van God het enige, onfeilba­re gezag was en dat de dood van Christus het enige, volmaakte offer was. Hij zei: „Ik wil u tot Christus, de ware bron van verlossing bren­gen” (Ibid., b.8. ch.6).
Mensen uit alle lagen van de bevolking -staatslieden, geleerden, vaklieden en landbouwers – verdrongen zich rondom de spreker. Ze luisterden met grote belangstelling naar zijn woorden. Hij verkondigde niet alleen dat verlossing een vrije gave van God is, maar laakte ook onbevreesd al het verkeerde en de corruptie van zijn tijd. Velen loofden God wanneer ze uit de kathedraal kwamen. Ze zeiden: „Deze predikant verkondigt de waarheid. Hij zal onze Mozes zijn en ons uit de Egyptische duisternis leiden” (Ibid., b.8, ch.6).

In het begin stonden de mensen buitengewoon positief tegenover zijn werk, maar na enige tijd rees er verzet. De monniken deden hun best om het hem moeilijk te maken en wilden dat zijn leer veroor­deeld werd. Velen bespotten hem of probeerden hem het leven zuur te maken met hatelijkheden. Anderen namen hun toevlucht tot onbe­schaamdheid en bedreigingen. Maar Zwingli verdroeg alles geduldig en zei: „Als wij de slechte mensen ook voor Christus willen winnen, moeten wij onze ogen voor heel wat dingen sluiten” (Ibid., b.8, ch.6).

Rond die tijd kwam er iemand in Zürich aan die de hervorming ook zou helpen bevorderen. Een inwoner van Bazel, die positief stond te­genover het protestantisme had een zekere Lucianus met enkele wer­ken van Luther naar Zürich gezonden. Hij was van mening dat de ver­koop van boeken een uitstekend middel kon zijn om het licht te verspreiden. In een brief aan Zwingli schreef hij: „U moet zelf oorde­len of u deze man voorzichtig en bekwaam vindt. Als dat zo is moet u hem van stad tot stad, van dorp tot dorp en zelfs van huis tot huis la­ten gaan om de werken van Luther en vooral zijn commentaar op het “onze Vader”, dat hij voor leken schreef, onder de Zwitsers te versprei­den. Hoe meer bekendheid ze krijgen, hoe meer ze verkocht zullen wor­den” (Ibid., b.8. ch.6). Zo werd het licht verspreid.

Wanneer God maatregelen neemt om de ketenen van onwetendheid en bijgeloof te verbreken, doet Satan zijn uiterste best om de mensen in geestelijke duisternis te houden en hun boeien nog steviger vast te klinken. Op hetzelfde ogenblik dat de leer van de vergeving en rechtvaardigmaking door het bloed van Christus in verschillende landen aan de mensen werd verkondigd, begon Rome in heel Europa met ver­nieuwde ijver weer aflaten te verkopen.

Rome had voor elke zonde een tarief vastgesteld en de mensen mochten naar hartelust misdrijven plegen, als de schatkist van de kerk maar gevuld werd. Zo maakten beide bewegingen vorderingen; de ene bood vergeving van zonden aan tegen betaling, de andere leerde dat alleen Christus zonden kon vergeven. Rome gaf een vrijbrief om te zondigen en maakte de zonde tot haar bron van inkomsten, de her­vormers veroordeelden de zonde en leerden dat Christus ons zoenof­fer en onze Verlosser is.

In Duitsland waren de dominicanen onder leiding van de beruchte Tetzel met de verkoop van aflaten belast. In Zwitserland was deze handel in handen van de franciscanen onder leiding van Samson, een Italiaanse monnik.
Samson had de kerk al grote diensten bewezen, want hij had in Duitsland en Zwitserland grote bedragen losgekregen om de schatkist van de paus te vullen. Nu trok hij door Zwitserland, waar hij veel toehoorders rondom zich schaarde. Hij beroofde de arme boeren van het beetje geld dat ze verdienden en slaagde erin de rijken aanzienlijke bedragen af te troggelen. Maar de invloed van de Hervorming was al merkbaar; de aflaathandel ging achteruit, maar kon nog niet helemaal uitgeschakeld worden.
Zwingli was nog in Einsiedeln toen Samson kort nadat hij in Zwitserland was aangekomen, met zijn koopwaar in een naburige stad opdook. De hervormer wist waarvoor hij gekomen was en trok erop uit om het tegen hem op te nemen. Ze hebben elkaar niet ontmoet, maar Zwingli weerlegde de onrechtmatige aanspraken van de monnik zó doeltreffend dat hij ver­plicht was naar een andere streek te gaan.

In Zürich kantte Zwingli zich fel tegen de aflaatverkopers. Toen Samson de stad naderde, ging een bode van de raad hem tegemoet met de mededeling dat men erop rekende dat hij de stad niet zou be­zoeken. Door een list kwam hij toch in de stad, maar hij werd uit de stad verdreven vóór hij één aflaat had kunnen verkopen. Kort daarna vertrok hij uit Zwitserland.

De hervorming maakte grote vorderingen door het uitbreken van de pest of Zwarte Dood, die Zwitserland in 1519 teisterde. Toen de men­sen de verwoestingen zagen die deze epidemie aanrichtte, drong het tot velen door hoe zinloos en waardeloos de aflaten waren die ze kort tevoren hadden gekocht. Ze verlangden naar een vastere grond voor hun geloof.
Zwingli werd in Zürich door de pest overvallen. Hij was zo verzwakt dat er geen hoop meer was op genezing. Het gerucht deed de ronde dat hij gestorven was. In die moeilijke tijd was zijn hoop onwankelbaar en zijn moed ongeschokt. Hij keek vol geloof op het kruis van Golgotha en vertrouwde op dit volmaakte zoenoffer.
Toen hij aan de greep van de dood was ontsnapt, verkondigde hij het evangelie met nog grotere ijver dan tevoren en zijn woorden oefenden een buitengewone invloed uit op de mensen. Met blijdschap begroet­ten ze hun geliefde herder, die van de afgrond van de dood terugge­keerd was. Zijzelf hadden zieken en stervenden verzorgd en waren zich meer dan ooit bewust van de waarde van het evangelie.

Zwingli begreep de waarheid van het evangelie nu beter en had de vernieuwende kracht daarvan nog meer in zijn leven ervaren. Hij dacht vaak na over de zondeval en het verlossingsplan.
Hij zei: „In Adam zijn wij allen dood, verzonken in verdorvenheid en veroordeling” (Wylie, b.8, ch.9).
„Christus… heeft voor ons de eeuwige ver­lossing verworven.….. Zijn lijden is.…. een eeuwig offer, een onvergan­kelijke, genezende kracht. Het vervult voor eeuwig alle eisen van Gods rechtvaardigheid en komt ten goede aan alle mensen die er met een vast en onwrikbaar geloof op vertrouwen”. Hij leerde echter ook op ondubbelzinnige wijze dat de genade van Christus geen veront­schuldiging mag zijn om in de zonde te blijven. „God is overal waar mensen in Hem geloven en overal waar God is, is er ook geloofsijver, die de mensen tot goede werken aanspoort” (D’Aubigné, b.8, ch.9).

De belangstelling voor de prediking van Zwingli was zó groot dat er in de kathedraal geen plaats was voor al de mensen die naar hem wilden komen luisteren. Hij liet zijn uiteenzetting van de waarheid gelijke tred houden met de snelheid waarmee zijn toehoorders haar konden verwerken. Hij zorgde ervoor dat hij in het begin geen punten ter sprake bracht die hen zouden schokken of tot vooroordelen aanlei­ding konden geven. Hij wilde hen voor de leer van Christus winnen, hen door zijn liefde tot betere mensen maken en hen op zijn voorbeeld wijzen. Naarmate zij de beginselen van het evangelie aanna­men, zouden hun bijgelovige opvattingen en praktijken vanzelf ver­dwijnen.

Stap voor stap ging de Hervorming vooruit in Zürich. Haar tegen­standers waren verontrust en gingen over tot actief verzet. Een jaar eerder had de monnik van Wittenberg te Worms uitdrukkelijk „Nee!” aan paus en keizer gezegd. Alles wees erop dat men zich ook in Zürich tegen de eisen van de paus zou verzetten. Zwingli werd her­haaldelijk aangevallen.
In de pausgezinde kantons kwamen er van tijd toe tijd volgelingen van het evangelie op de brandstapel terecht, maar daar was men niet mee tevreden. De ketterse leraar moest tot zwijgen worden gebracht.
De bisschop van Konstanz stuurde met het oog daarop drie afgevaardigden naar de raad van Zürich om Zwingli ervan te beschuldigen dat hij de mensen tot overtreding van de kerkelijke wetten had aangezet, waardoor hij de rust en orde in de samenleving ernstig in het gedrang bracht. De bisschop beweerde dat er totale anarchie zou heersen als men het gezag van de kerk verwierp.
Daarop antwoordde Zwingli dat hij het evangelie vier jaar lang had gepredikt in Zürich, „de rustigste en vreedzaamste stad in de statenbond”. „Is het christendom dan niet de beste waarborg voor algemene veilig­heid?”, vroeg hij (Wylie, b.8, ch. 11).

De afgevaardigden hadden de raadsleden ervoor gewaarschuwd de kerk niet te verlaten: „Buiten de kerk is er geen heil”, hadden ze ge­zegd. Zwingli’s antwoord daarop was: „Laat deze aanklacht u niet van uw stuk brengen. Het fundament van de kerk is dezelfde Rots, de­zelfde Christus, die Petrus zijn nieuwe naam gaf, omdat hij beleed dat Jezus de Christus was.
Iedereen, waar ook ter wereld, die met zijn hele hart in de Here Jezus gelooft, wordt door God aangenomen. Bui­ten déze gemeente kan inderdaad niemand gered worden” (D’Aubig-né, London ed, b.8, ch.l 1). Het resultaat van deze bijeenkomst was dat één van de afgevaardigden van de bisschop tot het protestantisme over­ging.

De raad weigerde maatregelen tegen Zwingli te nemen en daarom maakte Rome zich gereed voor een nieuwe aanval. Toen de hervor­mer hoorde welke samenzweringen zijn vijanden beraamden, zei hij: „Laat ze maar komen! Ik vrees ze zoals een steile rots de golven die aan zijn voet bulderen, vreest” (Wylie, b.8, ch.l 1).
De inspanningen van de geestelijkheid bevorderden alleen maar de zaak die zij wilden bestrijden. De waarheid verbreidde zich steeds verder. Haar aanhangers in Duitsland, die door Luthers verdwijning ontgoocheld waren, kregen weer moed toen zij hoorden welke vorderingen het evangelie in Zwitser­land maakte.

Naarmate de Hervorming in Zürich vooruitging, werden haar posi­tieve gevolgen duidelijker merkbaar en moest het zedenverval plaats maken voor orde en eensgezindheid. Zwingli zei in dit verband: „De vrede heeft onze stad tot woonplaats gekozen. Onenigheid, schijnhei­ligheid, afgunst en strijd komen hier niet meer voor. Zo’n eendracht kan alleen van God komen en is het resultaat van onze leer, die ons de vruchten van vrede en vroomheid overvloedig schenkt” (Ibid., b.8, ch.l 5).

Door de opmars van de Hervorming wilden de aanhangers van Rome tot radicale acties overgaan om het protestantisme volledig uit te roeien. Zij gaven zich er rekenschap van dat ze tot dusverre weinig hadden bereikt met hun vervolgingen en het verbieden van Luthers werken in Duitsland. Daarom besloten ze de Hervorming met haar ei­gen wapens te bestrijden. Ze wilden een dispuut met Zwingli beleg­gen en daar zij de organisatie van alles in handen hadden, zouden ze er wel voor zorgen dat zij de overwinning behaalden door niet alleen de plaats van het dispuut, maar ook de arbiters die moesten uitmaken wie gelijk had, zelf te kiezen. En als ze Zwingli te pakken konden krijgen, zouden ze er ook voor zorgen dat hij niet meer ontsnapte.
Als de leider tot zwijgen was gebracht, zouden ze de beweging wel zonder moeite kunnen verpletteren. Dit komplot werd echter zorgvuldig geheim gehouden.

Het dispuut zou in Baden worden gehouden, maar Zwingli ging er niet naar toe. De Zürichse raad vermoedde wat de rooms-katholieken in hun schild voerden. Ze dachten aan de brandstapels die men in de rooms-katholieke kantons voor de volgelingen van het evangelie had opgericht en legden hun herder het verbod op zich aan zo’n gevaar bloot te stellen.
Zwingli was bereid alle verdedigers die Rome op hem wilde afsturen in Zürich te ontmoeten, maar als hij naar Baden ging, waar kort tevoren het bloed van martelaren voor de waarheid had ge­vloeid, zou hij zeker gedood worden.

Oecolampadius en Haller wer­den aangewezen als vertegenwoordigers van de hervormers, terwijl de beroemde dr. Eck, bijgestaan door een groot aantal godgeleerden en prelaten, Rome zou verdedigen. Hoewel Zwingli niet op de vergade­ring aanwezig was, werd zijn invloed toch gevoeld.
De pausgezinden kozen alle secretarissen zelf, andere mensen werden met de doodstraf bedreigd als ze aantekeningen zouden maken. Toch ontving Zwingli elke dag een nauwkeurig verslag van de toespraken in Baden. Elke avond schreef een student die het dispuut bijwoonde alle argumenten die overdag naar voren waren gebracht op.
Elke dag zorgden twee an­dere studenten er dan voor dat deze aantekeningen samen met een brief van Oecolampadius aan Zwingli in Zürich werden bezorgd. De hervormer schreef dan terug, gaf zijn advies en opperde suggesties. ‘s Nachts schreef hij zijn brieven en ‘s morgens keerden de studenten ermee terug naar Baden. Om niet te zeer in het oog te lopen aan de stadspoort droegen deze koeriers manden met pluimvee op hun hoofd en werden zonder moeilijkheden doorgelaten. Op deze manier voerde Zwingli de strijd tegen zijn sluwe tegenstanders.
Myconius zei: „Hij heeft meer gepresteerd door zijn meditatie, zijn slapeloze nachten en het advies dat hij naar Baden stuurde, dan wanneer hij persoonlijk aan het dispuut met zijn vijanden had deelgenomen” (D’Aubigné, b.11, ch.13).

De verdedigers van het pausdom waren ervan overtuigd dat zij zou­den triomferen en waren in hun duurste gewaden met schitterende ju­welen naar Baden gekomen. Ze smulden wellustig aan tafels waar de duurste lekkernijen en de beste wijnen stonden. De last van hun ker­kelijke taak werd lichter gemaakt door pretmakerij en braspartijen.
De tegenstelling met de hervormers was opvallend: De mensen be­schouwden hen zo’n beetje als een bende schooiers die vanwege hun sobere kost maar korte tijd aan tafel bleven zitten. De waard van de herberg waar Oecolampadius verbleef, gluurde af en toe door het sleutelgat, maar vond hem altijd aan de studie of in gebed en zei zeer verbaasd dat deze ketter „echt heel vroom” was.

Op de vergadering „ging Eck trots naar een prachtig versierd spreekgestoelte, terwijl de eenvoudige, schamel geklede Oecolampadius tegenover zijn opponent plaats nam op een ruw bewerkt bankje” (Ibid., b. 11, ch.13).
Ecks stentorstem en zijn grenzeloos zelfvertrou­wen lieten hem geen minuut in de steek. Zijn ijver werd geprikkeld door de hoop op goud en roem, want „de verdediger van het geloof’ zou rijk beloond worden. Wanneer het hem aan steekhoudende argu­menten ontbrak, nam hij zijn toevlucht tot beledigingen en zelfs tot vloeken.

Oecolampadius was bescheiden en had niet erg veel zelfvertrou­wen. Daarom had hij lange tijd tegen dit dispuut opgezien. Hij begon zijn toespraak met een plechtige bekentenis: „Ik erken geen andere maatstaf dan het Woord van God” (Ibid., b.l l, ch.13).
Hij was vrien­delijk en hoffelijk, maar ook competent en onversaagd. Terwijl de rooms-katholieken zoals gebruikelijk een beroep moesten doen op de overlevering van de kerk, hield de hervormer zich onwrikbaar aan de schrift. „In Zwitserland heeft de ‘gewoonte’ geen rechtskracht, tenzij ze in overeenstemming is met de grondwet. In geloofszaken is de Bij­bel onze grondwet” (Ibid., b. 11, ch. 13).

De tegenstelling tussen de twee opponenten had een grote weer­slag. De rustige, duidelijke uiteenzetting van de hervormer, die hij zo vriendelijk en bescheiden naar voren bracht, viel in de smaak bij de mensen die de grootspraak en het gebulder van Eck weerzinwekkend vonden.

Het debat duurde achttien dagen. Na afloop wilden de zelfbewuste verdedigers van Rome tot overwinnaars worden uitgeroepen. De meeste afgevaardigden kozen partij voor Rome en de Rijksdag ver­klaarde dat de hervormers waren verslagen en samen met Zwingli, hun leider, uit de kerk zouden worden gestoten. De resultaten van deze bijeenkomst bewezen echter wie de echte overwinnaars waren. Dit dispuut was een enorme aanmoediging voor het protestantisme en kort daarna spraken de belangrijke steden Bern en Bazel zich uit voor de Hervorming. (“Het grote Conflict” – E.G.White)

Overal in Duitsland was men ontsteld over de geheimzinnige ver­dwijning van Luther en vroeg men zich af wat er met hem gebeurd was. De wildste geruchten deden de ronde en velen dachten dat hij vermoord was. Niet alleen zijn trouwe vrienden, maar ook duizenden anderen die niet openlijk de zijde van de Hervorming hadden geko­zen, treurden. Velen beloofden plechtig dat ze zijn dood zouden wre­ken.

De leiders van de rooms-katholieke kerk stelden met schrik vast hoezeer de publieke opinie zich tegen hen gekeerd had. Hoewel ze aanvankelijk blij waren toen ze het gerucht hoorden dat Luther dood was, wilden ze zich later zo goed mogelijk voor de woede van het volk verbergen. Zijn vijanden waren lang niet zo bang geweest voor zijn meest gedurfde acties toen hij nog in hun midden was als nu, na zijn verdwijning. Zij die in hun woede de moedige hervormer uit de weg wilden ruimen, waren erg bang nu hij een weerloze gevangene was. Eén van hen zei: „Wij kunnen ons alleen nog redden als wij fak­kels ontsteken en Luther in alle hoeken en gaten gaan zoeken om hem aan het volk te geven, want ze willen hem terug” (D’ Aubigné b.9, ch. 1).
Het edict van de keizer scheen een dode letter te zullen worden. De pauselijke legaten waren bijzonder verontwaardigd toen ze zagen dat de mensen er veel minder belangstelling voor hadden dan voor het lot van Luther.

Het nieuws dat hij gevangen genomen was, maar toch in goede handen was, stelde het volk gerust en bezorgde Luther een nog grote­re populariteit. Men las zijn werken met grotere belangstelling dan ooit tevoren. Steeds meer mensen kozen partij voor deze held, die het Woord van God tegen zo’n geduchte overmacht verdedigd had. De Hervorming won steeds meer aan kracht en het zaad dat Luther had gezaaid, schoot overal op.
Zijn afwezigheid bracht dingen tot stand die tijdens zijn aanwezigheid niet mogelijk waren. Door de verdwij­ning van de grote leider werden anderen zich meer bewust van hun verantwoordelijkheid. Ze deden met meer geloof en toewijding hun uiterste best om het werk dat zo prachtig begonnen was, voort te zet­ten.

Maar Satan bleef niet werkeloos toezien. Hij wilde nu doen wat hij bij alle andere hervormingsbewegingen ook al had geprobeerd: hij streefde ernaar de mensen te bedriegen en wilde hun geestelijke on­dergang bewerken door ze een namaak van de echte hervorming aan te smeren. Zoals er in de begintijd van het christendom valse Christus­sen waren, stonden er in de zestiende eeuw valse profeten op.

Enkele mensen waren diep getroffen door de beroering in de gods­dienstige wereld en beeldden zich in dat ze speciale openbaringen van God hadden ontvangen. Ze zeiden dat God hun de opdracht had gege­ven om de Hervorming, die ondanks het optreden van Luther volgens hen nog in de kinderschoenen stond, te voltooien. In werkelijkheid ondermijnden ze het werk dat Luther had opgebouwd. Ze verwierpen het grondbeginsel van de Hervorming – het Woord van God is de eni­ge regel voor geloof en leven – en vervingen deze onfeilbare gids door een veranderlijke, onbetrouwbare norm. Hun eigen gevoelens en indrukken. Door hun verwerping van deze belangrijke toetssteen, die dwa­ling en bedrog aan het licht brengt, zetten ze de deur open voor Satan om de geesten te beheersen zoals hij wilde.

Een van deze profeten zei dat de engel Gabriël hem richtlijnen had gegeven. Een student die met hem samenwerkte, gaf zijn studie op omdat hij vond dat God hem wijsheid had gegeven om zijn Woord uit te leggen. Anderen die van nature tot fanatisme geneigd waren, sloten zich bij hen aan. De activiteiten van deze fanatici verwekten veel op­schudding. Door de prediking van Luther waren de mensen zich er­van bewust geworden dat de hervorming noodzakelijk was, maar door de uitspraken van deze nieuwe profeten werden sommige oprechte gelovigen op een dwaalspoor gebracht.

De leiders van deze beweging gingen naar Wittenberg en wilden hun opvattingen aan Melanchton en zijn medewerkers opdringen. Ze zeiden: „God heeft ons gezonden om het volk te onderwijzen. We zijn in zeer nauw contact met God geweest en weten wat er zal gebeu­ren. We zijn met andere woorden apostelen en profeten en beroepen ons op dr. Luther” (Ibid., b.9, ch.7).

De Hervormers waren verbaasd en van hun stuk gebracht. Zoiets was hun nog nooit overkomen en ze wisten niet goed hoe ze de zaak moesten aanpakken. Melanchton zei: „Deze mannen worden onge­twijfeld gedreven door een buitengewone geest. Maar wat voor geest?.…. We moeten voorzichtig zijn dat we Gods Geest niet aan ban­den leggen, maar dienen er ook voor te zorgen dat de geest van Satan ons niet op een dwaalspoor brengt” (Ibid., b.9, ch.7).

De resultaten van deze nieuwe leer lieten niet lang op zich wachten. De mensen hadden weinig of geen belangstelling voor de Bijbel of zeiden ronduit dat ze er helemaal niets mee te maken wilden hebben.
Er heerste grote verwarring op de universiteiten. De studenten wei­gerden zich aan de discipline te onderwerpen, wilden niet studeren en verlieten de universiteit. De mannen die zichzelf zo bekwaam vonden om de Hervorming nieuw leven in te blazen, brachten haar alleen aan de rand van de ondergang. De rooms-katholieken kregen meer zelfver­trouwen en zeiden triomfantelijk: „Nog een laatste krachtsinspanning en wij zijn de overwinnaars” (Ibid., b.9, ch.7).

Toen Luther op de Wartburg hoorde wat er aan de hand was, werd hij erg bezorgd: „Ik wist wel dat Satan ons met deze plaag zou kwel­len” (Ibid., b.9, ch.7).
Hij doorzag de ware aard van deze zogenaamde profeten en onderkende het gevaar dat de waarheid bedreigde. Hij was lang niet zo bang geweest voor de tegenstand van paus en keizer. Enkele mensen die zich voor trouwe aanhangers van de Hervorming hadden uitgegeven, bleken nu haar ergste vijanden te zijn. Dezelfde waarheden die hem zoveel blijdschap en troost hadden geschonken, werden gebruikt om tweedracht te zaaien en verwarring te stichten in de gemeente.

Onder leiding van Gods Geest was Luther bij zijn hervorming veel verder gegaan dan hij zelf had gewild. Het had niet in zijn bedoeling gelegen zulke radicale standpunten in te nemen of zulke ingrijpende veranderingen in te voeren. Hij was slechts een instrument in handen van de Almachtige. Toch maakte hij zich dikwijls zorgen over het re­sultaat van zijn werk.
Op een dag had hij gezegd: „Als ik wist dat mijn leer iemand, één enkel mens, hoe eenvoudig en onbelangrijk hij ook is, zou kwetsen – wat niet kan, want ik verkondig wat het evange­lie zegt – zou ik liever tien keer sterven dan haar niet te herroepen” (Ibid., b.9, ch.7).

En nu kwam Wittenberg, het hart van de Hervorming, steeds meer in de greep van fanatisme en wetteloosheid. Deze toestand was geen gevolg van Luthers leer, maar toch stelden zijn vijanden in heel Duitsland hem daar wel voor verantwoordelijk. Hij vroeg zich soms verbitterd af: „Zal dit het einde van de Hervorming zijn?” (Ibid., b.9, ch.7).
Toen hij met God in gebed worstelde, kwam er weer vrede in zijn hart. „De hervorming is niet mijn werk, maar Uw werk”, zei hij, „U zult er wel voor zorgen dat het niet door bijgeloof of fanatisme verknoeid wordt”. Maar de gedachte dat hij zich in zo’n crisis niet in de strijd mocht mengen, werd hem ondraaglijk. Daarom besloot hij naar Wittenberg terug te keren.

Hij begon onmiddellijk aan zijn gevaarlijke reis. Hij was in de rijksban gedaan. Zijn vijanden mochten hem ongestraft van het leven beroven en zijn vrienden mochten hem niet helpen en hem geen on­derdak verschaffen. Bovendien nam het rijksbestuur de strengste maatregelen tegen zijn aanhangers. Luther zag dat de verkondiging van het evangelie in gevaar was; terwille van God trok hij er onbe­vreesd op uit om voor de waarheid te strijden.

In een brief aan de keurvorst schreef Luther dat hij van plan was de Wartburg te verlaten en verklaarde: „Ik wens uwe hoogheid mee te delen dat ik naar Wittenberg ga onder bescherming van Iemand die veel machtiger is dan vorsten en keurvorsten. Het ligt niet in mijn be­doeling uwe hoogheid te vragen mij te beschermen. Integendeel! Ik zou u willen beschermen. Als ik wist dat uwe hoogheid mij kon of wou steunen, zou ik helemaal niet naar Wittenberg gaan. Deze zaak kan niet door het zwaard worden bevorderd. God moet alles zelf doen, zonder hulp of medewerking van de mens. Wie het grootste ge­loof heeft, kan anderen het best beschermen” (Ibid., b.9, ch.8).

In een tweede brief die hij op weg naar Wittenberg schreef, zei Luther ook nog: „Ik ben bereid mij het misnoegen van uwe hoogheid en de woede van de hele wereld op de hals te halen. Zijn de inwoners van Wittenberg niet mijn schapen? Heeft God ze mij niet toever­trouwd? En behoor ik mijn leven niet voor hen in de waagschaal te stellen als dat absoluut noodzakelijk is? Bovendien vrees ik dat er een geweldige opstand in Duitsland zal uitbreken. Hiermee wil God ons volk straffen” (Ibid., b.9, ch.7).
Zeer voorzichtig en bescheiden, maar toch resoluut en vastberaden pakte hij deze zaak aan. „Met het woord moeten wij alles wat door geweld tot stand kwam, ongedaan maken en vernietigen”, zei hij. „Ik zal geen geweld tegen bijgelovigen en ongelo­vigen gebruiken… Men mag niemand forceren. Vrijheid en geloof beho­ren altijd samen te gaan” (Ibid., b.9, ch.8).

Het gerucht dat Luther terug was en zou preken, verspreidde zich als een lopend vuurtje door Wittenberg. Van alle kanten stroomden de mensen samen. Er was niet genoeg plaats in de kerk voor allen die hem wilden horen. Hij ging op de kansel en met veel wijsheid en tact onderwees, vermaande en berispte hij zijn toehoorders. Naar aanlei­ding van het gedrag van sommigen die geweld hadden gebruikt om de mis af te schaffen zei hij:

„De mis is verkeerd. God is ertegen. Ze moet worden afgeschaft. Ik zou willen dat ze in de hele wereld wordt vervangen door het avondmaal van het evangelie. Maar men mag geen geweld gebruiken om iemand het bijwonen van de mis te verbieden. Wij dienen deze zaak aan God over te laten. Zijn Woord moet het werk doen, niet wij. ‘Waarom?’, zal iemand vragen. ‘Omdat ik het hart van de mensen niet in mijn handen heb, zoals de pottenbakker de klei.
We hebben wel het recht te spreken, maar hebben niet het recht te handelen. Wij moeten het woord verkondigen. God zal dan de rest doen. Wat zou het resultaat zijn als ik geweld gebruikte? Schijnheiligheid, gods­dienst voor de vorm, naäperij, menselijke inzettingen en huichelarij… Maar er zou geen oprechtheid, geen geloof en geen naastenliefde zijn. Waar deze drie ontbreken, ontbreekt alles en van zo’n resultaat wil ik niets weten. God doet meer door zijn Woord alleen dan u en ik en alle anderen met vereende kracht. God spreekt tot het hart en wanneer het hart gewonnen is, is alles gewonnen…

„Ik ben bereid te preken, te discussiëren en te schrijven, maar ik wil niemand dwingen, want geloven is iets dat je uit vrije wil moet doen. Kijk wat ik gedaan heb: Ik heb me verzet tegen de paus, de afla­ten en de papisten, maar ik heb geen geweld gebruikt en heb geen op­schudding veroorzaakt. Ik heb het woord van God verkondigd, ik heb gepreekt en geschreven. En dat was alles.
Maar terwijl ik sliep….bracht het woord dat ik gepredikt had het pausdom ten val; geen enkele vorst of keizer heeft het zulke zware slagen toegebracht. Toch heb ik zelf niets gedaan. Het Woord deed alles. Als ik geweld had willen gebruiken, zou er in heel Duitsland misschien een ver­schrikkelijk bloedbad zijn aangericht. Maar wat zou daar het gevolg van zijn? Verderf en verwoesting voor lichaam en ziel. Daarom heb ik me kalm gehouden en heb ik alleen het Woord door de wereld laten gaan” (Ibid., b.9, ch.8).

Luther preekte een hele week lang elke dag voor aandachtig luiste­rende menigten. Het Woord van God maakte een eind aan de betove­ring van de fanatieke rage. De kracht van het evangelie bracht de mis­leide mensen terug in het spoor van de waarheid.

Luther wilde niets te maken hebben met de fanatici, die al zoveel kwaad hadden gesticht. Hij wist dat ze onevenwichtig en impulsief waren en dat ze niet de minste tegenspraak duldden; hij wist dat ze zelfs niet naar opbouwende kritiek of raad wilden luisteren, terwijl ze beweerden dat ze bijzonder licht uit de hemel hadden ontvangen. Ze meenden dat ze recht hadden op het hoogste gezag en eisten dat ieder­een hun aanspraken kritiekloos zou erkennen.
Toen ze de zaak met Luther wilden bespreken, ging hij echter op hun verzoek in en ontze­nuwde hun aanspraken zó grondig dat de bedriegers onmiddellijk uit Wittenberg verdwenen.

Men had het fanatisme voor een tijdje de kop ingedrukt, maar ver­scheidene jaren later was er een veel ernstiger uitbarsting met rampza­liger gevolgen. Luthers uitspraak over de leiders van deze beweging was: „De Heilige Schrift is voor hen een dode letter. Toen riepen ze in koor:
‘De Geest! De Geest!’ Maar ik wil hen beslist niet volgen naar de plaats waar hun geest hen leidt. Moge God mij in zijn genade bewaren voor een kerk die alleen uit heiligen bestaat. Ik wil omgaan met de eenvoudigen, de zwakken en de zieken, die zich bewust zijn van hun zonde en God voortdurend uit de grond van hun hart smeken om hen te steunen en te troosten” (Ibid., b.10, ch.10).

Thomas Münzer, de actiefste vertegenwoordiger van deze fanatieke beweging, was een zeer bekwaam man. Als hij zijn talenten op de juiste manier had gebruikt, zou hij veel goeds hebben kunnen doen. Hij had echter geen notie van de meest elementaire beginselen van ware godsdienst. ,,Hij was bezeten door de gedachte dat hij de wereld moest hervormen, maar hij vergat zoals alle dwepers dat iemand die de wereld wil veranderen bij zichzelf moet beginnen” (Ibid., b.9, ch.8).
Hij streefde naar macht en invloed en wilde aan niemand on­dergeschikt zijn, zelfs niet aan Luther. Hij zei dat de hervormers het gezag van de paus door het gezag van de Schrift hadden vervangen, maar dat ze daardoor slechts een andere vorm van pausdom hadden ingevoerd. Hij beweerde dat hij van God de opdracht had gekregen om de ware hervorming tot stand te brengen. „Wie deze geest bezit, heeft het ware geloof, al ziet hij de Schrift geen dag in zijn leven” (Ibid., b. l0, ch. 10).

De fanatieke leraren werden door hun indrukken geleid en be­schouwden elke gedachte en elke emotie als de stem van God. Ze ver­vielen dan ook in uitersten. Sommigen verbrandden zelfs hun Bijbel onder het motto: „De letter doodt, maar de Geest maakt levend”. De leer van Münzer bevredigde het verlangen van de mens naar het won­derbaarlijke, terwijl het ook hun hoogmoed streelde omdat het eigenlijk menselijke gedachten en opvattingen boven het Woord van God plaatste.
Duizenden namen zijn leerstellingen aan. Het duurde niet lang of hij kantte zich tegen elke vorm van orde in de kerkdienst en zei dat gehoorzaamheid aan de vorsten gelijk stond met een poging om zowel God als Belial te dienen.

Het volk begon het juk van het pausdom van zich af te schudden en kreeg ook een steeds grotere afkeer van de vrijheidsbeperking die door de burgerlijke overheid werd opgelegd. De revolutionaire leer van Münzer, die volgens hem van God kwam, was er de oorzaak van dat het volk zich aan elk gezag onttrok en de vrije teugel liet aan hun vooroordelen en hartstochten. Daardoor brak er een verschrikkelijke opstand en strijd uit, die de akkers van Duitsland met bloed door­drenkte.

Luther had lang geleden veel angst doorstaan in Erfurt, maar die werd nog veel groter toen hij de gevolgen van het fanatisme zag en wist dat men de Hervorming daar verantwoordelijk voor stelde.
De rooms-katholieke vorsten beweerden dat de opstand een logisch uit­vloeisel was van de leerstellingen van Luther en velen waren bereid daar geloof aan te hechten. Hoewel deze beschuldiging van elke grond ontbloot was, deed ze de hervormer toch veel verdriet. Hij vond het onaanvaardbaar dat de zaak van de waarheid in het gedrang werd gebracht omdat men haar op één lijn stelde met het laagste fanatisme. Anderzijds haatten de leiders van de opstand Luther omdat hij zich niet alleen tegen hun leer had gekant en hun aanspraak op goddelijke inspiratie had verworpen, maar hen ook opstandelingen tegen het bur­gerlijk gezag had genoemd. Uit wraak noemden ze hem een gemene huichelaar. Hij scheen zich zowel de vijandschap van de vorsten als van het volk op de hals te hebben gehaald.

De rooms-katholieken waren blij omdat ze dachten dat de onder­gang van de Hervorming niet lang meer op zich zou laten wachten. Ze gaven Luther de schuld van alles, zelfs van de dwalingen, die hij fel be­streden had.
De fanatici slaagden erin een groot deel van het volk voor zich te winnen door ten onrechte te beweren dat men hen erg onrecht­vaardig behandeld had. Zoals vaker het geval is met mensen die de verkeerde kant kiezen, werden zij als martelaren beschouwd. Zo wer­den degenen die hun uiterste best deden om de Hervorming tegen te werken, beklaagd en geprezen als slachtoffers van wreedheid en ver­drukking. Dit was het werk van Satan, gedreven door de zelfde geest van rebellie die zich vroeger al in de hemel had geopenbaard.

Satan is er voortdurend op uit om de mensen te misleiden en hij wil hen zover krijgen dat ze het kwade goed noemen en het goede kwaad. Daar heeft hij bijzonder veel succes mee! Heel vaak worden Gods trouwe boodschappers beschuldigd of veroordeeld omdat ze de waar­heid onbevreesd verdedigen. Mensen die slechts medewerkers van Satan zijn, worden geprezen, gevleid en zelfs als martelaren be­schouwd, terwijl degenen die vanwege hun trouw aan God gewaar­deerd en gesteund dienen te worden, verdacht, gewantrouwd en aan hun lot overgelaten worden.

Valse heiligheid en heiligmaking doen nog steeds hun bedrieglijk werk. In diverse vormen openbaren ze dezelfde geest als in de tijd van Luther. Ze leiden de geesten van de Schrift af en zorgen ervoor dat de mensen hun eigen gevoelens en indrukken volgen in plaats dat ze Gods wet gehoorzamen. Dit is één van Satans geslaagde listen om de zuiverheid en de waarheid in diskrediet te brengen.

Onverschrokken verdedigde Luther het evangelie tegen alle aanval­len. Bij ieder geschil bleek het Woord van God een machtig wapen te zijn. Met dat Woord streed hij tegen de onrechtmatige pauselijke aan­spraken op gezag en tegen de rationalistische filosofie van de scholastici, terwijl hij zich hardnekkig verzette tegen de fanatici die zich bij de Hervorming wilden aansluiten.

Elk van deze rivaliserende bewegingen wilde op haar manier de Heilige Schrift uitschakelen en beschouwde menselijke wijsheid als de bron van godsdienstige waarheid en kennis.
Het rationalisme aan­bidt de rede en beschouwt haar als het criterium voor de godsdienst.
Het rooms-katholicisme leert dat de paus erfgenaam is van de inspira­tie die in ononderbroken lijn van de apostelen tot hem is gekomen en door de tijden heen onveranderd is gebleven. Deze godsdienst biedt ruimschoots gelegenheid om allerlei buitensporigheden en corruptie achter de heiligheid van de apostolische opdracht te verbergen. De in­spiratie waar Münzer en zijn medewerkers zich op beriepen, vloeide slechts voort uit hun grillige verbeelding en leidde tot de ondermij­ning van alle gezag, zowel menselijk als goddelijk. Het ware christendom beschouwt het Woord van God als de grote schatkamer van de geïnspireerde waarheid en de toetssteen van elke inspiratie.

Na zijn terugkeer van de Wartburg voltooide Luther zijn vertaling van het Nieuwe Testament en kort nadien kregen de inwoners van Duitsland het evangelie in de volkstaal. Deze vertaling werd met grote vreugde ontvangen door iedereen die de waarheid liefhad, maar werd minachtend afgewezen door hen die de voorkeur gaven aan menselijke overleveringen en geboden.

De gedachte dat het gewone volk voortaan met hen zou kunnen discussiëren over de voorschriften van Gods Woord en dat hun eigen onwetendheid op die manier aan het licht zou komen, verontrustte de priesters. De wapens van hun zinnelijke redenering waren machteloos tegen het zwaard van de Geest.
Rome zette alles op alles om de ver­spreiding van de Bijbel tegen te werken, maar decreten, banvloeken en foltering baatten niets. Hoe meer men de Schrift veroordeelde en verbood, des te groter werd het verlangen van het volk om te weten wat er eigenlijk in stond. Iedereen die kon lezen, wilde Gods Woord zelf bestuderen. Ze hadden het altijd bij zich, lazen en herlazen het en waren pas tevreden als ze grote gedeelten uit het hoofd kenden. Toen Luther zag hoe gunstig het Nieuwe Testament was ontvangen, begon hij direct aan de vertaling van het Oude Testament, dat in afleveringen werd uitgegeven.

De geschriften van Luther werden zowel in de steden als in de dor­pen goed ontvangen. „Wat Luther en zijn medewerkers schreven, werd door anderen verspreid. Monniken die ervan overtuigd waren dal hun kloostergeloften waardeloos waren en hun leeglopersbestaan wilden stopzetten om iets nuttigs te doen, maar niet genoeg geschoold waren om Gods Woord te verkondigen, trokken door het land en be­zochten gehuchten en hutten om de boeken van Luther en zijn mede­werkers te verkopen. Duitsland werd overspoeld door deze moedige colporteurs” (Ibid., b.9, ch.ll).
Deze werken werden door rijk en arm, door geleerden en ongeletterden met grote belangstelling gele­zen, ‘s Avonds lazen de onderwijzers van de dorpsscholen ze voor aan groepen die rond de haard zaten. Elke keer opnieuw werden enke­len van de waarheid overtuigd, namen het woord met blijdschap aan en gingen op hun beurt het goede nieuws aan anderen vertellen.

Wat in de Bijbel was gezegd, werd bevestigd: „Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht” (Psalm 119:130). Het onderzoek van de Schrift was de oorzaak van een in­grijpende verandering in het hart en in het denken van de mensen.
Het pausdom had het volk een ijzeren juk opgelegd om het dom te hou­den. Men hield zich angstvallig aan een bijgelovige vormencultus, terwijl het gemoed en het verstand slechts een ondergeschikte rol speelden in de eredienst. Door de prediking van Luther, waarin de duidelijke waarheid van Gods Woord naar voren werd gebracht, en door de verspreiding van dit Woord onder het gewone volk, werden de mensen uit hun geestelijke slaap gewekt, waardoor hun geest ge­zuiverd en veredeld werd en hun verstand nieuwe kracht en sterkte kreeg.

Mensen uit alle lagen van de bevolking verdedigden de leer van de Hervorming met de Bijbel in de hand. De aanhangers van het pausdom hadden het onderzoek van de Schrift aan priesters en monniken overgela­ten en deden nu een beroep op hen om de nieuwe leer te weerleggen, maar daar ze noch de Schrift, noch de kracht Gods kenden, werden ze verslagen door degenen die zij als achterlijk en ketters hadden bestem­peld.
Een rooms-katholiek schrijver zei: „Het is erg jammer dat Luther zijn volgelingen ervan doordrongen heeft dat ze alleen geloof mogen hechten aan de uitspraken van de Heilige Schrift” (D’ Aubigné, b.9, ch.11).
Vaak stroomden grote menigten samen om naar de waarheid te luisteren. Deze werd verdedigd door mensen met weinig ontwikkeling, die zelfs met geleerden en welsprekende theologen debatteerden. De schandelijke onwetendheid van deze grote mannen kwam duidelijk aan het licht wanneer hun argumenten door de eenvoudige leer van Gods Woord werden weerlegd. Arbeiders, soldaten, vrouwen en zelfs kinderen kenden meer van de Bijbel dan priesters en geleerde theologen.

„De tegenstelling tussen de volgelingen van het evangelie en de verdedigers van het rooms-katholieke bijgeloof was even opvallend onder geleerden als onder het gewone volk. De oude voorvechters van het pausdom, die het taalonderzoek en de kennis van de letterkun­de hadden verwaarloosd, kwamen te staan tegenover edelmoedige jongeren die zich volledig aan de studie wijdden, de Schrift grondig onderzochten en zich verdiepten in dé meesterwerken van de Oud­heid.
Deze jongemannen waren intelligent, enthousiast en onver­schrokken. Na korte tijd hadden ze zo’n grondige kennis verworven dat niemand hen gedurende lange tijd kon evenaren… Het spreekt vanzelf dat wanneer deze jeugdige verdedigers van de Hervorming het op een bijeenkomst tegen de rooms-katholieke theologen moesten opnemen, ze hen met zo’n gemak en zelfvertrouwen aanvielen dat deze achterlijke mannen aarzelden, in verlegenheid gebracht werden en zich het misprijzen van de toehoorders op de hals haalden, wat vol­gens allen hun verdiende loon was” (Ibid., b.9, ch.l1).

Toen de rooms-katholieke geestelijken merkten dat er minder men­sen naar hen kwamen luisteren, riepen ze de hulp van de overheid in en wilden met alle mogelijke middelen hun toehoorders terug hebben.
Maar het volk vond dat de nieuwe leer een antwoord gaf op hun gees­telijke vragen en lieten degenen die hen zó lang met het waardeloze kaf van bijgelovige riten en menselijke overleveringen hadden ge­voed, links liggen.

Toen de vervolging tegen de leraren van de waarheid losbrak, dachten ze aan de woorden van Christus: „Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar een andere” (Mattheüs 10:23).
Het licht drong overal door. De vluchtelingen werden gewoonlijk wel ergens gastvrij ontvangen en terwijl ze daar verbleven, verkondigden ze Christus; soms was dat in de kerk, maar als dat niet mocht, in woonhuizen of in de open lucht. Elke plaats waar zij gehoor vonden, werd een gewijde tempel. De waarheid werd met veel geestdrift en zelfvertrouwen ver­kondigd en verspreidde zich met onweerstaanbare kracht.

Tevergeefs deed men een beroep op de burgerlijke en kerkelijke overheid om de ketterij te verpletteren. Tevergeefs nam men zijn toe­vlucht tot gevangenisstraffen, foltering, brandstapel en het zwaard. Duizenden aanhangers bezegelden hun geloof met hun bloed, maar toch ging het werk vooruit. De vervolgingen droegen alleen bij tot de verspreiding van de waarheid. Door het fanatisme dat Satan aan de Hervorming wilde koppelen, werd de tegenstelling tussen het werk van Satan en het werk van God des te duidelijker. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

Het protest van de christelijke vorsten van Duitsland op de Rijks­dag te Spiers (1529) is één van de mooiste verklaringen die ooit ten gunste van de Hervorming is afgelegd. Deze godsmannen hebben door hun moed, geloof en vastberadenheid de gewetensvrijheid voor de daarop volgende eeuwen veilig gesteld. Aan dit protest hebben de leden van de evangelische kerken de naam ‘protestant’ te danken en de beginselen die in dit document worden verdedigd, zijn de uitdruk­king van „het wezen van het protestantisme.” (D’Aubigné, b. 13, ch.6).

Het was een kritieke tijd voor de Hervorming. Ondanks het edict van Worms, dat Luther vogelvrij had verklaard en de verkondiging van alsook het geloof in zijn leer had verboden, was er tot dusver godsdienstvrijheid geweest in het rijk. Gods voorzienigheid had de krachten die zich tegen de waarheid verzetten in toom gehouden. Karel V wilde de Hervorming absoluut verpletteren, maar telkens wan­neer hij zijn hand ophief om toe te slaan, werd hij gedwongen de slag ergens anders toe te brengen. Telkens weer scheen de onmiddellijke uitroeiing van allen die zich tegen Rome durfden te verzetten onver­mijdelijk. Op het kritieke ogenblik verschenen echter de Turkse le­gers aan de oostgrens of verklaarde de koning van Frankrijk – of zelfs de paus – de oorlog aan de keizer omdat ze afgunstig waren op zijn groeiende macht. Op die manier kreeg de Hervorming te midden van de strijd en het oproer van de volken de kans vaste voet te krijgen en zich te verspreiden.

Toch kwam na enige tijd het ogenblik dat de rooms-katholieke vor­sten hun geschillen hadden bijgelegd, zodat ze konden afrekenen met de hervormers. De Rijksdag te Spiers in 1526 had elke staat volledig vrijgelaten in geloofszaken tot er een algemeen concilie bijeen zou komen om deze problematiek te bespreken. Maar zodra de gevaren die tot deze toegeving hadden geleid uit de weg waren geruimd, riep de keizer een tweede Rijksdag te Spiers bijeen in 1529 om de ketterij met wortel en tak uit te roeien.
De vorsten moesten, indien mogelijk met vreedzame middelen, ertoe gebracht worden zich tegen de Her­vorming op te stellen, maar als dat niet lukte was Karel V bereid het zwaard te laten spreken.

De aanhangers van de paus waren in hun nopjes. Ze kwamen in grote getale naar Spiers en lieten openlijk hun vijandigheid tegenover de hervormers en hun sympathisanten blijken. Melanchton zei: „Wij zijn het uitschot en het uitvaagsel van de wereld, maar Christus zal aan zijn volk denken en het beschermen” (Ibid., b. 13, ch.5).
De pro­testantse vorsten die de Rijksdag bijwoonden, mochten het evangelie niet laten prediken – zelfs niet in hun eigen huis. Maar de mensen van Spiers wilden het Woord van God absoluut horen en stroomden on­danks het verbod bij duizenden naar de diensten die in de kapel van de keurvorst van Saksen werden gehouden.

Hierdoor werd de crisis versneld. Er werd een boodschap van de keizer aan de Rijksdag voorgelezen waarin de keizer zei dat hij het besluit dat zijn onderdanen godsdienstvrijheid verleende, introk om­dat het aanleiding had gegeven tot ongeregeldheden.
De evangelische christenen waren verontwaardigd óver en verontrust dóór deze eigen­machtige daad. Eén van hen zei: „Christus is weer in handen van Kajafas en Pilatus”. De rooms-katholieken werden gewelddadiger. Een fanatieke papist verklaarde: „De Turken zijn beter dan de lutheranen, want de Turken vasten, terwijl de lutheranen zich daar niet veel van aantrekken. Als wij moeten kiezen tussen de Heilige Schrift van God en de oude dwalingen van de kerk behoren wij de Schrift te verwer­pen”. Melanchton zei: „Elke dag opnieuw werpt Faber in voltallige vergadering een steen naar ons, evangelischgezinden” (Ibid., b.13, ch.5).

Het recht op godsdienstvrijheid werd door de wet gewaarborgd. Daarom waren de protestantse staten vastbesloten zich tegen de schending van hun rechten te verzetten. Luther was nog altijd in de ban die hem door het edict van Worms was opgelegd en mocht niet naar Spiers gaan.

Zijn plaats werd echter ingenomen door zijn medewerkers en door de vorsten die God had geroepen om zijn zaak in deze kritieke tijd te verdedigen. De edelmoedige Frederik van Saksen, die Luther vroeger had beschermd, was inmiddels gestorven, maar zijn broer en opvol­ger, hertog Johan, had de Hervorming met vreugde begroet. Hoewel hij op vrede was gesteld, trad hij energiek en moedig op wanneer de belan­gen van het geloof op het spel stonden.
De priesters eisten dat de staten die de Hervorming aanhingen zich onvoorwaardelijk aan het gezag van Rome zouden onderwerpen.
De Hervormers eisten echter dat de vrijheid die hun vroeger was verleend, werd erkend. Zij konden niet toestaan dat Rome de staten die het Woord van God met zoveel vreugde hadden ontvangen weer on­der haar heerschappij zou brengen.

Tenslotte werd het volgende compromis voorgesteld; in gebieden waar de hervorming nog geen ingang had gevonden, zouden de bepa­lingen van het edict van Worms stipt worden toegepast: „In gebieden waar de mensen zich daar niet aan hadden gehouden en waar zij er niet toe gebracht konden worden zich aan het edict te onderwerpen zonder gevaar voor opstand, zou men op zijn minst geen hervormin­gen meer mogen invoeren, geen omstreden punten mogen bespreken en zich niet tegen de viering van de mis mogen verzetten; bovendien zou men moeten verhinderen dat een rooms-katholiek tot het luthera­nisme overging” (Ibid,, b,!3, ch.5). Deze maatregel werd tot grote blijdschap van de pausgezinde priesters en prelaten goedgekeurd.

Als de bepalingen van dit edict werden toegepast „zou de Hervor­ming zich niet kunnen verspreiden… tot gebieden waar ze tot dan toe niet bekend was en zou ze ook niet op een stevige basis kunnen wor­den gevestigd in gebieden waar ze al ingang had gevonden” (Ibid., b.13, ch.5).
De vrijheid van meningsuiting zou worden ingetrokken. Er zouden geen bekeerlingen meer mogen worden gemaakt. Men ver­wachtte van de aanhangers van de Hervorming dat ze zich onvoor­waardelijk aan deze beperkingen en verbodsbepalingen zouden onderwerpen. De zaak scheen hopeloos. ..Door het herstel van de roomse heerschappij… zouden de vroegere misbruiken onvermijdelijk weer worden ingevoerd” en zou men vlug een aanleiding vinden ,,om de vernietiging … van een werk dal al zo erg had geleden door fanatis­me en onenigheid te voltooien” (Ibid., b.13,ch 5).

Toen de protestanten voor overleg bijeenkwamen, keken ze elkaar met sprakeloze verbazing aan. Ze vroegen elkaar: „Wat moeten we nu doen?”
Er stond ontzaglijk veel op het spel voor de wereld. „Zou­den de leiders van de Hervorming zich onderwerpen en het edict aan­vaarden? De hervormers hadden in deze enorme crisis heel makkelijk een verkeerde beslissing kunnen nemen! Ze hadden heel veel begrij­pelijke voorwendsels en aanvaardbare redenen kunnen bedenken om hun overgave te rechtvaardigen! Men had de lutherse vorsten verze­kerd dat ze hun godsdienst vrij zouden kunnen uitoefenen. Men had dit recht ook toegekend aan al hun onderdanen die zich vóór het van kracht worden van de maatregel bij de Hervorming hadden aangeslo­ten. Zouden ze daar geen genoegen mee moeten nemen? Als ze zich onderwierpen, zou dat toch veel gevaren uitsluiten.
Welke onbekende gevaren zouden ze lopen en hoeveel strijd zouden zij zich op de hals halen als ze zich wilden verzetten tegen de nieuwe maatregel?…
Wie weet welke perspectieven zich in de toekomst zouden openen?… La­ten wij de vrede kiezen en de olijftak die Rome ons reikt aangrijpen om de wonden van Duitsland te helen. Met zulke argumenten hadden de hervormers een beleid kunnen rechtvaardigen dat in heel korte tijd beslist tot de ondergang van het protestantisme zou hebben geleid.”

„Gelukkig hebben ze het beginsel waarop deze regeling steunde niet uit het oog verloren en hebben ze door het geloof gehandeld. Wat was dat beginsel? Het was het recht dat Rome opeiste om het geweten aan banden te leggen en het vrije onderzoek te verbieden. Maar zouden de protestantse vorsten en hun onderdanen dan geen vrijheid van godsdienst hebben?
Ja, maar het zou een gunst zijn die uitdrukkelijk in het akkoord zou worden vermeld; ze zouden er geen recht op heb­hen. Wie buiten deze regeling viel, werd aan ‘het gezag’ overgele­verd.
Van gewetensvrijheid was er voor zulke mensen geen sprake. Rome bleef de onfeilbare rechter. En de anderen moesten maar ge­hoorzamen. Als ze de voorgestelde regeling aanvaardden, gingen ze er in feite mee akkoord dat de godsdienstvrijheid beperkt moest blij­ven tot het protestantse Saksen.
Voor alle andere christenen waren vrij onderzoek en het belijden van het protestantisme misdaden die met de kerker en de brandstapel bestraft dienden te worden. Zouden ze ermee instemmen dat er op bepaalde plaatsen wel godsdienstvrij­heid was en op andere niet?
Zouden ze het aanvaarden dat de Hervor­ming haar laatste bekeerling had gemaakt, dat ze haar uiterste grens had bereikt en dat overal waar Rome op dat ogenblik de scepter zwaaide, haar heerschappij zou worden bestendigd? Zouden de her­vormers dan hebben kunnen beweren dat ze onschuldig waren aan het bloed van al die honderden en duizenden mensen die krachtens deze regeling in pausgezinde landen hun leven zouden verliezen? Als ze dat hadden gedaan, zouden ze in dit uiterst kritieke uur de zaak van het evangelie en de vrijheden van het christendom hebben verraden” (Wylie, b.9, ch.15). „Ze wilden liever alles, met inbegrip van hun land, hun kroon en hun leven opofferen” (D’ Aubigné, b.13, ch.5).

De vorsten zeiden: „Wij moeten dit decreet verwerpen”. „De meerderheid heeft niet te beslissen in gewetenszaken”. De afgevaar­digden verklaarden: „De vrede die in het rijk heerst, hebben wij aan het decreet van 1526 te danken. Als het wordt ingetrokken, zal Duitsland door onrust en verdeeldheid worden verscheurd. De Rijksdag is alleen bevoegd de godsdienstvrijheid te waarborgen tot het concilie bijeenkomt” (Ibid., b. 13, ch.5).
De Staat behoort de gewetensvrijheid te beschermen en daar eindigt haar gezag in godsdienstige aangele­genheden. Elke wereldlijke overheid die godsdienstige voorschriften door middel van het burgerlijk gezag wil instellen of afdwingen, of­fert het beginsel op waar de evangelische christenen zo moedig voor hebben gestreden.

De pausgezinden besloten een eind te maken aan wat zij „vermete­le koppigheid” noemden. Zij begonnen verdeeldheid te zaaien onder de aanhangers van de Hervorming en intimideerden iedereen die zich niet openlijk aan hun zijde schaarde.
De vertegenwoordigers van de vrije steden werden tenslotte voor de Rijksdag ontboden en moesten verklaren of zij wilden instemmen met de voorwaarden van het voor­stel. Ze vroegen tevergeefs om uitstel. Bijna de helft onder hen stond aan de kant van de hervormers. Zij die de gewetensvrijheid en het recht op een persoonlijk oordeel niet wilden opofferen, waren er zich maar al te goed van bewust dat hun standpunt hen in de toekomst zou blootstellen aan kritiek, veroordeling en vervolging, Eén van de afge­vaardigden zei: „Wij moeten óf het Woord van God verloochenen, óf verbrand worden” (Ibid,, b. 13, ch.5).
Koning Ferdinand, die de keizer op de Rijksdag vertegenwoordigde, begreep wel dat het decreet ern­stige verdeeldheid zou veroorzaken als de vorsten er niet van over­tuigd konden worden het aan te nemen en het te steunen. Daarom gebruikte hij al zijn overredingskracht, omdat hij wist dat de hervormers nog vastberadener zouden worden als hij geweld gebruikte. „Hij smeekte de vorsten het decreet te aanvaarden en gaf hun de verzeke­ring dat de keizer erg tevreden over hen zou zijn”.
Maar deze gelovi­ge mannen erkenden een gezag dat hoger stond dan dat van aardse machthebbers en antwoorden kalm: „Wij zijn bereid de keizer te gehoorzamen in alles wat kan bijdragen tot het behoud van de vrede en tot eer van God” (Ibid.. b. 13, ch.5).

Ten overstaan van de Rijksdag deelde de koning tenslotte de keur­vorst en diens vrienden mee dat het edict „binnenkort in de vorm van een keizerlijk decreet zou worden opgesteld” en „dat ze zich alleen nog aan de meerderheid konden onderwerpen”. Toen hij dat gezegd had, verliet hij de vergadering en gaf de hervormers niet eens de kans van gedachten te wisselen of hem te antwoorden. „Tevergeefs stuur­den zij een afvaardiging om de koning dringend te verzoeken terug te komen”. Zijn enige reactie op hun verzoek was: „De beslissing is genomen. Jullie hebben je maar te onderwerpen” (Ibid., b. 13, ch.5).

De aanhangers van de keizer waren ervan overtuigd dat de christe­lijke vorsten de Heilige Schrift zouden blijven beschouwen als een boek dat hoger stond dan menselijke leerstellingen en wetten. Ze wis­ten ook dat overal waar dit beginsel werd aanvaard het pausdom vroeg of laat ten val zou worden gebracht. Maar zoals duizenden an­deren sindsdien, die slechts kijken „naar de dingen die gezien wor­den”, vleiden ze zich met de hoop dat de zaak van de keizer en de paus er goed voor stonden en dat de hervormers er slecht aan toe wa­ren.
Als de hervormers alleen op menselijke hulp hadden gesteund, zouden ze even machteloos zijn geweest als de pausgezinden veron­derstelden. Maar hoewel ze gering in aantal waren en niet op goede voet stonden met Rome, waren ze sterk. „Ze legden het bevel van de Rijksdag en de keizer naast zich neer en beriepen zich op het Woord van God en op Jezus Christus, de Koning der koningen en de Here der heren” (Ibid., b.13,ch.6).

Daar Ferdinand geen rekening had willen houden met hun geloofs­overtuiging, besloten de vorsten zich niet te bekommeren om zijn af­wezigheid, maar hun protest zonder uitstel voor de nationale raad te brengen. Ze stelden een plechtige verklaring op en legden die voor aan de Rijksdag:

„Bij deze protesteren wij voor God, onze enige Schepper, Onder­houder, Verlosser, Redder en eens ook onze Rechter, en voor alle mensen en alle schepselen, dat wij, in ons eigen belang en in het be­lang van ons volk op geen enkele wijze kunnen instemmen met het voorgestelde decreet en niets kunnen goedkeuren dat in strijd is met God, zijn heilig Woord, ons geweten of de verlossing van onze zie­len”.

„Zouden wij dit decreet dan bekrachtigen? Zouden wij toegeven, dat wanneer de Almachtige iemand tot Zijn kennis roept, die mens desondanks die kennis niet zou mogen aannemen?” „Alleen een leer die in overeenstemming is met Gods Woord is betrouwbaar.….. God heeft ons het verbod opgelegd een ander leer te verkondigen…… De Heilige Schrift dient door andere, duidelijkere teksten te worden ver­helderd.….. dit heilig boek is alles wat een christen nodig heeft en is ge­makkelijk te begrijpen en is bestemd om de duisternis te verdrijven. Met Gods genade zijn wij vastbesloten de zuivere en volledige predi­king van zijn enig Woord te handhaven, zoals het is vervat in de Bijbelboeken van het Oude en het Nieuwe Testament, zonder er iets aan toe te voegen dat ermee in strijd zou kunnen zijn. Dit Woord is de enige waarheid.
Het is de norm voor elke leer en voor elk leven en kan ons nooit op een dwaalspoor brengen. Wie op deze grondslag bouwt, zal standhouden tegen alle krachten van de hel, terwijl alle menselijke ijdelheden die ertegen worden aangevoerd voor het aange­zicht van God zullen verdwijnen”.

„Daarom verwerpen wij het juk dat ons wordt opgelegd”. „Tege­lijkertijd verwachten wij ook van zijne keizerlijke majesteit dat hij zich tegenover ons zal gedragen als een christelijk vorst die God bo­venal liefheeft. Wij verklaren ons bereid hem en ook u, genadige heren, alle liefde en gehoorzaamheid te betonen die in overeenstemming zijn met onze rechtvaardige en rechtmatige plicht” (Ibid., b. 13, ch.6).

De Rijksdag was diep onder de indruk. De meerderheid was ver­baasd en verontrust over de stoutmoedigheid van de protestanten. De toekomst scheen stormachtig en onzeker. Verdeeldheid, strijd en bloedvergieten schenen onvermijdelijk. Maar de hervormers waren zich bewust van de rechtvaardigheid van hun zaak. Ze steunden op de arm van de Almachtige en waren „vol goede moed en vastberaden.”
„De beginselen die in dit beroemde protest worden geformuleerd…… zijn de uitdrukking van het wezen van het protestantisme. Dit protest hekelt twee misbruiken van de mens in geloofszaken; – ten eerste, de inmenging van de burgerlijke overheid; – ten tweede, de willekeurige macht van de kerk.
Het protestantisme verwerpt deze twee misbrui­ken en stelt het persoonlijk geweten boven de overheid, en het gezag van Gods Woord boven de zichtbare kerk. Het verwerpt in de eerste plaats de bevoegdheid van de burgerlijke overheid in godsdienstige aangelegenheden en het zegt met de profeten en apostelen: ‘Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen’.
Het stelt de kroon van Jezus Christus boven die van Karel V. Maar het gaat nog verder: Het protestantisme gaat uit van het grondbeginsel dat elke menselijke leer aan Gods uitspraken ondergeschikt behoort te zijn” (Ibid., b.13, ch.6).
De protestanten hebben er bovendien de nadruk op gelegd dat ze het recht hebben hun geloofsovertuiging vrij te verkondigen. Ze wilden niet alleen geloven in het Woord van God en het gehoorza­men, maar wilden ook verkondigen wat het leert en ze ontzegden de kerkelijke of burgerlijke overheid het recht zich daarmee te bemoeien. Het protest van Spiers was een plechtige verklaring tegen onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied en een bevestiging van het recht van elk mens om God volgens zijn eigen geweten te dienen.

De verklaring was afgelegd. Ze werd in het geheugen van duizen­den gegrift en opgetekend in de boeken des hemels, waar geen mens haar kan uitwissen. Alle evangelische kringen in het Duitse rijk na­men het protest aan als de uitdrukking van hun geloofsovertuiging. Overal beschouwde men deze verklaring als een voorbode van een nieuwe, betere tijd. Eén van de vorsten zei aan de protestanten te Spiers: „Moge de Almachtige, die u genade heeft geschonken om uw geloof krachtig, vrijmoedig en onbevreesd te belijden, u in uw chris­telijke vastberadenheid sterken tot de eeuwige dag” (Ibid., b.13, ch.6).

Als de hervorming na haar gedeeltelijke succes tot een vergelijk was gekomen om in de gunst te staan bij de wereld, zou ze God en zichzelf niet trouw zijn geweest en op die manier haar eigen onder­gang hebben bewerkt. Alle generaties na deze edelmoedige hervor­mers kunnen een les leren uit hun ervaringen. Satans optreden tegen God en zijn woord is niet veranderd. Hij is vandaag nog even sterk gekant tegen het feit dat men de Schrift als levensgids kiest als in de zestiende eeuw.
In onze tijd wijkt men erg af van haar leer en haar voorschriften en is het dringend nodig terug te keren tot het basisbe­ginsel van het protestantisme:
De Bijbel en de Bijbel alléén is het richtsnoer voor geloof en leven. Satan streeft er nog altijd naar de godsdienstvrijheid met alle mogelijke middelen uit te schakelen. De anti-christelijk e macht die door de protestanten in Spiers werd bestre­den, probeert nu met vernieuwde kracht haar verloren oppergezag te herstellen. Dezelfde onwrikbare trouw aan het Woord van God, waar­van de hervormers in de crisis van de zestiende eeuw blijk gaven, is de enige hoop op een hervorming in onze tijd.

Verschillende tekenen wezen erop dat er gevaar dreigde voor de protestanten. Er waren echter ook aanwijzingen dat God zijn hand uit­stak om de gelovigen te beschermen. In die tijd bracht „Melanchton zijn vriend Simon Grynaeus in aller ijl door de straten van Spiers naar de oever van de Rijn. Hij smeekte hem naar de overzijde van de rivier te gaan. Grynaeus vroeg zich verbaasd af waarom Melanchton zo’n haast had. Melanchton zei: ‘Een oude man met een ernstig en plechtig gezicht die ik niet ken, verscheen voor mij en zei dat de gerechtsdienaren van Ferdinand elk ogenblik hier konden zijn om Grynaeus te arresteren.'”

Op die dag was Grynaeus verontwaardigd geweest over een preek van Faber, één van de voornaamste rooms-katholieke theologen. Na afloop had Grynaeus Faber erop gewezen dal hij „enkele verderfelij­ke dwalingen” had verdedigd. „Faber liet zijn woede niet blijken, maar ging onmiddellijk naar de koning, van wie hij een aanhoudings­bevel kreeg om de lastige hoogleraar uit Heidelberg te laten arreste­ren. Melanchton twijfelde er geen ogenblik aan dat God zijn vriend had gered door het zenden van één van zijn heilige engelen om hem te waarschuwen.

„Roerloos wachtte hij op de oever van de Rijn tot het water van de rivier Grynaeus van zijn vervolgers scheidde. ‘Eindelijk’, zei Me­lanchton, toen hij hem op de andere oever zag, .eindelijk is hij ontrukt aan de wrede kaken van hen die dorsten naar onschuldig bloed’. Toen Melanchton naar huis terugkeerde, hoorde hij dat gerechtsdienaren Grynaeus waren komen arresteren en zijn huis ondersteboven hadden gekeerd” (Ibid., b.13, ch.6).

De Hervorming zou nog meer onder de aandacht van de machtheb­bers van deze aarde worden gebracht. De protestantse vorsten hadden een audiëntie bij Ferdinand aangevraagd, maar hun verzoek werd af­gewezen. Toch zouden ze een kans krijgen om hun zaak uiteen te zet­ten voor de keizer en voor de hoogwaardigheidsbekleders van kerk en Staat. Karel V wilde de tweedracht die het rijk in beroering bracht doen verminderen en riep daartoe in het jaar na het protest van Spiers, een Rijksdag bijeen te Augsburg en kondigde aan dat hij die persoon­lijk zou voorzitten. De leiders van het protestantisme werden ook uitgenodigd.

De Hervorming werd door grote gevaren bedreigd, maar haar aan­hangers vertrouwden hun zaak nog altijd toe aan God en beloofden plechtig dat zij onwrikbaar trouw zouden blijven aan het evangelie. De raadslieden van de keurvorst van Saksen hadden hem dringend verzocht niet naar de Rijksdag te gaan. Volgens hen had de keizer de vorsten uitgenodigd om hen in de val te lokken. „Is het geen waag­halzerij als men zichzelf met een machtige vijand binnen de muren van een stad opsluit?” Maar anderen zeiden vol vertrouwen: „Als de vorsten zich moedig gedragen is Gods zaak gered.”
„God is getrouw. Hij zal ons niet in de steek laten”, zei Luther (Ibid., b. 14, ch.2).
De keurvorst vertrok met zijn gevolg naar Augsburg. Iedereen was zich bewust van het gevaar dat hem bedreigde en velen vertrokken met een bedroefd gezicht en met angst in het hart. Maar Luther, die tot Coburg met hen optrok, versterkte hun wankelend geloof door het zingen van het lied „Een vaste burcht is onze God”, dat hij op die reis schreef. Veel mensen werden bevrijd van hun angstige voorgevoelens en ve­len werden optimistischer door dit inspirerende lied.

De protestantse vorsten hadden besloten hun opvattingen op een systematische manier met bewijsmateriaal uit de Schrift op de Rijks­dag uiteen te zetten. Luther, Melanchton en hun medewerkers werden met de voorbereiding daarvan belast. Deze belijdenis, de Confessie van Augsburg, werd door de protestanten aanvaard als de uitdrukking van hun geloof en ze kwamen bijeen om hun naam onder dit belang­rijke document te plaatsen.
Het waren plechtige en moeilijke ogen­blikken. De hervormers stonden erop dat de zaak waarvoor ze streden niet met politieke kwesties werd verward. Ze waren van mening dat de Hervorming geen andere invloed mocht uitoefenen dan die welke uitging van het Woord van God.
Toen de christelijke vorsten naar vo­ren traden om de Confessie te ondertekenen, nam Melanchton het woord: „Theologen en predikanten behoren deze zaak voor te leggen. Laten wij het gezag van de machthebbers in andere gevallen gebruiken”. Daarop antwoordde Johan van Saksen: „God verhoede dat u mij uitsluit. Ik ben vastbesloten te doen wat goed is, zonder mij be­zorgd te maken om mijn kroon. Ik wil de Here belijden. Mijn keurvorstenkroon en mijn hermelijn zijn mij niet zo dierbaar als het kruis van Jezus Christus”. Na deze woorden plaatste hij zijn handtekening. Een andere vorst zei toen hij de pen opnam: „Als het voor de eer van mijn Heer Jezus Christus nodig is, ben ik bereid……mijn bezittingen en mijn leven prijs te geven”. „Ik wil liever mijn onderdanen en mijn staten vaarwel zeggen, liever het land van mijn vaderen met de be­delstaf in de hand verlaten, dan enige andere leer aan te nemen dan die welke in deze belijdenis is geformuleerd” (Ibid., b. 14, ch,6). Zo groot was het geloof en de moed van deze godsmannen.

De dag die was vastgesteld om voor de keizer te verschijnen was aangebroken. Karel V, gezeten op zijn troon en omringd door keur­vorsten en vorsten, verleende audiëntie aan de protestantse hervor­mers. Hun geloofsbelijdenis werd voorgelezen. In die doorluchtige vergadering werden de waarheden van het evangelie duidelijk uiteen­gezet en de dwalingen van de rooms-katholieke kerk naar voren ge­bracht. Die dag wordt terecht „de mooiste dag van de Hervorming en één van de roemrijkste in de geschiedenis van het christendom en van de mensheid” genoemd (Ibid., b.14, ch.7).

Een paar jaar daarvoor stond de monnik uit Wittenberg nog alleen op de Rijksdag te Worms. Nu waren er in zijn plaats de edelmoedig­ste en machtigste vorsten van het rijk. Luther mocht niet in Augsburg verschijnen, maar was er wel aanwezig met zijn woorden en gebeden. Hij schreef: „Ik ben bijzonder blij dat ik heb mogen leven tot dit uur, waarop Christus in het openbaar wordt verheerlijkt door zulke illuste­re gelovigen op zo’n roemrijke vergadering” (Ibid., b. 14, ch.7). Zo gingen de woorden van de Schrift in vervulling: „Ook zal ik voor ko­ningen over uw getuigenissen spreken” (Psalm 119:46).

In de dagen van Paulus werd het evangelie, waarvoor hij in de ge­vangenis terecht gekomen was, ook op die manier voor de vorsten en edellieden in de hoofdstad van het keizerrijk gebracht. Bij deze gele­genheid werd hetgeen op keizerlijk bevel niet van de preekstoel mocht worden verkondigd in het paleis gepredikt; wat volgens velen zelfs niet geschikt was voor de oren van dienstknechten en meiden werd met verbazing beluisterd door de meesters en heren van het rijk. Koningen en rijksgroten waren het publiek, gekroonde vorsten waren de predikers en de preek ging over Gods koninklijke waarheid. Een schrijver zegt: „Sinds de tijd van de apostelen is er geen belangrijker werk verricht en geen indrukwekkendere geloofsbelijdenis afgelegd” (D’ Aubigné, b. 14, ch.7).

„Alles wat de lutheranen zeggen is waar. Wij kunnen het niet loo­chenen”, verklaarde een pausgezinde bisschop. „Kunt u de belijdenis die door de keurvorst en zijn geestverwanten is afgelegd met steek­houdende argumenten weerleggen?”, vroeg een ander aan dr. Eck. „Niet met de geschriften van de apostelen en de profeten”, luidde het antwoord. „Maar wél met die van de kerkvaders en de concilies!”, waarop de vragensteller antwoordde: „Ik begrijp wat u wil zeggen, Volgens u houden de lutheranen zich aan het Woord van God en wij niet” (Ibid., b.14,ch.8).

Enkele Duitse vorsten werden voor het protestantisme gewonnen. De keizer verklaarde dat de protestantse geloofsartikelen niets anders dan de waarheid uitdrukten. De Augsburgse Confessie werd in vele talen vertaald, over heel Europa verspreid en later door miljoenen aanvaard als de uitdrukking van hun geloof.
Gods trouwe dienaren werkten niet alleen. Terwijl „de overheden, de machten en de boze geesten in de hemelse gewesten” de strijd te­gen hen aanbonden, liet God zijn volk niet aan hun lot over. Als hun ogen geopend waren, zouden zij, zoals Elisa, Gods aanwezigheid en bijstand duidelijk hebben gemerkt. Toen de knecht van Elisa wees op het vijandelijke leger dat hen omringde en elke uitweg afsneed, bad de profeet: „Here open toch zijn ogen, opdat hij zie” (2 Koningen 6:17). En zie, de berg was vol vurige paarden en wagens; het hemelse leger stond opgesteld om de godsman te beschermen. Zo waakten en­gelen ook over de mensen die de Hervorming bevorderden.

Eén van de beginselen die Luther met de grootste nadruk verdedig­de, was dat men nooit een beroep mocht doen op de burgerlijke over­heid om de Hervorming te steunen en geen wapens mocht gebruiken om de Reformatie te verdedigen.
Het verheugde hem dat de vorsten van het rijk het evangelie hadden aangenomen, maar toen zij een de­fensief verbond wilden sluiten, verklaarde hij dat „het evangelie door God alleen verdedigd moest worden.…. Hoe minder de mens zich met het werk bemoeide, des te opvallender zou de tussenkomst van God zijn. Volgens hem waren alle voorgestelde politieke maatregelen in­gegeven door hun beschamende vrees en hun zondig gebrek aan ver­trouwen” (D’ Aubigné, London ed., b. 10. ch.14).
Toen machtige vij­anden samenspanden om het protestantisme ten val te brengen en het ernaar uitzag dat duizenden zwaarden zouden worden getrokken om het te bestrijden, schreef Luther: „Satan gaat als een razende te keer, goddeloze kerkvorsten beramen een samenzwering; wij worden door oorlog bedreigd. Spoor de mensen aan moedig te strijden voor de troon van God door het geloof en het gebed, zodat onze vijanden door Gods Geest overwonnen, tot vrede gedwongen kunnen worden. Onze dringendste behoefte, onze belangrijkste taak is het gebed. Vertel de mensen dat zij blootgesteld zijn aan de scherpte van het zwaard en aan de woede van Satan en laat hen bidden” (D’ Aubigné, b.10, ch.14).

Later zinspeelde Luther nog eens op de defensieliga die de protestantse vorsten wilden oprichten en verklaarde dat het enige wapen dat bij deze strijd gebruikt mocht worden „het zwaard des Geestes” was.
In een brief aan de keurvorst van Saksen schreef hij: „Wij hebben gewetensbezwaren tegen het voorgestelde bondgenootschap. Wij zou­den liever tien keer sterven dan dat ons evangelie één druppel bloed liet vloeien. Wij behoren ons te gedragen als lammeren die naar de slachtbank gaan. Wij dienen het kruis van Christus te dragen. Uwe hoogheid behoeft niet bezorgd te zijn. Wij zullen met onze gebeden méér bereiken dan al onze vijanden met hun grootspraak. U moet er alleen voor zorgen dat uw handen niet besmeurd worden door het bloed van uw broeders. Als de keizer eist dat wij aan zijn rechtbanken worden overgeleverd, zijn wij bereid te verschijnen. U kunt de verde­diging van ons geloof niet op u nemen: iedereen moet op eigen risico geloven” (Ibid., b.14, ch.1).

De macht die de wereld in de tijd van de Hervorming deed wanke­len, kwam uit de verborgen plaats vanwaar de gebeden tot God wer­den opgestuurd. Daar plaatsten Gods dienaren met heilige kalmte hun voeten op de rots van zijn beloften.
Tijdens de strijd te Augsburg „liet Luther geen dag voorbijgaan zonder tenminste drie uur te bidden en hij bad op uren die eigenlijk het meest geschikt waren voor zijn stu­die. In de afzondering van zijn kamer hoorde men hem vaak zijn ziel voor God uitstorten ,vol aanbidding, vrees en hoop, zoals iemand die tot een vriend spreekt!’. Hij zei: ,Ik weet dat u onze Vader en onze God bent en dat U de vervolgers van uw kinderen zult verstrooien, want U bent met ons in dit gevaar. Dit is uw werk en wij zijn er op uw bevel aan begonnen. Verdedig ons dan, o Vader!” (Ibid., b.14, ch.6).

Aan Melanchton, die onder vrees en angst gebukt ging, schreef hij: „Genade en vrede in Christus – in Christus, zeg ik, en niet in de we­reld. Amen. Ik haat de buitengewoon zware zorgen die je kwellen, Als je vindt dat onze zaak niet rechtvaatdig is, moet je haar opgeven, Als de zaak rechtvaardig is, laten wij dan geloven in de beloften van Hem die ons zegt dat wij zonder vrees mogen slapen…… Wij zullen niet tevergeefs rekenen op Christus in ons streven naar rechtvaardigheid en waarheid. Hij leeft. Hij heerst. Waar zouden wij dan bang voor zijn?” (Ibid., b. 14, ch.6)
God hoorde het geroep van zijn dienaren. Aan vorsten en predikanten schonk hij genade en moed om de waar­heid te verdedigen tegen de heersers van de duisternis in deze wereld. God zegt: „zie. Ik leg in Sion een uitverkoren kostbare hoeksteen en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen” (l Petrus 2;6). De protestantse hervormers hadden op Christus gebouwd en de poorten van het dodenrijk konden hen niet overweldigen. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

Het protest van Spiers en de Augsburgse Confessie, die de triomf van de Hervorming in Duitsland inluidden, werden gevolgd door ja­ren van strijd en duisternis.
Het protestantisme, dat verzwakt werd door de verdeeldheid onder zijn aanhangers en werd aangevallen door machtige vijanden, scheen volledig uitgeroeid te zullen worden. Dui­zenden gelovigen bezegelden hun getuigenis met hun bloed. Er brak een burgeroorlog uit. De protestantse zaak werd door één van haar voornaamste aanhangers verraden. De edelmoedigste evangelische vorsten vielen in handen van de keizer en werden als gevangenen van stad tot stad gedeporteerd.
Maar op het ogenblik dat de keizer schijn­baar triomfeerde, leed hij de nederlaag. Zijn prooi werd aan zijn greep ontrukt en hij was op de duur genoodzaakt de nieuwe leer te gedogen, terwijl het zijn levensideaal was geweest haar uit te roeien. Hij had zijn keizerrijk, zijn schatten en zelfs zijn leven op het spel gezet om de ketterij te verpletteren. Nu zag hij hoe zijn legers door de strijd wa­ren gedecimeerd, hoe leeg zijn schatkist was en hoe zijn koninkrijken door opstand werden bedreigd, terwijl het geloof dat hij tevergeefs had willen onderdrukken zich overal verspreidde. Karel V had tegen een alvermogende macht gestreden. God had gezegd: „Er zij licht”, maar de keizer wilde de duisternis met alle geweid handhaven. Zijn plannen waren verijdeld. Hij deed afstand van zijn troon en trok zich terug in een klooster; hij was oud vóór zijn tijd en uitgeput door de strijd.

Zowel in Zwitserland als in Duitsland kwamen er donkere dagen voor de Hervorming. Terwijl vele kantons het protestantisme aanna­men, klampten andere zich met blinde halsstarrigheid vast aan het ge­loof van Rome. Rome’s vervolging van degenen die de waarheid wil­den aannemen, leidde tenslotte tot het uitbreken van een burgeroorlog. Zwingli en vele anderen die zich bij hem hadden aange­sloten, sneuvelden tijdens de bloedige veldslag bij Kappel.

Oecolampadius werd overmand door deze verschrikkelijke rampen en stierf kort daarna. Rome triomfeerde en scheen op veel plaatsen alles te zul­len heroveren wat ze verloren had. Maar God, wiens raadsbesluiten eeuwig zijn, had zijn werk en zijn volk niet verlaten. Hij zou hen met zijn eigen hand bevrijden. God had in andere landen mensen opgeroe­pen om de hervorming voort te zetten.

In Frankrijk begon de dageraad al door te breken vóór de naam Luther bekend was. Eén van de eersten die het licht ontvingen, was de bejaarde Lefëvred’ Etaples, een zeer geleerd man, hoogleraar aan de universiteit van Parijs en een oprecht, vurig papist. Bij zijn onderzoek van de oude literatuur werd zijn aandacht getrokken door de Bijbel, die hij samen met zijn studenten begon te bestuderen.

Lefëvre was een vurig heiligenvereerder en hij was van plan een geschiedenis van de heiligen en martelaren te schrijven, waarvoor hij gebruik zou maken van de legenden van de kerk. Dit werk vergde veel inspanning. Hij was er echter al flink mee opgeschoten toen hij op de gedachte kwam dat de Schrift hem heel wat zou kunnen hel­pen. Daarom begon hij haar met het oog op zijn werk te bestuderen. Door het onderzoek van de Bijbel leerde hij inderdaad het bestaan van heiligen kennen, maar het waren niet die van de roomse kalender. Zijn geest werd overspoeld door een vloed van goddelijk licht. Ver­bijsterd en verontwaardigd liet hij de taak die hij op zich had geno­men vallen en wijdde zich aan het Woord van God. Kort daarna ging hij over tot de verkondiging van de kostbare waarheden die hij daarin ontdekte.

In 1512, nog vóór Luther of Zwingli hun hervormingswerk hadden aangevat, schreef Lefèvre: „God alleen schenkt ons door het geloofde gerechtigheid die ons door zijn genade alleen tot het eeuwige leven rechtvaardigt”. (Wylie, b. 13, ch. 1).
Toen hij die­per inging op de verborgenheden van de verlossing, riep hij uit: „Hoe majestueus is deze ruil: de Zondeloze; wordt veroordeeld en de schuldige gaat vrijuit. De Zegen draagt de vloek en de ver­vloekte wordt gezegend. Het Leven sterft en de doden leven. De Heerlijkheid wordt gehuld in duisternis en hij die niets anders kende dan een beschaamd gezicht wordt met heerlijkheid bekleed”. (D’Aubigné, London cd., b. 12, ch. 2).

Hij verkondigde dat de eer van de verlossing alleen God toe­kwam en hij zei ook dat het de plicht van de mens was te gehoor­zamen. „Als je een lid van Christus’ gemeente bent”, zei hij, „ben je een lid van zijn lichaam. Als je een lid van zijn lichaam bent, ben je ook vol van de goddelijke natuur… Als de mensen dit voor­recht beter begrepen, zouden ze een zeer rein, ingetogen en heilig leven leiden. Ze zouden alle heerlijkheid van deze wereld verachten als ze haar vergeleken met de heerlijkheid die in hen is – een heer­lijkheid die het vleselijke oog niet kan zien”. (Ibid., b. 12, ch. 2).

Onder de studenten van Lefëvre waren er enkelen die aandachtig naar zijn woorden luisterden en lang nadat hun leermeester er niet meer was, de waarheid zouden verkondigen. Zo iemand was Guillaume Farel. Hij was de zoon van vrome ouders, die hem hadden inge­prent dat hij zich onvoorwaardelijk aan de leer van de kerk diende te onderwerpen. Farel kon zoals de apostel Paulus van zichzelf zeggen: „Ik heb naar de meest nauwgezette partij van onze godsdienst, als Fa­rizeeër, geleefd” (Handelingen 26:5). Als toegewijd aanhanger van Rome brandde hij van ijver om allen die zich tegen de kerk durfden te verzetten te verdelgen. Later schreef hij over deze periode in zijn le­ven: „Als ik hoorde dat iemand zich tegen de paus verzette, knarsten mijn tanden als die van een razende wolf’ (Wylie, b. 13, ch. 2).
Hij was onvermoeibaar in zijn heiligenverering en trok samen met Lefë­vre in Parijs van kerk tot kerk om voor de altaren te bidden en om ga­ven voor de relikwieënkastjes neer te leggen. Toch kon zijn devotie hem geen innerlijke vrede schenken. Hij was zich bewust van zijn zondigheid, maar zijn boetedoening kon hem daar niet van bevrijden. Hij luisterde naar de woorden van de hervormer als naar een stem uit de hemel: „Wij worden door genade verlost”. „De Onschuldige wordt veroordeeld en de misdadiger wordt vrijgesproken”. „Al­leen het kruis van Christus opent de poorten van de hemel en sluit de poorten van het dodenrijk” (Ibid., b. 13, ch. 2).

Farel nam de waarheid met blijdschap aan. Door een bekering zoals die van Paulus werd hij bevrijd uit de slavernij van de traditie en ging hij over naar de vrijheid van de zonen Gods. „Ik had niet meer het moordlustige hart van een uitgehongerde wolf, maar werd zo rus­tig als een gedwee en onschuldig lam. Ik had mij volledig ontwor­steld aan de paus en mij volkomen gewijd aan Jezus Christus”, zei hij (D’Aubigné, b.12, ch. 3).

Terwijl Lefëvre het licht onder zijn studenten verspreidde, verkon­digde Farel de waarheid in het openbaar. Hij was even toegewijd in het werk van Christus als vroeger toen hij in dienst van de paus was. Kort daarna sloot een hoogwaardigheidsbekleder van de kerk, de bis­schop van Meaux, zich bij hen aan. Ook andere bekwame en geleerde mensen deden mee aan de verkondiging van het evangelie, dat men­sen van alle rangen en standen – van ambachtslieden en boeren tot mensen van koninklijke bloede – aansprak.
De zuster van Frans I, die toen de regerende vorst was, nam het evangelisch geloof aan. De ko­ning en de koningin-moeder schenen het protestantisme enige tijd gunstig gezind te zijn en de hervormers keken vol verwachting uit naar de tijd waarin Frankrijk voor het evangelie zou worden gewon­nen.

Ze werden echter teleurgesteld in hun verwachtingen. Beproevin­gen en vervolgingen stonden de discipelen van Christus te wachten. Deze werden echter genadig aan hun blik onttrokken. Er kwam weer vrede. Intussen konden ze weer op krachten komen om beter het hoofd te kunnen bieden aan de storm. De Hervorming ging snel voor­uit. De bisschop van Meaux werkte ijverig in zijn eigen bisdom om zowel geestelijken als leken te onderwijzen. Onwetende en immorele priesters werden afgezet en zoveel mogelijk door vrome en geleerde mannen vervangen. Het was de vurige wens van de bisschop dat de mensen het Woord van God in hun eigen taal zouden kunnen lezen. Deze wens ging kort daarna in vervulling. Lefêvre begon aan de Fran­se vertaling van het Nieuwe Testament. Op hetzelfde ogenblik dat Luthers Duitse vertaling in Wittenberg van de pers kwam, werd het Franse Nieuwe Testament in Meaux uitgegeven. De bisschop spaarde kosten noch moeite om het in zijn parochies te verspreiden en het duurde niet lang of de boeren van Meaux hadden allemaal een exem­plaar van de Heilige Schrift.

Deze mensen namen de boodschap uit de hemel aan zoals reizigers die tot hun grote vreugde een waterbron ontdekken op het ogenblik dat ze van dorst versmachten. De boeren op het land en de ambachts­lieden in hun werkplaatsen vrolijkten hun dagelijks werk op met ge­sprekken over de kostbare waarheden van de Bijbel, ‘s Avonds gin­gen ze niet meer naar de wijnhuizen, maar ontmoetten elkaar thuis om het Woord van God te lezen, te bidden en God te prijzen.
Na korte rijd was er een ingrijpende verandering in deze dorpen merkbaar. Hoewel ze maatschappelijk gezien tot de laagste klasse van ontwik­kelde, hard werkende boeren behoorden, kon men de hervormende, verrijkende, kracht van Gods genade in hun leven merken. Ze waren eenvoudig, liefdevol en heilig en lieten zien wat het evangelie kan doen in het leven van hen die de boodschap in alle oprechtheid aanne­men.

Het licht dat te Meaux werd ontstoken, wierp zijn stralen tot ver in de omtrek. Elke dag nam het aantal bekeerlingen toe. Gedurende enige rijd werd de woede van de geestelijkheid in bedwang gehouden door de koning, die het bekrompen fanatisme van de monniken ver­achtte.

De leiders van de rooms-katholieke kerk kregen op den duur echter toch hun zin. Er werden brandstapels opgericht. De bisschop van Meaux werd gedwongen te kiezen tussen de vuurdood en de her­roeping van de nieuwe leer. Hij koos de makkelijkste weg. Ondanks de val van de leider bleef de kudde standvastig. Velen getuigden te midden van de vlammen, voor de waarheid. Door hun moed en trouw op de brandstapel spraken deze eenvoudige christenen tot duizenden die nooit van hun getuigenis hadden gehoord in de dagen toen er nog vrede was.

Het waren niet alleen eenvoudige, arme mensen die ondanks hun lijden en in weerwil van de spot, voor Christus durfden te getuigen. In de prachtige kastelen en paleizen waren er mensen van adel die de waarheid belangrijker vonden dan rijkdom of rang en haar zelfs meer op prijs stelden dan het leven. Mensen met een koninklijke wapenrus­ting bleken edelmoediger en standvastiger te zijn dan de man met zijn bisschoppelijke gewaden en zijn mijter.
Louis de Berquin was van adellijke afkomst. Hij was een dappere en hoofdse ridder en hij wijd­de zijn leven aan de studie. Hij had verfijnde manieren en was op mo­reel gebied onberispelijk. „Hij was een stipte navolger van pauselijke ordonnantièn en woonde veel missen en preken bij;……zijn belangrijk­ste deugd was wel dat hij het lutheranisme bijzonder verafschuwde”, aldus een schrijver. Maar zoals zovele anderen werd hij door de Voorzienigheid tot de Bijbel gebracht en ontdekte er tot zijn verba­zing „niet de leer van Rome, maar die van Luther” (Wylie, b. 13, ch. 9). Van toen afzette hij zich volledig in voor het evangelie.

Velen beschouwden hem als de man die voorbestemd was om de hervormer van Frankrijk te worden omdat hij „de geleerdste onder de Franse edelen was” en omdat hij bekend stond om zijn talenten en welsprekendheid, zijn ontembare moed, zijn heldhaftige geloofsijver en zijn invloed aan het hof, want hij was een gunsteling van de ko­ning. Beza zei: “Berquin zou een tweede Luther zijn geworden als Frans I voor hem een tweede keurvorst was geweest”. De papisten brulden: „Hij is erger dan Luther” (Ibid., b. 13, ch. 9). Hij werd in­derdaad meer gevreesd door de rooms-katholieken van Frankrijk. Ze wierpen hem als een ketter in de gevangenis, maar hij werd weer in vrijheid gesteld door de koning. De strijd duurde jarenlang voort.
Frans I werd heen en weer geslingerd tussen Rome en de Reformatie. Het gevolg daarvan was dat hij nu eens de onstuimige ijver van de monniken tolereerde en ze dan weer in bedwang hield. Berquin werd tot drie maal toe door de rooms-katholieke leiders gevangen gezet en telkens weer vrijgelaten door de vorst, die uit bewondering voor zijn talenten en zijn edelmoedig karakter weigerde hem aan de haat van de geestelijkheid over te leveren.

Men had Berquin herhaaldelijk gewaarschuwd voor het gevaar dat hem in Frankrijk bedreigde. Men had hem aangeraden het voorbeeld te volgen van anderen die dankzij hun vrijwillige ballingschap in vei­ligheid waren. De bange, opportunistische Erasmus, die ondanks zijn grote geleerdheid niet de morele kracht had om prestige en leven on­dergeschikt te maken aan de waarheid, schreef aan Berquin:
„U moet een verzoek indienen om als ambassadeur naar het buitenland te worden gestuurd. U zou een reis door Duitsland moeten maken. U kent Beza en zijn soortgenoten. Hij is een duizendkoppig monster dat zijn gif naar alle kanten spuwt. Uw vijanden zijn legio. Al was uw zaak beter dan die van Jezus Christus, zij zullen u niet loslaten tot ze u een wrede dood hebben laten sterven. U mag niet te veel vertrouwen stel­len in de bescherming van de koning. Brengt u mij in elk geval niet in opspraak bij de faculteit der godgeleerdheid” (Ibid., b. 13, ch. 9).

De geloofsijver van Berquin werd echter groter naarmate er meer gevaar dreigde. Hij volgde dus de sluwe, zelfzuchtige raad die Eras­mus hem had gegeven helemaal niet op, maar besloot nog moediger op te treden. Hij wilde niet alleen de verdediging van de waarheid op zich nemen, maar hij was ook van plan de dwaling te bestrijden. De rooms-katholieken wilden hem van ketterij beschuldigen, maar hij zou juist bewijzen dat zij ketters waren. Zijn actiefste en felste tegen­standers waren de geleerde theologen en monniken van de theologische faculteit van de grote Parijse universiteit, één van de hoogste kerkelijke autoriteiten van Parijs en van Frankrijk. Uit de werken van deze theologen citeerde Berquin twaalf stellingen die hij openlijk „onbijbels en ketters” noemde en deed een beroep op de koning om in dit geschil uitspraak te doen.

De koning was blij dat hij de kracht en de scherpzinnigheid van de elkaar bestrijdende partijen tegenover elkaar zou kunnen stellen en was erg verheugd dat hij de kans kreeg om de trots van deze hoog­moedige monniken te breken. Daarom verzocht hij de rooms-katho­lieken hun stellingen aan de hand van de Bijbel te verdedigen. Ze wis­ten wel dat ze niet veel hadden aan dit wapen. Ze waren meer vertrouwd met gevangenneming, folteringen en de brandstapel.

De bordjes waren verhangen en ze merkten dat ze zelf voor de afgrond stonden waarin ze Berquin hadden willen gooien. Ze zochten koorts­achtig naar een uitweg. “Juist in die dagen werd een beeld van de Maagd op de hoek van één van de straten beschadigd”. Dit veroorzaakte grote opschudding in de stad. De massa stroomde naar de plaats waar het gebeurd was en gaf uiting aan haar droefheid en ver­ontwaardiging. Ook de koning was erg onder de indruk. De monniken konden munt slaan uit dit voorval en grepen de kans met beide handen aan. „Dit zijn de gevolgen van de leer van Berquin”. riepen ze. „Deze lutherse samenzweerder staat op het punt alles omver te wer­pen: de godsdienst, de wetten en zelfs de troon” (Ibid., b. 13, ch. 9).

Berquin werd nogmaals gearresteerd. De koning trok zich uit Parijs terug. Daardoor hadden de monniken vrij spel om hun wil door te drijven. De hervormer werd berecht en ter dood veroordeeld. Om te vermijden dat Frans I nog zou ingrijpen om hem te redden, werd het vonnis op staande voet voltrokken. Om twaalf uur ‘s middags werd Berquin naar de plaats van de terechtstelling gebracht. Er was een enorme menigte samengestroomd om getuige te zijn van de gebeurte­nis. Velen waren verbaasd en verontrust over het feit dat het slachtof­fer een telg was uit één van de beste en moedigste families van Frank­rijk. Op de gezichten van de mensen die elkaar verdrongen, kon men hun ontzetting, verontwaardiging, verachting en bittere haat lezen. Maar op één gezicht was er geen droefheid. De gedachten van de martelaar waren ver verwijderd van dit rumoerige toneel. Hij was zich alleen bewust van de aanwezigheid van zijn Heer.

Het kon hem echt niet schelen dat hij op een smerige mestwagen stond. Hij trok zich niets aan van de sombere tronies van zijn vervol­gers en verontrustte zich niet over de vreselijke dood die hem te wachten stond. De Levende die dood geweest was, maar in alle eeuwigheden leeft en de sleutels van de dood en het dodenrijk heeft, stond naast hem. Berquins gezicht straalde van licht en vrede uit de hemel. Hij had „een mooie fluwelen mantel, een wambuis van satijn en damast en een goudgele broek aan” (D’Aubigné, History of the Reformation in Europe in the time of Calvin, b. 2, ch. 16).
Hij zou van zijn geloof getuigen voor de Koning der Koningen en voor het toeziend heelal. Geen enkel verdriet kon zijn blijdschap overschadu­wen

Toen de stoet langzaam door de overvolle straten trok, werden de toeschouwers getroffen door zijn sereniteit en vrede. Met verbazing stelden ze de blijde triomf in zijn blik en in zijn optreden vast. Men zei: „Hij is als iemand die in een tempel over heilige dingen zit na te denken” (Wylie, b. 13, ch. 9).

Berquin probeerde op de brandstapel een paar woorden tot het volk te richten. De monniken waren echter bang voor de invloed die daar­van zou kunnen uitgaan en begonnen te schreeuwen, terwijl de solda­ten met hun wapens kletterden, zodat hun lawaai de martelaar over­stemde. Zo gaf het hoogste literair en kerkelijk gezag van het beschaafde Parijs in 1529 „het laffe voorbeeld om de heilige woorden van de stervende op het schavot te overstemmen. Dit voorbeeld zou door het gepeupel worden gevolgd in 1793″ (Ibid., b. 13, ch. 9).

Berquin werd gewurgd en zijn lichaam werd door de vlammen ver­teerd. Het nieuws van zijn dood stemde de aanhangers van de Hervor­ming in heel Frankrijk tot droefheid. Maar zijn offer was niet ver­geefs. De getuigen van de waarheid zeiden: „Wij zijn ook bereid om blijmoedig de dood in te gaan, met onze ogen gericht op het toekom­stige leven” (D’Aubigné, b. 2, ch. 16).

Tijdens de vervolgingen in Meaux werden de vergunningen van de predikanten ingetrokken. Ze werden op die manier verplicht naar an­dere gebieden te vertrekken. Na enige tijd vertrok Lefêvre naar Duits­land. Farel keerde terug naar zijn geboortestad in Oost-Frankrijk om het licht te laten schijnen op de plaats waar hij zijn kinderjaren had doorgebracht. Daar wist men al wat er in Meaux gebeurde, maar er kwamen toch veel mensen luisteren naar de waarheid, die hij onbe­vreesd en met grote ijver verkondigde.
Het duurde echter niet lang of er werd een beroep op de overheid gedaan om hem het zwijgen op te leggen. Hij werd uit de stad verbannen. Hoewel hij niet meer in het openbaar mocht optreden, trok hij door velden en dorpen en verkondigde het evangelie in particuliere woningen en afgelegen weiden. Hij vond een schuilplaats in de bossen en grotten die hij als jongen vaak had bezocht.
God was hem op nog grotere beproevingen aan het voor­bereiden. Hij zei: „Het heeft mij niet ontbroken aan de kruisen, ver­volgingen en samenzweringen van Satan waartegen ik gewaarschuwd was. Ze waren veel erger dan ik in eigen kracht had kunnen dragen, maar God is mijn Vader. Hij heeft mij de kracht geschonken die ik nodig had en Hij zal dat altijd blijven doen”. (D’Aubigné, History of the Reformation of the 16th Century, b. 12, ch. 9).

Zoals in de dagen van de apostelen hadden de vervolgingen „veel­eer tot bevordering van de evangelieprediking gestrekt” (Filippenzen 1:12). Uit Parijs en Meaux verdreven, „trokken zij dan, die verstrooid werden het land door, het evangelie verkondigende” (Handelingen 8:4). Zo vond het licht zijn weg naar vele van de afgelegen gebieden van Frankrijk.

God was nog altijd mensen aan het voorbereiden om zijn werk te bevorderen. In één van de Parijse scholen was er een ernstige, kalme jongeman die blijk gaf van intelligentie en scherpzinnigheid en ook door zijn onberispelijke levenswandel, studie-ijver en vroomheid op­viel. Door zijn talenten en zijn toewijding werd hij spoedig de trots van de school en men verwachtte vol vertrouwen dat Johannes Calvijn één van de bekwaamste en voornaamste verdedigers van de kerk zou worden.
Maar een straal van het goddelijke licht drong zelfs door de muren van scholastiek en bijgeloof die hem omringden. Hij hui­verde bij het horen van de nieuwe leer en twijfelde er geen ogenblik aan dat de ketters de vuurdood waartoe ze veroordeeld werden, ver­dienden. Zonder dat hij het wist, kwam hij evenwel oog in oog te staan met de ketterij en werd hij gedwongen de kracht van de rooms-katholieke theologie te toetsen om de protestantse leer te bestrijden.

Een neef van Calvijn die protestant was geworden, woonde in Pa­rijs. De twee neven ontmoetten elkaar geregeld en discussieerden dan over de problemen die de christenheid verontrustten. Olivetanus, de pro­testant zei: „Er zijn maar twee godsdiensten in de wereld. Enerzijds de godsdiensten die de mensen zelf hebben verzonnen; ze hebben met el­kaar gemeen dat de mens zichzelf redt door ceremoniën en goede werken. En anderzijds de godsdienst die in de Bijbel wordt geopen­baard en die de mens leert dat verlossing slechts een genadegift van God is”.
„Ik wil niets met jouw nieuwe leer te maken hebben”, zei Calvijn. „Denk je soms dat ik mijn hele leven gedwaald heb?” (Wylie, b. 13, ch. 7).

Maar in zijn geest waren er gedachten opgeroepen die hij niet zo­maar kon verdrijven. Toen hij alleen op zijn kamer was, dacht hij na over de woorden van zijn neef. Hij werd zich bewust van zijn zondig­heid. Hij zag zichzelf zonder middelaar in tegenwoordigheid van een heilige en rechtvaardige Rechter. De voorspraak van heiligen, goede werken en kerkelijke ceremonies konden geen verzoening doen voor de zonde. Hij zag alleen de duisternis van de eeuwige wanhoop. De leraren van de kerk probeerden hem tevergeefs te troosten. Tevergeefs nam hij zijn toevlucht tot de biecht en tot boetedoening; ze konden hem niet met God verzoenen.

Terwijl Calvijn nog in deze hopeloze strijd gewikkeld was, kwam hij eens op een plein en zag hoe men er een ketter verbrandde. De vrede die van het gezicht straalde van deze martelaar vervulde hem met verbazing. Ondanks de foltering van die vreselijke dood en on­danks de nog verschrikkelijkere veroordeling van de kerk, gaf deze martelaar blijk van een geloof en een moed die de jonge student pijn­lijk verrasten toen hij aan zijn eigen wanhoop en geestelijke duisternis dacht, terwijl hij zich toch bijzonder stipt aan de voorschriften van de kerk hield. Hij wist dat de ketters zich op de Bijbel beriepen. Hij be­sloot die te onderzoeken om indien mogelijk het geheim van hun blijdschap te ontdekken.

In de Bijbel vond hij Christus. „O, Vader”, riep hij uit, „zijn offer heeft uw toorn bevredigd. Zijn bloed heeft mijn onreinheid weggewassen. Zijn kruis heeft mijn vloek gedragen. Door zijn dood zijn mijn zonden vergeven. Wij hebben voor onszelf veel nutteloze dwaasheden verzonnen, maar U heeft uw Woord als een fakkel voor mij gesteld en U heeft mijn hart geraakt, opdat ik alle andere verdiensten dan die van Jezus zou verafschuwen” (Martijn, vol. 3, ch. 13).

Calvijn was voor het priesterschap opgeleid. Toen hij nog maar twaalf jaar oud was, werd hij tot kapelaan van een kleine kerk be­noemd en werd zijn kruin overeenkomstig de kerkelijke regel door de bisschop geschoren. Hij ontving geen wijding en vervulde ook geen priesterlijke functies, maar werd wel tot de geestelijkheid gerekend, droeg de titel van zijn ambt en kreeg er een vergoeding voor.

Toen hij inzag dat hij nooit priester zou kunnen worden, ging hij een tijdje rechten studeren, maar hield daar tenslotte mee op en nam zich voor zijn leven aan het evangelie te wijden. Hij aarzelde echter om het evangelie in het openbaar te verkondigen. Hij was verlegen van aard en ging gebukt onder het besef van de zware verantwoorde­lijkheid die zijn ambt met zich mee bracht en wilde nog altijd verder studeren. Tenslotte ging hij toch in op het dringende verzoek van zijn vrienden. Hij zei: „Het is fantastisch dat iemand van zo lage afkomst tot zo’n hoge waardigheid kan worden geroepen” (Wylie, b. 13, ch. 9).

Calvijn begon rustig aan zijn taak en zijn woorden waren als dauw die de aarde verfrist. Hij had Parijs verlaten en ging wonen in een pro­vinciestadje onder bescherming van prinses Margaretha, die het evan­gelie liefhad en de evangelische christenen beschermde.
Calvijn was jong, vriendelijk en bescheiden. Hij zocht de mensen eerst thuis op. Omringd door de leden van het gezin las hij voor uit de Bijbel en leer­de hun de waarheden van de verlossing. Zij die de boodschap hoor­den, brachten het goede nieuws aan anderen. Later ging hij naar afge­legen dorpen en gehuchten buiten de stad. Hij werd in kastelen en hutten ontvangen en legde de grondslag van gemeenten die onbe­vreesde getuigen voor de waarheid zouden opleveren.

Enkele maanden later keerde hij naar Parijs terug. Er heerste een ongewone opwinding in kringen van geleerden en studenten. Door de studie van de oude talen had men belangstelling voor de Bijbel gekre­gen. Velen die de waarheid nog niet hadden aangenomen, discussieer­den vol vuur en bestreden zelfs de verdedigers van het rooms-katholicisme.
Hoewel Calvijn bedreven was in theologische disputen, had hij een belangrijkere opdracht te vervullen dan deze luidruchtige rede­naars. De mensen stonden open voor de Bijbel en nú was het de tijd om hun de waarheid te verkondigen. Terwijl er in de auditoria van de universiteiten volop werd gediscussieerd over theologische onderwer­pen, ging Calvijn van huis tot huis om de mensen de Bijbel te leren kennen en met hen te praten over Christus „en die gekruisigd.”

God had het zo beschikt dat Parijs nog een uitnodiging zou ontvan­gen om het evangelie aan te nemen. Men had de oproep van Lefêvre d’ Etaples en Farel afgewezen, maar de boodschap zou weer aan alle standen van de hoofdstad worden verkondigd.
De koning, die zich door politieke motieven liet leiden, had zich nog niet volledig tegen de Hervorming gekeerd door een definitieve keuze voor Rome. Mar­garetha hoopte nog altijd dat het protestantisme in Frankrijk zou zege­vieren. Ze besloot dat het protestantisme in Parijs verkondigd moest worden. Tijdens de afwezigheid van de koning gaf ze een protestants predikant opdracht om in de kerken van de stad te preken.
Toen de leiders van de rooms-katholieke kerk dit verboden, stelde zij het pa­leis open. Een vertrek werd als kapel ingericht en er werd aangekon­digd dat er elke dag op een bepaald uur een preek zou zijn en dat alle mensen van alle standen welkom waren. Het volk stroomde naar de diensten. Niet alleen de kapel, maar ook de voorvertrekken en zalen waren stampvol. Duizenden mensen – edelen, staatslieden, rechtsgeleerden, kooplieden en ambachtslui – kwamen elke dag samen.
De ko­ning verbood deze samenkomsten niet, maar gaf juist bevel om twee Parijse kerken open te stellen. Nooit tevoren was de stad zó door het Woord van God aangegrepen. De geest des levens uit de hemel scheen de mensen te inspireren. Matigheid, reinheid, orde en vlijt kwamen in de plaats van dronkenschap, bandeloosheid, strijd en leegloperij.

Maar de geestelijken bleven niet werkloos toezien. De koning wil­de nog niet ingrijpen om een eind te maken aan de prediking. Daarom deden ze een beroep op het gepeupel. Ze lieten geen middel onbe­proefd om de vooroordelen, de vrees en het fanatisme van de onwe­tende, bijgelovige massa aan te wakkeren.

Parijs volgde deze dwaalleraars blindelings; zoals ook vroeger het geval was geweest met Jeruzalem hadden ze niet opgemerkt dat God naar hen omzag en ver­stonden ze niet wat tot hun vrede diende. Twee jaar lang was het Woord van God in de hoofdstad gepredikt. Velen hadden het evange­lie aangenomen, maar de meerderheid had het verworpen. Frans I had alleen om politieke redenen gedaan alsof hij verdraagzaam was. De aanhangers van de paus kregen weer de overhand; de kerken werden opnieuw gesloten en er werden nogmaals brandstapels opgericht.

Calvijn was nog in Parijs, waar hij zich door studie, meditatie en gebed op zijn toekomstige taak voorbereidde. Ondertussen bleef hij het evangelie verkondigen. Na enige tijd werd ook hij verdacht.
De overheid was vastbesloten hem naar de brandstapel te brengen. Hij dacht dat hij veilig was in zijn afzondering en was zich niet bewust van het gevaar, tot het ogenblik dat enkele vrienden naar zijn kamer kwamen gesneld met het nieuws dat gerechtsdienaren hem kwamen arresteren. Op dat ogenblik hoorden ze op de deur bonzen. Ze moch­ten geen minuut verliezen. Enkele van zijn vrienden hielden de ge­rechtsdienaren op aan de deur, terwijl anderen de hervormer door een raam hielpen ontvluchten.
Hij nam de wijk naar de rand van de stad. Hij vond een veilig onderkomen in het huis van een boer die hervor­mingsgezind was. Hij vermomde zich met de kleren van zijn gastheer en met een schoffel op zijn schouder trok hij verder naar het zuiden. Hij vond weer een veilige schuilplaats in het gebied van Margaretha (zie D’Aubigné, History of 4 Ref. in Europe in the Time of Calvin, b. 2, ch. 30).

Hij bleef enkele maanden in dit gebied onder bescherming van machtige vrienden en legde zich weer toe op de studie. Hij werd echter voortgestuwd door het verlangen het evangelie aan het Franse volk te verkondigen en wilde voortdurend actief zijn.
Zodra de storm een beetje geluwd was, zocht hij een nieuw werkterrein in Poitiers. Deze stad had een universiteit waar de nieuwe opvattingen gunstig waren ontvangen. Mensen uit alle lagen van de bevolking luisterden met grote belangstelling naar het evangelie.
Calvijn preekte niet in het openbaar, maar verkondigde de woorden van het eeuwige leven voor wie naar hem wilde luisteren in het huis van de belangrijkste magi­straat, in zijn eigen huis en soms in een park.
Toen het aantal belangstellenden begon te groeien vond men het na enige tijd veiliger buiten de stad te vergaderen. Een spelonk aan de kant van een diepe, nauwe kloof, waar bomen en overhangende rotsen de aanwezigen volledig van de buitenwereld afsloten, werd als vergaderplaats gekozen. Langs verschillende wegen verlieten de mensen in groepjes de stad en ont­moetten elkaar op die plek. Op deze afgelegen plaats werd de Bijbel voorgelezen en uitgelegd. Hier vond de eerste Avondmaalsviering van de Franse protestanten plaats. Deze kleine gemeente zond verschillende trouwe evangelisten uit.

Calvijn keerde weer naar Parijs terug. Hij had nog altijd hoop dat het Franse volk de Hervorming zou aannemen. Bijna alle deuren ble­ven echter voor hem gesloten. Als hij het evangelie bleef verkondi­gen, ging hij beslist de vuurdood tegemoet. Tenslotte besloot hij naar Duitsland te vertrekken. Nauwelijks had hij Frankrijk verlaten of er stak een storm op over de protestanten van Frankrijk. Als hij in Frankrijk was gebleven, zou hij zeker in de algemene ondergang zijn meegesleurd.

De Franse hervormers wilden dat hun land gelijke tred hield met Duitsland en Zwitserland. Daarom besloten ze het bijgeloof van Rome een zware slag toe te brengen om de ogen van het hele volk te openen; in één nacht werden er over heel Frankrijk plakkaten aange­bracht waarin de mis werd aangevallen. Deze actie, die wel van ge­loofsijver, maar niet van overleg getuigde, stortte niet alleen degenen die aan de actie hadden deelgenomen, maar alle aanhangers van de Hervorming in heel Frankrijk in het verderf. Door hun optreden kre­gen de rooms-katholieken iets waar ze allang op zaten te wachten; ze zochten een voorwendsel om de volledige uitroeiing van de ketters te eisen omdat ze opruiers waren en de stabiliteit van de troon en de vre­de in het land in gevaar brachten.

Men heeft nooit ontdekt of het een onvoorzichtige vriend of een sluwe vijand geweest is die één van de plakkaten op de deur van de particuliere kamer van de koning heeft geplakt. De koning vond het in elk geval verschrikkelijk. In dit pamflet werd het bijgeloof dat eeu­wenlang in ere gehouden was, meedogenloos aangevallen. De koning was woedend omdat iemand zo ongelooflijk vrijpostig was geweest deze onverbloemde en verbijsterende uitspraken te hangen waar hij ze kon lezen. Hij stond er enige tijd stomverbaasd naar te kijken en beef­de van verontwaardiging. Toen gaf hij uiting aan zijn woede door het uitspreken van de vreselijkste woorden: „Iedereen die van deze lu­therse ketterij wordt verdacht, moet ogenblikkelijk worden gegrepen. Ik wil ze allemaal uitroeien” (Ibid., b. 4, ch. 10). De teerling was ge­worpen; de koning had besloten volledig partij te kiezen voor Rome.

Er werden onmiddellijk maatregelen genomen om elke lutheraan in Parijs te arresteren. Men hield een arme vakman aan die protestant was en gewoonlijk de gelovigen bezocht om hun te zeggen dat ze op hun geheime vergaderplaatsen moesten samenkomen. Men zei hem dat hij onmiddellijk verbrand zou worden als hij de gezant van de paus niet naar het huis van elke protestant van de stad bracht. Vol af­schuw deinsde hij terug voor dit gemene voorstel. Hij zwichtte echter uit vrees voor de vlammen en stemde ermee in zijn broeders te verraden.

Voorafgegaan door de hostie en omringd door een gevolg van priesters, wierookdragers, monniken en soldaten, trok Morin, de hofspeurder, met de verrader langzaam en in stilte door de straten van de stad. Ogenschijnlijk was het een processie ter ere van „het heilig sa­crament” – een boetedoening voor de smaad die de protestanten de mis hadden aangedaan. In werkelijkheid moest deze processie echter hun moordplannen camoufleren. Als de stoet voor het huis van een lutheraan kwam, gaf de verrader een seintje. Er werd geen woord gezegd. De processie stopte. Men drong het huis binnen. Het gezin werd naar buiten gesleurd en in boeien geslagen. Daarna trok het macabere gezelschap verder, op zoek naar nieuwe slachtoffers. „Zij sloegen geen enkel huis – groot of klein – over. Zelfs de collegezalen van de Parijse universiteit werden niet gespaard… Morin deed de stad be­ven… Het was een schrikbewind” (Ibid., b. 4, ch. 10).

De slachtoffers werden op barbaarse wijze dood gefolterd, want men had uitdrukkelijk opdracht gegeven het vuur te verminderen om hun doodsstrijd te rekken. Maar ze stierven als overwinnaars. Hun vastberadenheid was onwrikbaar en hun vrede was onverstoorbaar.

Hun vervolgers hadden hun onverzettelijke standvastigheid niet aan het wankelen kunnen brengen en voelden zich verslagen. „De scha­votten werden over alle wijken van Parijs verspreid en de terechtstel­lingen vonden dagen na elkaar plaats. Door deze spreiding wilde men de angst voor ketterijen tot iedereen laten doordringen. Achteraf bleek dit echter in het voordeel van het evangelie uit te vallen. Heel Parijs kon zien welke invloed de nieuwe opvattingen in het leven van de mensen konden hebben. De brandstapel van de martelaren was de beste preekstoel. De serene vreugde die van het gezicht van deze mensen straalde wanneer ze … naar de plaats van de terechtstelling gingen, hun heldenmoed wanneer zij te midden van de hete vlammen stonden, hun edelmoedige vergevensgezindheid voor het onrecht dat men hun had aangedaan, deden in veel gevallen boosheid in medelij­den en haat in liefde omslaan en pleitten met onweerstaanbare wel­sprekendheid ten gunste van het evangelie” (Wylie, b. 13, ch. 20).

De priesters deden hun uiterste best om de volkswoede aan te wakkeren en verspreiden daarom de ergste beschuldigingen tegen de protestanten. Ze werden ervan beschuldigd te hebben samen­gezworen om de rooms-katholieken te vermoorden, de regering omver te werpen en de koning om het leven te brengen. Men kon evenwel geen enkel bewijs voorleggen om deze beweringen te sta­ven. Toch zouden deze onheilsvoorspellingen onder zeer verschil­lende omstandigheden en door heel andere oorzaken werkelijk­heid worden. De wreedheden die de rooms-katholieken tegen de onschuldige protestanten hadden bedreven, stapelden zich op tot een zware schuldenlast en leidden enkele eeuwen later tot de on­dergang die volgens hun eigen voorspellingen voor de deur stond. Deze ramp, die de koning, zijn regering en zijn onderdanen trof, werd door de ongelovigen en pausgezinden zelf veroorzaakt. Niet de invoering, maar de onderdrukking van het protestantisme bracht driehonderd jaar later dit vreselijke onheil over Frankrijk.

Achterdocht, wantrouwen en angst hielden alle standen van de maatschappij in hun greep. Te midden van de algemene verontrusting kon men vaststellen welke grote invloed de leer van Luther had uitge­oefend op de mensen die de beste ontwikkeling, het grootste prestige en het beste karakter hadden. De mensen die de vertrouwensposities en de eervolle ambten hadden bekleed, waren er plots niet meer. Vak­lui, drukkers, studenten, hoogleraren, schrijvers en zelfs hovelingen waren verdwenen. Honderden mensen vluchtten uit Parijs en verlieten als vrijwillige ballingen hun geboorteland.
Velen lieten op die manier voor de eerste keer blijken dat ze de zijde van de Hervorming hadden gekozen. De pausgezinden stelden met verbazing vast dat ze zoveel mensen die ze niet van ketterij hadden verdacht in hun midden had­den geduld. Ze koelden daarom hun woede op de vele eenvoudige slachtoffers die zij in hun macht hadden. De gevangenissen waren overvol en de lucht scheen verduisterd door de rook van de brandstapels die voor de aanhangers van het evangelie werden aangestoken.

Frans I was er trots op dat hij één van de leiders was van de bewe­ging die aan het begin van de zestiende eeuw de opbloei van kunst en cultuur wilde bevorderen. Met veel vreugde ontving hij schrijvers uit alle landen aan zijn hof. Hij had de aanhangers van de Hervorming een zekere mate van godsdienstvrijheid toegestaan en dit was zeker voor een deel te danken aan zijn liefde voor kunst en cultuur en aan zijn minachting voor de onwetendheid en het bijgeloof van de monni­ken. In zijn ijver om de ketterij uit te roeien vaardigde deze bescher­mer van kunsten en wetenschappen echter een edict uit om de vrijheid van drukpers in heel Frankrijk af te schaffen! Frans l is één van de vele voorbeelden uit de geschiedenis die aantonen dat intellectuele ontwikkeling geen waarborg biedt tegen onverdraagzaamheid en ver­volging.

Frankrijk ging door middel van een openbare plechtigheid over tot de volledige uitroeiing van het protestantisme. De priesters eisten dat de smaad die de protestanten God hadden aangedaan door hun ver­oordeling van de mis zou worden goedgemaakt met bloed en dat de koning in naam van zijn volk openlijk zijn goedkeuring zou hechten aan deze barbaarse onderneming.

Deze macabere plechtigheid zou op 21 januari 1535 plaatsvinden. Men had de bijgelovige vrees en de fanatieke haat van het hele volk aangewakkerd. De straten van Parijs zagen zwart van de mensen die uit de omliggende streken naar de hoofdstad waren samengestroomd. De eerste plechtigheid van de dag was een indrukwekkende processie. „Op de gevels van de huizen langs de processieweg had men rouw­floers gehangen. Om de zoveel meter had men een altaar opgericht”. Vóór elke deur hing een brandende fakkel ter ere van „het heilige sacrament”. De stoet werd vóór zonsopgang bij het koninklijk paleis gevormd. „Eerst kwamen de vaandels en kruisen van de verschillen­de parochies, daarna de burgers, twee aan twee, met fakkels in de hand”, gevolgd door de vier monnikenorden, elk in eigen karakteristieke pij. Na deze groep kwam de indrukwekkende verzameling be­roemde relikwieën, gevolgd door de kerkelijke gezagsdragers in hun purperen en scharlaken gewaden en met juwelen bezette versierselen -een prachtige, schitterende groep.

„De bisschop van Parijs droeg de hostie onder een prachtig balda­kijn… gedragen door vier prinsen van den bloede….. Achter de hostie kwam de koning… Frans I droeg op die dag geen kroon of staatsiemantel”. „Met ongedekt hoofd, de ogen neergeslagen en met een brandende kaars in de hand” verscheen de koning van Frankrijk „als een boeteling” (Ibid., b. 13, ch. 21).
Bij ieder altaar boog hij zich in verootmoediging neer. Hij deed dat niet vanwege de ondeugden die zijn ziel hadden bezoedeld, niet vanwege het onschuldige bloed dat aan zijn handen kleefde, maar vanwege de doodzonde van zijn onder­danen die het hadden aangedurfd de mis te veroordelen. Na hem kwamen de koningin en de hoogwaardigheidsbekleders van het rijk – ook twee aan twee, met een brandende fakkel in de hand.

In de loop van de diensten op die dag sprak de vorst in hoogst ei­gen persoon de hoge ambtenaren van zijn koninkrijk toe in de grote zaal van het bisschoppelijk paleis. Met een treurig gezicht verscheen hij voor hen en bejammerde in aandoenlijke bewoordingen „de mis­daad, de godslastering en de dag van verdriet en schande” die over het volk gekomen was.
Hij deed een beroep op elke trouwe onderdaan om zijn medewerking te verlenen bij de uitroeiing van de verderfelij­ke ketterij die Frankrijk met de ondergang bedreigde. Frans I zei: „Mijne heren, als ik wist dat één van mijn eigen ledematen besmet of aangetast was door deze verfoeilijke verrotting, zou ik u het – zowaar als ik uw koning ben – laten afhakken…… Bovendien, als één van mijn eigen kinderen erdoor bezoedeld was, zou ik hem niet sparen… Ik zou hem zelf uitleveren en aan God offeren”. De koning kon niet verder spreken van aandoening en weende. De hele vergadering huilde mee en riep eenstemmig: „Wij willen leven en sterven voor het rooms-ka­tholieke geloof!” (D’Aubigné, History of the Reformation in Europe in the time of Calvin, b. 14, ch. 12).

Het volk dat het licht van de waarheid had verworpen, was in een vreselijke dichte duisternis gedompeld. De heilbrengende genade was verschenen, maar Frankrijk had zich afgewend en de duisternis boven het licht verkozen ondanks het feit dat het de kracht en de heiligheid van de genade had gezien, duizenden door haar goddelijke schoon­heid waren aangetrokken en steden en dorpen door haar stralen waren verlicht.
Het Franse volk weigerde de hemelse gave toen die hun werd aangeboden. Wat slecht was vonden ze goed en wat goed was vonden ze slecht. Tenslotte werden ze het slachtoffer van hun hals­starrig zelfbedrog. Ook al geloofden ze oprecht dat ze God een dienst bewezen door zijn volk te vervolgen, dan waren ze toch niet onschul­dig. Ze hadden immers zelf het licht verworpen dat hen behoed zou hebben voor misleiding en bloedschuld.

Er werd een plechtige eed tot uitroeiing van de ketterij afgelegd in de grote kathedraal, waar bijna driehonderd jaar later „de godin van de Rede” op de troon zou worden geplaatst door een volk dat de le­vende God had vergeten. Weer ging er een processie uit. De vertegen­woordigers van Frankrijk begonnen aan de taak waarvoor ze de plechtige eed hadden gezworen.
„Op korte afstand had men schavot­ten opgericht waarop sommige protestanten levend zouden worden verbrand. De takkenbossen zouden worden aangestoken op het ogen­blik dat de koning naderde. De processie zou blijven staan om de deelnemers de gelegenheid te geven de terechtstelling bij te wonen” (Wylie, b. 13, ch. 21).
De details van de folteringen die deze getuigen van Christus moesten verduren, zijn te pijnlijk om te worden opge­somd. De slachtoffers waren echter onwankelbaar in hun geloof. Toen één van hen werd aangespoord om zijn ketterij te herroepen, zei hij: „Ik geloof alleen wat de profeten en apostelen vroeger predikten en wat de hele gemeenschap der heiligen geloofde. Ik stel mijn ver­trouwen in God. Daardoor kan ik alle krachten van het dodenrijk overwinnen” (D’Aubigné, History of the Reformation in Europe in the time of Calvin, b. 4, ch. 12).

De processie stopte bij elke folterplaats. Toen ze weer bij hun ver­trekpunt – het koninklijk paleis – waren, ging de massa uiteen. Ook de koning en de prelaten trokken zich terug. Ze waren zeer tevreden over de gebeurtenissen van die dag en waren blij dat het werk waar ze nu aan begonnen waren, zou worden voortgezet tot alle ketters zouden zijn uitgeroeid.

De vredesboodschap die Frankrijk had verworpen, werd inderdaad onderdrukt, maar de gevolgen waren rampzalig. Op 21 januari 1793, tweehonderd achtenvijftig jaar na de dag waarop Frankrijk het besluit had genomen de hervormers te vervolgen, trok een andere stoet met heel andere bedoelingen door de straten van Parijs. „Weer was de ko­ning de hoofdfiguur. Weer was er lawaai en geschreeuw. Weer hoor­de men het geroep om méér slachtoffers. Er waren weer zwarte schavotten en de dag werd ook dit keer besloten met afschuwelijke executies.
Lodewijk XVI verzette zich met al zijn kracht tegen zijn bewa­kers en zijn beulen toen hij naar het blok werd gesleept. Hij werd er met geweld op gedrukt tot de valbijl was gevallen en zijn afgehakt hoofd van het schavot rolde” (Wylie, b. 13, ch. 21). Maar de koning was niet het enige slachtoffer. In dezelfde buurt werden tweeduizend achthonderd mensen tijdens de bloedige dagen van het Schrikbewind met de guillotine terechtgesteld.

De Hervorming had de Bijbel voor de wereld geopend, ze wees de mensen op de geboden van Gods wet en legde de nadruk op haar ei­sen. God openbaarde in zijn oneindige liefde de wetten en beginselen van de hemel aan de mensen. Hij zei: „Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie” (Deuteronomium 4:6). Toen het Franse volk het geschenk uit de hemel verwierp, zaaide dit volk het zaad van wetteloosheid en ondergang. Door de wet van oorzaak en gevolg leidde dit tot de Revolutie en het Schrikbewind.

De moedige, vurige Farel had lang vóór de vervolgingen die door de plakkaten werden uitgelokt zijn geboorteland moeten verlaten. Hij ging naar Zwitserland, waar hij door zijn medewerking aan het werk van Zwingli een bijdrage leverde tot de overwinning van het protes­tantisme. Aan dit land wijdde hij zijn laatste levensjaren, maar bleef toch veel invloed uitoefenen op de hervorming in Frankrijk.
In de eer­ste jaren van zijn ballingschap waren zijn inspanningen vooral gericht op de verspreiding van het evangelie in zijn geboorteland. Hij be­steedde veel tijd aan de verkondiging van het evangelie onder zijn landgenoten in de grensstreek, waar hij met nooit aflatende waak­zaamheid de strijd volgde en de mensen moed insprak en raad gaf. Met medewerking van andere ballingen werden de geschriften van de Duitse hervormers in het Frans vertaald en samen met de Franse ver­taling van de Bijbel op grote schaal gedrukt. Deze werken werden op vele plaatsen in Frankrijk verkocht door colporteurs, die de boeken te­gen een lage prijs inkochten zodat ze van de winst konden leven en het werk konden voortzetten.

Farel werkte in Zwitserland eerst als een gewone dorpsonderwijzer. Hij vestigde zich in een afgelegen parochie en gaf er les aan kinderen. Hij gaf de gewone leervakken, maar sprak met de nodige voorzichtig­heid ook over de waarheid van de Bijbel, want hij wilde de ouders door middel van de kinderen bereiken. Sommigen kwamen tot het ge­loof, maar de priesters grepen in om het werk stop te zetten. Ze ruiden de bijgelovige dorpelingen op om zich tegen Farel en zijn werk te verzetten. De priesters zeiden: „Dit kan onmogelijk het evangelie van Christus zijn, want de prediking ervan brengt geen vrede, maar oor­log” (Wylie, b. 14, ch. 3).
Farel volgde het voorbeeld van de eerste discipelen en vluchtte wanneer hij in de ene stad vervolgd werd naar een andere. Hij ging te voet van stad tot stad en van dorp tot dorp. Hij leed honger, kou en ontberingen en overal was zijn leven in gevaar. Hij preekte op marktpleinen, in kerken en soms op de preekstoel van kathedralen. Soms waren er geen toehoorders in de kerk. Af en toe begonnen de mensen tijdens zijn preek te schreeuwen en te spotten. Het kwam ook voor dat hij met geweld uit de preekstoel werd verwij­derd.
Hij werd meer dan eens door het gepeupel achtervolgd en meer dood dan levend achtergelaten. Hij liet zich echter niet ontmoedigen. Hoewel hij dikwijls werd afgewezen, ging hij met onvermoeibare vol­harding opnieuw tot de aanval over. Hij zag hoe steden en dorpen die eens bolwerken van het pausdom waren geweest één voor één hun poorten voor het evangelie openden. De kleine parochie waar hij in het begin had gewerkt, werd kort daarna protestants. Ook de steden Morat en Neuchătel verwierpen de rooms-katholieke riten en verwijderden de afgodische beelden uit hun kerken.

Farel had de banier van het protestantisme allang in Genève willen planten, omdat hij ervan uitging dat als deze stad voor het evangelie gewonnen kon worden, zij het centrum van de Hervorming in Frank­rijk, Zwitserland en Italië zou worden. Met dit doel voor ogen ging hij door met zijn werk tot veel van de omliggende dorpen en gehuchten het evangelie aannamen. Toen ging hij met één medewerker naar Ge­nève, waar hij maar twee keer mocht preken. De rooms-katholieke geestelijkheid was er niet in geslaagd hem te laten veroordelen door de burgerlijke overheid en dagvaardde hem voor een kerkelijke raad. Zij hadden wapens onder hun toga’s verstopt om hem van het leven te beroven. Buiten de zaal wachtte een woedende menigte met knuppels en zwaarden. Zij zouden er wel voor zorgen dat hij zeker vermoord werd als hij erin slaagde aan de raad te ontsnappen. Hij werd echter gered dankzij de aanwezigheid van magistraten en gewapende bewa­kers. Hij werd de volgende morgen in alle vroegte met zijn medewer­ker naar een veilige plaats op de andere oever van het meer gebracht. Dit was het einde van zijn eerste poging om Genève voor het evange­lie te winnen.

Voor de volgende poging koos Farel een jongeman uit die zó be­scheiden was en op anderen zo’n armzalige indruk maakte dat hij zelfs door mensen die openlijk met de Hervorming sympathiseerden koel werd behandeld. Wat zou zo iemand kunnen doen waar Farel was afgewezen? Hoe zou iemand met weinig moed en ervaring weer­stand kunnen bieden aan de storm waarvoor de sterkste en moedigste man had moeten vluchten? „Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen” (Zacharia 4:6). „Wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen.”
„Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen” (l Korintiërs 1:27,25).

Froment begon als onderwijzer. De waarheden die hij de kinderen op school leerde, herhaalden ze thuis. Het duurde niet lang of de ou­ders kwamen naar de uitleg van de Bijbel luisteren en na korte tijd was het schoollokaal tot de laatste plaats bezet door aandachtige toe­hoorders. Het Nieuwe Testament en traktaten werden kosteloos ver­spreid. Op die manier bereikte men veel mensen die niet openlijk naar de verkondiging van de nieuwe leer durfden te komen luisteren. Na enige tijd moest hij echter ook vluchten, maar de waarheid die hij had verkondigd, had grote invloed op de mensen.
De Hervorming had in­gang gevonden en zou steeds meer aanhangers krijgen. De predikan­ten keerden terug en dankzij hun werk werd het protestantisme tenslotte in Genève gevestigd. De stad had zich al voor de Hervorming uitgesproken toen Calvijn na vele zwerftochten en allerlei wederwaar­digheden zich binnen haar muren vestigde. Hij keerde terug van een bezoek aan zijn geboorteplaats en was op weg naar Bazel toen hij ont­dekte dat de kortste weg naar Bazel door het leger van Karel V was bezet. Hij moest daarom noodgedwongen een omweg via Genève ma­ken.

Farel zag in Calvijns bezoek de hand Gods. Hoewel Genève het protestantisme had aangenomen, moest er nog veel veranderen. Men­sen worden niet collectief maar individueel tot God bekeerd. De ver­nieuwing van hart en denken moet door de kracht van de Heilige Geest en niet door decreten van concilies worden verwezenlijkt. De inwoners van Genève hadden zich wel bevrijd van het juk van Rome, maar ze waren niet erg bereid om radicaal te breken met de corruptie die onder haar bewind volop had gewoekerd. Het was niet eenvoudig de zuivere beginselen van het evangelie hier ingang te doen vinden en deze mensen voor te bereiden op de taak waartoe God hen riep.

Farel was ervan overtuigd dat hij met Calvijn zou kunnen samen­werken om dit werk tot een goed eind te brengen. Daarom deed hij een plechtig beroep op de jonge evangelist om in Genève te blijven werken. Calvijn schrok van dit verzoek en aarzelde. Hij was verlegen en vredelievend van aard en zag nogal op tegen het contact met de vrijmoedige, onafhankelijke en zelfs gewelddadige inwoners van Ge­nève. Door zijn zwakke gezondheid en zijn studie-ijver trok hij zich altijd terug. Hij geloofde dat hij de hervorming het best met zijn pen kon dienen en wilde daarom een rustig plekje hebben waar hij volop kon studeren en vanwaar uit hij door middel van het gedrukte woord het evangelie kon verkondigen en kerken kon helpen oprichten. Hij beschouwde de plechtige oproep van Farel echter als een roepstem uit de hemel en durfde die niet af te wijzen. Hij zei dat het was alsof „hij door Gods hand werd vastgegrepen en onherroepelijk werd vastgeketend aan de plaats die hij zo graag wilde verlaten” (D’ Aubigné, History of the Reformarion in the time of Calvin, b. 9, ch. 17).

Het protestantisme werd toen van alle kanten ernstig bedreigd. De paus slingerde zijn banbliksems tegen Genève, en machtige volkeren wilden het vernietigen. Hoe zou deze kleine stad weerstand kunnen bie­den aan de machtige priesterheerschappij, die al zo vaak koningen en keizers tot onderwerping had gedwongen? Hoe zou ze stand kunnen houden tegen de legers van de grootste veroveraars ter wereld?

Het protestantisme werd overal in Europa door geduchte vijanden bedreigd. Na de eerste overwinningen van de Hervorming bundelde Rome weer al haar krachten in de hoop het protestantisme de genadeslag te geven. De jezuïetenorde werd toen opgericht. Deze orde was de wreedste, meest gewetenloze en machtigste verdediger van het pausdom.
De jezuïeten waren los van alle aardse banden en afgesne­den van alle menselijke belangen, ze waren niet in staat tot enige uiting van natuurlijke liefde, ze waren doof voor de stem van het geweten en de rede, ze erkenden geen andere leefregel en geen andere relatie dan die van de orde en hadden geen andere verplichting dan het uitbreiden van haar macht. (Zie aanhangsel onder „Jezuïeten”)
Het evangelie van Christus had zijn aanhangers in staat gesteld het hoofd te bieden aan ge­varen en lijden, zonder vrees voor honger, kou, ontberingen en armoede. Het had hun ook in de gelegenheid gesteld de banier van de waarheid te houden ondanks pijnbank, kerker en brandstapel. Om deze krachten te bestrijden bezielde de jezuïetenorde haar volgelingen met een fanatisme dat hen in staat stelde ook het hoofd te bieden aan deze gevaren en de waarheid met alle wapens van de misleiding te bestrijden. Voor hen was geen misdaad te erg, geen bedrog te gemeen en geen list te moeilijk. Ze hadden wel de eeuwige gelofte van gehoorzaamheid en armoede afgelegd, maar streefden doelbewust naar het verwerven van rijkdom en macht om de ondergang van het protestan­tisme te bewerken en de opperheerschappij van de paus weer in te voeren.

Wanneer ze als leden van de orde optraden, deden ze zich voor als heiligen, bezochten gevangenissen en ziekenhuizen, verleenden hulp aan zieken en armen, beweerden dat ze de wereld verzaakt hadden en heriepen zich op de heilige naam van Jezus, die „is rondgegaan, wel­doende en genezende allen.”
Vaak gingen er echter achter dit onberis­pelijke uiterlijk de gemeenste en misdadigste bedoelingen schuil.
Eén van de basisbeginselen van de orde was dat het doel de middelen hei­ligde. Volgens dit principe waren bedrog, diefstal, meineed en moord niet alleen te verontschuldigen, maar zelfs aan te bevelen als men er de belangen van de kerk mee diende. Onder allerlei vermommingen drongen de jezuïeten ongemerkt door in het staatsapparaat, brachten het lot raadslieden van koningen en stippelden het staatsbeleid uit. Ze wer­den dienaren om hun meester te bespieden. Ze stichtten colleges voor de zonen van vorsten en edellieden en richtten scholen op voor het gewone volk, waar ze ook kinderen van protestantse ouders de roomse riten leer­den naleven.
Alle pracht en praal van de roomse eredienst werd gebruikt om de geesten te verwarren en de verbeelding te verblinden en te beko­ren. Op die manier werd de vrijheid waar de vaders voor hadden gestre­den en hun bloed voor hadden gegeven door de zonen verraden. De je­zuïeten verspreidden zich snel over Europa en overal waar ze kwamen, was er een herleving van het pausdom.

Om de jezuïeten meer macht te geven, werd een bul uitgevaardigd waarbij de Inquisitie opnieuw werd ingevoerd (Zie Aanhangsel onder „De Inquisitie”). Deze vreselijke rechtbank werd ondanks de af­schuw die men er zelfs in rooms-katholieke landen van had opnieuw ingesteld door papistische machthebbers. In de geheime kerkers van de Inquisitie werden gruweldaden gepleegd die elke beschrijving tar­ten. In verschillende landen werden duizenden en nogmaals duizen­den mensen – het puikje van het volk, de fijnste, edelmoedigste, verstandigste en meest ontwikkelde mensen, vrome en toegewijde predikanten, hard werkende en vaderlandslievende staatsburgers, eminente geleerden, begaafde kunstenaars, bekwame vaklui – vermoord of ge­dwongen naar andere landen te vluchten.

Zulke middelen gebruikte Rome om het licht van de Hervorming te doven, de mensen van de Bijbel af te houden en de onwetendheid en het bijgeloof van de donkere Middeleeuwen weer in te voeren. Dank­zij Gods zegen en dankzij het werk van deze fijne mensen die Hij had geroepen om Luther op te volgen, werd het protestantisme niet ten val gebracht. Het had zijn sterkte zeker niet te danken aan de wapens van vorsten, want de kleinste landen en de zwakste volken werden de bol­werken van het protestantisme: Het kleine Genève te midden van de machtige vijanden die zijn ondergang beraamden; Holland met zijn duinen aan de Noordzee, dat worstelde tegen de dwingelandij van Spanje – op dat ogenblik het machtigste en welvarendste koninkrijk; het gure, onontgonnen Zweden. Deze landen behaalden overwinnin­gen voor de Hervorming.

Calvijn verbleef bijna dertig jaar te Genève. Hij werkte eerst mee aan het oprichten van een kerk die trouw was aan de zedelijke begin­selen van de Bijbel. Later zette hij zich in voor de verspreiding van de Hervorming over heel Europa. Zijn beleid als volksleider was niet on­berispelijk en ook zijn leerstellingen waren niet vrij van dwalingen, maar hij droeg bij tot de verspreiding van waarheden die in zijn tijd van bijzondere betekenis waren en werkte mee aan de instandhouding van de beginselen van het protestantisme tegen de snel wassende vloed van het papisme. Hij bevorderde ook de eenvoud en reinheid van de evangelische kerken en stelde die in de plaats van de hoog­moed en corruptie die door de roomse leer werden aangemoedigd.

Genève zond predikanten uit om de leerstellingen van het protestantis­me te verkondigen en zorgde ook voor de verspreiding van publicaties. De vervolgden uit alle landen richtten hun blik naar deze stad om onder­richt en raad van haar te krijgen en om door haar aangemoedigd te wor­den.
De stad van Calvijn werd een toevluchtsoord voor vervolgde her­vormers uit heel West-Europa Zij die op de vlucht waren voor de verschrikkelijke stormen die eeuwenlang woedden, trokken naar Genève. Zij die er uitgehongerd, gewond en eenzaam aankwamen, werden harte­lijk ontvangen en liefdevol verzorgd. Als wederdienst voor de ontvangen gastvrijheid verrijkten ze de stad met hun vakkennis, geleerdheid en vroomheid. Verschillende mensen die hier bescherming hadden gevonden keerden naar hun eigen land terug om weerstand te bieden aan de tirannie van Rome.
John Knox, de moedige hervormer van Schotland, veel Engelse puriteinen, de protestanten van Holland en Spanje en de Hugenoten van Frankrijk namen de fakkel van de waarheid uit Geneve mee om haar in de duisternis van hun geboorteland te laten schijnen. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

In de Nederlanden stuitte de tirannie van de paus al heel vroeg op felle tegenstand. Zevenhonderd jaar vóór Luther beschuldigden twee bisschoppen die naar Rome waren afgevaardigd en er de ware aard van „de heilige stoel” hadden leren kennen, de paus onbevreesd van de volgende vergrijpen:
God „heeft zijn koningin en bruid, de kerk, een prachtig, eeuwig huisraad geschonken, haar met een onverganke­lijke bruidsschat bedacht en haar een eeuwige kroon en scepter gege­ven… Deze weldaden rooft u als een dief. U onttrekt ze aan de tempel van God en u eigent zich die wederrechtelijk toe. U bent een wolf voor de schapen geworden… U beweert wel dat u een opperbisschop bent, maar u gedraagt zich als een tiran… Terwijl u een knecht der knechten behoort te zijn, probeert u de heer der heren te zijn… U ver­acht het gebod van de Heer, onze God… De Heilige Geest is de stich­ter van alle kerken over de hele aarde. De stad van onze God, waar wij burgers van zijn, strekt zich uit tot alle gewesten van de hemel en is groter dan de stad die door de heilige profeten Babylon wordt ge­noemd en van zichzelf zegt dat ze goddelijk is. Ze stelt zich gelijk aan de hemel en beroemt er zich op dat ze eeuwig zal bestaan – alsof ze God is en haar wijsheid niet voorbijgaat. Ze gaat er ten onrechte prat op dat ze nooit gedwaald heeft en niet dwalen kan” (Gemoderniseer­de versie van G. Brandt, Historie der Reformatie en andere kerkelijke Geschiedenissen in en omtrent de Nederlanden, b. 1, pp.7,8; voor de oorspronkelijke tekst zie einde hoofdstuk).

Dit protest werd in elke eeuw door anderen herhaald. Deze leraren uit de begintijd trokken door verscheidene landen en stonden onder verschillende namen bekend. Ze waren zoals de zendelingen van de Waldenzen en verspreidden overal de kennis van het evangelie. Ze kwamen ook in de Nederlanden, waar hun leer zich snel verbreidde. Ze vertaalden de Bijbel van de Waldenzen in verzen in het Neder­lands en zeiden dat „er veel nuttige dingen in stonden: geen grappen, verdichtsels, beuzelarijen of leugens, maar de waarheid; dat er hier en daar wel een harde korst russen zat, maar de kern en de zoetheid van het goede en van de zaligheid daar wel in te vinden was” (Ibid., b.1, p.22). Dit schreven de aanhangers van het oude geloof in de twaalfde eeuw.

Toen begon Rome de gelovigen te vervolgen. Ondanks de brand­stapels en de foltertuigen bleef het aantal gelovigen echter toenemen. Ze verklaarden altijd weer dat de Bijbel het enige onfeilbare gezag was in geloofszaken en „dat niemand mocht worden gedwongen om te geloven, maar door de evangelieverkondiging moest worden ge­wonnen” (Martyn, vol. 2, p. 87).

De leer van Luther vond in de Nederlanden een vruchtbare voe­dingsbodem en het evangelie werd door oprechte, gelovige mannen verkondigd. Menno Simons was afkomstig uit één van de provincies van Nederland. Hij werd rooms-katholiek opgevoed en tot priester ge­wijd, maar wist niets af van de Schrift. Hij wilde haar niet lezen om­dat hij bang was dat hij tot ketterij zou worden verleid.

Toen hij aan de transsubstantiatieleer begon te twijfelen, beschouwde hij zijn twij­fel als een verzoeking van de duivel en probeerde er zich door gebed en biechten van te bevrijden. Maar het hielp niet. Hij probeerde de be­schuldigende stem van zijn geweten het zwijgen op te leggen door zijn probleem steeds te verdringen. Maar ook dat bleek nutteloos. Toen ging hij het Nieuwe Testament lezen. Door deze studie en door het lezen van de werken van Luther werd hij protestant. Kort daarna was hij in een naburig dorp getuige van de onthoofding van een man die ter dood was gebracht omdat hij zich opnieuw had laten dopen. Door dit voorval ging hij onderzoeken wat de Bijbel over de kinderdoop zei. Hij vond in de Schrift geen enkel bewijs voor deze praktijk, maar stelde vast dat volgens de Bijbel berouw en geloof altijd de eer­ste vereisten waren om gedoopt te mogen worden.

Menno verliet de rooms-katholieke kerk en wijdde zijn leven aan de verkondiging van de waarheden die hij had ontdekt. Zowel in Duitsland als in de Nederlanden waren er groepen fanatici die absurde en opruiende leerstellingen verkondigden, wet en orde in het gedrang brachten en tot geweldpleging en opstand overgingen. Menno zag tot welke afschuwelijke resultaten deze bewegingen onvermijdelijk zou­den leiden en verzette zich krachtig tegen de dwaalleer en de ondoor­dachte plannen van de fanatici. Veel mensen hadden zich in het begin door hen laten misleiden, maar ze hadden later hun verderfelijke leer afgezworen. Er waren ook nog altijd veel afstammelingen van de vroegere christenen die door de prediking van de Waldenzen voor het evangelie waren gewonnen. Menno werkte met grote ijver en met veel succes onder deze groepen.

Vijfentwintig jaar lang reisde hij met vrouw en kinderen, overleef­de veel ontberingen en verkeerde dikwijls in levensgevaar. Hij trok door de Nederlanden en Noord-Duitsland. Hij werkte voornamelijk onder de lagere volksklassen en had een grote invloed op hen. Hoe­wel hij zelf niet erg ontwikkeld was, viel hij op door zijn natuurlijke welsprekendheid. Hij was absoluut onkreukbaar, nederig van geest, verfijnd in zijn manieren, oprecht, ernstig en vroom. Zijn leer en zijn leven waren volkomen met elkaar in overeenstemming en hij genoot het vertrouwen van het volk. Zijn volgelingen werden vervolgd en onderdrukt. Ze hadden veel te lijden door het feit dat men hen verwar­de met de fanatieke volgelingen van Thomas Münzer. Toch werden veel mensen dankzij zijn prediking bekeerd.
Nergens vond het protes­tantisme meer weerklank dan in de Nederlanden. In weinig landen hadden zijn aanhangers zulke wrede vervolgingen te verduren. In Duitsland had Karel V de Hervorming in de rijksban gedaan en had graag alle aanhangers van de nieuwe leer de vuurdood laten sterven, maar de vorsten verzetten zich tegen zijn tirannie. In de Nederlanden was zijn macht groter en de plakkaten volgden elkaar dan ook in snel tempo op.
Als men de Bijbel las, ernaar luisterde, zijn waarheid ver­kondigde of er gewoon over sprak, werd men met de vuurdood ge­straft. Als men in het geheim tot God bad, als men niet voor een beeld wilde buigen of knielen of als men een psalm zong, kreeg men ook de doodstraf. Zelfs de mensen die hun dwalingen wilden afzweren, wer­den ter dood veroordeeld; de mannen werden onthoofd en de vrouwen werden levend begraven. Duizenden mensen kwamen tijdens het bewind van Karel V en Filips II om het leven.

Op een dag werd een heel gezin voor de rechters van de Inquisitie gebracht. Ze werden ervan beschuldigd niet naar de mis te zijn gegaan en thuis een dienst gehouden te hebben. Toen de jongste zoon werd ondervraagd over hun geheime godsdienstige activiteiten antwoordde hij: „We bidden op onze knieën tot God en vragen Hem om onze geest te verlichten en onze zonden te vergeven. Wij bidden voor onze vorst opdat zijn regering voorspoedig en zijn leven gelukkig mogen zijn. Wij bidden God om de overheid te behoeden” (Wylie, b. 18, ch.6). Enkele rechters waren diep ontroerd, wat niet belette dat de va­der en één van zijn zoons tot de brandstapel werden veroordeeld.

De woede van de vervolgers werd slechts geëvenaard door het ge­loof van de martelaren. Niet alleen mannen, maar ook zwakke vrou­wen en meisjes gaven blijk van onwrikbare moed. „Vrouwen gingen dikwijls naast de brandstapel staan om hun man te troosten, psalmen te zingen of hem op te beuren terwijl het vuur hem verteerde”. „Vaak gingen meisjes in het graf waarin ze levend begraven zouden worden alsof ze zich voor de nacht in hun slaapkamer terugtrokken. Ze gin­gen in hun beste kleren naar het schavot of op de brandstapel, alsof ze naar hun eigen bruiloft gingen” (Ibid., b. 18, ch. 6).

Het bloed van de christenen was zoals in de dagen toen het heiden­dom het evangelie wilde vernietigen, als zaad. (zie Tertullianus, Apology, par. 50).
Door de vervolgingen nam het aantal getuigen voor de waarheid toe. De vorst werd razend door de onverzettelijke vastbera­denheid van het volk en zette zijn gruwelijk werk jarenlang voort. Maar tevergeefs. De opstand onder de edele Willem van Oranje bracht Holland tenslotte godsdienstvrijheid.

In de bergen van Piémont, in de vlakten van Frankrijk en op de kusten van Holland ging de opmars van het evangelie gepaard met veel slachtingen onder zijn aanhangers. In de landen van het Noorden kon het echter ongehinderd ingang vinden. Studenten die uit Wittenberg naar huis terugkeerden, brachten het protestantisme naar Scandi­navië. Ook de publicatie van Luthers werken droeg bij tot de ver­spreiding van het licht. Het eenvoudige, stoere volk van Scandinavië keerde de corruptie, de praal en het bijgeloof van Rome de rug toe en aanvaardde met blijdschap de zuiverheid, de eenvoud en de heilbrengen­de waarheden van de Bijbel.

Tausen, „de hervormer van Denemarken”, was een boerenzoon. Het bleek al vroeg dat hij intelligent en weetgierig was. Daar zijn ou­ders zijn studie niet konden betalen, trad hij in het klooster. Door zijn reinheid, ijver en trouw stond hij zeer goed aangeschreven bij zijn kloosteroverste. Hij bleek ook veel talenten te hebben die de kerk in de toekomst wel ten goede zouden kunnen komen. Men wilde hem aan één van de universiteiten van Duitsland of van Nederland laten studeren. De jonge student mocht zelf kiezen waar hij opgeleid wilde worden, maar mocht op geen enkele voorwaarde naar Wittenberg. De monniken zeiden dat een student die op kosten van de kerk studeerde niet in gevaar mocht worden gebracht door het gif van de ketterij.

Tausen ging naar Keulen, dat toen al één van de bolwerken van het rooms-katholicisme was. Het duurde niet lang of hij kreeg een verschrikkelijke hekel aan het mystiek gedoe van de scholastici. Rond die tijd kreeg hij de werken van Luther in handen. Hij las ze met ver­bazing en beleefde er veel genoegen aan. Hij wilde door de hervormer zelf worden opgeleid. Als hij dat deed, zou hij zijn overste voor het hoofd stoten en liep hij het gevaar dat zijn beurs werd ingetrokken. Zijn besluit stond echter vrijwel onmiddellijk vast; hij liet zich als stu­dent in Wittenberg inschrijven.

Toen hij weer in Denemarken was, ging hij naar zijn klooster. Op dat ogenblik verdacht niemand hem van lutheranisme. Hij verklapte zijn geheim ook niet, maar probeerde zonder argwaan te wekken zijn vrienden tot een zuiverder geloof en een heiliger leven op te wekken. Hij sloeg de Bijbel open en gaf de juiste verklaring van de teksten. Hij verkondigde ook dat Christus voor de zondaar de gerechtigheid en de enige hoop op verlossing was. De prior was woedend, want hij had altijd gehoopt dat Tausen een moedig verdediger van Rome zou wor­den. Hij werd onmiddellijk uit zijn klooster verwijderd, naar een ander overgebracht en onder strenge bewaking in zijn cel opgesloten.

Tot ontsteltenis van zijn nieuwe bewakers verklaarden verscheide­ne monniken al na korte tijd dat zij zich tot het protestantisme hadden bekeerd. Tausen had de waarheid door de tralies van zijn cel aan zijn medebroeders verkondigd. Als de Deense paters de methodes kenden die de kerk gebruikte om met ketters af te rekenen, zou de stem van Tausen nooit meer zijn gehoord. Hij werd echter niet in één of andere ondergrondse kerker opgesloten, maar uit het klooster gezet. Van toen af hadden ze geen vat meer op hem. Een koninklijk besluit dat pas was uitgevaardigd, beschermde de verkondigers van de nieuwe leer. Tausen begon te preken. De kerken werden voor hem opengesteld en het volk kwam in groten getale naar hem luisteren.
Het Woord van God werd ook door anderen verkondigd. Het Nieuwe Testament werd in het Deens vertaald en op grote schaal verspreid. De aanhangers van de paus wilden het werk teniet doen, maar hun inspanningen hadden tot gevolg dat het werk juist werd uitgebreid. Kort daarna werd Dene­marken protestants.

Jonge Zweden die uit de bron te Wittenberg hadden gedronken, brachten het water des levens ook naar hun land. Twee ven de leiders van de Hervorming in Zweden, Olaus (Olaf) Petri en Laurentius (Lars) Petri, zonen van een hoefsmid uit Orebro hadden bij Luther en Melanchton gestudeerd en verkondigden de waarheden die ze van hun leermeesters hadden geleerd met groot enthousiasme.

Olaus liep in de voetsporen van de grote hervormer en inspireerde de mensen door zijn geloofsijver en welsprekendheid, terwijl Laurentius zoals Melanchton een rustig denker en geleerde was. Ze waren allebei erg vroom, hadden een degelijke theologische opleiding genoten en ga­ven blijk van een onwankelbare moed bij de verkondiging van de waarheid. De papisten heten zich natuurlijk niet onbetuigd, rooms-katholieke priesters hitsten de domme, bijgelovige massa op. Olaus Petri werd dikwijls door het gepeupel aangevallen en vaak ontsnapte hij op het nippertje aan de dood. Deze hervormers werden echter door de koning begunstigd en beschermd.

Onder de heerschappij van Rome ging het volk gebukt onder ar­moede en zuchtte het onder de last van verdrukking. Ze moesten het zonder de Bijbel stellen en doordat hun godsdienst slechts uit riten en ceremoniën bestond die hun geest niet konden verlichten, vervielen ze in het bijgeloof en in de heidense praktijken van hun nog niet geker­stende voorouders. Het volk was verdeeld in partijen die elkaar be­streden en door hun voortdurende onenigheid de ellende van het hele volk nog groter maakten. De koning besloot Kerk en Staat te hervor­men en ontving deze bekwame helpers in de strijd tegen Rome met open armen.

In tegenwoordigheid van de koning en de leiders van Zweden verdedigde Olaus Petri met grote deskundigheid de leerstel­lingen van het protestantisme tegen de aanvallen van de verdedigers van Rome. Hij zei dat men de leer van de kerkvaders alleen mocht aanvaarden als ze in overeenstemming was met de Schrift en dat de essentiële geloofspunten op een eenvoudige en duidelijke manier in de Bijbel worden behandeld zodat ze voor iedereen begrijpelijk zijn.

Christus zei: „Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij ge­zonden heeft.” (Johannes 7:16).
Paulus verklaarde dat hij vervloekt zou zijn als hij een evangelie verkondigde dat afweek van hetgeen hij had ontvangen. (Galaten 1:8).
„Waar halen anderen dan het recht vandaan naar eigen goeddunken dogma’s te formuleren en die aan an­deren op te leggen als iets wat noodzakelijk is voor de verlossing?” (Wylie, b. 10, ch. 4), vroeg de hervormer. Hij toonde aan dat de decreten van de kerk van nul en gener waarde zijn als ze in strijd zijn met de geboden van God en verdedigde het grondbeginsel van het protestantisme; „de Bijbel en de Bijbel alleen” is de norm voor ge­loof en leven. Hoewel deze strijd op een nogal afgelegen plaats werd gevoerd, kunnen we zien „wie de manschappen van het leger van de Hervorming waren. Het waren helemaal geen ongeletterde, sectarische, luidruchtige, twistzieke mensen, maar mannen die het Woord van God hadden bestudeerd en de wapens uit het arsenaal van de Bij­bel goed konden hanteren.
Op intellectueel gebied waren ze hun tijd ver vooruit. Als wij ons beperken tot bolwerken als Wittenberg en Zürich en onze aandacht alleen bepalen bij eminente persoonlijkhe­den als Luther, Melanchton, Zwingli en Oecolampadius, zullen ande­ren ons zeggen dat zij de leiders van de beweging waren en dat het nogal vanzelfsprekend is dat ze uitzonderlijke kwaliteiten en een gro­te eruditie hadden, maar dat hun ondergeschikten heel anders waren.
Maar wat stellen we vast als we kijken naar het afgelegen strijdperk in Zweden, als we denken aan minder bekende namen als Olaus en Laurentius Petri en als wij onze aandacht niet vestigen op de meesters, maar op de leerlingen?…… Dan merken we dat het geleerden en theolo­gen waren die de evangeliewaarheid grondig kenden en zonder veel moeite de scholastische drogredenaars en de hoogwaardigheidsbekle­ders van Rome op hun plaats konden zetten” (Ibid., b. 10, ch. 4).

Het resultaat van dit dispuut was dat de koning van Zweden het protestantisme aannam en niet lang daarna door de nationale vergade­ring werd gevolgd. Olaus Petri had het Nieuwe Testament in het Zweeds vertaald en op verzoek van de koning begonnen de twee broers aan de vertaling van de hele Bijbel. Door dit initiatief kreeg het Zweedse volk voor de eerste keer het Woord van God in hun eigen taal.
De Landdag besloot dat de predikanten over het hele koninkrijk de Schrift moesten verklaren en dat men de Bijbel met de kinderen op school moest lezen. Langzaam maar zeker werd de duisternis van on­wetendheid en bijgeloof door het heerlijke licht van het evangelie ver­dreven.

Toen het volk van de roomse onderdrukking bevrijd was, kwam het tot een ongekende macht en welvaart. Zweden werd één van de bolwerken van het protestantisme. Een eeuw later was dit klei­ne en tot dan toe zwakke volk het enige in heel Europa dat op het kri­tieke ogenblik de moed had om Duitsland te helpen bij het beëindigen van de verschrikkelijke Dertigjarige Oorlog. Heel Noord-Europa scheen weer onder het juk van Rome te zullen worden gebracht.

Het waren de Zweedse legers die Duitsland in staat stelden een eind te maken aan de successen van de pausgezinden. Door hun optreden kregen de protestanten – zowel calvinisten als lutheranen – godsdienst­vrijheid en kwam er weer gewetensvrijheid in de landen die de her­vorming hadden aangenomen.

Oorspronkelijke tekst van de gemoderniseerde versie van G. Brandt, Historie der Reformatie en andere kerkelijke Geschiedenissen in en omtrent de Nederlanden, b. 1, pp. 7,8:

God „heeft sijne Koninginne en bruidt [de kerke] met een heerlijk en eeuwig huisraedt voorsien, met een bruidsschat, niet broosch noch vergankelijk zijnde, verqiert en eeuwigljk met een kroone en scepter verheven… welke weldaden gij als een straetschender onderschept, den tempel Gods ontrukt, en op u selven overset. Gij zijt een wolf over de schapen geworden;… Gij wilt een Opperbisschop schijnen te wesen, maar gij draegt u als een tijger… Daer gij een knecht der knechten zijt, poogt gij een heer der heeren te zijn… Gij (doet) ‘t ge-bodt des Heeren onses Godts smaedtheit aen… De heilige Geest is de stichter aller kerken, soo verre als sich de werelt in ‘t lange en in ‘t breede uitstrekt. De stadt onses Godts, welker burgers wij sijn, strekt sich uyt tot alle de gewesten des hemels, en sij is grooter als de stadt, die van de heilige Propheten Babylon werdt genoemt; als die sich de goddelijkheit aenmatigt, haer selven den hemel gelijk maekt, roemt dat se eeuwig sal sijn, even als of sij Godt, en haer wijsheit niet sterf­lijk, waere, valschelijk stoffende dat se nooit gedwaelt heeft, noch dwalen kan.”
Ibid.,b. l, p. 22:
„Dat daer in… groote nutschap was; no boerte, no fabulen, no trus-se, no faloerde, mer were woerden. Dat hier en daer wel was een her-de coerste, mer dat het pit ende die soetheit van goedt ende selicheit der in wel was te bekinnen.”
(“Het Grote Conflict” E.G.White)

Terwijl Luther de gesloten Bijbel voor het Duitse volk opende, deed Tyndale onder invloed van Gods Geest hetzelfde in Engeland. Wyclif had van zijn bijbelvertaling gebruik gemaakt voor de Latijnse tekst van de Vulgaat, waar veel fouten in zaten. Zijn vertaling was nooit gedrukt en de prijs van de handschriften was zó hoog dat alleen rijken en edellieden ze konden kopen. Daar deze vertaling bovendien ten strengste was verboden door de rooms-katholieke kerk, werd ze slechts in beperkte kring verspreid. In 1516, één jaar vóór Luther zijn stellingen aan de wereld bekend maakte, publiceerde Erasmus zijn Griekse en Latijnse uitgave van het Nieuwe Testament.
Het Woord van God werd voor het eerst in de oorspronkelijke taal gedrukt. Erasmus had in zijn teksteditie veel van de vroegere fouten verbeterd en de betekenis van de tekst duidelijker weergegeven. Door deze editie leerden ontwikkelde mensen de waarheid beter kennen en kreeg de Hervorming een nieuwe impuls. Maar het gewone volk moest het nog altijd gro­tendeels zonder Gods Woord stellen. Tyndale zou het werk van Wyclif voltooien en zijn landgenoten een nieuwe bijbelvertaling aanbieden.

Deze Engelse hervormer was een ijverig bijbelonderzoeker die op­recht naar waarheid speurde. Hij had het evangelie leren kennen door het Griekse Nieuwe Testament van Erasmus. Hij kwam onbevreesd uit voor zijn geloofsovertuiging en legde er de nadruk op dat alle leer­stellingen aan de Schrift dienden te worden getoetst. Zijn antwoord op de bewering van de rooms-katholieken dat de kerk de Bijbel aan de gelovigen had gegeven en dat alleen de kerk het recht had de Schrift uit te leggen, luidde: „Weet u wie de arend heeft geleerd hoe hij zijn prooi moet vinden? Wel, dezelfde God leert zijn hongerige kinderen hoe zij hun Vader in zijn Woord kunnen vinden. Jullie hebben ons de Schrift helemaal niet gegeven. Integendeel! Jullie hebben haar voor ons verborgen gehouden. Jullie verbranden de mensen die haar waarheid ver­kondigen en als jullie konden, zouden jullie ook de Schrift verbranden” (D’Aubigné, History of the Reformation of the 16th. Century, b. 18, ch. 4).

Er kwamen veel mensen naar de prediking van Tyndale luisteren en velen namen de waarheid aan. Maar de priesters waren op hun hoede; zodra hij vertrokken was, probeerden ze zijn werk door dreige­menten en misleiding teniet te doen. Ze hadden jammer genoeg heel vaak succes. „Wat moet ik doen?”, vroeg hij. „Terwijl ik op één plaats zaai, komt de vijand en verwoest het veld dat ik pas verlaten heb. Ik kan niet op alle plaatsen tegelijk zijn. Als de christenen de Heilige Schrift in hun eigen taal hadden, zouden zij zich zelfstandig tegen deze drogredenaars kunnen verzetten. Zonder de Bijbel kunnen de leken onmogelijk in de waarheid worden bevestigd” (Ibid., b. 18, ch. 4).

Hij vatte toen een nieuw plan op. „In Gods tempel werden de psal­men in de taal van Israël gezongen. Moet het evangelie hier dan niet in het Engels worden verkondigd?…… Mag de kerk op het middaguur minder licht uitstralen dan bij de dageraad?.…
Christenen moeten het Nieuwe Testament in hun eigen taal kunnen lezen”, zei hij. De theo­logen en leraren van de kerk waren het niet met elkaar eens.
Alleen de Bijbel kon de mensen de waarheid leren kennen. „Iedereen zweert bij een andere theoloog….. Maar alle theologen spreken elkaar tegen. Hoe kunnen we weten wie gelijk heeft en wie niet?.… Hoe?.… Door het Woord van God alleen” (Ibid., b. 18, ch. 4).

Kort daarna zei een vooraanstaand rooms-katholiek theoloog in een discussie met Tyndale: „Liever zonder de wetten van God dan zonder de wetten van de paus!” Daarop antwoordde Tyndale: „Ik verzet mij tegen de paus en al zijn wetten. Als God mijn leven spaart, zal ik er­voor zorgen dat over een paar jaar een jongen die achter de ploeg loopt de Schrift beter kent dan u” (Anderson, Annals of the English Bible.p. 19).

Hij wilde nu meer dan ooit het Nieuwe Testament in het Engels aan het volk schenken en begon direct aan de vertaling. Hij werd echter vervolgd en moest zijn woonplaats verlaten. Hij ging naar London, waar hij enige tijd rustig kon werken, maar ook daar moest hij op de vlucht slaan om aan het geweld van de papisten te ontkomen. Er scheen geen plaats voor hem te zijn in Engeland. Daarom vertrok hij naar Duitsland, waar hij de Engelse vertaling van het Nieuwe Testa­ment begon te drukken. Hij moest zijn werkzaamheden tot twee maal toe onderbreken, maar als men hem in één stad verbood te drukken, ging hij naar een andere.
Tenslotte kwam hij terecht in Worms, waar Luther een paar jaar daarvoor het evangelie voor de Rijksdag had ver­dedigd. Er waren veel protestanten in die oude stad en Tyndale kon er zijn werk ongehinderd voortzetten. Na korte tijd had hij drieduizend exemplaren van het Nieuwe Testament gedrukt en moest nog in het­zelfde jaar voor een tweede druk zorgen.

Hij wijdde zich met ernst en volharding aan zijn taak. Ondanks het feit dat de Engelse overheid de havens uiterst streng bewaakte, kwam het Woord van God langs verschillende wegen clandestien London binnen en werd vandaar uit over het hele land verspreid. De volgelin­gen van de paus probeerden de waarheid te onderdrukken, maar slaagden er niet in.
De bisschop van Durham kocht eens de hele voor­raad bijbels op van een boekhandelaar die een vriend van Tyndale was. De bisschop wilde ze vernietigen omdat hij dacht dat hij daar­door de verspreiding van de Bijbel kon tegenhouden. Maar daarin vergiste hij zich deerlijk, want met het geld van de bisschop kon er materiaal voor een nieuwe, betere editie worden gekocht. Dit zou an­ders niet het geval zijn geweest. Toen Tyndale later gevangen geno­men werd en men hem de vrijheid beloofde op voorwaarde dat hij zei wie zijn geldschieters waren, antwoordde hij dat de bisschop van Durham hem het meest had geholpen omdat hij door het opkopen van de hele voorraad Bijbels hem in staat had gesteld met goede moed verder te gaan.

Tyndale kwam door verraad in handen van zijn vijanden. Hij zat vele maanden gevangen en bezegelde zijn getuigenis met zijn bloed, maar met de wapens waar hij voor gezorgd had, konden anderen door de eeuwen heen tot op onze tijd met meer succes strijden.
Latimer verkondigde van de preekstoel dat de mensen de Bijbel in hun eigen taal moesten kunnen lezen. „God is de Schrijver van de Bijbel en de Schrift deelt in de macht en de eeuwigheid van haar Schrijver”, zei hij. „Alle koningen, keizers, bewindslieden en macht­hebbers moeten… zijn Heilig Woord gehoorzamen”. „Laten wij geen omwegen maken, maar ons door Gods Woord laten leiden. Laten wij niet het voorbeeld van… onze voorouders volgen, maar laten wij doen wat zij hadden moeten doen” (Hugh Latimer, „First Sermon Preached Before King Edward VI”).

Barnes en Frith, twee trouwe vrienden van Tyndale, begonnen de waarheid te verkondigen. Ze werden gevolgd door de Ridleys en Cranmer. Deze leiders van de Hervorming in Engeland waren geleerden en de meesten stonden vanwege hun geloofsijver en hun vroom­heid in hoog aanzien in rooms-katholieke kringen. Zij verzetten zich tegen het pausdom omdat ze de dwalingen van „de heilige stoel” kenden. Ze kenden de geheimenissen van Babylon en konden zich daardoor met gezag tegen haar verzetten.

Latimer zei: „Ik zal u een eigenaardige vraag stellen. Weet u wie de ijverigste bisschop en prelaat van Engeland is?… Ik zie dat u op het antwoord zit te wachten… Ik zal u zeggen wie het is; het is de duivel… Nooit verlaat hij zijn bisdom. U kunt hem altijd bereiken. Hij is altijd thuis… Altijd druk bezig… Hij rust nooit, daar mag u zeker van zijn… Waar de duivel het voor het zeggen heeft, vernietigt men boeken en steekt men kaarsen aan. Daar worden bijbels vervangen door rozen­kransen en moet het licht van het evangelie plaats maken voor het licht van kaarsen – zelfs op klaarlichte dag: …Daar wordt het kruis van Christus neergehaald en vervangen door het vagevuur, dat de zakken van de gelovigen ledigt; …daar kleedt men geen naakte mensen en zorgt men niet voor armen en zwakken, maar versiert men beelden, kruisen en stenen. Daar zegt men: ‘Leve de tradities en de wetten van de mens’ en ‘Weg met Gods tradities en zijn heilig Woord’….. Waren onze prelaten maar zo ijverig om het zaad van de ware leer te zaaien als Satan, die zijn onkruid rondstrooit” (Ibid., „Sermon of the Plough”).

Deze hervormers verdedigden hetzelfde grondbeginsel als de Waldenzen, Wyclif, Johannes Hus, Luther, Zwingli en hun volge­lingen en medewerkers; de Heilige Schrift is de onfeilbare norm voor geloof en leven. Ze vonden dat pausen, concilies, kerkvaders en koningen niet het recht hadden in geloofszaken het geweten aan banden te leggen. De Bijbel had voor hen het hoogste gezag en zij toetsten alle leerstellingen en beweringen aan zijn leer. Wanneer deze heilige mannen levend verbrand werden, gaf het geloof in God en zijn Woord hun kracht. Op de brandstapel zei Latimer aan een lotgenoot kort voor ze allebei voorgoed zwegen: „Heb goede moed. Met Gods genade steken we vandaag een fak­kel aan in Engeland die nooit meer zal worden gedoofd” (Works of Hugh Latimer, vol. 1, p. 13).

Het zaad dat Columba en zijn medewerkers in Schotland hadden uitgestrooid, was nooit helemaal verdwenen. Eeuwen nadat de kerken van Engeland zich aan de macht van Rome hadden onderworpen, wa­ren die van Schotland nog onafhankelijk. In de twaalfde eeuw had het pausdom er echter ook vaste voet gekregen. Nergens had Rome zo’n absolute macht. Nergens was er zo’n dichte duisternis. Toch schenen er zelfs in deze duisternis enkele lichtstralen die het aanbreken van de dageraad aankondigden. De Lollarden kwamen uit Engeland met de bijbelvertaling en de leer van Wyclif. Ze hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de instandhouding van de kennis der waarheid in dit land, waar er in elke eeuw getuigen en martelaren waren.

Aan het begin van de Hervorming werden de werken van Luther en later ook Tyndale’s Engelse vertaling van het Nieuwe Testament in Schotland ingevoerd. Deze boodschappers ontsnapten aan de blik van de rooms-katholieke geestelijkheid, trokken voorzichtig over bergen en door dalen, lieten de fakkel van de waarheid, die in Schotland bijna uitgedoofd was, weer feller branden en maakten een eind aan het werk dat Rome in die vier eeuwen van onderdrukking had verricht.

Het bloed der martelaren gaf een nieuwe impuls aan de beweging. Papistische leiders waren zich plots bewust van het gevaar dat het rooms-katholicisme bedreigde en brachten enkele van de edelmoedig­ste en meest gerespecteerde zonen van Schotland op de brandstapel. Hierdoor richtten ze slechts een preekstoel op vanwaar de woorden van deze stervende getuigen over het hele land verkondigd werden en de mensen aanspoorden zich resoluut van het juk van Rome te bevrij­den.
Hamilton en Wishart, twee edellieden met een nobel karakter en vele andere eenvoudige volgelingen gaven hun leven op de brandsta­pel. Maar uit de plaats waar Wishart stierf, kwam iemand die niet tot zwijgen zou worden gebracht door de vlammen en onder Gods lei­ding de doodsklok voor het pausdom zou luiden in Schotland.

John Knox had gebroken met de tradities en het mysticisme van de rooms-katholieke kerk en voedde zich met de waarheid van Gods Woord. Door de prediking van Wishart was hij gesterkt in zijn over­tuiging dat hij de kerk van Rome moest verlaten en zich aan de zijde van de vervolgde hervormers moest scharen.

Zijn vrienden wilden dat hij predikant moest worden, maar hij schrok terug voor de grote verantwoordelijkheid die dan op hem zou rusten. Pas nadat hij zich dagenlang had afgezonderd en een pijnlijke strijd met zichzelf had gevoerd, besloot hij predikant te worden. Toen de beslissing eenmaal gevallen was, ging hij met onwrikbare vastbe­radenheid en onverschrokken moed verder, tot het eind van zijn le­vensdagen. Deze oprechte hervormer was niet bang voor de mensen. Het vuur van de brandstapels die hij overal zag branden, spoorde hem slechts aan tot meer geloofsijver. Terwijl de bijl van de tiran als het zwaard van Damocles boven zijn hoofd hing, zette hij zich schrap en bracht zware slagen toe aan de afgodendienst.

Toen John Knox voor de koningin van Schotland verscheen, ging hij niet door de knieën zoals verschillende andere protestantse leiders, maar getuigde even moedig van zijn geloof. Men kon hem niet met lieve woordjes paaien en hij deinsde niet terug voor dreigementen. De koningin beschuldigde hem van ketterij. Ze zei dat hij een godsdienst had verspreid die door de staat was verboden. Daardoor had hij, vol­gens haar, Gods gebod dat onderdanen gehoorzaamheid aan hun vorst oplegde, overtreden. Knox antwoordde haar onbevreesd:

„De ware godsdienst heeft zijn oorspronkelijke kracht en gezag niet aan wereldlijke vorsten, maar aan de eeuwige God te danken. Daarom hoeven onderdanen hun godsdienst niet aan te passen aan de grillen van hun vorst. Meestal weten vorsten trouwens het minst af van de ware godsdienst.…. Majesteit, als alle afstammelin­gen van Abraham de godsdienst hadden aangenomen van Farao, wiens onderdanen ze lange tijd waren, welke godsdienst zou er nu in de wereld zijn? Als alle mensen in de tijd van Paulus dezelfde godsdienst hadden als de Romeinse keizers, welke godsdienst zou­den wij nu belijden?.…. Zo ziet u, majesteit, dat onderdanen – hoe­wel ze hun vorst gehoorzaamheid verschuldigd zijn – niet ver­plicht zijn dezelfde godsdienst te hebben als hun vorst”.

Koningin Mary antwoordde: „U verklaart de Schrift op één manier en zij [de rooms-katholieke theologen] doen het op een an­dere manier. Wie moet ik nu geloven en wie zal hierover oorde­len?”
„U moet geloven wat God zegt. Hij heeft zijn wil duidelijk be­kend gemaakt in Zijn Woord”, antwoordde de hervormer. „Voor de rest hoeft u ons geen van beide te geloven. Het Woord van God legt zichzelf uit. Als een tekst onduidelijk is, legt de Heilige Geest, die zichzelf nooit tegenspreekt, hetzelfde onderwerp duidelijker uit op andere plaatsen, zodat niemand hoeft te twijfelen, behalve zij die tot elke prijs in hun onwetendheid willen volharden” (David Laing, The collected Works of John Knox, vol. 2, pp.281, 284).

Deze waarheid verkondigde de moedige Knox aan de koningin en bracht op die manier zijn eigen leven in gevaar. Met dezelfde moed ging hij recht op zijn doel af. Hij bad en streed met God tot Schotland bevrijd was van de dwalingen van het pausdom.

In Engeland waren er door de vestiging van het protestantisme wel minder vervolgingen, maar ze hielden niet helemaal op. Men had met veel leerstellingen van Rome gebroken, maar verschillende liturgi­sche vormen van de rooms-katholieke eredienst behouden. Men had de paus onttroond, maar de koning had zichzelf tot hoofd van de kerk uitgeroepen.. In de kerkdiensten was men nog ver verwijderd van de evangelische zuiverheid en eenvoud. Men erkende het belangrijke be­ginsel van de godsdienstvrijheid nog niet. Hoewel protestantse leiders zich maar zelden schuldig maakten aan de wreedheden die Rome had bedreven om ketters uit te roeien, kende men niet iedereen het recht toe zijn God volgens zijn eigen geweten te dienen.
Iedereen moest de leer en de liturgie van de staatskerk aanvaarden. Eeuwenlang heeft men mensen die er een andere mening op na hielden min of meer bar­baars vervolgd. In de zeventiende eeuw werden duizenden predikan­ten uit hun ambt ontzet. Men mocht alleen kerkdiensten van de erken­de kerk bijwonen. Wie zich daar niet aan hield, kreeg een zware boete, werd in de gevangenis geworpen of verbannen.
Zij die God op hun manier wilden blijven dienen, waren verplicht in nauwe steegjes, op donkere zolderkamertjes of in sommige jaargetijden ‘s nachts in het bos te vergaderen. In de afzondering van de bossen, die God hun als een tempel had bereid, ontmoetten deze opgejaagde en vervolgde kinderen van God elkaar om te bidden en God te prijzen. Ondanks hun voorzichtigheid moesten velen voor hun geloof sterven. De ge­vangenissen waren overvol. Gezinnen werden uit elkaar gerukt. Velen werden uit het land gezet. Toch was God met zijn volk en de vervol­gingen konden hun getuigenis niet doen verstommen. Velen staken de oceaan over en gingen naar Amerika, waar ze de grondslagen legden voor de burgerrechten en de godsdienstvrijheid, die een bron van vei­ligheid en de trots van dat land zijn.

Zoals in de tijd van de apostelen droegen de vervolgingen nu ook bij tot de vooruitgang van het evangelie. John Bunyan kon in een smerige gevangenis temidden van losbandigen en misdadigers toch de atmosfeer van de hemel inademen. Daar schreef hij zijn prachtige allegorie over de pelgrimsreis uit het land der verwoesting naar de he­melse stad. De stem uit de gevangenis van Bedford brengt de mensen nu al meer dan tweehonderd jaar in verrukking. Bunyan’s Christenreis en Genade overvloedig voor de voornaamste der zondaren hebben velen de weg des levens getoond.

Baxter, Flavel, Alleine en andere begaafde, ontwikkelde en oprech­te christenen hebben het geloof dat eens de heiligen overgeleverd is, moedig verdedigd. Het werk dat gedaan is door deze mannen, die ver­volgd en vogelvrij verklaard werden door de machthebbers van deze wereld, zal blijven bestaan.
Flavels Fountain of Live en zijn Method of Grace hebben duizenden geleerd hoe ze hun leven aan Christus kunnen toevertrouwen. Baxters Reformed Pastor is een zegen ge­weest voor hen die Gods werk nieuw leven wilden inblazen en zijn Saints’ Everlasting Rest heeft velen „de rust” doen ingaan „die voor het volk van God blijft”.

Honderd jaar later werden Whitefïeld en de Wesleys Gods lichtdragers in een tijd van grote geestelijke duisternis. Onder de heerschappij van de ‘Anglicaanse Kerk’ was het geestelijk leven in Engeland nog nauwelijks te onderscheiden van het heidendom. De geestelijkheid hield zich het liefst bezig met „natuurgodsdienst” en ook hun theolo­gie was ervan doordrongen. De betere standen vonden vroomheid ge­woon belachelijk en waren er trots op dat zij boven dat „fanatisme” stonden. De volksklasse was erg dom en was overgeleverd aan de zonde, terwijl de kerk geen moed of geloof meer had om maatregelen te nemen tegen de ernstige geloofscrisis.

Men had de belangrijke leerstelling van de rechtvaardiging door het geloof, die Luther zo duidelijk naar voren had gebracht, bijna vol­ledig uit het oog verloren en men had haar vervangen door de roomse leer van de verlossing door de goede werken. Whitefïeld en de Wes­leys waren leden van de erkende kerk en streefden oprecht naar het volbrengen van Gods wil. Men had hun geleerd dat ze konden rekenen op Gods gunst als ze een deugdzaam leven leidden en zich stipt aan de godsdienstige voorschriften hielden.

Toen Charles Wesley eens ziek werd en zijn einde voelde naderen, vroeg iemand hem op welke gronden hij aanspraak meende te mogen maken op het eeuwige leven. Hij antwoordde: „Ik heb mijn uiterste best gedaan om God te dienen”. Zijn vriend die de vraag had gesteld, scheen niet helemaal overtuigd door het antwoord. Toen dacht Wes­ley: „Zijn mijn eigen inspanningen geen goede grond voor mijn hoop op het eeuwige leven? Vindt Hij mijn goede werken niet voldoende? Ik heb niets anders waarop ik kan vertrouwen” (John Whitehead, Life of the Rev. Charles Wesley, p. 102). Zó dicht was de duisternis waarin de kerk gehuld was. Door deze geestelijke verwarring hadden de gelovigen geen duidelijk inzicht in het verlossingsplan, werd Christus van zijn heerlijkheid beroofd en werden de mensen afgeleid van hun enige hoop op verlossing: het bloed van de gekruisigde Heiland.


Wesley en zijn medewerkers kwamen later tot het inzicht dat ware godsdienst uit het hart komt en dat gedachten, woorden en daden door Gods wet moesten worden beheerst. Ze waren ervan overtuigd dat ze een rein hart moesten hebben en onberispelijk moesten leven, en wil­den er ook oprecht naar streven. Ze wilden de slechte neigingen van het niet-wedergeboren hart door gebed en door hun eigen grote in­spanningen onderdrukken. Ze leidden een leven dat gekenmerkt werd door zelfverloochening, liefde en verootmoediging en hielden zich stipt aan alle voorschriften die volgens hen zouden kunnen bijdragen tot het bereiken van hun hoogste doel: de heiligheid die hen van Gods gunst zou kunnen verzekeren. Ze konden dit doel echter niet bereiken. Ze werden ondanks hun inspanningen niet van de veroordeling van de zonde of van haar kracht bevrijd. Ze voerden dezelfde strijd die Luther in zijn kloostercel te Erfurt had gevoerd. Ze werden door de­zelfde vraag gekweld: „Hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?” (Job 9:2, Statenvertaling).

De vlam van Gods waarheid, die bijna was uitgedoofd op de alta­ren van het protestantisme, werd weer aangewakkerd door de oude fakkel die de christenen uit Bohemen van generatie aan generatie had­den doorgegeven. Na de Hervorming werd het protestantisme in Bo­hemen onder de voet gelopen door de horden van Rome. Wie de waarheid niet wilde verloochenen, moest vluchten. Sommige vluchte­lingen gingen naar Saksen, waar ze het oude geloof in stand hielden. Door bemiddeling van de afstammelingen van deze christenen kregen Wesley en zijn medewerkers meer licht.

John en Charles Wesley werden na hun inzegening naar Amerika uitgezonden. Aan boord van het schip was er ook een groep Moravi­sche broeders. Tijdens de overtocht barstten er enkele geweldige stor­men los. Bij deze confrontatie met de dood werd John Wesley zich bewust van het feit dat hij niet in vrede leefde met God, terwijl de Duitsers kalm en sereen bleven.

Hij zei: „Ik had al lang gemerkt hoe ernstig ze waren. Ze hadden herhaaldelijk blijk gegeven van hun nederigheid, want ze hadden de andere passagiers diensten bewezen waar de Engelse passagiers zich veel te goed voor vonden. En ze wilden daar geen cent voor hebben. Ze vonden dat dit slavenwerk een goed middel was om hen van hun hoogmoed te verlossen en dat hun Heiland bovendien veel meer voor hen had gedaan…..
Elke dag opnieuw hadden ze blijk gegeven van een zachtmoedigheid die tegen alles bestand was. Als ze werden wegge­duwd, werden geslagen of onder de voet gelopen, stonden ze weer op en gingen verder zonder te klagen. Dit was een goede gelegenheid om te zien of ze echt bevrijd waren van angst, hoogmoed, woede en wraakgevoelens.
Tijdens het zingen van de psalm waar ze hun dienst mee begonnen, sloeg de zee over het schip en scheurde het grootzeil aan flarden. Er stroomde water van het bovendek naar het tussendek. Het was alsof het schip al door de oceaan was verzwolgen. De Engel­sen begonnen verschrikkelijk te gillen. Maar de Duitsers zongen rus­tig verder. Na de storm vroeg ik aan één van hen of hij niet bang was geweest. Hij zei: „Goddank, nee!” Ik vroeg toen: „Maar waren de vrouwen en kinderen niet bang?” Hij antwoordde vriendelijk: „Nee, onze vrouwen en kinderen zijn niet bang voor de dood” (Whitehead, Life of the Rev. John Wesley, p. 10).

Na hun aankomst in Savannah bleef Wesley nog een korte tijd bij de Moravische broeders en kwam erg onder de indruk van hun chris­telijke levenshouding. Over één van hun kerkdiensten, die erg ver­schilden van het dode formalisme van de ‘Anglicaanse Kerk’, schreef hij: „Door de grote eenvoud en de plechtigheid van hun dienst vergat ik dat er zeventien eeuwen waren verstreken en dacht ik dat ik een dienst bijwoonde van de eerste christenen waarin Paulus, de tenten­maker, of Petrus, de visser, onder leiding van de Heilige Geest voor­ging. Ik waande mij op één van die bijeenkomsten, waar ook geen pracht en praal was” (Ibid., pp. 11,12).

Bij zijn terugkeer in Engeland kreeg Wesley onder leiding van een Moravische predikant meer inzicht in de bijbelse waarheid. Hij be­greep dat hij voor zijn verlossing niet op zijn eigen werken kon reke­nen, maar zijn vertrouwen volledig moest stellen in „het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt”. Op een vergadering van het Mo­ravisch Genootschap te Londen werd een tekst van Luther voorgele­zen waarin hij de verandering die de Heilige Geest in het hart van de gelovige tot stand brengt, beschrijft. Deze voordracht stimuleerde Wesley in zijn geloof. „Ik voelde een eigenaardige warmte in mijn hart”, zei hij. „Ik voelde dat ik Christus – en Hij alléén – als mijn Ver­losser had aangenomen. Ik was er zeker van dat Hij de zonden, ja zelfs mijn zonden had weggenomen en mij had verlost van de wet van zonde en dood” (Ibid., p. 52).

Hij had jarenlang een moeilijke, uitputtende, troosteloze strijd ge­voerd. Hij had jaren van zelfverloochening, verwijt en verootmoedi­ging achter de rug. Maar in al die jaren had hij steeds één doel gehad: hij was op zoek naar God. Nu had hij Hem gevonden. Hij kwam tot de ontdekking dat de genade waar hij zoveel inspanningen voor had gedaan, zoveel voor had gebeden en gevast, zoveel goede werken voor had gedaan en zoveel zelfverloochening voor over had, een gave was, „zonder geld en zonder prijs.”

Toen hij in het geloof van Christus bevestigd was, wilde hij de ken­nis van het heerlijke evangelie van Gods vrije genade overal versprei­den. „Ik beschouw de hele wereld als mijn parochie”, zei hij. „Ik be­schouw het als mijn plicht om overal waar ik kom het goede nieuws van de verlossing aan allen die ernaar willen luisteren te verkondigen” (Ibid., p. 74).

Hij bleef streng en sober leven, maar deed dat niet als bewijs, doch als resultaat van zijn geloof; het was niet de oorzaak, maar het gevolg van zijn heiligheid. Gods genade in Christus is het fundament van de christelijke hoop en deze genade komt tot uiting in de gehoorzaam­heid van de christen.

Wesley weidde zijn leven aan de verkondiging van de belangrijke waarheden die hij had ontdekt; rechtvaardigmaking door het geloof in het verlossend bloed van Christus en de vernieuwende kracht van de Heilige Geest in het hart, die de gelovigen in staat stellen hun leven in overeenstemming te brengen met dal van Christus.

Whitefield en de Wesleys waren grondig voorbereid op hun taak doordat ze zich jarenlang duidelijk bewust waren geweest van het feit dat ze als zondaren reddeloos verloren waren. Ze moesten als goede soldaten van Christus tegen alles gehard zijn en werden daarom als student en als predikant blootgesteld aan spot, minachting en vervol­gingen. Zij en hun vrienden werden door hun goddeloze medestuden­ten spottend ‘methodisten’ genoemd. Deze spotnaam wordt tegen­woordig door één van de grootste kerken van Engeland en Amerika als een erenaam beschouwd.

Als leden van de anglicaanse kerk waren ze erg gehecht aan de vor­men van haar eredienst, maar ze ontdekten een hogere norm in Gods Woord. Ze werden door de Heilige Geest gedreven om Christus „en die gekruisigd” te prediken. Ze werden in hun werk bijgestaan door kracht van de Allerhoogste. Duizenden kwamen tot geloof en werden bekeerd. Deze schapen moesten tegen de vraatzuchtige wolven wor­den beschermd. Wesley was niet van plan een nieuwe kerk te stichten, maar organiseerde de zogenaamde „Methodist Connection.”

Deze predikanten moesten het hoofd bieden aan de felle tegenstand en de samenzweringen van de staatskerk. God leidde de gebeurtenis­sen in zijn wijsheid echter zó dat de hervorming in de schoot van de kerk begon. Was ze helemaal van buiten de kerk gekomen, dan zou ze niet zijn doorgedrongen tot hen die haar het hardst nodig hadden. Daar deze opwekkingspredikanten tot de kerk behoorden en in het ka­der van de kerk werkten, vonden zij gehoor, terwijl ze in het andere geval voor gesloten deuren zouden staan.
Enkele geestelijken werden weer actieve, dynamische predikanten in hun eigen parochies. Kerken die totaal versteend waren door formalisme kwamen weer tot leven.

Zoals in alle tijdperken van de kerkgeschiedenis werd het evangelie ook in Wesleys tijd door mensen met verschillende talenten verkon­digd. Ze waren het niet over alle punten eens, maar werden allen door Gods Geest geleid en wijdden zich aan dezelfde moeilijke taak; men­sen in contact brengen met Christus. Op een bepaald moment dreig­den de meningsverschillen tussen Whitefield en de Wesleys op een breuk te zullen uitlopen. Ze hadden echter zachtmoedigheid geleerd in de school van Christus en hun meningsverschillen werden dankzij hun verdraagzaamheid en liefde bijgelegd. Er was geen tijd voor on­enigheid, want dwalingen en zonde hielden de mensen overal in hun greep, zodat duizenden verloren gingen.

Gods boodschappers hadden het bijzonder moeilijk. Invloedrijke en geleerde mannen verzetten zich tegen hen. Na enige tijd gaven veel geestelijken openlijk blijk van hun vijandigheid. Toen waren het zui­vere geloof en de mensen die het verkondigden niet meer welkom in de kerken. Ze werden op de preekstoel aangevallen door de geeste­lijkheid, die daardoor ook de boosaardige, onwetende en misdadige massa tegen hen ophitste. Vaak ontsnapte John Wesley door een won­der van goddelijke genade aan de dood.
Wanneer het gepeupel woe­dend op hem was en er geen uitweg meer scheen te zijn, ging een en­gel in menselijke gedaante naast hem staan. Het gespuis trok zich dan terug en zo kon de dienaar van Christus ongedeerd aan het gevaar ontsnappen.

Wesley schreef het volgende over één van zijn bevrijdingen uit de greep van de woedende massa: „Velen probeerden mij naar beneden te gooien terwijl we langs een glibberig pad naar de stad gingen. Ze dachten dat ik wel niet meer zou kunnen opstaan als ik gevallen was. Maar ik struikelde niet en gleed ook niet uit. Zo bereikte ik veilig de voet van de heuvel…… Hoewel verschillende mensen me bij de kraag of bij mijn kleren wilden grijpen om me op de grond te gooien, slaagden ze er niet in.
Een man kon een punt van mijn vest grijpen, maar het bleef in zijn handen achter. Het andere gedeelte, waar ik een bankbil­jet in had, werd maar half afgetrokken… Een forse kerel die achter me liep, sloeg verschillende keren in mijn richting met een dik stuk eike­hout. Als hij mij één slag op mijn hoofd had gegeven was ik er ge­weest. Maar hij sloeg elke keer mis. Hoe dat komt weet ik niet, want ik kon geen vin verroeren…..
Een andere man uit de menigte kwam op me afgestormd, lichtte zijn hand op om mij te slaan, maar bedacht zich, streek met zijn hand over mijn haar en zei: ‘Wat is je haar toch zacht!’ De eerste mensen die werden bekeerd, waren de krachtpatsers van de stad, de leiders van het gespuis. Eén van hen was zelfs vuist­vechter in het park waar men honden op een vastgeketende beer los­liet.….

„God bereidt ons door een geleidelijk leerproces voor op het vol­brengen van zijn wil! Twee jaar geleden vloog een baksteen rakelings over mijn schouder. Vorig jaar werd ik door een steen tussen mijn ogen getroffen. Vorige maand moest ik een vuistslag incasseren en vanavond twee, één vóór ik in de stad aankwam en één nadat we er weer uit waren. Maar ik heb geen van beide gevoeld. Hoewel een man met al zijn kracht op mijn borst beukte en een ander mij zo hard op mijn mond sloeg dat het bloed er onmiddellijk uit stroomde, had ik van geen van beide slagen meer pijn dan wanneer iemand mij met een strootje had aangeraakt” (John Wesley, Works, vol. 3, pp. 297, 298).

De methodistische gelovigen en predikanten uit die begintijd wer­den bespot en vervolgd door leden van de staatskerk en door militante ongelovigen die door hun verkeerde voorstelling van zaken tegen de methodisten werden opgehitst. Ze moesten voor de rechter verschij­nen. Dit was echter slechts pro forma, want in de rechtbanken van die tijd was rechtvaardigheid een zeldzaamheid. Ze werden vaak wreed behandeld door hun vervolgers. Het gepeupel ging van huis tot huis; ze vernielden meubels en goederen, plunderden zoveel als ze maar wilden en mishandelden mannen, vrouwen en kinderen. Soms werden er berichten uitgehangen waarin mensen die wilden deelnemen aan het ingooien van ruiten en aan het plunderen van de huizen van de methodisten, werden opgeroepen op een bepaalde tijd en plaats samen te komen. Deze flagrante schending van menselijke en goddelijke wetten werd niet bestraft. De methodisten werden systematisch ver­volgd. Hun enig vergrijp was dat ze mensen die hun ondergang tege­moet gingen weer op het rechte pad wilden brengen.

John Wesley schreef het volgende over de beschuldigingen die te­gen hem en zijn geloofsgenoten werden ingebracht: „Sommige men­sen zeggen dat wij een dwaalleer verkondigen die uit de lucht gegre­pen is en dat wij nieuwlichters zijn. Ze vinden dat wij quakers, fanatiekelingen en papisten zijn. Deze aantijgingen zijn al weerlegd. Wij hebben al duidelijk bewezen dat onze leer niets anders is dan de leer van de Bijbel zoals onze kerk die voorstaat. Als de Schrift waar is, kunnen onze leerstellingen dus niet verkeerd zijn”.
„Anderen be­weren: “Hun leer is te streng, ze maken de weg naar de hemel te smal.” Dit is in feite het oorspronkelijke – en lange tijd het enige – be­zwaar tegen ons.
Het is de bron van talloze andere bezwaren, die ver­schillende vormen aannemen. Maar maken onze leerstellingen de weg naar de hemel smaller dan onze Heer en zijn apostelen het bedoeld hebben? Laten we een paar duidelijke teksten nemen: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand’. ‘Van elk ijdel woord dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels’. ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods.’

Als onze leer nóg strenger is, hebben wij ongelijk. Maar jullie we­ten echt wel dat dit niet zo is. Wie maar een beetje minder streng is, vervalst het Woord van God. Is de bewaarder van de geheimenissen Gods getrouw als hij iets verandert aan hetgeen hij in bewaring heeft gekregen? Nee. Hij mag niets laten vallen, niets versoepelen. Hij be­hoort aan alle mensen te zeggen: „Ik mag de Schrift niet aan jullie smaak aanpassen. Jullie moeten je naar de Schrift schikken, of voor eeuwig verloren gaan.’
Dat is de reden waarom men ons ‘liefdeloos’ noemt. Liefdeloos? In welk opzicht? Geven we de hongerigen niet te eten en geven we geen kleren aan de naakten? Dan zeggen ze: ‘Nee, daar gaat het niet om. Daar schieten jullie niet in te kort, maar jullie zijn zo hard in jullie oordeel! Jullie denken dat jullie de enigen zijn die gered zullen worden'” (Ibid., vol. 3, pp. 152,153).

De crisis in het geestelijke leven van Engeland kort vóór Wesleys optreden was grotendeels het gevolg van het antinomisme; velen geloofden dat Christus de zedenwet had afgeschaft, dat christenen er zich bijgevolg niet meer aan hoefden te houden en dat de gelovigen waren bevrijd van „de slavernij van de goede werken.”
Anderen ge­loofden wel dat de zedenwet onveranderlijk was, maar vonden dat predikanten hun gelovigen niet hoefden te wijzen op hun verplichting de voorschriften van die wet na te leven, daar zij die God had uitver­koren „door een onweerstaanbare impuls van goddelijke genade tot godsvrucht en deugd zouden worden aangezet”, terwijl zij die voor eeuwig verdoemd waren „geen kracht hadden om Gods wet te ge­hoorzamen.”

Een derde groep ging ervan uit dat „de uitverkorenen onder alle omstandigheden op Gods genade en Gods gunst konden rekenen” en kwam tot de nog vreselijkere conclusie dat „het slechte dat zij doen niet echt zondig is en ook niet kan worden beschouwd als een overtre­ding van Gods wet”. Ze vonden dat „ze daarom geen enkele reden hadden om hun zonden te belijden of met ze te breken” (McClintock and Strong, Cyclopedia, art. „Antinomians”).
Ze geloofden dat zelfs één van de ergste zonden „die door iedereen wordt beschouwd als een zeer ernstige overtreding van Gods wet door God niet als zonde wordt beschouwd” als ze door één van de uitverkorenen wordt bedre­ven, want „het is één van de belangrijkste kenmerken van de uitver­korenen dat zij niets kunnen doen dat God mishaagt of de perken van zijn wet te buiten gaat.”

Deze monsterachtige leer is in wezen dezelfde als die van de latere populaire opvoeders en theologen. Ook zij geloofden niet dat er een onveranderlijke maatstaf is die de grens tussen goed en kwaad aan­duidt. Ze beweerden dat de maatschappij moet bepalen wat goed en wat kwaad is en dat de moraal altijd aan veranderingen onderhevig is geweest. Al deze gedachten zijn ontsproten aan hetzelfde brein en zijn verzonnen door de geest die zelfs onder de zondeloze hemelbewoners pogingen deed om de rechtvaardige beperkingen van Gods wet af te schaffen.

De leer dat goddelijke bepalingen het karakter van de mens onver­anderlijk vaststellen, had velen ertoe geleid, de wet van God praktisch te verwerpen. Wesley verzette zich hardnekkig tegen de dwalingen van de antinomisten en toonde aan dat deze leer, die tot het antinomisme leidde, in strijd was met de Bijbel. „Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen”. „Dit is goed en aange­naam voor God, onze Heiland, Die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen. Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven heeft voor een losprijs voor allen” (Titus 2:11; 1 Timoteüs 2:3-6).

God stelt zijn Geest vrij ter beschikking van elk mens zodat iedereen een beroep kan doen op de middelen ter verlossing. Daarom kwam Christus, „het waarachtige licht”, naar de wereld om iedereen te verlichten. (Johannes 1:9) De mensen gaan verloren om­dat ze uit eigen wil het eeuwige leven weigeren.

Wesleys reactie op de bewering dat de Tien Geboden samen met de ceremoniële wet bij de dood van Christus werden afgeschaft, was: „Christus heeft de zedenwet, waar de profeten zoveel nadruk op ge­legd hebben, niet afgeschaft. Christus is niet gekomen om er iets aan te veranderen. Deze wet kan nooit worden herroepen. Ze is onveran­derlijk als ‘de getrouwe getuige’ in de hemel… Ze was er al bij de grondlegging van de wereld. Ze was niet op stenen tafelen, maar in het hart van de mensenkinderen geschreven toen ze uit de handen van hun Schepper kwamen. En hoewel de letters die door Gods vinger waren geschreven door de zonde nu erg zijn misvormd, kunnen ze nooit helemaal worden uitgewist omdat wij ons bewust zijn van goed en kwaad. Elk onderdeel van deze wet blijft van kracht voor alle men­sen van alle tijden, want deze wet hangt niet af van plaats of tijd of van andere veranderlijke omstandigheden, maar is gefundeerd op het karakter van God en de natuur van de mens en op hun onveranderlijke relatie.

„Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen’ … Als we deze woorden in hun verband bekijken, lijdt het niet de minste twijfel dat Christus bedoelt: Ik ben gekomen om de wet in haar vol­heid te bevestigen en Ik wil haar ontdoen van alle verkeerde menselij­ke verklaringen. Ik ben gekomen om een vollediger en duidelijker in­zicht te geven in alles wat niet zo duidelijk was. Ik ben gekomen om te wijzen op de ware, volle betekenis van elk onderdeel, om de lengte en breedte, de volledige draagwijdte van elk gebod, de hoogte en diepte, de ondoorgrondelijke zuiverheid en de geestelijke rijkdom van elk onderdeel goed te laten uitkomen” (Wesley, Sermon 25).

Wesley wees op de volmaakte harmonie tussen de wet en het evan­gelie. „Er bestaat dus een onverbrekeüjke band tussen wet en evange­lie. De wet is een voortdurende voorbereiding op het evangelie en verwijst ernaar, terwijl het evangelie voortdurend de nadruk legt op een stiptere vervulling van de wet. De wet eist bijvoorbeeld dat we God en onze medemens liefhebben en dat we zachtmoedig, nederig en heilig moeten zijn. We voelen dat we hierin tekort schieten; ‘bij mensen is het onmogelijk’; maar we weten dat God ons heeft beloofd dat Hij ons liefde wil schenken en ons nederig, zachtmoedig en heilig kan maken; wij doen een beroep op dit evangelie, dit goede nieuws.
Wat wij krijgen hangt af van ons geloof en de rechtvaardigheid van de wet wordt in ons vervuld door het geloof dat in Jezus Christus is……
„De grootste vijanden van het evangelie van Christus zijn zij die de wet openlijk oordelen en kwaad spreken van de wet, zij die de men­sen de wet leren overtreden (ontbinden, versoepelen, afschaffen) -niet één enkel gebod, het kleinste of het grootste, maar alle geboden ineens.….. Het wonderlijkste bij dit alles is dat zij die het slachtoffer van dit waandenkbeeld zijn, echt geloven dat zij Christus eer bewijzen als ze zijn wet met voeten treden en denken dat ze Hem verheerlijken, terwijl ze zijn leer vernietigen! Ze beseffen niet dat ze Hem eren zoals Judas dat deed toen hij Hem ‘Rabbi’ noemde en Hem kuste.
Christus kan zulke mensen terecht de vraag stellen: ‘Verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?’ Men verraadt Christus met een kus wanneer men over zijn bloed spreekt en zijn kroon wegneemt en wanneer men een deel van zijn wet afschaft om zijn evangelie zogenaamd te bevor­deren. Deze beschuldiging geldt ook voor hen die door hun prediking de gehoorzaamheid aan Gods wet rechtstreeks of indirect ondermij­nen en Christus zó voorstellen dat zij de minste van Gods geboden af­schaffen of verzwakken.” (Ibid.).

Aan de mensen die beweerden dat „de prediking van het evan­gelie aan alle doelstellingen van de wet beantwoordt”, zei Wesley: „Wij ontkennen dit ten stelligste. De prediking van het evangelie beantwoordt niet aan het voornaamste doel van de wet; ze maakt de zondaar niet bewust van zijn zonde en maakt hen die nog aan de afgrond van de hel slapen niet wakker.
De apostel Paulus zegt: „Ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet” en hij verklaart dat de mens pas echt behoefte aan het verzoenend bloed van Christus zal hebben wanneer hij overtuigd is van de zonde.……
‘Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn’, zei Jezus. Daarom is het absurd een geneesheer te sturen naar hen die gezond zijn of althans denken dat ze het zijn. Ze moeten eerst overtuigd worden van hun ziekte anders zullen ze je inspanningen niet op prijs stellen. Het is ook absurd Christus te brengen aan mensen als hun hart nog heel is, dat wil zeggen, nog nooit verbrijzeld is” (Ibid., Sermon 35).

Wesley wilde het voorbeeld van zijn Meester volgen en de wet prijzen en verheerlijken terwijl hij het evangelie van Gods genade predikte. Hij volbracht de taak die God hem had toevertrouwd en mocht de prachtige resultaten daarvan zien. Aan het eind van zijn lan­ge leven van meer dan tachtig jaar, waarvan hij meer dan een halve eeuw op vele plaatsen het evangelie had verkondigd, had hij meer dan een half miljoen trouwe aanhangers. Hoeveel mensen door zijn werk zijn gered van de ondergang en de verwoesting van de zonde en een beter, reiner leven zijn gaan leiden, en hoeveel gelovigen door zijn prediking een rijker geestelijk leven hebben gehad zullen we pas we­ten wanneer alle verlosten in het Koninkrijk van God zullen zijn.
Het leven van Wesley is een les van onschatbare waarde voor elke chris­ten. Mochten het geloof en de nederigheid, de onvermoeibare geloofsijver, zelfverloochening en toewijding van deze dienaar van Christus in de kerken van vandaag weerspiegeld worden! (“Het grote Conflict” – E.G.White)

De hervormers van de zestiende eeuw wilden de Schrift binnen het bereik van alle mensen brengen en haar in alle landen van Europa ver­spreiden. Sommige landen namen de Bijbel met blijdschap aan en be­schouwden hem als een boodschapper uit de hemel, terwijl het pausdom erin slaagde de verspreiding van Gods Woord in andere landen grotendeels tegen te houden, waardoor de bijbelse waarheid en haar positieve beginselen bijna volledig werden buitengesloten.

In één land drong het licht wel door, maar het werd niet begrepen door de duister­nis. Eeuwenlang was er een verwoede strijd tussen waarheid en dwa­ling, maar uiteindelijk overwon het kwaad en werd de hemelse waar­heid verworpen. „Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht” (Johannes 3:19).
Frankrijk zou de gevolgen van haar verkeerde beslissingen dragen. Gods Geest hield het volk dat de genade had ver­worpen niet meer in bedwang, waardoor het kwaad tot volle rijpheid kwam. Toen kon de hele wereld de gevolgen van de opzettelijke ver­werping van het licht met eigen ogen zien.

De strijd die Frankrijk eeuwenlang tegen de Bijbel had gevoerd, bereikte een dieptepunt tijdens de Franse Revolutie. Deze verschrik­kelijke omwenteling was het logische gevolg van Rome’s onderdruk­king van Gods Woord (Zie Aanhangsel onder ‘Oorzaken van de Fran­se Revolutie’).
Deze opstand was de meest frappante illustratie van de gevolgen van het pauselijk beleid en toonde de resultaten van meer dan duizend jaar rooms-katholicisme in Frankrijk.

De profeten hadden de onderdrukking van de Schriften tijdens de periode van pauselijke opperheerschappij voorzegd. De apostel Jo­hannes voorzegde ook welke vreselijke gevolgen de heerschappij van „de mens der wetteloosheid” vooral voor Frankrijk zou hebben.

De engel des Heren had gezegd: „Zij zullen de heilige stad vertre­den tweeënveertig maanden lang. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig da­gen lang.…. En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden. En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, al­waar ook hun Here gekruisigd werd… En zij, die op de aarde wonen, zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zen­den, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. En na [die] drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden” (Openbaring 11:2-l 1).

De hier vermelde tijdperken – „twee en veertig maanden lang” en „twaalfhonderdzestig dagen lang” – zijn dezelfde periode, namelijk de tijd van de onderdrukking van Christus’ gemeente door Rome. De 1260 jaar van pauselijke suprematie begonnen in 538 na Chr. en ein­digden dus in 1798 (Zie Aanhangsel onder ‘Profetische tijdperken’).
In dat jaar trok het Franse leger Rome binnen, nam de paus gevangen en voerden hem in ballingschap. Toen de paus stierf, was hij nog al­tijd uit Rome verbannen. Hoewel er onmiddellijk na zijn dood een nieuwe paus werd verkozen, zijn zijn opvolgers er nooit in geslaagd dezelfde macht uit te oefenen als vroeger.

De vervolging van de gemeente duurde niet tot het eind van de 1260 jaar. God heeft in zijn genade deze periode van wrede beproe­vingen voor zijn volk ingekort. Toen Christus de grote verwoesting die over de gemeente zou komen voorzegde, zei Hij: „En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort” (Matteüs 24:22). Dankzij de invloed van de Hervorming eindigden de vervolgingen vóór 1798.

De profeet zegt in verband met de twee getuigen ook: „Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan.”
De dichter van de Psalmen zegt: „Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad” (Openba­ring 11:4; Psalm 119:105). De twee getuigen stellen het Oude en het Nieuwe Testament voor. Ze getuigen van de oorsprong en eeuwig­heid van Gods wet en van het verlossingsplan. De symbolen, offers en profetieën van het Oude Testament wezen op de komende Verlos­ser. De evangeliën en brieven van het Nieuwe Testament getuigen van een Verlosser wiens komst volledig beantwoordt aan de symbolen en profetieën.
„En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderdzestig dagen lang.” Tijdens het grootste deel van deze periode bleven Gods getuigen in de duisternis verbor­gen.
De pauselijke macht stelde alles in het werk om het volk van het Woord der waarheid af te houden en zorgde voor valse getuigen die het getuigenis van de Schrift tegenspraken (Zie Aanhangsel onder ‘Pogingen om de Bijbel te verbieden en te vernietigen’)
Toen de Bij­bel zowel door de wereldlijke als door de kerkelijke overheid was verboden, toen zijn getuigenis werd vervalst en allerlei menselijke en duivelse middelen werden gebruikt om de mensen dom te houden, toen zij die de heilige bijbelse waarheden durfden te verkondigen werden opgejaagd, verraden of gefolterd, in gevangenissen werden opgesloten, voor hun geloof de marteldood stierven of een toevlucht moesten zoeken in de bergen en in de spelonken en holen van de aar­de, profeteerden de trouwe getuigen „met een zak bekleed”, maar ze getuigden ondanks alles tijdens de hele periode van 1260 jaar.
In de donkerste tijden waren er trouwe gelovigen die Gods Woord liefhad­den en Gods eer verdedigden. Deze trouwe boodschappers kregen wijsheid, kracht en gezag om Gods waarheid tijdens deze lange perio­de te verkondigen.

„En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden” (Openbaring 11:5). Men kan het Woord van God niet ongestraft met voeten treden. De beteke­nis van deze vreselijke uitspraak wordt gegeven in het laatste hoofd­stuk van de Openbaring: „Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in het boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van dit boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn” (Openbaring 22:18,19).

God heeft deze woorden uitgesproken om de mensen te waarschu­wen dat zij niet de minste verandering mogen aanbrengen in hetgeen God geopenbaard of bevolen heeft. Deze plechtige waarschuwingen gelden voor allen die de mensen door hun invloed ertoe aanzetten Gods wet gering te schatten. Zij die verklaren dat het niets uitmaakt of wij Gods wet al dan niet gehoorzamen, zouden bij het horen van deze woorden moeten vrezen en beven. Iedereen die zijn eigen opvattingen boven Gods openbaring stelt, iedereen die de duidelijke bete­kenis van de Schrift verandert en aan zijn eigen smaak aanpast of ver­soepelt ten einde in harmonie te zijn met de wereld, neemt een vreselijke verantwoordelijkheid op zich.
Het geschreven woord, de wet van God, zal de maatstaf zijn voor het karakter van alle mensen en zal allen veroordelen die bij deze onfeilbare toets gewogen, maar te licht bevonden worden.

„En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben.” De tijdspanne waarin de twee getuigen „met een zak bekleed” moesten profeteren, eindigde in 1798. Tegen het einde van hun werk, dat ze in duisternis moesten verrichten, zou de macht die wordt voorgesteld door „het beest, dat uit de afgrond opkomt” „hun de oorlog aan­doen”. In verschillende Europese landen was het gezag in Kerk en Staat door bemiddeling van het pausdom eeuwenlang in handen van Satan geweest. Maar hier gaat het om een nieuwe openbaring van sa­tanische macht.

Rome had altijd de indruk gewekt dat ze de Heilige Schrift vereer­de, maar intussen zorgde ze er wel voor dat ze buiten het bereik van het volk bleef. Onder haar heerschappij hadden de getuigen „met een zak bekleed” geprofeteerd. Er zou echter een andere macht – het beest uit de afgrond – opkomen om het Woord van God openlijk te bestrij­den. „De grote stad” waar de getuigen worden gedood en waar hun lijken liggen, is „het geestelijke Egypte”. Van alle landen die in de Bijbel worden genoemd, is Egypte het verst gegaan in godsontken­ning en wetsverachting. Geen enkele koning heeft zich openlijker en brutaler verzet tegen het gezag van de hemel dan Farao.
Toen Mozes hem in opdracht van God het bericht overbracht, antwoordde Farao aanmatigend: „Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de Here niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan” (Exodus 5:2). Dit is atheïsme en het land dat door Egypte wordt voorgesteld, zou de eisen van de levende God ook verwerpen. Het zou blijk geven van hetzelfde ongeloof en dezelfde uitdagende hou­ding aannemen. „De grote stad” wordt in geestelijk opzicht ook ver­geleken met Sodom. De verdorvenheid en wetsverachting van Sodom bleken vooral uit de bandeloosheid van de Sodomieten. Deze zonde zou ook het voornaamste kenmerk zijn van het land dat zou beant­woorden aan de termen van deze profetie.

Volgens de voorzegging van de profeet zou er kort vóór 1798 een macht van satanische oorsprong en karakter opkomen om de Bijbel te bestrijden. Het land waar het getuigenis van de twee getuigen van God zou worden onderdrukt, zou worden gekenmerkt door het atheïs­me van Farao en de bandeloosheid van Sodom. Deze profetie is op een buitengewoon nauwkeurige en treffende manier in vervulling gegaan in de geschiedenis van Frankrijk.
Tijdens de Revolutie, in 1793, „hoorde de wereld voor het eerst een groep mannen die in een beschaafd land geboren en opgevoed waren, en één van de beste Europese staten leidden, gezamenlijk hun stem verheffen om de plechtigste waarheid die een mens kan kennen te loochenen en unaniem het geloof en de aanbidding van God te verwerpen” (Sir Walter Scott, Life of Napoleon, vol. l, ch. 17).
„Frankrijk is het enige land ter wereld dat zich als staat openlijk heeft verzet tegen de Schep­per van het heelal en dit feit in een bewaard gebleven oorkonde heeft laten optekenen. Er zijn altijd veel godslasteraars en ongelovigen in Engeland, Duitsland, Spanje en elders geweest, maar Frankrijk neemt een unieke plaats in. Het is de enige staat in de wereldgeschiedenis die bij decreet van zijn Wetgevende Vergadering heeft verklaard dat er geen God is, waarna de hele bevolking van de hoofdstad en de overgrote meerderheid van de rest van het land, zowel mannen als vrouwen, met grote vreugde begonnen te dansen en te zingen” (Blackwood’s Magazine, november 1870).

Frankrijk vertoonde ook de kenmerken van Sodom. Tijdens de Franse Revolutie waren de mensen even ontaard en verdorven als de inwoners van „de steden van de vlakte”, die door God werden ver­woest. De geschiedschrijvers wijzen op het verband tussen het atheïs­me en de wetteloosheid van Frankrijk, die door de profeet waren voorzegd. „Er was een nauwe band tussen de wetten die de godsdienst afschaften en de nieuwe huwelijkswet, die bepaalde dat het hu­welijk – de heiligste verbintenis die twee mensen kunnen aangaan en tegelijk ook de instelling die door haar duurzaamheid één van de pij­lers van de samenleving is – slechts een burgerlijk contract met een beperkte looptijd was dat twee mensen naar eigen goeddunken kon­den aangaan en verbreken…
De vijanden van de samenleving hadden geen beter plan kunnen bedenken om alles wat eerbaar, mooi en duur­zaam is in het gezinsleven grondig te verwoesten. Ze hadden boven­dien de zekerheid dat het kwaad dat zij wilden stichten van geslacht tot geslacht zou doorgaan… Sophie Arnoult, een actrice, die bekend stond om haar geestige opmerkingen, noemde het huwelijk tijdens de Republiek ‘het sacrament van het overspel'” (Scott, vol. 1, ch. 17).

„Alwaar ook hun Here gekruisigd werd”. Ook dit onderdeel van de profetie werd door Frankrijk vervuld. Geen enkel land stond zó vijandig tegenover Christus en nergens was het verzet tegen de waarheid zó fel en zó wreed. Frankrijk kruisigde Christus in de per­soon van zijn discipelen, die het slachtoffer werden van de vervolgin­gen.

Frankrijk heeft het bloed van de heiligen eeuwenlang vergoten. Terwijl de Waldenzen op de bergen van Piémont de marteldood stier­ven „om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God”, onder­gingen hun broeders, de Albigenzen van Frankrijk, hetzelfde lot. In de tijd van de Hervorming waren haar aanhangers op een barbaarse ma­nier dood gemarteld.
Koningen en edellieden, adellijke dames en be­schaafde meisjes hadden met genoegen gekeken naar de doodsstrijd van de martelaren van Jezus. De moedige hugenoten streden voor de heiligste rechten van de mens en hun bloed werd vergoten na een har­de strijd. De protestanten werden beschouwd als vogelvrij verklaar­den, er werd een prijs op hun hoofd gesteld en ze werden als wilde beesten opgejaagd.

De „gemeente in de woestijn” – de weinige afstammelingen van de vroegere christenen die in de achttiende eeuw nog in Frankrijk leef­den en zich in de bergen van Zuid-Frankrijk verscholen hielden – had­den het geloof van hun vaderen behouden. Wanneer ze ‘s nachts op de berghellingen of op de eenzame heide samenkwamen, liepen ze het risico door dragonders te worden achtervolgd en als galeislaven te worden gedeporteerd. De reinste, edelmoedigste en intelligentste in­woners van Frankrijk werden tussen rovers en moordenaars geketend en vreselijk gemarteld (Zie Wylie, b. 22, ch. 6).
Een menselijkere be­handeling kregen zij die ongewapend en weerloos neerknielden om te bidden en in koelen bloede werden doodgeschoten. Honderden be­jaarde mannen, weerloze vrouwen en onschuldige kinderen werden vermoord en achtergelaten op de plaats waar ze vergaderd hadden. Als men langs de berghellingen of door de bossen liep waar zij bijeen kwamen, was het niets ongewoons „na elke vier passen lijken op het gras of aan takken te vinden”. Hun land werd verwoest door het zwaard, de bijl en de brandstapel en „veranderde in een uitgestrekte, macabere wildernis”. „Deze wreedheden werden niet bedreven… in een tijd van duisternis en onwetendheid, maar in de verlichte tijd van Lodewijk XIV, toen de wetenschap werd bevorderd en de kunst bloeide, toen de geestelijken aan het hof en in de hoofdstad geleerde, welsprekende mensen waren en deden alsof ze erg zachtmoedig en liefdevol waren” (Ibid., b. 22, ch. 7).

Maar het ergste misdrijf en de afschuwelijkste satanische daad van al die duistere eeuwen was de Bartholomeüsnacht of Parijse Bloed­bruiloft. De wereld huivert nog bij de gedachte aan die laffe, wrede aanslag. De koning van Frankrijk gaf op aansporing van de rooms-katholieke priesters en prelaten zijn zegen aan deze gruweldaden. Het geluid van een klok in het holst van de nacht was het teken dat men tot de aanval moest overgaan. Duizenden protestanten die rustig slie­pen omdat ze rekenden op het erewoord van hun koning, werden uit hun huizen gesleurd en in koelen bloede vermoord.

Zoals Christus de onzichtbare Leider was geweest die zijn volk uit de slavernij van Egypte bevrijdde, was Satan de onzichtbare leider van zijn onderdanen bij deze afgrijselijke moord op de martelaren. Zeven dagen lang werd het bloedbad in Parijs voortgezet. Op de eer­ste drie daarvan ging men onbeschrijfelijk barbaars te werk. De uit­roeiing werd niet tot Parijs beperkt, maar werd op last van de koning uitgebreid tot alle provincies en steden waar men protestanten kon vinden. Men lette niet op ouderdom of geslacht. Zuigeling noch grijs­aard werd gespaard. Edellieden en boeren, oud en jong, moeder en kind werden zonder onderscheid neergemaaid. Twee maanden duurde deze slachting in heel Frankrijk. Zeventigduizend mensen van het puik der bevolking vonden de dood.

„Toen het nieuws van het bloedbad Rome bereikte, kende de vreugde van de geestelijkheid geen grenzen. De kardinaal van Lotha­ringen gaf de boodschapper een beloning van duizend kronen. De ka­nonnen van St. Angelo vuurden saluutschoten af. De klokken van alle kerktorens werden geluid. Er werden grote vreugdevuren ontstoken. Gregorius XIII ging met een gevolg van kardinalen en andere kerkelij­ke hoogwaardigheidsbekleders in processie naar de kerk van de heili­ge Lodewijk, waar de kardinaal van Lotharingen een Te Deum zong…
Er werd een gedenkpenning geslagen en in het Vaticaan zijn er nog drie fresco’s van Vasari die de aanslag op de admiraal, de samenzwe­ring van de koning en het bloedbad voorstellen. Gregorius zond Karel de Gouden Roos. Vier maanden na de slachting… luisterde hij met ge­noegen naar de preek van een Franse priester… die sprak over ‘die dag van vreugde en geluk, toen de heilige vader het nieuws ontving en in een plechtige processie God en de heilige Lodewijk ging danken.'” (Henry White, The Massacre of St. Bartholomew, ch. 14, par. 34).

Dezelfde satanische geest die de Parijse Bloedbruiloft had geleid, organiseerde ook de gebeurtenissen van de Revolutie. Men verklaarde dat Jezus Christus een bedrieger was en het motto van de Franse on­gelovigen was: „Verpletter die ellendeling!” Daarmee bedoelden ze Christus. Hemeltergende godslastering en gruwelijke goddeloosheid gingen hand in hand. De gemeenste mensen en de meest verdorven monsters van wreedheid en ontucht werden verheerlijkt. Men bewees de grootste eer aan Satan, terwijl men Christus, de verpersoonlijking van waarheid, zuiverheid en onbaatzuchtige liefde, kruisigde.

„Het beest, dat uit de afgrond opkomt, [zal] hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden”.
De atheïstische macht die in Frankrijk heerste tijdens de Revolutie en het Schrikbewind voerde een oorlog tegen God en zijn heilig Woord die geen precedent heeft in de geschiedenis.
De aanbidding van de Godheid werd door de Na­tionale Vergadering afgeschaft. Men verzamelde bijbels en verbrand­de die in het openbaar met alle blijken van minachting. Gods wet werd met voeten getreden. De inzettingen van de Bijbel werden opgeheven. De wekelijkse rustdag werd afgeschaft en in plaats daarvan werd elke tiende dag aan uitspattingen en godslastering gewijd.
Doop en communie werden verboden. Op de begraafplaatsen werden er duidelijk leesbare borden aangebracht waarop men verklaarde dat de dood een eeuwige slaap is.


Men vond dat de vreze des Heren zó ver van het begin der wijsheid verwijderd was dat ze in feite het begin der dwaasheid was. Alle kerk­diensten werden verboden, met uitzondering van de diensten ter ver­heerlijking van de vrijheid en het vaderland.
„De constitutionele bis­schop van Parijs speelde de hoofdrol in de schandelijkste klucht die ooit ten aanschouwen van een volksvertegenwoordiging is opgevoerd… Hij verscheen in vol ornaat en verklaarde aan de Conventie dat de godsdienst die hij zoveel jaren had onderwezen volledig door priesters was verzonnen en geen enkel fundament in de geschiedenis of in de gewijde waarheid had. Hij loochende in plechtige en uitdruk­kelijke bewoordingen het bestaan van God wiens priester hij was en kondigde aan dat hij zich voortaan zou wijden aan de verheerlijking van vrijheid, gelijkheid, deugd en zedelijkheid. Daarna legde hij de te­kenen van zijn bisschoppelijke waardigheid op tafel en werd broederlijk omhelsd door de voorzitter van de Conventie. Verschillende andere af­vallige priesters volgden het voorbeeld van deze prelaat” (Scott, vol. 1, ch. 17).

„En zij, die op de aarde wonen, zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden”. Het goddeloze Frankrijk had de bestraffende stem van de twee getuigen Gods het zwijgen op­gelegd. Het woord der waarheid lag dood in zijn straten en zij die de beperkingen en eisen van Gods wet haatten, waren verheugd. De mensen daagden de Koning des hemels in het openbaar uit. Zoals sommige zondaren uit het verleden vroegen ze: „Hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste?” (Psalm 73:11).

Met een godslasterlijke stoutmoedigheid die aan het ongelooflijke grenst zei één van de priesters van de nieuwe orde: „God, wreek je beledigde naam als je bestaat. Ik daag je uit! Je zegt niets. Je durft niet te bulderen. Wie zal nu nog geloven dat je bestaat?” (Lacretelle, History, vol. 11, p. 309; in Sir Archibald Alison, History of Europe, vol. l, ch. 10). Is dit geen duidelijke echo van Farao’s woorden: „Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren?” „Ik ken de Here niet!”

„De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God” (Psalm 14:1). God zegt met betrekking tot de vervalsers van de waarheid: „Hun onzin­nigheid zal aan allen overduidelijk worden” (2 Timoteus 3:9). Kort nadat Frankrijk de eredienst van de levende God, „de Hoge en Verhe­vene, die in eeuwigheid troont”, had verworpen, verviel het in een verderfelijke afgodendienst en aanbad het de godin van de Rede, ver­persoonlijkt door een losbandige vrouw. Dit gebeurde onder auspi­ciën van de hoogste burgerlijke en wetgevende instanties. De geschiedschrijver zegt: „In deze krankzinnige tijd was er een ceremonie die uitmuntte door absurditeit en goddeloosheid. De deuren van de Conventie werden geopend voor een groep muzikanten, gevolgd door leden van de gemeenteraad, die een plechtige stoet vormden en een lied ter ere van de vrijheid zongen. Ze begeleidden het voorwerp van hun toekomstige aanbidding: een gesluierde vrouw, die zij de godin van de Rede noemden.
In de zaal van de Conventie werd ze met veel ceremonieel ontsluierd. Daarna mocht ze naast de voorzitter gaan zit­ten. Toen zag iedereen dat het een operazangeres was.…. Deze vrouw werd beschouwd als de beste vertegenwoordigster van de Rede en werd door de Nationale Vergadering van Frankrijk in het openbaar vereerd.

“Deze goddeloze en bespottelijke vertoning vond weerklank. Overal waar de mensen blijk wilden geven van hun revolutionair elan werd de installatie van de godin van de Rede herhaald en nagebootst” (Scott, vol. l,ch. 17).

De spreker die de cultus van de Rede inleidde, zei: “Wetgevers! Het fanatisme heeft plaats moeten maken voor de Rede. Zijn doffe ogen konden de schittering van het licht niet verdragen. Vandaag zijn wij in groten getale samengekomen onder die gothische gewelven, die voor de eerste keer de waarheid hebben weergalmd. Daar hebben de Fransen de enige ware eredienst – de cultus van de Vrijheid, van de Rede – gehouden. Daar hebben we onze wensen voor de welvaart van de wapens der republiek uitgesproken. Daar hebben we de levenloze afgoden vervangen door de Rede, het bezielde beeld en het meesterwerk van de natuur” (M. A. Thiers, History of the French Revolution, vol. 2, pp. 370,371).

Toen de godin in de vergaderzaal van de Conventie kwam, nam de spreker haar bij de hand en richtte zich tot de vergadering met de woorden: „Stervelingen, beef niet langer voor het machteloze gebul­der van een God die het product is van jullie angst. Erken voortaan geen andere godheid dan de Rede. Ik wil u voorstellen aan haar edel­ste en zuiverste gestalte. Als u het niet zonder goden kunt stellen, moet u uw offers alleen aan deze godheid brengen……Val neer voor de doorluchtige Senaat van de Vrijheid, o Sluier van de Rede!”

„Nadat de godin door de voorzitter was omhelsd, werd ze op een praalwagen geplaatst en te midden van een zeer grote menigte naar de Notre Dame gebracht om de plaats van de Godheid in te nemen. Daar werd ze op het hoogaltaar geplaatst en door alle aanwezigen aanbe­den” (Alison, vol. 1, ch. 10).

Kort daarna werd de Bijbel in het openbaar verbrand. „Het Volks­genootschap van het Museum” drong de vergaderzaal van de ge­meenteraad binnen en riep uit: „Vive la Raison!”, terwijl ze de half verbrande overblijfselen van verschillende boeken, zoals brevieren, missalen en het Oude en Nieuwe Testament, op een stok in de lucht hielden. Volgens de voorzitter „boetten ze in een groot vuur voor al de dwaasheden waartoe ze de mensen hadden aangezet” (Journal of Paris, 1873, no. 318. geciteerd in Buchez-Roux, Collection of Parliamentary History, vol. 30, pp. 200,201).

Het pausdom was begonnen met het werk dat het atheïsme nu aan het voltooien was. De sociale, politieke en godsdienstige toestanden die Frankrijk razendsnel naar de afgrond meesleurden, waren te wij­ten aan het beleid van Rome. Auteurs schrijven de gruwelen en uit­spattingen van de Revolutie toe aan de Kroon en aan de Kerk (Zie Aanhangsel onder ‘Het Schrikbewind’) In feite zijn ze echter volledig te wijten aan de rooms-katholieke kerk.
Het pausdom heeft de geest van de koningen vergiftigd en de Hervorming afgeschilderd als de vijand van de kroon en als de twistappel die rampzalig zou zijn voor de vrede en de eendracht in het rijk. Rome heeft de barbaarse wreedheden en de verschrikkelijke onderdrukking die van de kroon uitgin­gen geïnspireerd.

De Bijbel bracht echter vrijheid. Overal waar men het evangelie aannam, werden de geesten van de mensen bevrijd. Ze verbraken de ketenen van onwetendheid, zonde en bijgeloof. Ze begonnen te den­ken en te handelen als mensen. De vorsten merkten dit en vreesden dat dit het eind van hun despotisch bewind zou kunnen zijn.

Rome was er vlug bij om hun angst en afgunst aan te wakkeren. In 1525 zei de paus aan de regent van Frankrijk: „Deze waanzin [het protestantisme] zal de godsdienst niet alleen in verwarring brengen en vernietigen, maar het zal ook alle vorsten, edellieden, wetten, rangen en standen te niet doen” (G. de Félice, History of the Protestants of France, b. 1, ch. 2, par. 8).
Enkele jaren nadien waarschuwde de pau­selijke nuntius de koning: „Sire, laat u niet misleiden. De protestanten zullen zowel het burgerlijke als het kerkelijke gezag omverwerpen… ..De troon loopt evenzeer gevaar als het altaar….. De invoering van een nieuwe godsdienst gaat altijd gepaard met de invoering van een nieu­we staatsvorm” (D’Aubigné, History of the Reformation in Europe in the Time of Calvin, b. 2, ch. 36).
Theologen deden een beroep op de vooroordelen van de massa. Ze beweerden dat het protestantisme „de mensen verleidt tot nieuwlichterij en dwaasheid; het berooft de ko­ning van de toegewijde liefde van zijn onderdanen en vernietigt Kerk en Staat”. Op deze manier slaagde Rome erin Frankrijk tegen de Hervorming op te hitsen. „Het zwaard van de vervolgingen werd voor de eerste keer in Frankrijk getrokken om de troon veilig te stellen, de adel te beschermen en de wetten te handhaven” (Wylie, b. 13, ch. 4).

De leiders van het land konden niet vermoeden welke noodlottige gevolgen zo’n beleid zou hebben. De leer van de Bijbel zou de men­sen de beginselen van gerechtigheid, matigheid, waarheid, rechtvaar­digheid en weldadigheid, die de basis van de nationale welvaart zijn, hebben bijgebracht. „Gerechtigheid verhoogt een volk”. „Door ge­rechtigheid wordt de troon bevestigd” (Spreuken 14:34; 16:12). „En de vrucht der gerechtigheid zal vrede zijn, de uitwerking der gerech­tigheid rust en veiligheid tot in eeuwigheid” (Jesaja 32:17). Wie Gods wet gehoorzaamt, zal zeker ook de wetten van zijn land eerbiedigen en gehoorzamen.
Wie God vreest, zal de koning eren bij de uitoefe­ning van alle vormen van rechtvaardig en rechtmatig gezag. Maar het ongelukkige Frankrijk verbood de Bijbel en verbande zijn discipelen. Eeuwenlang werden integere, intelligente en moreel hoogstaande mensen die de moed hadden voor hun overtuiging uit te komen en voor de waarheid wilden lijden als galeislaven gebruikt, levend verbrand of mishandeld in gevangenissen. Duizenden en nog eens dui­zenden vluchtten naar het buitenland. Tweehonderdvijftig jaar na het begin van de Hervorming was dit nog zo.

„In deze lange periode heeft bijna elke generatie de discipelen van het evangelie uit Frankrijk zien vluchten om te ontkomen aan de waanzinnige woede van hun vervolgers. Ze verrijkten de landen waar ze een toevlucht vonden met hun intelligentie, kunstzin, werklust en orde, waarin ze over het algemeen bijzonder uitblonken. Naarmate ze andere landen met hun talenten rijker maakten, werd Frankrijk armer. Als alle vluchtelingen in Frankrijk waren gebleven, als de kennis van de ballingen gedurende deze driehonderd jaar was gebruikt om de landbouw te verbeteren, als hun vakbekwaamheid tijdens deze drie eeuwen was gebruikt om Frankrijks fabrieken te vervolmaken, als hun creativiteit en hun analytische geest de letterkunde hadden ver­rijkt en de wetenschap hadden bevorderd, als hun wijsheid de instel­lingen van Frankrijk had geleid, als hun moed was gebruikt in de strijd, als hun rechtvaardigheid gestalte had gegeven aan de wetten van het land en als de godsdienst van de Bijbel de intelligentie van het volk had gescherpt en hun geweten had gevormd, zou Frankrijk van­daag een prachtig, groot, welvarend en gelukkig land en een toon­beeld voor alle volken zijn!”

„Maar door hun blind en onverbiddelijk fanatisme werden alle in­tegere mensen, alle voorvechters van orde en alle oprechte verdedi­gers van de troon van zijn grondgebied verjaagd. De mannen die hun land eer en roem zouden hebben bezorgd, moesten kiezen tussen de brandstapel of verbanning. Dit leidde tot de volledige ondergang van de staat. Men kon op de duur het geweten van de mensen niet meer aan banden leggen, geen gelovigen meer naar de brandstapel brengen, geen patriotten meer verbannen” (Wylie, b. 13, ch. 20). Het droevige resultaat was de Revolutie met al haar verschrikkingen.

„Na de vlucht van de hugenoten was er in Frankrijk een algemene crisis. Bloeiende industriesteden kwijnden weg. Vruchtbare land­bouwgebieden veranderden in een woestenij. Op een periode van ongekende bloei volgden intellectueel en moreel verval. Parijs werd één groot armenhuis. Bij het uitbreken van de Revolutie waren er naar schatting tweehonderdduizend paupers die op staatskosten leefden. Alleen de jezuïeten waren voorspoedig in dit kwijnende land en heer­sten met ijzeren hand over kerken, scholen, gevangenissen en galei­en”.

Het evangelie zou de oplossing hebben gebracht voor de politieke en sociale problemen die de geestelijkheid, de koning en de wetgevers boven het hoofd waren gegroeid en die leidden tot anarchie en onder­gang. Onder het bewind van Rome had het volk de nuttige lessen van Jezus over offervaardigheid en onbaatzuchtige liefde uit het oog ver­loren. Ze hadden het beoefenen van zelfverloochening voor het wel­zijn van anderen afgeleerd. De rijken werden niet gestraft voor de on­derdrukking van de armen en de armen zagen geen mogelijkheid om aan slavernij en vernedering te ontkomen. De zelfzucht van de rijken en machtigen werd steeds duidelijker en erger. De schraapzuchtige, immorele adel had de boerenstand eeuwenlang uitgeperst. De rijken buit­ten de armen uit en de armen haatten de rijken.

In verschillende provincies was het land volledig in bezit van de adel en waren de boeren slechts pachters die aan de willekeur van de landeigenaren waren overgeleverd en hun buitensporige eisen moes­ten nakomen. De burgerij en de volksklasse moesten de hoge rijks- en kerkbelastingen betalen om te voorzien in het onderhoud van adel en geestelijkheid.
„Het plezier van de adel was de hoogste wet. De boe­ren en landarbeiders mochten van honger sterven. Het kon hun ver­drukkers niets schelen.…. Het volk behoorde alleen oog te hebben voor de belangen van de pachtheer. De boeren moesten voortdurend zwoe­gen en zagen geen oplossing voor hun ellende. Als ze ooit durfden te klagen, werden hun klachten met onverholen minachting van de hand gewezen. Als een boer een proces tegen een edelman aanhangig maakte, gaf de rechter de edelman altijd gelijk. De justitie was boven­dien door en door corrupt. De gekste grillen van de aristocratie had­den in dit verdorven systeem kracht van wet. Van de belastingen die de burgerlijke overheid en de geestelijkheid aan het volk oplegden, kwam nog niet de helft terecht in de schatkist van de koning of van de kerk. De rest werd gebruikt om hun uitspattingen te bekostigen. De mensen die hun medeburgers op deze manier uitbuitten, hoefden nota bene geen belasting te betalen en hadden krachtens de wet of het ge­woonterecht toegang tot alle staatsambten.
De bevoorrechte standen telden honderdvijftigduizend leden. Om hun verspilling te bekostigen, waren miljoenen veroordeeld tot een uitzichtloos en miserabel le­ven”. (Zie Aanhangsel onder ‘De Volksmassa en de Bevoorrechte Standen’).

Het hof gaf zich over aan weelde en losbandigheid. Het volk wan­trouwde de leiders. Alles wat de regering deed, vonden zij verdacht, opportunistisch en zelfzuchtig. Vóór de Revolutie werd de troon meer dan vijftig jaar bezet door Lodewijk XV, die zelfs in die goddeloze tijd bekend stond als een vadsige, lichtzinnige en zinnelijke koning. Men hoefde geen profeet te zijn om te voorspellen dat de combinatie van een ontaarde, wrede aristocratie, een verpauperde, domme volks­massa, een chronisch lege schatkist en een wanhopig volk op korte termijn zou leiden tot een verschrikkelijke uitbarsting.

Wanneer de raadgevers de koning waarschuwden, zei hij altijd: „Probeer de boel maar te laten draaien zolang ik leef. Wat er na mijn dood gebeurt, laat me koud”. Ze drongen tevergeefs aan op hervormingen. Hij zag wel dat het mis liep, maar had niet de moed of de wilskracht om het tij te doen keren. De ondergang die Frankrijk te wachten stond, werd heel goed voorspeld door zijn onverschillig, egoïstisch antwoord: „Après moi le déluge!” (Na mij de zondvloed).

Rome had op de afgunst van de koningen en leidende standen ge­speculeerd om hen aan te sporen het volk te knechten. Ze wist dat de staat daardoor verzwakt zou worden en hoopte op die manier zowel de leiders als het volk tot haar slaven te maken. Rome wist heel goed dat dit het best kon gebeuren als ze hun zielen ketende en als ze hun elk verlangen naar vrijheid ontnam. Haar morele slavernij was dui­zend maal erger dan haar lichamelijke folteringen. De mensen werden beroofd van de Bijbel en waren overgeleverd aan fanatisme en egoïs­me. Ze waren dom, bijgelovig en door en door verdorven, zodat ze helemaal niet in staat waren zichzelf te besturen.

Maar het gevolg van dit alles was heel anders dan Rome zich had voorgesteld; de massa bleef haar dogma’s niet blindelings gehoorza­men, maar veranderde in een bende atheïsten en revolutionairen. Ze beschouwden het rooms-katholicisme als priesterbedrog en verwier­pen het. Ze beschouwden de geestelijkheid ook als uitbuiters. Ze ken­den maar één god; de god van Rome. Haar leer was hun godsdienst. Ze beschouwden haar schraapzucht en wreedheid als het logische ge­volg van de Bijbel en moesten er niets van hebben.

Rome had het karakter van God verkeerd voorgesteld en had Gods eisen veranderd. Het resultaat daarvan was dat men de Bijbel en zijn Schrijver verwierp. Ze had – zogenaamd uit eerbied voor de Schrift -een blind vertrouwen in haar dogma’s geëist. Als reactie daarop ver­wierpen Voltaire en zijn geestverwanten Gods Woord volledig en verspreidden overal het gif van het ongeloof.
Rome had het volk on­der haar ijzeren hiel vermorzeld. De ontaarde, verdierlijkte massa maakte toen een eind aan haar tirannie en verwierp alle beperkingen. Ze waren woedend op het mooi klinkende bedrog waar ze zó lang naar geluisterd hadden en verwierpen waarheid en leugen. De slaven van de zonde kenden geen verschil tussen vrijheid en bandeloosheid en waren dolblij om hun zogenaamde bevrijding.

Bij het uitbreken van de Revolutie kreeg het volk met toestemming van de koning een groter aantal vertegenwoordigers dan dat van de adel en de geestelijkheid samen. Ze hadden dus een numeriek over­wicht, maar konden niet met wijsheid en zelfbeheersing te werk gaan. Ze wilden het onrecht dat ze hadden geleden zo vlug mogelijk herstel­len en de samenleving een heel andere structuur geven. De woedende volksmenigte was verbitterd over de lange reeks onrechtvaardighe­den. Ze wilden een eind maken aan de ondraaglijke ellende en wilden zich ook wreken op de mensen die ze als hun uitbuiters beschouwden. De verdrukten zetten de lessen die ze tijdens de tirannie hadden ge­leerd zelf in de praktijk om en werden op hun beurt verdrukkers.

Het resultaat van de verkeerde beslissingen van dit ongelukkige land was een ongehoord bloedbad. De gevolgen van de onderwerping aan de tirannieke macht van Rome waren verschrikkelijk. Waar Frank­rijk op aansporing van Rome de eerste brandstapel bij het begin van de Hervorming had opgericht, plaatste de Revolutie haar eerste guillotine.
Op dezelfde plaats waar de eerste protestantse martelaren in de zes­tiende eeuw levend werden verbrand, werden de eerste slachtoffers in de achttiende eeuw onthoofd. Door de verwerping van het evangelie, dat de oplossing voor zijn problemen zou zijn geweest, opende Frank­rijk de deur voor het ongeloof en de ondergang. Toen men de beper­kingen van Gods wet had afgewezen, ontdekte men dat de wetten van de mens de machtigste vloedgolf van menselijke hartstochten onmo­gelijk in bedwang konden houden. Het land viel ten prooi aan opstand en wetteloosheid.
De oorlog tegen de Bijbel luidde een tijdperk in dat in de wereldgeschiedenis bekend staat als het Schrikbewind. Vrede en geluk werden uit de huizen en de harten van de mensen gebannen. Niemand was nog veilig. Wie vandaag triomfeerde, werd morgen ver­dacht en veroordeeld. Geweld en wellust waren schering en inslag.

De koning, de geestelijkheid en de adel waren overgeleverd aan de wreedheden van een waanzinnig opgewonden massa. Hun wraak­zucht werd door de terechtstelling van de koning nog aangewakkerd. Zij die het doodvonnis over hem hadden uitgesproken, werden niet lang na hem ook naar het schavot gebracht.
Er werd besloten om ie­dereen die verdacht werd van antirevolutionaire sympathieën af te slachten. De gevangenissen waren stampvol. Soms waren er meer dan tweehonderdduizend gevangenen. De steden van het rijk waren oor­den van verschrikking. De verschillende revolutionaire partijen be­streden elkaar en Frankrijk werd een groot slagveld waar woedende menigten hun lusten konden botvieren.
,,In Parijs volgden de opstan­den elkaar in snel tempo op. De bevolking was verdeeld in een aantal kampen, die hun zinnen slechts schenen te zetten op eikaars uitroei­ing”. Tot overmaat van ramp raakte Frankrijk verwikkeld in een lan­ge, verwoestende oorlog tegen de grote mogendheden van Europa. „Het land was bijna bankroet, het leger eiste achterstallige soldij op, de Parijsenaars leden honger, de provincies werden door bandieten onder de voet gelopen en de beschaving moest plaats maken voor anarchie en ontucht”.

Het volk had de wreedheden en martelingen waar Rome zich zo vaak aan had bezondigd, maar al te goed onthouden. Eindelijk kon er worden afgerekend. Nu werden de discipelen van Jezus niet in ker­kers geworpen of op brandstapels verbrand. Zij waren lang geleden vermoord, of gevlucht. Het wrede Rome voelde nu de dodelijke macht van hen die zij had opgeleid tot sadistische moordenaars.
„De geestelijkheid van Frankrijk had anderen eeuwenlang vervolgd. Nu was het haar beurt om buitengewoon wreed behandeld te worden. De schavotten dropen van het bloed van priesters. De galeien en gevan­genissen die eens werden gebruikt voor de hugenoten, werden nu vol gepropt met hun vervolgers. Rooms-katholieke geestelijken werden aan banken vastgeketend om te roeien. Ze ondervonden de ellende die hun kerk de zachtmoedige ketters zonder scrupules had aangedaan, nu aan den lijve”. (Zie Aanhangsel onder ‘Vergelding’)

„Toen kwamen de dagen dat de meest barbaarse wetten door de meest barbaarse rechtbanken werden toegepast. Niemand kon zijn bu­ren groeten of bidden….. zonder het gevaar te lopen een misdaad te be­gaan waardoor hij terechtgesteld kon worden. Overal lagen er spionnen op de loer.
Elke morgen werden er mensen aan de lopende band onthoofd met de guillotine.

De gevangenissen waren zo vol als het ruim van een slavenschip. Het bloed stroomde door de riolen naar de Seine….. Terwijl de slachtoffers op karren door de straten van Parijs werden gereden en naar de plaats van hun terechtstelling werden ge­bracht, gingen de proconsuls die door het „Comité du Salut Public” naar de verschillende departementen waren gestuurd zich te buiten aan wreedheden die zelfs in Parijs onbekend waren.
De valbijl werkte niet snel genoeg om alle gevangenen binnen de gewenste tijd af te slachten. Lange rijen veroordeelden werden met kruit en lood neergemaaid. Men liet de slachtoffers ook massaal verdrinken door gaten te maken in de bodem van stampvolle boten.
De stad Lyon werd volle­dig uitgemoord. In Atrecht werd zelfs de wrede genade van een vlug­ge dood aan de gevangenen ontzegd. Langs de Loire – van Saumur tot aan de zee – deden kraaien en wouwen zich te goed aan de afgrijselijk verstrengelde naakte lijken. Men lette niet op geslacht of ouderdom. Honderden jongens en meisjes van een jaar of zeventien werden door deze bloeddorstige regering vermoord. Zuigelingen werden van hun moeders borst weggerukt en van spies tot spies langs de jacobijnse gelederen geworpen (Zie Aanhangsel onder ‘De Gruwelen tijdens het Schrikbewind’) In de korte tijdspanne van tien jaar stierven talloze mensen een vreselijke dood.

Voor Satan verliep alles naar wens. Hij had eeuwenlang aan de voorbereiding van deze gebeurtenissen gewerkt. Hij is voortdurend uit op misleiding en volhardt in zijn pogingen de mensen ongeluk en ellende te brengen. Hij wil Gods meesterwerken ontluisteren en be­zoedelen. Altijd wil hij Gods liefde en barmhartigheid tegenwerken en op die manier de hemelbewoners verdriet aandoen. Dan verblindt hij de mensen waardoor ze God de schuld geven van Satans werk en doen alsof al deze ellende het gevolg is van de plannen van de Schep­per.
Wanneer zij die door zijn wrede macht ontaard en verdierlijkt zijn, zich hebben vrij gevochten, zet hij hen aan tot uitspattingen en gruweldaden. Tirannen en verdrukkers maken dan van de gelegenheid gebruik om er eens goed de nadruk op te leggen dat anarchie het logi­sche gevolg is van de vrijheid.

Satan zorgt altijd voor een nieuwe vermomming voor zijn dwalin­gen wanneer de mensen ze in hun oude gedaante als zodanig hebben herkend. De nieuwe vorm wordt door velen even gretig aangenomen als de oude. Toen het volk het rooms-katholicisme had ontmaskerd en hij dat middel niet meer kon gebruiken om hen Gods wet te laten overtreden, maakte hij hun wijs dat elke vorm van godsdienst bedrog is en dat de Bijbel een verzameling fabels is. Door de verwerping van Gods wet konden ze zich ongebreideld overgeven aan de ongerechtig­heid.

De fatale fout die zoveel ellende over de inwoners van Frankrijk bracht, was de miskenning van deze ene grote waarheid dat vrijheid slechts mogelijk is binnen de grenzen van Gods wet. „Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet; dan zou uw vrede zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven der zee”. „De goddelozen, zegt de HERE, hebben geen vrede”. „Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het onheil” (Jesaja 48:18,22; Spreuken 1:33).

Atheïsten, ongelovigen en afvalligen kunnen zich tegen Gods wet verzetten en haar hekelen, maar de gevolgen van hun opvattingen be­wijzen dat het welzijn van de mens afhangt van zijn gehoorzaamheid aan de goddelijke voorschriften. Zij die deze les niet uit het Woord van God willen leren, moeten maar naar de geschiedenis van de volken kijken.

Toen Satan de mensen door de bemiddeling van de rooms-katholie­ke kerk tot ongehoorzaamheid aanzette, hield hij zichzelf zó goed op de achtergrond en camoufleerde hij zijn activiteiten zó deskundig dat ze niet eens beseften dat hun ontaarding en ellende het gevolg waren van hun overtredingen. Anderzijds werd zijn macht door de werking van Gods Geest zodanig geneutraliseerd dat zijn plannen niet tot volle rijpheid konden komen. De mensen zagen geen verband tussen oor­zaak en gevolg en ontdekten de oorsprong van hun ellende niet. Tijdens de Franse Revolutie werd Gods wet echter openlijk aan de kant gezet door de Nationale Vergadering en gedurende het daarop vol­gende Schrikbewind kon iedereen oorzaak en gevolg duidelijk onder­scheiden.

Toen Frankrijk God openlijk verwierp en de Bijbel afzwoer, waren de goddelozen en de geesten der duisternis blij dat ze hun doel – een rijk dat bevrijd was van de beperkingen van Gods wet – eindelijk had­den bereikt. „Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds vol­trokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen” (Prediker 8:11).

De overtreding van een goede en rechtvaardige wet leidt echter onvermijdelijk tot ellende en onder­gang. Hoewel hun straf niet direct op hun wetsovertreding volgde, werkten ze toch aan hun eigen ondergang. Ze hadden door hun eeuwenlange afvalligheid en misdadigheid de gramschap opgestapeld te­gen de dag der vergelding. Toen de maat van hun ongerechtigheid vol was, ontdekten de verachters van God hoe verschrikkelijk het is wan­neer Gods geduld is uitgeput. Maar het was te laat.
De bescherming van de Heilige Geest, die de wrede macht van Satan aan banden legt, werd grotendeels teruggetrokken zodat hij die slechts behagen schept in de ellende van de mens zijn gang kon gaan. Zij die de rebellie had­den verkozen, moesten daar de gevolgen van dragen tot het land over­spoeld werd door gruwelen die te vreselijk zijn om te worden be­schreven.
Uit verwoeste gewesten en vernielde steden werd een vreselijk geroep, een angstkreet, gehoord. Het was alsof Frankrijk door een aardbeving was geschokt. Godsdienst, wet en orde, gezin, kerk en staat werden alle ter aarde geworpen door de goddeloze hand die zich tegen Gods wet had opgeheven. De Spreukendichter kreeg gelijk: „De goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val”. „Daar­om is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen, daar een zondaar honderdmaal kwaad doet en toch lang leeft. Noch­tans weet ik, dat het de godvrezenden wel zal gaan, omdat zij voor Hem vrezen; de goddeloze daarentegen zal het niet welgaan” (Spreu­ken 11:5; Prediker 8:12,13). „Omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEREN niet hebben verkozen (…..) zullen zij eten van de vrucht van hun wandel en verzadigd worden van hun raadslagen” (Spreuken 1:29,31).

Gods getrouwe getuigen, die werden gedood door de godslasterlij­ke macht die „uit de afgrond opkomt”, zouden niet lang zwijgen, want „na [die] drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden” (Openbaring 11:11).
In 1793 had de Nationa­le Vergadering de christelijke godsdienst afgeschaft en de Bijbel ver­boden. Drieëneenhalf jaar later nam dezelfde instelling een resolutie aan waarbij deze decreten werden ingetrokken en de Bijbel weer werd aanvaard. De wereld was verbijsterd over de omvang van het kwaad dat op de verwerping van de Bijbel was gevolgd en erkende de nood­zaak van het geloof in God en in zijn Woord als de grondslag van deugd en zeden. God zegt: „Wie hebt gij gehoond en gelasterd, en te­gen wie de stem verheven en uw ogen trots opgeslagen? Tegen de Heilige Israëls!” (Jesaja 37:23). „Daarom zie, Ik laat hen ditmaal ge­waarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: HERE” (Jeremia 16:21).

De profeet zegt over de twee getuigen ook: „En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in een wolk, en hun vijanden aanschouw­den hen” (Openbaring 11:12). Nadat Frankrijk de twee getuigen Gods bestreden had, werden ze als nooit tevoren geëerd. In 1804 werd het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap georganiseerd. Het werd op het vasteland van Europa gevolgd door gelijkwaardige instel­lingen met vele afdelingen.
In 1816 werd het Amerikaans Bijbelge­nootschap opgericht. Toen het Brits Bijbelgenootschap werd opge­richt, werd de Bijbel in vijftig talen gedrukt en verspreid. Sindsdien is de Schrift in vele honderden talen en dialecten vertaald. (Zie Aan­hangsel onder ‘De verspreiding van de Bijbel’).

Vijftig jaar vóór 1792 had men maar weinig belangstelling voor buitenlandse zending. Er werden geen nieuwe zendingsgenootschap­pen opgericht en er waren maar weinig kerken die het christendom in heidense landen wilden verspreiden. Tegen het einde van de achttien­de eeuw kwam daar echter een ingrijpende verandering in. De mensen waren het rationalisme beu en werden zich bewust van de noodzaak van Gods openbaring en een persoonlijke geloofservaring. Vanaf dat ogenblik nam de buitenlandse zending een ongekende vlucht. (Zie Aanhangsel onder ‘Buitenlandse Zending’).

Verbeteringen in de drukprocédés hebben de verspreiding van de Bijbel enorm bevorderd. De snellere verbindingen tussen verschillen­de landen, het wegvallen van oude barrières van vooroordeel en natio­nalisme en het verlies van de wereldlijke macht van de paus hebben de weg geëffend voor het Woord van God. Daardoor kon de Bijbel ongehinderd in de straten van Rome worden verkocht. De Heilige Schrift heeft nu alle bewoonde gebieden van de aarde bereikt.

De ongelovige Voltaire zei eens vol trots: „Ik heb meer dan ge­noeg van de bewering dat twaalf mannen het christendom hebben gesticht. Ik zal bewijzen dat er maar één man nodig is om het te niet te doen. Voltaire is nu al twee eeuwen dood. Miljoenen hebben deel­genomen aan de strijd tegen de Bijbel. Maar waar er in Voltaires tijd honderd exemplaren van het Woord van God waren, zijn er nu tien­duizend, ja honderdduizend. Eén van de hervormers zei: „De Bijbel is het aambeeld dat al veel hamers heeft versleten”. God zegt: „Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert zult gij in het ongelijk stellen” (Jesaja 54:17).

„Het woord van onze God houdt eeuwig stand”. „Betrouwbaar zijn al zijn bevelen, vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid” (Jesaja 40:8; Psalm 111:7,8). Alles wat op het gezag van de mens is gebouwd, zal worden vernietigd, maar wat op de rots van Gods onveranderlijk Woord is gebouwd, houdt eeuwig stand. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

De Engelse hervormers hadden de leer van de kerk van Rome wel verworpen, maar namen toch veel vormen van de rooms-katholieke eredienst over. Hoewel ze het gezag en de geloofsbelijdenis van Rome afwezen, werden vele roomse gebruiken en ceremoniën in de anglicaanse liturgie overgenomen. Ze zeiden dat dit geen geloofspun­ten waren en beweerden dat hoewel deze riten niet uitdrukkelijk door de Schrift werden opgelegd en dus niet tot de grondwaarheden be­hoorden, ze toch niet gevaarlijk waren, aangezien de Bijbel ze niet verbood. Ze waren van mening dat de naleving van deze vormen de kloof tussen de kerken van de Reformatie en de kerk van Rome zou overbruggen en ze dachten ook dat rooms-katholieken het protestan­tisme daardoor makkelijker zouden aannemen.
De conservatieven en opportunisten vonden deze argumenten overtuigend. Maar niet ieder­een dacht er zo over. Het feit dat deze gebruiken „de kloof tussen Rome en de Reformatie zouden overbruggen” (Martyn, vol. 5, p. 22) was volgens anderen een overtuigend argument tegen het behoud van deze gebruiken. Ze beschouwden ze als tekenen van de slavernij waar ze van verlost waren en waar ze zich op geen enkele voorwaarde nog aan zouden onderwerpen. Ze vonden dat God de vorm van zijn ere­dienst had vastgesteld en dat de mensen niet het recht hadden naar ei­gen goeddunken daar iets aan te veranderen. De grote afval begon toen de mens het gezag van God door dat van de kerk wilde vervan­gen. Rome schreef de mensen eerst voor wat God niet had verboden en eindigde met het verbieden van inzettingen die Hij uitdrukkelijk had bevolen.

Velen verlangden oprecht naar de zuiverheid en eenvoud van de eerste gemeente. Ze beschouwden vele van de gevestigde gebruiken van de anglicaanse kerk als een dieptepunt van afgodendienst en kon­den onmogelijk in geweten aan haar eredienst deelnemen. De kerk werd echter door de burgerlijke overheid beschermd en was buitenge­woon onverdraagzaam tegenover andersdenkenden. De mensen wa­ren wettelijk verplicht haar kerkdiensten bij te wonen en alle andere godsdienstige bijeenkomsten waren ten strengste verboden. Op het bijwonen daarvan stond gevangenis, verbanning en de doodstraf.

Aan het begin van de zeventiende eeuw zei de nieuwe koning van Engeland dat hij vastbesloten was „de puriteinen tot gehoorzaamheid te dwingen. Als ze daar niet op in gingen, zou hij er wel voor zorgen dat ze uit het land werden verdreven, of nog erger” (George Bancroft, History of the United States of America, pt. l, ch. 12, par. 6). Ze wer­den als wilde dieren opgejaagd, vervolgd en gevangen genomen. Ze hadden geen hoop op betere tijden. Velen kwamen dan ook tot de conclusie dat „Engeland nooit meer veilig zou zijn voor degenen die God volgens hun geweten wilden dienen” (J.G. Palfrey, History of New England, ch. 3, par. 43).
Sommigen besloten tenslotte naar Hol­land te vluchten. Ze hadden moeilijkheden doorstaan, materieel ver­lies geleden en waren in gevangenissen terecht gekomen. Men had ze tegengewerkt en verraden, maar dankzij hun standvastige volharding behaalden ze tenslotte toch de overwinning en vonden een veilig onderkomen in de gastvrije Republiek der Verenigde Nederlanden. Bij hun vlucht hadden ze hun huizen, bezittingen en bestaansmiddelen achtergelaten. Ze waren vreemdelingen in een vreemd land en leefden onder mensen met een andere taal en met andere zeden en gewoonten. Ze moesten hun brood verdienen door het uitoefenen van nieuwe be­roepen. Mannen van middelbare leeftijd die hun leven lang op het land hadden gewerkt, moesten noodgedwongen een vak leren. Maar ze aanvaarden enthousiast de uitdaging en verspilden geen tijd door luiheid of zelfbeklag.
Hoewel ze vaak armoede kenden, dankten ze God voor de zegeningen die Hij hun in zijn goedheid had geschonken en waren blij dat ze hun geloof in vrijheid mochten belijden. „Ze wis­ten dat ze pelgrims waren en hechtten geen grote waarde aan aardse din­gen, maar richtten hun blik naar de hemel, hun vaderland, en vonden troost” (Bancroft, vol. l, ch. 12,par. 15).

Ondanks verbanning en ontberingen groeiden ze in geloof en lief­de. Zij vertrouwden op Gods beloften en Hij kwam hen steeds te hulp in hun nood. Toen God hun een land aanwees aan de andere kant van de oceaan, waar ze een eigen staat konden stichten en hun kinderen de kostbare erfenis van de godsdienstvrijheid konden nalaten, sloegen ze zonder aarzelen het pad in dat God voor hen gekozen had.

God had de beproevingen toegelaten om zijn volk voor te bereiden op de verwezenlijking van het plan dat Hij met hen had. De gemeente was vernederd, opdat ze weer verhoogd zou kunnen worden. God stond op het punt zijn macht te gebruiken om de wereld voor de zo­veelste maal te bewijzen dat Hij degenen die hun vertrouwen in Hem stellen, niet in de steek laat. Hij leidde de omstandigheden zó dat de woede van Satan en de plannen van slechte mensen zouden bijdragen tot Gods eer en zijn volk in veiligheid zouden brengen. Vervolging en verbanning openden de weg naar de vrijheid.

Toen de puriteinen zich verplicht zagen niet langer deel uit te ma­ken van de anglicaanse kerk sloten zij een plechtig verbond: ze wil­den als Gods vrije kinderen „met zijn allen wandelen op alle wegen die Hij hun had gewezen en zou wijzen” (J. Brown, The Pilgrim Fathers, p. 74).
De Pilgrim Fathers hadden de ware geest van de Her­vorming en kenden het grondbeginsel van het protestantisme. Met deze geest bezield vertrokken de Pelgrims uit Holland om een nieuw bestaan in de Nieuwe Wereld op te bouwen. God leidde alles zó dat John Robinson, hun predikant, niet met hen vertrok. Hij sprak de bal­lingen bij hun vertrek echter wel toe:

„Broeders, binnenkort gaan we uit elkaar en God alleen weet of ik jullie ooit zal terugzien. Maar wat Hij ook beslist, het is altijd goed. Ik wil jullie echter voor God en zijn heilige engelen zeggen dat jullie mij alleen mogen volgen in datgene waarin ik Christus heb gevolgd. Als God jullie iets door één van zijn andere boodschappers openbaart, moeten jullie even bereid zijn het te aanvaarden als de waarheid die ik jullie verkondigd heb. Ik ben er immers van overtuigd dat God nog meer waarheid en licht in zijn heilig Woord voor ons heeft (Martyn, vol. 5, p. 70).

„Ik betreur de geestelijke toestand van de protestantse kerken ten zeerste. Ze hebben enkele belangrijke hervormingen ingevoerd, maar willen nu niet verder gaan dan hun voorgangers. De lutheranen willen geen stap verder zetten dan Luther… Zoals u heeft kunnen vaststellen zijn de calvinisten blijven staan op de plaats waar de grote hervormer, die ook niet alles heeft ingezien, was gekomen. Dit is erg jammer, want deze hervormers waren in hun tijd wel brandende lampen, maar hebben niet al het licht van God ontvangen. Als ze nu leefden, zouden ze zeker bereid zijn nog meer licht aan te nemen” (D. Neal, History of the Puritans, vol. 1, p. 269).

„Denk aan uw verbond met de gemeente. U heeft beloofd te zullen wandelen op alle wegen die God ons toont of nog zal tonen. Denk aan uw belofte en aan uw verbond met God en met uw broeders. U heeft beloofd dat u al het licht en al de waarheid uit zijn geschreven Woord zult aannemen. Maar let vooral op hetgeen u als waarheid aanneemt. Vergelijk het met andere teksten voordat u het aanvaardt, want het is gewoon ondenkbaar dat het christendom, dat nog maar pas uit de dichte geestelijke duisternis komt, nu al tot de volmaakte kennis der waarheid is gekomen” (Martyn, vol. 5, pp. 70,71).

De Pelgrims trotseerden de gevaren van de lange zeereis en de ont­beringen en gevaren van onontgonnen gebieden omdat ze de gewe­tensvrijheid op prijs stelden. Ze waren bereid deze prijs te betalen om met Gods zegen in Amerika de grondslagen te leggen voor een groot land. Ondanks hun oprechtheid en godsvrucht hadden de Pel­grims echter nog niet begrepen wat godsdienstvrijheid eigenlijk betekent. Ze waren niet bereid deze vrijheid waar ze zelf zoveel voor hadden opgeofferd aan anderen te gunnen. „Zeer weinigen hadden de juiste opvatting over het belangrijke, nieuwtestamenti­sche beginsel dat God alleen het geloof van de mens kan beoorde­len. Zelfs de grootste denkers en moralisten van de zeventiende eeuw waren slechts zelden een uitzondering op deze regel” (Ibid., vol. 5, p. 297).
De bewering dat God zijn kerk het recht heeft ge­geven om het geweten van de gelovigen aan banden te leggen en dat ze mag bepalen wat als ketterij moet worden beschouwd, is één van de hardnekkigste dwalingen van het pausdom.
De hervor­mers verwierpen wel het rooms-katholieke geloof, maar waren zelf niet altijd even verdraagzaam. De dichte duisternis waarin het pausdom gedurende zijn lange overheersing de hele christelijke wereld had gehuld, was zelfs toen niet helemaal verdreven. Eén van de be­langrijkste predikanten van de kolonie aan de Massachusetts Bay ver­klaarde: „Verdraagzaamheid is de oorzaak van geloofsafval. De kerk heeft nooit nadeel ondervonden van de bestraffing van ketters” (Ibid., vol. 5, p. 335).
De kolonisten bepaalden dat alleen leden van de kerk inspraak mochten hebben in burgerlijke aangelegenheden. Er werd een soort staatskerk gevormd en alle mensen moesten bijdragen tot het onderhoud van de geestelijkheid. Er werden rechters aangesteld om ketters te vervolgen. Op die manier had de kerk ook de burgerlijke macht in handen. Het onvermijdelijke gevolg van zo’n toestand liet dan ook niet lang op zich wachten: er braken weer vervolgingen uit.

Elf jaar na de vestiging van de eerste kolonie kwam Roger Wil­liams naar de Nieuwe Wereld. Zoals de eerste Pelgrims wilde ook hij in een land leven waar godsdienstvrijheid was. Maar in tegenstelling tot de Pelgrims en de meeste van zijn tijdgenoten geloofde hij dat deze vrijheid het onvervreemdbare recht was van ieder mens, onge­acht zijn geloof. Hij zocht oprecht naar waarheid en dacht zoals Robinson dat de christenen onmogelijk reeds al het licht uit Gods Woord hadden ontvangen.
„Williams was de eerste in de moderne christelijke wereld die gewetensvrijheid en de gelijkheid van alle overtuigingen voor de wet als de grondslag van het burgerlijk ge­zag beschouwde” (Bancroft, pt. 1, ch. 15, par. 16). Hij zei dat het de plicht van de overheid was misdadigers te straffen, maar vond dat ze niet het recht had het geweten aan banden te leggen. Hij verklaarde: „Het volk of de overheid mag beslissen wat men aan zijn medemens verschuldigd is, maar als ze godsdienstige ver­plichtingen willen opleggen, gaan ze hun boekje te buiten en kan er geen veiligheid zijn. Het is immers duidelijk dat als de overheid zich dat recht zou toeeigenen, ze vandaag standpunten zou kun­nen opdringen, die ze morgen met even groot gemak kan herroe­pen, zoals verschillende Engelse koningen en koninginnen en ver­schillende pausen en concilies van de rooms-katholieke kerk hebben gedaan. Op die manier wordt het geloof een speelbal van hun grillen en willekeur” (Martyn, vol. 5, p. 340).

Als men de diensten van de erkende kerk niet bijwoonde, kreeg men een boete of gevangenisstraf. „Williams was een tegenstander van die wet. Hij vond haar de slechtste bepaling van het Engelse wet­boek omdat het de mensen verplichtte een dienst in de parochiekerk bij te wonen. Hij beschouwde de verplichting om met andersdenken­den samen te komen als een flagrante schending van de onvervreemd­bare persoonlijke vrijheid. Hij vond dat als men ongelovigen en onwilligen dwong om toch een kerkdienst bij te wonen, men alleen de schijnheiligheid in de hand werkte…… Men mag de mensen niet dwin­gen naar de kerk te gaan of hen verplichten een bepaalde kerk te steu­nen’, zei hij. „Wat!!!” zeiden zijn tegenstanders, die zijn standpunten verwerpelijk vonden,’ is de arbeider zijn loon niet waardig?’ ‘Ja’, ant­woordde hij, ‘op voorwaarde dat hij betaald wordt door degenen die hem in dienst nemen'” (Bancroft, pt. 1, ch. 15, par. 2).

Roger Williams stond in hoog aanzien en was geliefd omdat hij een oprecht predikant en een buitengewoon begaafd, integer en edelmoe­dig mens was. Maar men kon zijn hardnekkig verzet tegen burgerlijke inmenging in kerkelijke aangelegenheden en zijn vurig pleidooi voor godsdienstvrijheid niet verdragen. Zijn tegenstanders beweerden dat deze nieuwe leer „een gevaar was voor wet en orde” (Ibid., pt. 1, ch. 15, par. 10).
Op rechterlijk bevel moest hij uit de kolonies worden ver­bannen. Hij wilde niet gevangen genomen worden en moest daarom noodgedwongen in het hartje van de winter naar de wildernis vluch­ten.

Hij schreef over deze periode: „Veertien weken lang moest ik vre­selijke kou en stormen trotseren. Ik had geen voedsel en geen schuil­plaats.” Maar „de raven voedden mij in de wildernis” en vaak vond hij een schuilplaats in een holle boom. (Martyn, vol. 5, pp. 349, 350). Zo zette hij zijn moeizame vlucht verder door de sneeuw en de on­doordringbare bossen tot hij door een indiaanse stam werd opgeno­men. Hij had hun vertrouwen en genegenheid gewonnen toen hij hun het evangelie wilde verkondigen.

Na maanden bereikte hij tenslotte de Narragansett Bay. Hij stichtte de eerste staat uit de nieuwe geschiedenis die het recht op gewetens­vrijheid in de volste betekenis van het woord erkende. Het grondbegin­sel van Roger Williams’ kolonie luidde: „Iedereen heeft het recht God volgens zijn eigen geweten te dienen” (Ibid., vol. 5, p. 354).
Zijn klei­ne staat, Rhode Island, werd een toevluchtsoord voor de verdrukten, het breidde zich uit en bloeide dankzij zijn grondbeginselen – burger­rechten en godsdienstvrijheid – die later de hoekstenen van de Ameri­kaanse republiek werden.

De stichters van de republiek hebben de rechten van de burgers in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring opgesomd: „Wij be­schouwen deze waarheden als vanzelfsprekend; alle mensen zijn ge­lijk geschapen en hun Schepper heeft hun enkele onvervreemdbare rechten, zoals het recht op leven, vrijheid en geluk geschonken.” De Amerikaanse Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op gewe­tensvrijheid: „Er zal in de Verenigde Staten nooit een bewijs van godsdienstige overtuiging moeten worden voorgelegd voor de uit­oefening van een openbaar ambt.”
„Het Congres mag geen wetten maken die een godsdienst erkennen of de godsdienstvrijheid aan ban­den leggen.”

„De mannen die de Grondwet opstelden, erkenden het eeuwige be­ginsel dat de relatie tussen de mens en zijn God niet door menselijke wetten kan worden geregeld en dat het recht op gewetensvrijheid on­vervreemdbaar is. Men hoefde niet lang te argumenteren om tot deze waarheid te komen, want we zijn ons daar in het diepst van ons wezen van bewust. Deze overtuiging heeft aan zoveel martelaren, ondanks de folteringen en de vlammen, kracht gegeven. Ze geloofden dat ze God meer moesten gehoorzamen dan de mensen en ze wisten dat de mens geen macht heeft over het geweten. Niets kan dit aangeboren beginsel te niet doen” (Congressional documents (U.S.A.), serial no. 200, document no. 271).

Toen men in Europa hoorde dat er een land was waar iedereen van de vruchten van zijn eigen arbeid kon genieten en waar de gewetens­vrijheid erkend werd, kwamen duizenden mensen naar de Nieuwe Wereld. De kolonies namen snel in aantal toe. „Massachusetts had een speciale wet goedgekeurd waarin christenen van alle nationalitei­ten die de Atlantische Oceaan wilden oversteken ‘om te ontkomen aan oorlog, aan hongersnood of aan de verdrukking van hun vervolgers’ welkom werden geheten. Deze wet bepaalde ook dat de staat hun op kosten van de gemeenschap steun zou verlenen. Door deze wettelijke regeling werden de vluchtelingen en verdrukten gastvrij door het volk ontvangen” (Martyn, vol. 5, p. 417). Twintig jaar na de eerste landing te Plymouth hadden evenveel duizenden Pelgrims zich in New England gevestigd.

Ter wille van de vrijheid „waren ze bereid bitter weinig te verdie­nen, uiterst spaarzaam te zijn en erg hard te werken. Ze waren al blij als de grond hun in ruil voor hun arbeid een redelijke opbrengst gaf. Ze vleiden zich niet met ijdele hoop…..Ze namen genoegen met de langzame, maar gestadige vooruitgang van hun gemeenschap. Ze ver­droegen geduldig alle ontberingen van de wildernis, bevochtigden de boom der vrijheid met hun tranen en met het zweet van hun aanschijn tot zijn wortels diep in de grond doordrongen.”

Ze beschouwden de Bijbel als het fundament van hun geloof, de bron van wijsheid en het handvest van hun vrijheid. De Bijbelse beginselen werden thuis, op school en in de kerk onderwezen en de resultaten van dit onderwijs waren; spaarzaamheid, wijsheid, reinheid en matigheid. Ook al woonde men jaren in een nederzet­ting van de puriteinen, „nooit kwam men een dronkaard of bede­laar tegen en nooit hoorde men vloeken” (Bancroft, pt. 1, ch. 19, par. 25). Dit bewijst dat de grondbeginselen van de Bijbel de grootste waarborg voor nationale grootheid zijn.
De kolonies wa­ren in het begin zwak en ze lagen afgezonderd, maar werden later een machtige statenbond. Met verbazing keek de wereld naar de vrede en voorspoed van „een kerk zonder paus en een staat zon­der Koning”.
Maar er kwamen steeds meer mensen naar Amerika die heel andere bedoelingen hadden dan de eerste Pelgrims. Hoewel het geloof en het hoogstaand morele peil uit de beginjaren nog enige tijd grote invloed op alle lagen van de bevolking uitoefenden, verminderde die naarma­te er meer mensen aankwamen die alleen materieel voordeel zochten.

De eerste kolonisten hadden bepaald dat alleen kerkleden stemrecht hadden en een openbaar ambt mochten bekleden. Deze regeling had zeer funeste gevolgen. Ze was bedoeld om de integriteit van de staat te garanderen, maar leidde tot de morele uitholling van de kerk. Daar men moest bewijzen dat men lid van een kerk was als men stemrecht of een openbare functie wilde hebben, werden velen die alleen mate­rialistische bedoelingen hadden lid van de kerk zonder dat ze nieuwe mensen waren geworden. Op die manier waren er tenslotte vooral onbekeerden in de kerk. Zelfs onder de predikanten waren er mensen die niet alleen allerlei dwalingen geloofden, maar ook de vernieuwende kracht van de Heilige Geest niet in hun leven hadden ervaren.
Zoals reeds vaker in de geschiedenis van de kerk sinds de tijd van Constantijn was gebleken, kon men ook nu weer vaststellen hoe rampzalig het is wanneer men de kerk met staatssteun wil opbou­wen en een beroep doet op het wereldlijk gezag ter ondersteuning van het evangelie van Jezus, die gezegd had: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld” (Johannes 18:36). Het samengaan van Kerk en Staat zal zelfs wanneer de band tussen beide heel los is misschien de indruk wekken dat de wereld tot de kerk wordt be­keerd, maar in werkelijkheid wordt de kerk tot de wereld be­keerd.

Robinson en Roger Williams hadden het belangrijke beginsel dat er steeds weer nieuwe aspecten van de waarheid ontdekt zullen worden en dat de christen bereid moet zijn al het licht dat uit Gods Woord schijnt aan te nemen heel knap verdedigd, maar de mensen die na hen kwamen verloren dit uit het oog. Zowel de protestantse kerken van Amerika als die van Europa, die het voorrecht hadden de zegeningen van de Reformatie te mogen ontvangen, hebben de hervorming niet voortgezet.
Van tijd tot tijd zijn er wel enkele getrouwe mannen ge­weest die een nieuw aspect van de waarheid aan het licht brachten en oude, algemeen aanvaarde dwalingen bestreden, maar de meesten wa­ren zoals de Joden in de tijd van Christus of zoals de rooms-katholie­ken in Luthers dagen al tevreden als ze hetzelfde geloof als hun ou­ders hadden en hetzelfde leven konden leiden als zij. Daardoor ontaardde de godsdienst weer tot een kwestie van vormen, bleef men geloof hechten aan dwalingen en volhardde men in bijgelovige prak­tijken die zeker zouden zijn verworpen als de gemeente in het licht van Gods Woord was blijven lopen.
Op die manier ging de geest die de hervormers bezielde verloren en kwam het zelfs zo ver dat de protes­tantse kerken bijna evenveel behoefte aan een hervorming hadden als de rooms-katholieke kerk in de tijd van Luther. De mensen waren even we­relds en de geestelijke malaise was even groot. Men had dezelfde eerbied voor menselijke opvattingen en men had theorieën van mensen in de plaats van Gods Woord gesteld.

De grote verspreiding van de Bijbel in het begin van de negentien­de eeuw en het heldere licht dat daardoor in de wereld scheen, werd niet gevolgd door een even grote groei in de kennis der waarheid of in het geestelijk leven. Satan kon Gods Woord niet meer als vroeger voor de mensen verborgen houden; iedereen kon het nu lezen. Om zijn doel te bereiken zorgde hij er echter voor dat velen op de Bijbel neerkeken. De mensen deden geen moeite om de Bijbel te onderzoe­ken; ze namen dan ook allerlei verkeerde verklaringen aan en geloof­den in tal van leerstellingen die elke bijbelse grond missen.

Toen Satan merkte dat hij de waarheid niet door vervolgingen kon uitroeien, nam hij weer zijn toevlucht tot compromissen. Deze tactiek had al tot de grote afval en tot het ontstaan van de kerk van Rome geleid. Hij spoorde christenen aan om nu niet met heidenen op te trekken, maar met mensen die door hun liefde voor alles van deze we­reld even grote afgodendienaren bleken te zijn als de mensen die ge­sneden beelden aanbaden. De gevolgen van dit bondgenootschap wa­ren even rampzalig als in het verleden; onder de dekmantel van de godsdienst werden hoogmoed en overdaad bevorderd en sloop het verval de kerk binnen. Satan zette zijn ondermijnend werk voort; hij vervalste de leer van de Bijbel; overleveringen die miljoenen mensen in het verderf stortten, beheersten de geesten. De kerk ijverde niet voor „het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”, maar steunde en verdedigde deze overleveringen. Op deze wijze werden de beginselen waar de hervormers zoveel strijd voor geleverd hadden en zoveel voor hadden geleden, ontluisterd. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

De wederkomst van Christus om het verlossingswerk te voltooien is één van de plechtigste en mooiste openbaringen van de Bijbel. Gods pelgrimsvolk, dat al zó lang zwerft „in het land en [in] de scha­duw des doods”, leeft in „de zalige hoop” en kijkt vol blijdschap uit naar de verschijning van Christus, die „de opstanding en het leven” is en zijn volgelingen naar „het huis zijns Vaders” zal brengen. De leer van de wederkomst van Christus is de belangrijkste boodschap van de Bijbel.
Sinds de dag dat het eerste mensenpaar teleurgesteld het para­dijs moest verlaten, hebben alle ware gelovigen uitgezien naar de komst van de Verlosser, die de macht van de vernieler zou breken en hun het verloren paradijs zou teruggeven.

Heilige mannen hebben in het verleden de komst van de Messias „in heerlijkheid” beschouwd als de vervulling van hun verwachtingen. Henoch, die behoorde tot de zevende generatie na Adam en drie eeuwen lang met God op aarde wandelde, mocht de komst van de Verlosser van verre aanschouwen. Hij profeteerde: „Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tien dui­zenden, om over allen de vierschaar te spannen” (Judas 14,15).
De patriarch Job riep in de nacht van zijn beproeving met onwankelbaar vertrouwen uit: „Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde” (Job 19:25-27).

De wederkomst van Christus om zijn Koninkrijk van gerechtigheid op te richten, heeft de bijbelschrijvers geïnspireerd tot de meest ver­heven en enthousiaste uitspraken. De dichters en profeten van de Bij­bel hebben over dit onderwerp geschreven met woorden die gloeiden van hemels vuur. De dichter van de psalmen heeft de macht en de majesteit van Israëls Koning bezongen: „Uit Sion, de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans. Onze God komt en zal niet zwijgen… Hij roept tot de hemel daarboven, en tot de aarde om zijn volk te richten” (Psalm 50:2-4). „De hemel verheuge zich, de aarde juiche… voor de HERE, want Hij komt, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in zijn trouw” (Psalm 96:11-13).

De profeet Jesaja zei: „Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven”. „Hij zal voor eeuwig de dood vernie­tigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwassen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblij­den over de verlossing die Hij geeft” (Jesaja 26:19; 25:8,9).


Habakuk zag Christus’ verschijning in een visioen: „God komt van Teman en de Heilige van het gebergte Paran. Zijn majesteit bedekt de hemelen, en de aarde is vol van zijn lof. Er is een glans als van zon­licht, lichtstralen heeft Hij aan zijn zijde”. „Hij staat en doet de aarde schudden; Hij ziet rond en doet de volken van schrik opspringen, de aloude bergen liggen verpletterd, de eeuwige heuvelen zinken ineen; de eeuwenoude wegen zijn zijne”. „Gij rijdt op uw paarden en op uw zegewagens”. „De bergen zien U, zij beven… de watervloed verheft zijn stem, hij steekt zijn handen omhoog. De zon, de maan treden te­rug in haar woning, wegens het licht van uw voortsnellende pijlen, wegens de glans uwer bliksemende speer”. „Gij trekt uit tot redding van uw volk, tot redding van uw gezalfde” (Habakuk 3:3,4,6,8,10,11,13).

Kort vóór Christus van zijn discipelen wegging, troostte Hij hen in hun verdriet met de verzekering dat Hij zou terugkomen: ,,Uw hart worde niet ontroerd… in het huis mijns Vaders zijn vele woningen… Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben” (Johannes 14:1-3). „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de vol­ken zullen vóór Hem verzameld worden” (Matteüs 25:31,32).

De engelen die na de hemelvaart van Christus even op de Olijfberg achterbleven, herinnerden de discipelen aan de belofte van zijn we­derkomst: „Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen” (Handelingen 1:11). Paulus schreef onder inspiratie van de Heilige Geest: „De Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsen­gel en bij het geklank ener bazuin Gods nederdalen van de hemel” (l Tessalonicenzen 4:16). De ziener van Patmos zegt in dit verband: „Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien” (Openbaring 1:7).

Christus’ wederkomst is nauw verbonden met de heerlijkheid „van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher” (Handelingen 3:21). Dan zal er een eind komen aan de eeuwenoude heerschappij van het kwaad. “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” (Openbaring 11:15). „En de heerlijkheid des HEREN zal zich openbaren en al het levende tezamen zal dit zien”. „De Here HERE zal gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor het oog van alle vol­ken”. Hij zal „een sierlijke kroon en een prachtige diadeem zijn voor de rest van zijn volk” (Jesaja 40:5; 61:11; 28:5).

Dan zal het lang verwachte Vrederijk van de Messias „onder de ganse hemel” worden opgericht… „De HERE troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des HEREN”.
„De heerlijkheid van de Libanon is haar ge­geven, de luister van de Karmel en van Saron”. „Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: “Woeste­nij; maar gij zult genoemd worden: „Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde”. „Zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden” (Jesaja 51:3; 35:2; 62:4,5).

In alle eeuwen is de wederkomst van Christus de zalige hoop van zijn ware volgelingen geweest. De belofte van Jezus toen Hij van de Olijfberg ten hemel steeg dat Hij zou terugkomen, heeft de toekomst voor zijn discipelen doen lichten en heeft hun hart vervuld met vreug­de en hoop, die niet door verdriet of beproevingen konden worden overschaduwd. Te midden van lijden en vervolgingen verwachtten zij „de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus”.
Toen de gelovigen van Tessalonica treurden om de dood van hun geliefden, die hadden gehoopt dat Christus nog tijdens hun leven zou terugkeren, wees Paulus hen op de opstanding die zou plaatsvinden bij de wederkomst. Dan zullen zij die in Christus gestorven zijn opstaan en samen met de levenden op de wolken worden weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht. „En zo zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden” (l Tessalonicenzen4:16-18).

Op het rotsachtige eiland Patmos hoorde de geliefde discipel de be­lofte: „Ja, Ik kom spoedig”. In zijn hoopvol antwoord, „Amen, kom, Here Jezus!”, ligt het gebed van de gemeente op haar lange pelgrims­tocht besloten (Openbaring 22:20).

Vanuit de kerkers, van op de brandstapel en het schavot, waar heili­gen en martelaren de waarheid hebben verdedigd, weerklinkt hun ge­tuigenis van geloof en hoop door de eeuwen heen! „Daar ze over­tuigd waren van Christus’ persoonlijke opstanding, en dus ook van het feit dat zij bij zijn wederkomst uit de doden zullen opstaan, ver­achtten ze de dood en waren ze helemaal niet bang om te sterven” (Daniel T. Taylor, The Reign of Christ on Earth: or, The Voice of the Church in All Ages, p. 33).
Ze waren bereid in het graf te dalen, want ze zouden er „als vrijgemaakte mensen” uit opstaan (Ibid., 54). Zij verwachtten „de wederkomst van Christus op de wolken des hemels met de heerlijkheid van de Vader om het Koninkrijk aan de verlosten te geven”.
De Waldenzen hoopten dit ook (Ibid., pp.129-132). Wyclif beschouwde de komst van de Verlosser als de hoop van de gemeente (Ibid., pp. 132-134). Luther zei: „Ik ben ervan overtuigd dat wij nog geen driehonderd jaar van de dag des oordeels verwijderd zijn. God wil en kan deze boze wereld niet langer dulden”. „De grote dag van de vernietiging van het koninkrijk der gruwelen nadert snel” (Ibid., pp. 158,134).

„Deze oude wereld nadert haar einde”, zei Melanchton. Calvijn spoorde de christenen aan „niet te aarzelen, maar vurig naar de dag van Christus’ wederkomst te verlangen als de heerlijkste gebeurtenis” en zei dat „alle gelovigen het oog gericht moesten houden op die dag”. „Wij moeten naar Christus hunkeren, wij moeten Hem zoeken en over Hem nadenken tot de dageraad van de grote dag, wanneer onze Heer de heerlijkheid van zijn koninkrijk ten volle zal openba­ren”, zei hij (Ibid., pp. 158,134).

Knox, de hervormer van Schotland, drukte zich als volgt uit: „Is de Here Jezus niet met ons lichaam ten hemel gevaren en zal Hij niet we­derkomen? Wij weten dat Jezus zal terugkomen en dat Hij niet op Zich zal laten wachten”. Ridley en Latimer, die voor de waarheid zijn gestorven, zagen in geloof uit naar de wederkomst van Christus.
Rid­ley zei: „De wereld gaat ongetwijfeld haar einde tegemoet. Dit is mijn vaste overtuiging en daarom schrijf ik het. Laten wij met Johannes, de dienaar van God, met volle overtuiging tot Jezus zeggen: ‘Kom, Here Jezus, kom spoedig'”(Ibid., pp. 151,145).

„De gedachte van de wederkomst is mij zeer dierbaar”, zei Richard Baxter (Richard Baxter, Works, vol. 17, p. 555). „Als wij zijn verschij­ning liefhebben en uitzien naar die zalige hoop bewijzen wij dat wij geloven en zijn heiligen zijn”. „Als wij beseffen dat de dood de laatste vijand is die bij de opstanding wordt overwonnen, zullen de gelo­vigen vurig verlangen naar en bidden om de wederkomst van Chris­tus, wanneer deze volledige, uiteindelijke overwinning zal worden be­haald” (Ibid., vol. 17, p. 500).
„Dit is de dag waar alle gelovigen naar moeten verlangen, waar ze op moeten hopen en waar ze naar moeten uitzien als de voltooiing van hun verlossing en de vervulling van al hun verlangens en verwachtingen”. „O, Here, laat deze gezegende dag vlug aanbreken!” (Ibid., vol. 17, pp. 182, 183). Dit was de hoop van de apostolische gemeente, van de gemeente in de woestijn en van de hervormers.

De profetie voorzegt niet alleen de manier waarop de wederkomst zal plaatsvinden en het doel van die gebeurtenis, maar geeft ook teke­nen waardoor de mensen kunnen weten dat die komst nabij is. Jezus zei: „En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren” (Lucas 21:25). „Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduis­terd worden en de maan zal haar glans niet geven. En de sterren zul­len van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid” (Marcus 13:24-26).
Johannes geeft de volgende beschrijving van de eerste tekenen die aan de wederkomst van Christus voorafgaan: „En daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed” (Openbaring 6:12).

Deze tekenen verschenen vóór het begin van de negentiende eeuw. Zoals de profetie had voorzegd, deed zich in 1755 de ergste aardbe­ving voor die tot op dat ogenblik was voorgekomen. Hoewel deze aardbeving bekend staat als „de aardbeving van Lissabon”, werd ook een groot deel van Europa, Afrika en Amerika getroffen. De schok werd gevoeld in Groenland, de West-Indische eilanden, op het eiland Madeira, in Noorwegen en Zweden, Groot-Brittannië en Ierland; een oppervlakte van meer dan vier miljoen vierkante mijl. Een groot deel van Algiers werd verwoest en vlakbij de grens met Marokko werd een dorp van acht- tot tienduizend inwoners verzwolgen. Een gewel­dige vloedgolf spoelde over de kusten van Spanje en Afrika waardoor hele steden werden meegesleurd en een verschrikkelijke verwoesting werd aangericht. Maar de aardbeving was het zwaarst in Spanje en Portugal.
De vloedgolf die Cadiz bereikte zou achttien meter hoog zijn geweest. „Enkele van de hoogste bergen van Portugal beefden op hun fundamenten en enkele bergtoppen werden op een spectaculaire manier opengereten, terwijl er vele kolossale rotsblokken in de aan­grenzende dalen werden geslingerd. Volgens de berichten schoten er vlammen uit de opengescheurde bergen omhoog” (Sir Charles Lyell, Principles of Geology, p. 495).

In Lissabon „werd de aardbeving voorafgegaan door ondergronds gerommel. Onmiddellijk daarna stortte het grootste deel van de stad in onder een zware schok. In zes minuten tijd kwamen zestigduizend mensen om het leven. De zee liep eerst terug, zodat een deel van de zeebodem bloot kwam te liggen. Toen kwam er ineens een vloedgolf aanrollen die zeker vijftien meter hoger was dan de normale zeespie­gel”. „Een van de andere buitengewone gebeurtenissen die zich bij de ramp in Lissabon voordeden, was het instorten van een nieuwe marmeren kade die pas af was en een hoop geld had gekost. Zeer veel mensen waren daar samengestroomd, omdat ze dachten dat ze daar tenminste veilig zouden zijn voor het neerstortende puin; maar de kade zakte met alle mensen weg. Men heeft geen enkel lichaam ooit teruggevonden” (Ibid., p. 495). „Na de schok van de aardbeving stortten alle kerken en kloosters, bijna alle grote openbare gebouwen en meer dan één vierde van de woonhuizen in.

Ongeveer twee uur na de aardbeving brak er op ver­schillende plaatsen brand uit, die bijna drie dagen met zeer grote he­vigheid woedde en de stad in een smeulende puinhoop veranderde. De aardbeving vond plaats op een godsdienstige feestdag, toen de kerken en kloosters vol waren. Slechts enkelen konden aan de dood ontsnappen’ [Encyclopedia Americana, art. „Lisbon”, noot (ed. 1831)].
„De angst van de mensen was onbeschrijfelijk. Niemand huil­de. Men kon gewoon niet huilen. De mensen liepen als waanzinnigen van de ene plaats naar de andere. Ze waren hysterisch van angst en ontzetting, sloegen zich van wanhoop op het hoofd en op de borst en riepen: ‘Misericordia! Het einde van de wereld!’
Moeders lieten hun kinderen in de steek en renden door de straten met kruisbeelden in de hand. Ongelukkig genoeg zochten velen een schuilplaats in de ker­ken, waar men het heilig sacrament ter aanbidding had opengesteld. Maar ook dit mocht niet baten. De ongelukkigen omhelsden de alta­ren tevergeefs. Beelden, priesters en mensen werden onder het puin bedolven”. Ongeveer negentigduizend mensen verloren op die ramp­zalige dag het leven. Vijfentwintig jaar later verscheen het teken dat volgens de profetie op de aardbeving zou volgen: de verduistering van de zon en de maan. Deze gebeurtenis was des te opvallender omdat het tijdstip van haar vervulling precies was aangegeven.

Tijdens het gesprek van Jezus met zijn discipelen op de Olijfberg noemde Christus na zijn beschrijving van de lange periode van Beproevingen voor de gemeente – de 1260 jaar van pauselijke vervolgingen, waar­van Hij had beloofd dat ze zouden worden ingekort – enkele gebeurte­nissen die aan zijn wederkomst zouden voorafgaan en gaf Hij de tijd aan wanneer het eerste van deze tekenen te zien zou zijn: „Maar in die dagen, na die verdrukking zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven” (Marcus 13:24).
De 1260 profetische dagen of evenveel kalenderjaren eindigden in 1798. De vervolgingen waren 25 jaar eerder zo goed als afgelopen. Christus had gezegd dat de zon na deze verdrukking zou worden verduisterd. Deze profetie ging op 19 mei 1780 in vervulling.

Een van de merkwaardigste verschijnselen – misschien zelfs het ge­heimzinnigste in zijn soort – is „de donkere dag van 19 mei 1780′, waar men tot nu toe geen verklaring voor heeft gevonden; de hemel en de atmosfeer van New England werden op die dag totaal verduis­terd” (R.M. Devers, Our First Century, p. 89).
Een ooggetuige in Massachusetts beschrijft de verduistering als volgt: „’s Morgens kwam de zon helder op, maar verdween kort daar­na achter de wolken. De wolken werden zwaarder en onheilspellend zwart. Plotseling bliksemde en donderde het. Het begon zachtjes te regenen. Tegen negen uur werden de wolken minder zwaar; ze wer­den koperkleurig en gaven de aarde, de rotsen, de bomen, de huizen, het water en de mensen een vreemd, luguber voorkomen. Enkele mi­nuten later werd de hemel over de hele breedte bedekt door een zware wolk, behalve een smalle strook aan de horizon. Het was zo donker als op een zomeravond om negen uur…”

„De mensen werden doodsbang. Vrouwen stonden in de deurope­ning te kijken naar het lugubere schouwspel. Mannen keerden terug van hun werk op het land. De timmerman legde zijn gereedschap neer, de smid verliet zijn smidse en de winkelier zijn toonbank. De scholen werden gesloten en de kinderen renden angstig naar huis. Reizigers zochten onderdak in de dichtstbijgelegen boerderij. „Wat krijgen we nou?”, vroeg iedereen zich af. Het was alsof een orkaan over het land zou razen of dat de laatste dag was aangebroken.”

„Er werden kaarsen aangestoken en het vuur in de haard brandde zo helder als op een herfstavond wanneer de maan niet schijnt. De kippen gingen op stok, de koeien kwamen samen bij de hekken van de wei en loeiden, de kikkers kwaakten, de vogels floten en de vleer­muizen fladderden door de lucht. Alleen de mens wist dat het nog geen nacht was…

„Dr. Nathanael Whittaker, predikant van de Tabernakelkerk te Sa­lem, leidde een kerkdienst en zei in zijn preek dat de duisternis van bovennatuurlijke oorsprong was. Op vele andere plaatsen werden er ook kerkdiensten gehouden. Voor deze gelegenheidspreken werden overal teksten aangehaald om te bewijzen dat de duisternis een ver­vulling was van de profetieën van de Bijbel… Even na elf uur was de duisternis op zijn dichtst” (The Essex Antiquarian, April 1899, vol. 3, nr. 4, pp. 53, 54). „In de meeste delen van het land was de duisternis overdag zó dicht dat men gewoon niet kon zien hoe laat het was; de mensen moesten al hun dagelijkse bezigheden bij kaarslicht verrich­ten…

„Deze duisternis bedekte een zeer groot gebied. De uiterste gren­zen waren Falmouth in het oosten, Connecticut en Albany in het wes­ten, de kust in het zuiden en de verste Amerikaanse nederzettingen in het noorden” (William Gordon, History of the Rise, Progress and Establishment of the Independence of the U.S.A., vol. 3, p. 57).

Na de dichte duisternis van overdag werd de hemel ongeveer twee uur voor het vallen van de avond wat lichter en kon de zon doorbre­ken, hoewel ze nog altijd door de dichte mist werd verduisterd. „Na zonsondergang kwamen de wolken weer aandrijven en werd het heel vlug donker”. „De duisternis van de nacht was even uitzonderlijk en angstaanjagend als die van overdag. Hoewel het bijna volle maan was, moest men het licht aansteken om iets te zien. Zag men in de dichtbij of verder gelegen huizen licht branden, dan was het alsof er een Egyptische duisternis heerste, waar de lichtstralen nauwelijks doorheen konden dringen” [Isaiah Thomas, Massachusetts Spy; or, American Oracle of Liberty, vol, 10, nr. 472 (25 mei 1780)].
Een oog­getuige zei nog het volgende: „Toen ik dat zag, dacht ik: ‘Als elke lichtbron van het heelal gehuld was in ondoordringbare duisternis of vernietigd was, zou de duisternis op aarde niet dichter geweest zijn” [Brief van dr. Samuel Tenney uit Exeter, New Hampshire, dec. 1785 (in Massachusetts Historica! Society Collections, 1792, 1ste reeks, vol. 1, p. 97)]. Hoewel het die avond om negen uur volle maan was, werden de zwarte schaduwen des doods helemaal niet verdreven. Na middernacht verdween de duisternis en toen de maan zichtbaar werd, was ze rood als bloed.

19 mei 1780 is de geschiedenis ingegaan als „de donkere dag”. Sinds de tijd van Mozes is er geen verduistering geweest die zó dicht was, zo’n groot gebied besloeg en zó lang heeft geduurd. De beschrij­ving van deze gebeurtenis door ooggetuigen is slechts een echo van de woorden die meer dan vijfentwintig eeuwen vóór hun vervulling door Joël waren opgetekend: „De zon zal veranderd worden in duis­ternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HE­REN komt” (Joël 2:31).

Christus had zijn discipelen de opdracht gegeven op de tekenen van zijn komst te letten en zich te verheugen wanneer zij de voorboden van hun komende Koning zouden zien. „Wanneer deze dingen begin­nen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt”, had Jezus gezegd. Hij wees zijn volgelingen op de uitbottende bomen in de lente en zei: „Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is” (Lucas 21:28,30,31).

Maar toen nederigheid en toewijding in de gemeente plaats moes­ten maken voor hoogmoed en vormendienst verkoelden de liefde voor Christus en het geloof in zijn wederkomst. Mensen die zich voor Gods volgelingen uitgaven, gingen zo volledig op in de dingen van deze wereld en in het zoeken van genot dat ze geen oog hadden voor de tekenen van zijn verschijning. Het geloof in de wederkomst was op de achtergrond geraakt, de teksten over dit onderwerp werden verduisterd door verkeerde interpretaties.
Op den duur schonk men er geen aandacht meer aan en vergat men zelfs dat ze bestonden. Dit was vooral het geval in de kerken van Amerika. Door de vrijheid en wel­vaart onder alle lagen van de bevolking, door het grote verlangen naar rijkdom en luxe waardoor de mensen al hun zinnen zetten op het ver­dienen van zoveel mogelijk geld en door de zucht naar populariteit en macht, die binnen het bereik van iedereen schenen te liggen, hadden de mensen alleen belangstelling en tijd voor de dingen van dit leven en verschoven ze de plechtige dag waarop er een einde zou komen aan de bestaande wereldorde zover mogelijk naar de toekomst.

Toen Christus zijn volgelingen wees op de tekenen van zijn weder­komst voorzegde Hij ook de grote afval vlak vóór zijn wederkomst. De mensen zouden zich zoals in de dagen van Noach volledig overge­ven aan de bezigheden van deze wereld en aan het zoeken van plezier – zij zouden kopen, verkopen, planten, bouwen, huwen en ten huwelijk geven – en zouden gewoon geen tijd over hebben voor God en het eeuwige leven. Christus’ waarschuwing voor de gelovigen die in deze tijd leven, luidt: „Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud en die dag niet plotseling over u kome, als een strik”. „Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen” (Lucas 21:34,36).

De toestand van de gemeente in deze tijd wordt beschreven door de woorden van Jezus in de Openbaring: „Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood”. En tot de gelovigen die niet willen inzien dat hun zekerheid totaal ongegrond is, wordt een ernstige waarschuwing gericht: „Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen” (Openbaring 3:1,3).

De mensen moesten worden gewezen op het gevaar dat ze liepen. Ze moesten worden opgeroepen om zich voor te bereiden op de ern­stige gebeurtenissen die gepaard gaan met de afsluiting van de gena­detijd. Gods boodschapper zegt: „Groot is de dag des HEREN en zeer geducht! Wie zal hem verdragen?” Wie zal in leven blijven wan­neer Hij verschijnt van Wie gezegd wordt: „Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kunt aanschouwen” (Joël 2:11; Habakuk 1:13). Voor hen die roepen: „Mijn God! Wij (…) kennen U!” Maar toch Zijn verbond overtreden en een andere god dienen, die de boosheid in hun hart verbergen en graag het pad der ongerechtigheid bewandelen, is de dag des HEREN „duisternis en geen licht, ja donker en zonder glans” (Hosea 8:2,1; Psalm 16:4; Amos 5:20).
„Het zal te dien tijde geschieden, dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken: Ik zal bezoeking doen over de mannen die dik geworden zijn op hun droesem, en bij zichzelf denken: De HERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad” (Sefanja 1:12). „Dan zal Ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun onge­rechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen” (Jesaja 13:11).
„Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden”; „Hun rijkdommen zullen zijn ter plundering en hun huizen ter verwoesting” (Sefanja 1:18,13).

Jeremia zag deze verschrikkelijke dag van verre en riep uit: „O mijn binnenste, mijn binnenste! Ik moet ineenkrimpen. O wanden mijns harten! Mijn hart jaagt in mij, ik kan niet zwijgen; want bazuin­geschal hoor ik, strijdrumoer. Slag na slag wordt gemeld” (Jeremia 4:19,20).

„Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duis­ternis, een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw” (Sefanja 1:15,16). „Zie de dag des HEREN komt… om de aarde tot een woes­tenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen” (Jesaja 13:9).

Gods Woord doet met het oog op die grote dag in de plechtigste bewoordingen een beroep op zijn volk om een eind te maken aan de geestelijke onverschilligheid om in berouw en ootmoed tot God te ko­men: „Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des HEREN komt”.
„Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek. Laat de priesters, de dienaren des HEREN, tussen de voorhal en het altaar wenen”.
„Be­keert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil” (Joël 2: l,15-17,12,13).

Er was een grondige hervorming nodig om een volk voor te berei­den dat zou kunnen staan op „de dag des Heren”. God zag dat velen die zich zijn kinderen noemden, niet werkten voor de eeuwigheid en heeft in zijn genade een waarschuwingsboodschap gezonden om hen uit hun roes te wekken zodat ze zich op Christus’ wederkomst kunnen voorbereiden.

Deze waarschuwing vinden we in Openbaring 14; een drievoudige boodschap wordt door engelen verkondigd en wordt onmiddellijk ge­volgd door de komst van de Zoon des mensen om „de oogst van de aarde” binnen te halen. De eerste boodschap kondigt het naderende oordeel aan. De profeet zag een engel „vliegen in het midden des he­mels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aar­de en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft” (Openbaring 14:6,7).

De tekst zegt dat deze boodschap een onderdeel is van „het eeuwig evangelie”. De verkondiging van het evangelie is niet aan engelen, maar aan mensen toevertrouwd. Engelen leiden dit werk in goede ba­nen en geven leiding aan de grote bewegingen ter verlossing van de mens, maar de eigenlijke verkondiging van het evangelie gebeurt door de boodschappers van Christus op aarde.

Getrouwe mannen, die luisterden naar de richtlijnen van Gods Geest en naar de onderrichtingen van zijn Woord, moesten deze waarschuwing aan de wereld brengen. Zij hadden „acht gegeven op het profetische woord” dat is als „een lamp, die schijnt in een duiste­re plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat” (2 Petrus 1:19).
Zij hadden naar de kennis van God gezocht en hadden haar meer waard geacht dan alle verborgen schatten. Ze dachten zoals de spreukendichter: „Wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zil­ver, wat zij doet gewinnen, is beter dan goud” (Spreuken 3:14). En de Here wees hen op de grote dingen van het koninkrijk. „Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend” (Psalm 25:14).

Het waren niet de geleerde theologen die deze waarheid begrepen en verkondigden. Als zij trouwe wachters waren geweest en de Bijbel ijverig en biddend hadden onderzocht, zouden ze geweten hebben, „wat er van de nacht was”. Zij zouden aan de hand van de profetieën hebben geweten wat er spoedig zou gebeuren. Maar dat deden ze niet en daarom werd de boodschap aan eenvoudige mensen toevertrouwd. Jezus had gezegd: „Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duis­ternis u niet overvalle” (Johannes 12:35).
Wie zich afkeert van het licht dat God hem gegeven heeft of het niet zoekt terwijl het binnen zijn bereik is, wordt in de duisternis gelaten. Maar Jezus zegt: „Wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen” (Johannes 8:12). „Wie er oprecht naar streeft Gods wil te doen en handelt volgens het licht dat hij al heeft, zal nog meer licht ontvangen en een ster met een hemelse lichtglans zal hem in alle waarheid leiden.

Bij Christus’ eerste komst hadden de priesters en schriftgeleerden van de Heilige Stad, die de bewaarders van Gods uitspraken waren, de tekenen des tijds kunnen onderscheiden en de komst van de be­loofde Messias kunnen verkondigen. Micha had zijn geboorteplaats voorzegd en Daniël had de tijd van Zijn komst gegeven (Micha 5:1; Daniël 9:25).
God had deze profetieën aan de Joodse leiders toever­trouwd. Ze konden geen enkele verontschuldiging inroepen als ze dat niet wisten en de mensen niet vertelden dat de komst van de Messias na­bij was. Hun onwetendheid was het gevolg van hun misdadige nalatig­heid. De Joden richtten monumenten op voor de vermoorde profeten van God, terwijl ze door hun ontzag voor de groten van deze wereld eer be­wezen aan de medewerkers van Satan. Zij waren zó in beslag genomen door hun eerzuchtig streven naar een hoge plaats en macht dat ze geen oog hadden voor de goddelijke eer die hun door de Koning des hemels werd aangeboden.

De oudsten van Israël hadden plaats, tijd en omstandigheden van de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis – de komst van Gods Zoon om de mensen te verlossen – met de grootste eerbied en belang­stelling moeten onderzoeken. Het hele volk had moeten waken en wachten om tot de eersten te behoren die de Verlosser der wereld zouden verwelkomen. Maar wat gebeurde er? Twee vermoeide reizi­gers uit de heuvels van Nazareth trokken door een smalle straat naar het meest oostelijke deel van de stad. Ze zochten tevergeefs naar een plaats om rust en onderdak voor de nacht te vinden. Er was geen plaats voor hen. Ze werden tenslotte ondergebracht in een armoedige stal en daar werd de Verlosser der wereld geboren.

De engelen in de hemel kenden de heerlijkheid die de Zoon met de Vader deelde voordat de wereld bestond en hadden met grote belang­stelling zijn komst naar de aarde gevolgd. Ze dachten dat alle mensen er zeer blij om zouden zijn. Er waren engelen aangesteld om het blij­de nieuws te brengen aan de mensen die bereid waren het te ontvan­gen en het met vreugde aan de bewoners van de aarde wilden gaan meedelen. Christus heeft zich vernederd en heeft de gestalte van een mens aangenomen. Hij moest de oneindige last van de zonde dragen, want Hij moest een slachtoffer voor de zonde worden. Toch hoopten de engelen dat de Zoon van de Allerhoogste ondanks zijn vernedering onder de mensen zou verschijnen met de waardigheid en heerlijkheid die bij Hem hoorden. Zouden de machthebbers in Israëls hoofdstad samenkomen om Hem te begroeten? Zouden de engelen Hem kunnen voorstellen aan de mensen die op Hem stonden te wachten?

Een engel daalt neer op aarde om te zien wie zich heeft voorbereid om Jezus te verwelkomen. Hij merkt dat niemand Hem verwacht. Hij hoort geen enkele stem die juicht omdat de komst van de Messias nabij is. De engel zweeft enige tijd over de uitverkoren stad en de tem­pel, waar God eeuwenlang zijn tegenwoordigheid heeft geopenbaard, maar ook daar heerst alleen onverschilligheid. De priesters brengen met veel pracht en praal hun bezoedelde offers in de tempel. De Fari­zeeën spreken het volk met luider stem toe en staan met veel vertoon op de hoeken te bidden. In de paleizen, in de vergaderingen van wijs­geren, in de scholen van de rabbijnen maakt niemand zich druk om het wonder dat de ganse hemel met vreugde en lof vervult; de Verlosser der mensheid staat op het punt geboren te worden.

Niets wijst erop dat de mensen Christus verwachten. Nergens heb­ben zij zich op de komst van de Levensvorst voorbereid. De hemelse boodschapper is zeer verbaasd en wil net naar de hemel terugkeren om het slechte nieuws te brengen wanneer hij een groep herders ziet die ‘s nachts de wacht houden bij hun kudde en hun blik richten naar de met sterren bezaaide hemel. Ze denken aan de profetie die de komst van de Messias naar de aarde voorzegt en zien uit naar de Ver­losser der wereld. Deze mensen zijn bereid de boodschap uit de hemel te ontvangen. Plots verschijnt Gods engel en verkondigt het blijde nieuws. De vlakte wordt vervuld van hemelse heerlijkheid. De her­ders zien een ontelbare schare engelen. De vreugde schijnt te groot om maar door één boodschapper uit de hemel te worden gebracht, tal­loze stemmen heffen een lied aan dat de verlosten ook eens zullen zin­gen: „Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens” (Lucas 2:14).

In dit mooie verhaal van Bethlehem ligt een ernstige les besloten. Het veroordeelt ons ongeloof, onze hoogmoed en onze zelfingeno­menheid. Het waarschuwt ons dat wij op onze hoede moeten zijn, want wij lopen door onze misdadige onverschilligheid het gevaar de tekenen des tijds niet te zien en dreigen daardoor ,,de dag van onze bezoeking” te vergeten.
De engelen vonden echter niet alleen op de heuvels van Judéa of onder de eenvoudige herders mensen die de komst van de Messias verwachtten. Ook onder de heidenen waren er mensen die naar Hem uitzagen; de vrome en rijke wijzen uit het oosten, die door hun onder­zoek van de natuur God in de schepping hadden gevonden. In de ge­schriften van de Hebreeën hadden ze gelezen dat een Ster uit Jacob zou opgaan en ze wachtten vol verlangen op de komst van Hem die niet alleen „de vertroosting van Israël” zou zijn, maar ook „een licht tot openbaring voor de heidenen”, „opdat zij tot heil zouden zijn tot aan het uiterste der aarde” (Lucas 2:25,32; Handelingen 13:47).
Zij zochten naar licht en het licht van de troon van God scheen op hun pad. Terwijl de priesters en rabbijnen van Jeruzalem, die tot wachters en uitleggers van de waarheid waren aangesteld, in duisternis waren gedompeld, leidde de ster aan de hemel deze vreemdelingen naar de geboorteplaats van de pasgeboren Koning.

Christus zal „ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten” (Hebreeën 9:28). De boodschap van de wederkomst is ook niet toevertrouwd aan de gods­dienstige leiders van het volk. Zij zijn niet in contact met God geble­ven en hebben het licht uit de hemel niet aangenomen. Daarom sloe­gen Paulus’ woorden „maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; want gij zijt allen kinde­ren des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe” (l Tessalonicenzen 5:4,5). Dit sloeg niet op de kerke­lijke leiders.

De wachters op Sions muren hadden de eersten moeten zijn om de boodschap van de wederkomst van Christus aan te nemen, zij hadden als eersten de nabijheid van die gebeurtenis moeten verkondigen en het volk moeten oproepen zich op zijn komst voor te bereiden. Maar zij waanden zich veilig, droomden van „vrede en geen gevaar”, ter­wijl de mensen in onwetendheid en zonde verder leefden. Jezus zag zijn gemeente. Ze was als een vijgenboom die wel heel mooie blade­ren had, maar geen vruchten voortbracht. De mensen waren trots op hun vormendienst, terwijl ze de geest van ware nederigheid, berouw en geloof- het enige wat God op prijs stelt – niet hadden. In plaats van de vruchten van de Geest was er hoogmoed, menselijke overlevering, grootspraak, zelfzucht en verdrukking. De afvallige gemeente was blind voor de tekenen des tijds.
God had hen niet verlaten en was niet ontrouw geweest, maar zij hadden zich van Hem verwijderd en had­den zijn liefde afgewezen. Zijn beloften aan hen werden niet vervuld, omdat ze weigerden aan de voorwaarden te voldoen.

Zo gaat het altijd wanneer mensen het licht en de voorrechten die God schenkt niet op prijs stellen en niet willen aannemen. Als de ge­meente de weg die God haar in zijn voorzienigheid aanwijst niet wil bewandelen, als ze niet elke lichtstraal wil aanvaarden en de plichten die haar zijn opgelegd niet wil uitvoeren, ontaardt de godsdienst tot een vormendienst en verdwijnt de ware godsvrucht. De kerkgeschie­denis heeft herhaaldelijk bewezen dat dit waar is. God verwacht van zijn kinderen geloof en gehoorzaamheid die beantwoorden aan de ze­geningen en voorrechten die zij hebben ontvangen.
Gehoorzaamheid houdt ook in dat men offers moet brengen en zijn kruis moet dragen. Daarom wilden zo velen die zich voor volgelingen van Christus uitgeven het licht uit de hemel niet aannemen. Zoals de Israëlieten in het verleden hebben ook zij niet gemerkt dat God naar hen omzag. (Lucas 19:44). Ze zijn vanwege hun hoogmoed en ongeloof door God gepas­seerd. God heeft zijn waarheid geopenbaard aan de gelovigen die zo­als de herders van Bethlehem en de wijzen uit het Oosten het licht dat zij hadden ontvangen op prijs stelden. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

God heeft voor de verkondiging van de boodschap van Christus’ wederkomst een oprechte, eerlijke landbouwer – William Miller – uit­gekozen. Hoewel hij vroeger aan de goddelijke oorsprong van de Bij­bel had getwijfeld, was het toch altijd zijn oprecht verlangen geweest de waarheid te leren kennen. Zoals veel andere hervormers had Miller in zijn jeugd veel armoede gekend en wist hij hoe belangrijk hard werken en zelfverloochening waren. Onafhankelijkheid, vrijheidsliefde, uithoudingsvermogen en vurige vaderlandsliefde waren de kenmerken van het gezin waaruit hij kwam. Deze trekken vielen trou­wens in zijn eigen persoonlijkheid ook sterk op. Zijn vader was tijdens de Amerikaanse Revolutie kapitein in het leger geweest. De armoede die de jonge Miller heeft meegemaakt, is in belangrijke mate te wijten aan de offers die zijn vader in die woelige tijd heeft ge­bracht.

William Miller was sterk en gezond en had reeds als kind een ver­stand dat boven het gemiddelde uitstak. Naarmate hij ouder werd, kwam dit duidelijker tot uiting. Hij was intelligent en weetgierig. Hoewel hij nooit aan een universiteit heeft gestudeerd, had hij door zijn studie-ijver, zijn grondig onderzoek en zijn kritische geest een ge­zond oordeel over en een brede kijk op de dingen. Hij was integer, had een benijdenswaardige reputatie en werd door iedereen geacht om zijn rechtschapenheid, spaarzaamheid en vrijgevigheid. Door zijn ijver en volledige toewijding had hij al op jeugdige leeftijd veel ver­diend, maar hij bleef toch verder studeren. Hij heeft verschillende burgerlijke en militaire ambten bekleed en heeft zich in zijn werk on­derscheiden. Hij scheen dan ook alle troeven in handen te hebben om een rijk en vooraanstaand man te worden.

Zijn moeder was zeer vroom en Miller had dan ook als kind een godsdienstige opvoeding gekregen. In die tijd was hij echter ook in aanraking gekomen met enkele deïsten die een grote invloed op hem hebben gehad, vooral omdat het meestal vooraanstaande burgers wa­ren die zich voor hun medemensen inzetten. Ze leefden onder christe­nen en hun karakter was tot op zekere hoogte door hun omgeving ge­vormd. De goede eigenschappen waardoor ze bij anderen in de gunst stonden, hadden ze aan de Bijbel te danken, maar toch gebruikten ze deze gaven om het Woord van God te bestrijden.
Door het contact met deze mensen had Miller hun ideeën overgenomen. De algemeen gangbare verklaring van de Schrift leverde voor hem grote, onoverkomelijke moeilijkheden op. Toch bood zijn nieuw geloof, dat de Bijbel gewoon verwierp niets beters en daarom was Miller allesbehalve ge­lukkig. Toch heeft hij het ongeveer twaalf jaar in deze richting volge­houden tot hij op de leeftijd van vierendertig jaar door de Heilige Geest van zonde werd overtuigd. Zijn vroegere opvattingen boden hem geen enkele hoop op geluk na de dood. De toekomst was donker en somber. Later heeft hij over zijn gevoelens in deze tijd geschreven:

„Het vooruitzicht van een totale vernietiging was erg beangstigend. Als de mensen werkelijk rekenschap voor hun daden zouden moeten afleggen, zouden ze allemaal kinderen des doods zijn. De hemel was als koper boven mijn hoofd en de aarde als ijzer onder mijn voeten. Ik vroeg me af wat de eeuwigheid precies inhield en waarom de dood ei­genlijk bestond. Hoe meer ik erover nadacht, des te groter werd de verwarring in mijn geest. Ik probeerde niet meer na te denken, maar kon mijn gedachten niet ordenen. Ik voelde me ellendig, maar be­greep niet waarom. Ik klaagde, zonder eigenlijk te weten over wie. Ik zag het kwaad rondom mij, maar wist niet waar en hoe ik het goede kon vinden. Ik treurde, zonder hoop.”

Hij verkeerde enkele maanden in deze toestand. „Plotseling kwam de gedachte van een Heiland mij levendig voor de geest”, zei hij. „Ik dacht dat er wel iemand moest zijn die zó goed en barmhartig was dat hij voor onze overtredingen zou willen boeten en ons door zijn daad zou vrijstellen van de straf die op de zonde staat. Ik begreep onmid­dellijk hoe liefdevol zo iemand wel moest zijn en stelde me voor dat ik mij in zijn armen zou kunnen werpen en op zijn genade zou vertrouwen. Maar dan moest eerst de vraag worden beantwoord hoe men er zeker van kan zijn dat zo iemand inderdaad bestaat. Buiten de Bij­bel kon ik nergens een bewijs vinden voor het bestaan van zo’n Hei­land of voor de toestand na de dood…

„Ik kwam tot de conclusie dat de Bijbel juist de Heiland openbaar­de die ik nodig had. Het verbaasde mij dat een niet geïnspireerd boek beginselen uiteenzette die zo volmaakt aan de behoeften van een ge­vallen wereld beantwoorden. Ik moest wel toegeven dat de Bijbel een openbaring van God moest zijn. Ik las de schrift met plezier en Jezus werd mijn vriend. De Heiland werd voor mij ‘de belangrijkste onder tien duizend’ en de Bijbel, die ik vroeger een duister en tegenstrijdig boek had gevonden, werd nu ‘een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.
Ik vond rust en vrede. God was voor mij een rots in de oce­aan van het leven. De Bijbel werd voor mij het belangrijkste studieboek en ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik hem met groot ge­noegen bestudeerde. Ik ontdekte dat men mij maar de helft had verteld. Het was mij een raadsel waarom ik zijn schoonheid en heer­lijkheid niet veel vroeger had ontdekt en ik vroeg mij af hoe ik de Bij­bel ooit heb kunnen verwerpen. Alles wat mijn hart verlangde werd erin geopenbaard. Het had een geneesmiddel voor elke ziekte die de ziel kwelde. Ik wilde niets anders lezen en had alleen behoefte aan Gods wijsheid” (S. Bliss, Memoirs of Wm. Miller, pp. 65-67).
Miller beleed in het openbaar zijn geloof in de godsdienst die hij zo had ver­acht. Zijn ongelovige vrienden kwamen onmiddellijk opdagen met de argumenten die hij zelf zo vaak tegen de goddelijke oorsprong van de Schrift had aangevoerd. Hij kon die argumenten op dat ogenblik niet weerleggen, maar dacht: „Als de Bijbel een openbaring van God is, kan hij zichzelf niet tegenspreken. Daar de Bijbel bestemd is om de mensen te onderwijzen, moet hij ook begrepen kunnen worden”. Hij besloot de Bijbel zelf te onderzoeken om na te gaan of er inderdaad tegenstrijdigheden in waren.

Hij probeerde alle vooroordelen uit te sluiten en gebruikte geen bijbelcommentaren. Hij vergeleek de teksten met elkaar en gebruikte de kanttekeningen en een concordantie. Hij ging systematisch te werk; hij begon bij Genesis en las vers voor vers. Hij ging niet verder vóór hij begreep wat het precies betekende. Als hij op een moeilijk gedeel­te stuitte, vergeleek hij het altijd met alle andere teksten over het on­derwerp waar hij mee bezig was. Hij bestudeerde elk woord in zijn samenhang en als zijn uitleg klopte met alle andere parallelle tekstge­deelten, beschouwde hij het probleem als opgelost. Zodra hij een moeilijke passage tegenkwam, vond hij de uitleg wel in een ander ge­deelte van de Bijbel. Naarmate hij in zijn studie vorderde en God op­recht smeekte om hem inzicht te geven, werd alles wat hij in het begin niet begreep, duidelijk. Hij stelde vast dat de woorden van de psalmdichter waar zijn: „Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht” (Psalm 119:130).

Met grote belangstelling onderzocht hij het boek Daniël en de Openbaring en gebruikte dezelfde interpretatieprincipes als voor de andere teksten. Hij merkte tot zijn grote vreugde dat de profetische symbolen konden worden verklaard, dat de profetieën die al waren uitgekomen letterlijk in vervulling waren gegaan, dat alle beeld­spraak, gelijkenissen, vergelijkingen, enz. onmiddellijk worden uitgelegd of dat de woorden waarmee ze worden uitgedrukt in andere bijbelteksten worden verklaard en dat ze dan letterlijk moeten worden opgevat. Hij zei hierover: „Ik was er toen van overtuigd dat de Bijbel de geopenbaarde waarheid weergeeft die zó duidelijk en eenvoudig is dat de zoekende mens, ook al is hij nog zo dom, niet hoeft te dwalen” (Bliss, p. 70).
Zijn inspanningen werden met succes bekroond; hij ontdekte de ene schakel van de waarheid na de andere toen hij de gro­te profetische lijnen stuk voor stuk onderzocht. Engelen leidden hem in zijn onderzoek en gaven hem inzicht in de Schrift.

Miller nam de manier waarop de profetieën in het verleden in ver­vulling zijn gegaan als maatstaf voor de beoordeling van de profe­tieën die nog moesten uitkomen en kwam tot de overtuiging dat de al­gemeen gangbare opvatting over Christus’ geestelijk Koninkrijk – een millennium of duizendjarig rijk vóór het einde van de wereld – abso­luut onbijbels was. Volgens deze leer zou er gedurende duizend jaar vrede en gerechtigheid op aarde heersen vóór de persoonlijke weder­komst van Christus. Daardoor worden de verschrikkingen van „de dag des Heren” naar een verre toekomst verschoven. Deze leer is misschien wel aantrekkelijk, maar is beslist in strijd met de leer van Christus en de apostelen, die hadden gezegd dat het onkruid en het koren samen moesten opgroeien tot de oogsttijd – het einde van de wereld – en hadden gewaarschuwd.

„Slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen”. „Weet wel dat er in de laatste da­gen zware tijden zullen komen.”
Het koninkrijk der duisternis zal blijven bestaan tot de wederkomst en zal worden verteerd „door de adem zijns monds” en zal machteloos worden gemaakt „door zijn verschijning, als Hij komt” (Matteüs 13:30,38-41; 2 Timoteüs 3:13,1; 2 Tessalonicenzen 2:8).

De apostolische gemeente geloofde niet in de leer van de bekering van de hele wereld en het geestelijk Koninkrijk van Christus. Pas in het begin van de achttiende eeuw vond deze leer algemeen ingang on­der de christenen. De gevolgen van deze dwalingen – en van alle an­dere dwalingen trouwens – waren rampzalig.
Als de wederkomst van Christus naar een verre toekomst wordt verschoven, letten de mensen niet op de tekenen die zijn wederkomst aankondigen. Daardoor ont­stond ten onrechte een gevoel van vertrouwen en zekerheid en vonden velen het niet nodig zich voor te bereiden om Christus te ontmoeten.

Volgens Miller leert de Bijbel duidelijk dat Christus letterlijk en persoonlijk zal terugkomen. Paulus zegt: „De Here zelf zal op een te­ken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel” (l Tessalonicenzen 4:16).
En Chris­tus zegt: „En zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wol­ken des hemels met grote macht en heerlijkheid”. „Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn” (Mattheüs 24:30, 27).
Hij zal komen met al de heilige engelen: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met hem, dan zal Hij plaats ne­men op de troon zijner heerlijkheid” (Mattheüs 25:31). „En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uit­verkorenen verzamelen” (Mattheüs 24:31).

Bij de wederkomst zullen zij die in Christus gestorven zijn, worden opgewekt en de rechtvaardigen die nog in leven zijn, zullen worden veranderd. Paulus zegt: „Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laat­ste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergan­kelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen” (1 Korintiërs 15:51-53).
In zijn brief aan de Tessalonicenzen zegt hij na zijn beschrijving van de wederkomst van Christus: „Zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen” (l Tessalonicenzen 4:16,17).

Christus’ volgelingen zullen het Koninkrijk pas bij zijn persoonlij­ke wederkomst ontvangen. Jezus zei: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zul­len vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de scha­pen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af’ (Matteüs 25:32-34).
Al deze bijbel­teksten tonen duidelijk aan dat zij die in Christus gestorven zijn on­vergankelijk worden opgewekt en dat bij zijn wederkomst de levenden worden veranderd. Door deze ingrijpende veranderingen zijn ze gereed om het Koninkrijk te ontvangen, want Paulus zegt: „Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet” (l Korintiërs 15:50).
De mens is nu sterfelijk en vergankelijk, maar Gods Koninkrijk zal onvergankelijk zijn en eeuwig bestaan. Daarom kan de mens zoals hij nu is het Koninkrijk niet binnengaan, maar wanneer Jezus terugkomt, zal Hij de verlosten onsterfelijk maken en hun het Koninkrijk, waarvan ze tot dat ogenblik slechts erfgenamen waren, schenken.

Deze en andere teksten bewezen volgens Miller duidelijk dat de ge­beurtenissen die volgens de meeste mensen vóór de wederkomst van Christus moesten plaatsvinden – bijvoorbeeld een universeel vrederijk en de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde – volgens de Bijbel na de wederkomst zouden plaatshebben. Bovendien beantwoordden alle tekenen en de toestand van de wereld aan de profetische beschrijving van de laatste dagen. Hij moest alleen al op grond van zijn onderzoek van de Bijbel tot de conclusie komen dat er heel binnenkort een einde zou komen aan de tijd die God had uitgetrokken voor het bestaan van onze aarde in haar huidige vorm.

Hij zegt ook: „Een ander bewijs dat grote indruk op mij maakte was de tijdrekening van de Bijbel… Ik ontdekte dat de gebeurtenissen die in het verleden waren voorzegd vaak binnen een bepaalde tijd plaatsvonden. De honderd twintig jaar vóór de zondvloed (Genesis 6:3), de zeven dagen die eraan vooraf zouden gaan en de veertig da­gen regen (Genesis 7:4), het verblijf van Abrahams nakomelingen in een vreemd land gedurende vierhonderd jaar (Genesis 15:13), de drie dagen in de dromen van de schenker en de bakker (Genesis 40:12-20), de zeven jaren van Farao (Genesis 41:28-54), de veertig jaar in de woestijn (Numeri 14:34), de hongersnood gedurende drie en een half jaar (l Koningen 17:1 (zie Lucas 4:25)), …de zeventig jaren in ballingschap (Jeremia 25:11), de zeven tijden van Nebukadnezar (Daniël 4:13-16), en de zeven weken, twee en zestig weken en één week, in totaal zeventig weken, die voor de Joden waren bepaald (Daniël 9:24-27). Al deze gebeurtenissen waarvoor een tijd was vastgesteld, waren eens profetieën en hebben zich letterlijk vervuld” (Bliss, pp. 74,75).

Toen Miller bij zijn onderzoek van de Bijbel verscheidene tijdper­ken ontdekte die volgens hem tot aan de wederkomst van Christus reikten, beschouwde hij ze dan ook prompt als „de tijden van tevoren bepaald”, die God aan zijn boodschappers had meegedeeld.
Mozes zegt: „De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd.” En Amos verklaart: „Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij open­baart zijn raad aan zijn knechten, de profeten” (Deuteronomium 29: 29; Amos 3:7).
Zij die Gods Woord onderzoeken mogen er dan ook op vertrouwen dat de meest opzienbarende gebeurtenissen in de we­reldgeschiedenis ook duidelijk in de Schrift vermeld zijn.

„Aangezien ik er ten volle van overtuigd was dat ‘elk van God in­gegeven schriftwoord nuttig is om te onderrichten’, (2 Timoteüs 3:16) dat ‘profetie nooit is voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, mensen van Godswege hebben ge­sproken’ (2 Petrus 1:21) en dat al wat tevoren geschreven is tot ons onderricht geschreven werd, (Romeinen 15:4) was ik van mening dat de chronologische gedeelten ook tot Gods Woord behoorden en dus met evenveel aandacht moesten worden bestudeerd als de andere bijbelgedeelten. Daarom vond ik dat ik niet het recht had de profetische tijdperken over te slaan bij mijn poging om te begrijpen wat God in zijn genade aan ons heeft geopenbaard” (Bliss, p. 75).

De profetie die volgens Miller zeer duidelijk de tijd van de weder­komst aangaf, was Daniël 8:14: „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden.”
Miller paste zijn regel dat de Bijbel zichzelf uitlegt toe en stelde vast dat één dag in een symbolische profetie gelijkstaat met één jaar in werkelijkheid. (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6).
Hij kwam tot de conclu­sie dat de periode van de 2300 profetische dagen of evenveel letterlij­ke jaren veel verder reikte dan het einde van de oudtestamentische be­deling en dat die periode dus ook niet doelde op het heiligdom van het Oude Testament.
Miller aanvaardde de algemeen gangbare opvatting dat de aarde het heiligdom van de christelijke bedeling was. Hij dacht dan ook dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom”, zoals voorzegd in Daniël 8:14, de reiniging van de aarde door vuur bij de wederkomst van Christus voorstelde. Als hij het juiste beginpunt van de 2300 avonden en morgens kon vinden, zou hij ook de juiste tijd van de wederkomst kunnen bepalen. Zo zou hij de tijd van „de vol­einding aller dingen” kennen; de tijd wanneer de bestaande wereldor­de met „al zijn hoogmoed en macht, praal en ijdelheid, verdorvenheid en verdrukking zou eindigen”, de tijd wanneer „de vloek van de aar­de zou worden weggenomen, de dood zou worden vernietigd, de beloning zou worden gegeven aan de dienstknechten van God, aan de profeten en de heiligen en aan hen die zijn naam vrezen, de tijd wan­neer de verwoesters van de aarde zouden worden vernietigd” (Bliss, p. 76).

Miller zette zijn onderzoek van de profetieën met grote ernst voort. Niet alleen overdag, maar ook ‘s nachts wijdde hij zich aan de studie van het onderwerp, dat hij buitengewoon belangrijk en boeiend vond. In hoofdstuk 8 van Daniël kon hij geen aanwijzing vinden voor het beginpunt van de „2300 avonden en morgens”. Hoewel de engel Gabriël de opdracht had gekregen om Daniël het gezicht te doen ver­staan, had hij maar een gedeeltelijke uitleg gegeven. Toen de profeet hoorde welke verschrikkelijke vervolgingen over de gemeente zouden komen, was hij aan het eind van zijn krachten. Hij kon de uitleg niet meer verwerken en de engel liet hem enige tijd met rust. Daniël zegt zelf: „En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek”. „En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het.”

Toch had God zijn boodschapper de opdracht gegeven: „Doe deze het gezicht verstaan”. Die opdracht moest worden uitgevoerd. Daar­om ging de engel na enige tijd weer naar Daniël en zei: „Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven”. „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht” (Daniël 8:27,16; 9:22,23,25-27).
Eén belangrijk punt in het gezicht was nog niet verklaard, namelijk de periode van „de 2300 avonden en morgens”. Daarom ging de engel bij de hervatting van zijn uitleg dieper op dit onderwerp in:

„Zeventig weken zijn bestemd (afgesneden Hebreeuws) over uw volk en over uw heilige stad… Weet dan en versta: van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen tot op de Messias, de Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in be­nauwdheid der tijden. En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden… En Hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der welk zal hij slachtoffer en spijsoffer doen op­houden.”

De engel was naar Daniël gestuurd met de duidelijke opdracht hem het punt uit te leggen dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had begrepen: „twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”. Nadat de en­gel had gezegd „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht”, be­gon hij onmiddellijk aan zijn uitleg: „Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad”. Het woord dat vertaald is door ‘be­paald’ betekent letterlijk ‘afgesneden’. Zeventig weken of 490 jaar zijn volgens de engel afgesneden voor het Joodse volk.
Maar waarvan zijn ze afgesneden? Daar er in hoofdstuk 8 alleen sprake is van één periode, moeten de zeventig weken daarvan afgesneden zijn. De ze­ventig weken zijn dus een stuk van de 2300 avonden en morgens en de twee periodes hebben hetzelfde beginpunt. De engel zei dat de ze­ventig weken begonnen op het ogenblik dat het bevel uitging om Je­ruzalem te herstellen en te herbouwen. Als men die datum kon vast­stellen, had men meteen ook het begin van de 2300 avonden en morgens.

Dit decreet kunnen we in het zevende hoofdstuk van Ezra, vers 12-26, vinden. De volledige tekst werd door Artaxerxes (Artachsasta), koning van Perzië, afgekondigd in 457 v. Chr. Maar in Ezra 6:14 le­zen wij dat de bouw voltooid werd „volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië”. Deze drie koningen brachten door hun afkondiging, bevestiging en aanvulling het bevel tot de vol­maaktheid die nodig was om het begin van de profetie van de twee duizend driehonderd avonden en morgens aan te duiden. Als men 457 v. Chr. als uitgangspunt voor de berekening aanneemt, kan men vast­stellen dat elk detail in verband met de zeventig weken in vervulling is gegaan.

„Vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te her­stellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blij­ven”; in totaal negen en zestig weken of 483 jaar. Het decreet van Artaxerxes werd van kracht in de herfst van 457 v, Chr.
Vanaf deze datum gerekend reiken de 483 jaar tot de herfst van 27 na Chr. (Zie aanhangsel onder ‘Profetische data’ )
Op dat ogenblik ging deze profe­tie in vervulling. Het woord Messias betekent ‘de Gezalfde’. In de herfst van 27 na Chr, werd Jezus door Johannes gedoopt en werd Hij door de Heilige Geest gezalfd. De apostel Petrus zegt dat „God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd” (Handelingen 10:38).
Christus verklaarde zelf: „De geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen” (Lucas 4:18). Na zijn doop ging Jezus naar Galilea „om het evangelie Gods te prediken, [en Hij zeide]: De tijd is vervuld” (Marais l; 14,15).

„En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang”. Dat is dan de zeventigste week, de laatste zeven jaar van de periode die voor de Joden „bepaald” was. In deze periode tussen 27 en 34 na Chr. richtte Jezus Zich eerst zelf en daarna door zijn discipelen in het bijzonder tot de Joden met de evangelieboodschap.
Toen de apostelen vertrokken om het goede nieuws van het Koninkrijk te verspreiden, zei Jezus: „Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Matteüs 10:5,6).

„In de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen op­houden”. In 31 na Chr., drie en een halfjaar na zijn doop, werd Christus gekruisigd. Met het grote offer van Golgotha kwam er ook een einde aan de offers die vierduizend jaar lang hadden gewezen op het Lam van God. Het beeld werd door zijn tegenbeeld vervangen en daardoor kwam er ook een einde aan „slachtoffer en spijsoffer” van de ceremoniële wetgeving.

De zeventig profetische weken of 490 letterlijke jaren die vooral voor het Joodse volk waren „bepaald”, eindigden dus in 34 na Chr. In dat jaar bezegelde het volk zijn verwerping van het evangelie door het optreden van het Sanhedrin, waardoor Stefanus werd gestenigd en de volgelingen van Christus werden vervolgd. Toen werd de reddingsboodschap niet meer alleen aan het uitverkoren volk, maar aan de hele wereld gebracht.
De discipelen moesten vanwege de vervol­gingen in Jeruzalem, de stad verlaten. „Zij dan die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende”. „En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus.”
Pe­trus werd door de Heilige Geest geleid (oen hij „het goede nieuws” aan de hoofdman uit Caesaréa, de godvrezende Comelius, bracht. En de vurige Paulus, die bekeerd werd, moest het goede nieuws „ver weg, naar de heidenen” brengen. (Handelingen 8:4,5; 22:21).

De profetieën zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgekomen. Het leed dan ook niet de minste twijfel dat de zeventig weken in 457 v, Chr. begonnen en in 34 na Chr. eindigden. Het is dan niet moeilijk te bepalen wanneer „de tweeduizend driehonderd avonden en mor­gens” eindigden. De zeventig weken of 490 dagen waren afgesneden van het grotere stuk van de 2300 dagen. Er bleven dus nog 1810 da­gen over. Als men bij 34 na Chr. 1810 jaar optelt, komt men in 1844. Volgens de engel zou bij het verstrijken van deze periode „het heilig­dom in rechte staat hersteld worden”. Zo was het tijdstip van de reini­ging van het heiligdom, dat naar men algemeen aannam bij de weder­komst van Christus zou plaatsvinden, ook vastgesteld.

Miller en zijn medewerkers meenden eerst dat de 2300 avonden en morgens in de lente van 1844 zouden eindigen, terwijl de profetie doelde op de herfst van dat jaar (zie Aanhangsel onder ‘profetische data’) Deze vergissing was de oorzaak van teleurstelling en onzeker­heid voor de gelovigen die dachten dat Christus in de lente zou terug­komen, maar dit deed absoluut geen afbreuk aan de juistheid van het argument dat de 2300 avonden en morgens in 1844 eindigden en dat de belangrijke gebeurtenis die wordt aangeduid als „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” dan zou plaatsvinden.

Toen Miller de Schrift begon te onderzoeken om vast te stellen of ze inderdaad van goddelijke oorsprong was, had hij helemaal niet ge­dacht dat hij tot deze conclusie zou komen. Hij kon de resultaten van zijn onderzoek bijna niet geloven, maar het bewijs van de bijbel was te duidelijk en te overtuigend om te worden verworpen.

Hij had de Bijbel twee jaar lang bestudeerd toen hij in 1818 tot de belangrijke conclusie kwam dat Christus over ongeveer vijfentwintig jaar zou terugkomen om zijn volk te verlossen. Hij zei: „Het spreekt vanzelf dat ik blij was om dit heerlijke vooruitzicht. Het is begrijpe­lijk dat ik er ook vurig naar verlangde te mogen delen in de vreugde van de verlosten. De Bijbel was voor mij nu een nieuw boek. Het was een genot voor mijn geest. Alles wat vroeger onbegrijpelijk, onduide­lijk of duister scheen, was verdreven door het heldere licht dat nu uit zijn heilige bladzijden straalde. De waarheid schitterde met buitenge­wone pracht!
Alle tegenstrijdigheden en ongerijmdheden die ik vroe­ger had ontdekt, waren verdwenen, hoewel ik niet zou durven bewe­ren dat ik alles volledig had begrepen. Toch scheen er zoveel licht uit de bijbel om mijn geest, die vroeger verduisterd was, te verlichten, zodat ik de Bijbel echt met plezier bestudeerde. Ik had dat vroeger niet voor mogelijk gehouden” (Bliss, pp. 76,77).

„Door de heilige overtuiging dat de Bijbel zulke belangrijke ge­beurtenissen voorzegde die binnen afzienbare tijd in vervulling zou­den gaan, werd ik geconfronteerd met de vraag wat mijn verplichtin­gen tegenover de wereld waren” (Ibid., p. 81). Miller voelde zich gedrongen het licht dat hij had ontvangen aan anderen door te geven. Hij verwachtte wel dat hij op verzet van de ongelovigen zou stuiten, maar was er zeker van dat alle christenen blij zouden zijn als ze hoor­den dat de Verlosser in wie ze geloofden binnenkort zou terugkomen. Hij was alleen bang dat velen door de grote vreugde over het vooruit­zicht van hun spoedige verlossing de leer zouden aannemen zonder zich de moeite te getroosten de Bijbel te onderzoeken om na te gaan of alles wel waar was. Hij aarzelde er over te spreken omdat hij bang was dat hij het bij het verkeerde eind had en daardoor ook anderen op een dwaalspoor zou brengen. Hij ging dus de bewijsgronden die hem tot zijn conclusie hadden geleid nog eens na en onderzocht elke moei­lijkheid die hij tegenkwam zeer grondig. De bezwaren bleken in het licht van Gods Woord te verdwijnen als sneeuw voor de zon. Na een studie van vijf jaar was hij er ten volle van overtuigd dat zijn conclu­sies juist waren.

Hij was toen nog meer dan vroeger overtuigd dat het zijn plicht was aan anderen bekend te maken wat volgens hem zo duidelijk door de Bijbel werd geleerd. Hij schrijft over deze periode: „Wanneer ik mijn werk deed, hoorde ik altijd een stem die mij voortdurend zei: ‘Ga de mensen waarschuwen voor het gevaar dat hun boven het hoofd hangt’. En ik moest steeds denken aan Ezechiëls woorden: ‘Als ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven, – maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij een goddeloze waar­schuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daar­van niet, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered” (Ezechiël 33:8,9).
Ik was van mening dat als ik de onge­lovige duidelijk op de gevaren wees zeer velen tot inkeer zouden ko­men, maar als ze niet waren gewaarschuwd ik rekenschap zou moeten afleggen voor hun bloed” (Bliss, p. 92).

Miller begon toen in eigen kring over zijn opvattingen te spreken wanneer de gelegenheid zich daartoe voordeed. Hij hoopte dat een predikant de juistheid van zijn argumenten zou inzien en zich zou wij­den aan de verkondiging van die boodschap. Toch was hij ervan over­tuigd dat het ook zijn persoonlijke plicht was de waarschuwing te la­ten horen. Hij dacht steeds aan de woorden: „Verkondig het aan de wereld of ik zal je rekenschap vragen van hun bloed”. Hij wachtte ne­gen jaar. Al die tijd drukte de zware last op zijn geweten. In 1831 verkondigde hij voor de eerste keer wat hij geloofde en waarom.

Zoals Elisa van achter zijn ossen werd geroepen om de profetenmantel aan te doen, moest ook William Miller zijn ploeg verlaten om de geheimenissen van het Koninkrijk Gods bekend te maken. Aarze­lend begon hij zijn werk. Hij leidde zijn toehoorders stap voor stap door de grote profetische tijdperken tot aan de wederkomst van Christus. Bij elke nieuwe poging kreeg hij meer kracht en moed wanneer hij zag dat zeer veel mensen belangstelling hadden voor wat hij zei.

Pas toen zijn broeders hem vroegen om zijn opvattingen in het openbaar uiteen te zetten, stemde hij ermee in, omdat hij hun woorden als een oproep van God beschouwde. Hij was toen vijftig, had nog niet veel in het openbaar gesproken en ging gebukt onder het gevoel dat hij niet geschikt was voor het werk dat vóór hem lag. Maar zijn werk werd al vanaf het begin op een bijzondere wijze gezegend en droeg bij tot de redding van zielen.
Zijn eerste lezing leidde tot een godsdienstige opwekking waarbij dertien gezinnen, op twee personen na, werden bekeerd. Men wilde dat hij onmiddellijk ook nog op ande­re plaatsen zou spreken. Bijna overal leidden zijn inspanningen tot een herleving in Gods werk. Zondaren werden bekeerd, christenen werden opgewekt tot grotere toewijding en deïsten en ongelovigen werden overtuigd van de waarheid van de Bijbel en van het christen­dom. De mensen onder wie hij had gewerkt zeiden: „Hij kan mensen overtuigen op wie anderen geen vat hebben” (Ibid., p. 138). Hij wilde met zijn prediking de belangrijke godsdienstige onderwerpen onder de aandacht van het publiek brengen en de groeiende wereldsgezind­heid en zinnelijkheid van zijn tijd beteugelen.

In bijna elke stad werden er tientallen en soms honderden mensen bekeerd door zijn prediking. Op vele plaatsen werd hij met open ar­men ontvangen door de protestantse kerken van bijna alle richtingen en de predikanten van de verschillende gemeenten nodigden hem uit om de dienst te leiden.
Miller ging nooit naar een plaats als hij niet uitdrukkelijk was uitgenodigd. Toch was het hem na heel korte tijd al niet meer mogelijk alle uitnodigingen te aanvaarden. Velen die het niet met hem eens waren over het juiste tijdstip van de wederkomst, waren er wel van overtuigd dat Christus spoedig zou terugkomen en dat ze zich op die gebeurtenis moesten voorbereiden. Zijn werk maak­te in sommige grote steden diepe indruk op de mensen. Handelaars in sterke drank sloten hun zaken en stelden hun lokalen ter beschikking als vergaderruimte. Speelholen sloten hun deuren. Ongelovigen, deïsten, universalisten en zelfs de meest verstokte losbandigen kwa­men tot inkeer.
Sommigen hadden al jaren geen voet meer in een kerk gezet. Verschillende kerken hielden in verscheidene wijken op bijna elk uur van de dag gebedsbijeenkomsten. Zakenmensen kwamen tus­sen de middag samen om God te loven en te danken. Er was geen drukte en opwinding. De mensen waren zeer ernstig. Miller sprak net als de hervormers meer tot het verstand en het geweten dan alleen tot de gevoelens van de mensen.

Miller kreeg in 1833 van de Baptistengemeente, waarvan hij lid was, toestemming om te preken. Een groot aantal predikanten van die kerk stond achter hem en met hun uitdrukkelijke goedkeuring kon hij zijn werk voortzetten. Hij reisde en preekte vrijwel zonder onderbre­king, met name in New England en de zogenaamde „Middle States” van Amerika. Hij betaalde jarenlang alles zelf en hij heeft later nooit zoveel geld gekregen dat hij er al zijn reiskosten mee kon betalen. Zijn werk voor de gemeenschap was dus zeker geen winstgevende bezigheid, maar veeleer een aderlating voor zijn persoonlijk vermo­gen, dat in die tijd trouwens geleidelijk begon te verminderen.
Hij had een groot gezin, maar omdat ze sober leefden en hard werkten, bracht zijn boerderij toch genoeg op om in de behoeften van zijn gezin te voorzien en zijn uitgaven te dekken.

In 1833, twee jaar na het begin van Millers openbare verkondiging van de spoedige wederkomst van Christus, verschenen de laatste teke­nen die volgens Jezus aan zijn komst zouden voorafgaan. Jezus had gezegd: „De sterren zullen van de hemel vallen” (Mattheüs 24:29).
In de Openbaring verklaarde Johannes toen hij in visioen de gebeurte­nissen zag die „de dag des Heren” aankondigden: „En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgenboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harde wind geschud wordt” (Open­baring 6:13). Deze profetie werd op indrukwekkende wijze vervuld door de grote sterrenregen van 13 november 1833, de grootste en mooiste in de geschiedenis. „Het hele firmament boven de Verenigde Staten was toen urenlang als een reusachtig vuurwerk!
Sinds de tijd van de eerste kolonisten is er in dit land geen verschijnsel aan de he­mel geweest dat door sommigen met zoveel verbazing en door ande­ren met zoveel angst en benauwdheid is gevolgd”.
„Velen herinneren zich de pracht en schoonheid nog… Het heeft nooit zo zwaar geregend als op die dag toen de meteoren naar de aarde vielen. In oost, west, noord en zuid was de sterrenregen even dicht. Kortom, de ganse he­mel scheen in beweging… Het verschijnsel dat in professor Sillimans Journal wordt beschreven, was overal in Amerika te zien… Van twee uur ‘s morgens tot klaarlichte dag waren er aan de hemel, die hele­maal onbewolkt was, voortdurend verschietende en verblindend schit­terende lichtbollen te zien” (R.M.Devens, American Progress; or, The Great Events of the Greatest Century, ch. 28, par. 1-5).

„De schoonheid van dit natuurverschijnsel was met geen pen te be­schrijven… Wie het niet gezien heeft, kan er zich geen juist beeld van vormen. Het scheen alsof de hele sterrenhemel op één punt bij het zenit was samengekomen en dan met de snelheid van de bliksem tege­lijkertijd naar alle richtingen uiteenspatte. Er scheen geen eind aan te komen. Duizenden en nog eens duizenden meteoren volgden elkaar op alsof ze juist voor deze gelegenheid waren geschapen” (F. Reed, in de Christian Advocat and Journal, 13 dec. 1833). „Men kan zich dit verschijnsel het best voorstellen als een vijgenboom die door een harde wind zijn vijgen laat vallen” („The Old Countryman”, in Port­land Evening Advertiser, 26 nov. 1833).

In het New York Journal of Commerce van 14 november 1833 ver­scheen een lang artikel over dit verschijnsel, waarin deze passage voorkomt: „Ik denk dat geen enkele natuuronderzoeker of geleerde ooit een gebeurtenis zoals die van gistermorgen heeft beschreven of heeft opgetekend. Achttienhonderd jaar geleden heeft een profeet dit alles nauwkeurig voorzegd, als wij ten minste willen toegeven dat met ‘sterren des hemels die op de aarde vallen’ een sterrenregen wordt be­doeld… wat volgens mij de enig mogelijke letterlijke betekenis is.”

Zo was het laatste teken dat Christus’ wederkomst aankondigde ook verschenen: „Jezus had zijn discipelen naar aanleiding van deze tekenen gezegd: “Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur” (Mattheüs 24:33).
Na deze tekenen zag Johannes de volgende belangrijke gebeurtenis die kort daarna zou voorkomen: „En de hemel week terug als een boekrol”, terwijl de aarde beefde en alle bergen en eilanden van hun plaats werden gerukt en de goddelozen in radeloze angst wilden vluchten voor het aange­zicht van de Zoon des mensen. (Openbaring 6:12-17).

Velen die de sterrenregen hadden gezien beschouwden dit ver­schijnsel als een voorloper van het komende oordeel, als „een angst­aanjagend beeld, een ware voorloper, een genadig voorteken van die grote en verschrikkelijke dag” („The Old Countryman”, in Portland Evening Advertiser, 26 nov. 1833). Hierdoor werd de aandacht van de mensen bepaald bij de vervulling van de profetie en velen luister­den naar de waarschuwing van de wederkomst.

In 1840 ging een andere profetie in vervulling, die algemene be­langstelling trok. In 1838 had Josiah Litch, één van de belangrijkste verkondigers van de wederkomst van Christus een werk gepubliceerd waarin hij zijn interpretatie van Openbaring 9 gaf en de val van het Ottomaanse rijk voorzegde. Volgens zijn berekeningen zou deze macht „in de loop van de maand augustus 1840″ ten val worden ge­bracht. Enkele dagen vóór de vervulling schreef hij: „Als wij ervan uitgaan dat de eerste periode van 150 jaar precies is uitgekomen vóór Deacozes met toestemming van de Turken de troon besteeg en dat de 391 jaar en 15 dagen begonnen aan het einde van de eerste periode, dan moeten deze eindigen op 11 augustus 1840. Op die dag zal de Ot­tomaanse macht in Constantinopel ten val komen. Ik geloof dat dit in­derdaad het geval zal blijken te zijn” (Josiah Litch, in Signs of the Times, and Expositor of Prophecy, 1 aug. 1840).

Op het aangeduide tijdstip aanvaardde Turkije door bemiddeling van zijn ambassadeurs de bescherming van de Europese mogendhe­den en kwam het onder controle van christelijke landen. De voorspel­ling was nauwkeurig uitgekomen (zie Aanhangsel onder ‘De val van het Ottomaanse rijk’) Toen dit bekend werd, kwamen zeer veel men­sen tot de overtuiging dat de beginselen die Miller en zijn medewer­kers volgden bij de uitleg van de profetieën juist waren….. Dit was een zeer grote steun voor de Adventbeweging. Knappe en invloedrijke mannen sloten zich bij Miller aan en hielpen hem bij de verkondiging en publikatie van zijn opvattingen. Het werk maakte grote vorderin­gen tussen 1840 en 1844.

William Miller was verstandig en zijn geest was gevormd door overdenking en onderzoek. Bovendien had hij wijsheid van Boven ontvangen, omdat hij met de Bron van wijsheid verbonden bleef. Hij was integer en werd overal waar men rechtschapenheid en morele on­kreukbaarheid op prijs stelde, geëerd en gewaardeerd. Hij liet oprech­te vriendelijkheid, christelijke nederigheid en zelfbeheersing samen­gaan. Hij was voorkomend en minzaam tegenover iedereen. Hij was bereid naar de mening van anderen te luisteren en hun argumenten te overwegen. Hij toetste alle theorieën en leerstellingen zonder harts­tocht of opwinding aan het Woord van God. Zijn denken was zuiver en hij had een grondige kennis van de Bijbel, waardoor hij dwalingen kon weerleggen en bedrog aan het licht kon brengen.

Toch stuitte hij bij zijn werk op veel verzet. Zoals ook het geval was geweest met de vroegere hervormers werd de waarheid die hij verkondigde niet gunstig ontvangen door de populaire predikanten. Ze konden hun opvattingen niet aan de hand van de Bijbel bewijzen en moesten een beroep doen op de uitspraken en leerstellingen van mensen en op de overleveringen van kerkvaders.
De verkondigers van de Adventwaarheid aanvaardden echter alleen de Schrift. „De Bijbel en de Bijbel alléén” was hun wachtwoord. Hun tegenstanders moesten hun eigen zwakke, onbijbelse argumenten kracht bijzetten door spot. Ze hadden veel tijd, geld en talenten over om kwaad te spreken van mensen die er alleen van beschuldigd konden worden dat ze vol vreugde naar de wederkomst van hun Heer uitzagen, ernaar streefden een heilig leven te leiden en anderen aanspoorden zich op Christus komst voor te bereiden.

De tegenstanders stelden alles in het werk om mensen af te leiden zodat ze niet over de wederkomst zouden nadenken. Zij brandmerkten het onderzoek van de profetieën over de wederkomst en het einde van de wereld als „zonde”, als iets waarvoor men zich moest schamen. Zo ondermijnden de populaire predikanten het geloof in Gods Woord. Hun leer bracht de mensen tot ongeloof en velen veroorloofden zich de vrijheid naar hun eigen goddeloze begeerten te wandelen.
De aan­stichters van het kwaad gaven dan de schuld aan de adventisten.

Miller trok volle zalen. Zijn toehoorders waren verstandig en luis­terden aandachtig. Toch werd zijn naam zelden in de godsdienstige pers genoemd en als dat wel gebeurde, was het om te spotten en hem door het slijk te halen. De onverschilligen en ongelovigen werden aangemoedigd door de houding van de predikanten en gebruikten las­terlijke scheldnamen en maakten gemene, godslasterlijke grappen om zijn persoon en zijn werk in diskrediet te brengen. Deze ouder wor­dende man met grijs haar, die zijn comfortabel huis verliet en op ei­gen kosten van de ene stad naar de andere reisde, onvermoeibaar werkte om de ernstige boodschap dat het oordeel nabij was aan de wereld te brengen, werd door zijn tegenstanders bestempeld als een fanaticus, een leugenaar en een bedrieger.

De spot, de leugens en de minachting die men hem naar het hoofd slingerde, lokten verontwaardiging uit bij de mensen en zelfs bij de dagbladpers. Buitenstaanders zeiden: „Als men zo’n verheven onder­werp, met zulke verschrikkelijke gevolgen, zo licht opneemt en er zelfs mee durft te spotten, speelt men niet alleen met de gevoelens van de voorstanders en verdedigers, maar spot men ook met de dag des oordeels en met de Godheid en veracht men de verschrikkingen van zijn gericht” (Bliss, p. 183).

De aanstichter van alle kwaad probeerde niet alleen de invloed van de Adventboodschap tegen te werken, maar wilde ook de boodschap­per zelf vernietigen. Miller wilde de waarheid van de Schrift in het hart van zijn toehoorders griffen. Hij veroordeelde hun zonden en ver­stoorde hun zelfvoldaanheid. Zijn duidelijke, scherpe woorden erger­den hen. Het verzet van de kerkleden tegen zijn boodschap was een aanmoediging voor mensen van slecht allooi om nog verder te gaan. Zijn vijanden hadden het plan beraamd om hem na afloop van een vergadering te vermoorden, maar er waren heilige engelen in de me­nigte. Eén van hen nam de gedaante van een man aan, leidde deze boodschapper van God weg uit het gespuis en bracht hem in veilig­heid. Zijn werk was nog niet voltooid en Satan en zijn medewerkers konden hun plan niet ten uitvoer brengen.

Ondanks het verzet kregen nog meer mensen belangstelling voor de Adventbeweging. Er waren geen tientallen of honderden, maar duizenden belangstellenden. Zeer veel mensen hadden zich bij de be­staande kerken aangesloten, maar na enige tijd ging men ook vijandig staan tegenover deze bekeerlingen en de kerken begonnen tuchtmaat­regelen te nemen tegen de gelovigen die Millers opvattingen deelden. Miller schreef toen een open brief aan de christenen van alle kerken, waarin hij zei dat men hem aan de hand van de Bijbel moest bewijzen dat hij dwalingen verkondigde.

Hij schreef: „Welke geloofspunten die wij verkondigen komen niet uit het Woord van God, dat u toch ook aanneemt als de enige regel voor geloof en leven? Wat hebben wij misdaan dat men zo tegen ons tekeer gaat van de kansel en in de pers, waardoor u het recht meent te hebben ons [adventisten] uit te sluiten en te verstoten?” „Als wij het bij het verkeerde eind hebben, verzoeken wij u ons te wijzen op welke punten wij dwalen. Toon ons op grond van Gods Woord aan waarin wij ons vergissen. Wij hebben al genoeg spot moeten verdragen. Dat zal voor ons nooit een bewijs zijn dat wij ongelijk hebben. Alleen het Woord van God kan ons van idee doen veranderen. Wij zijn na overleg en gebed tot onze conclusies gekomen en hun juistheid wordt door de Schrift bewezen” (Ibid., pp. 250-252).

De waarschuwingen die God door bemiddeling van zijn bood­schappers tot de mensen heeft gericht zijn altijd met hetzelfde onge­loof ontvangen. Toen God de wereld vanwege de verdorvenheid van Noachs tijdgenoten met een zondvloed wilde overspoelen, maakte Hij zijn bedoelingen eerst bekend, zodat zij de kans kregen de verkeerde weg te verlaten. Honderdtwintig jaar lang hebben ze gelegenheid ge­had de waarschuwingsboodschap te horen en tot inkeer te komen als ze niet door Gods gramschap vernietigd wilden worden. De boodschap kwam echter over als een verzinsel en zij geloofden haar niet. Zij werden verhard in hun boosheid, dreven de spot met Gods bood­schapper, namen zijn oproep niet ernstig en beschuldigden hem zelfs van aanmatiging.
„Hoe durft één man er een mening op na te houden die afwijkt van de opvattingen van al die knappe mannen van deze wereld? Als Noachs boodschap waar is, hoe komt het dan dat de hele wereld het niet zelf inziet en gelooft? De beweringen van één man te­genover de wijsheid van duizenden!” Zij wilden niet het minste geloof hechten aan de waarschuwing en weigerden in de ark te gaan.

De spotters wezen op de verschijnselen in de natuur; de ononder­broken opeenvolging van de jaargetijden, de blauwe hemel waaruit nog nooit één druppel regen was gevallen, de groene velden die ‘s nachts door dauw werden bevochtigd. Ze zeiden dan: „Deze man verteld onzin!” Ze verklaarden met minachting dat de prediker der gerechtigheid het slachtoffer was van zijn eigen wilde verbeelding en gingen hun gang, terwijl ze zich nog meer dan vroeger overgaven aan hun genotzucht en met nog meer overtuiging hun boze wegen bleven bewandelen. Hun ongeloof kon de voorzegde gebeurtenis echter niet tegenhouden. God heeft hun verdorvenheid lang geduld. Hij gaf hun meer dan genoeg tijd om tot inkeer te komen. Toen zij Gods genade echter bleven afwijzen greep God op de vastgestelde tijd in.

Christus zei dat de mensen even ongelovig zouden staan tegenover zijn wederkomst. Zoals de mensen in Noachs tijd niets merkten „eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn” (Mattheüs 24:39).
Wanneer de mensen die zich Gods kinderen noemen op vriendschappelijke voet omgaan met de wereld, wanneer zij leven zoals de wereld en deelnemen aan haar verboden genoegens, wanneer de gemeente zich zoals de wereld aan weelde overgeeft, wanneer de huwelijksklokken luiden en iedereen rekent op vele jaren van voorspoed op aarde, zal er plotseling, met de snelheid van de bliksem, een einde komen aan hun schitterende voor­uitzichten en hun bedrieglijke wensdromen.

Zoals God zijn boodschapper had gestuurd om de wereld te waar­schuwen dat de zondvloed zou komen, heeft Hij ook uitverkoren boodschappers uitgezonden om het naderen van het laatste oordeel bekend te maken. En zoals Noachs tijdgenoten de voorzeggingen van de prediker der gerechtigheid belachelijk vonden, spotten velen – ook zij die zich voor Gods volk uitgaven – met de waarschuwing van Miller.

Waarom stonden de kerken zo vijandig tegenover de leer en de ver­kondiging van Christus’ wederkomst? De wederkomst betekent voor de ongelovigen; ellende en vernietiging; maar voor de gelovige bete­kent Christus’ terugkeer; blijdschap en hoop. Deze belangrijke waar­heid is door de eeuwen heen een troost voor Gods trouwe volgelingen geweest.
Waarom is deze boodschap net als Christus zelf „een steen des aanstoots” en een „struikelblok” geworden voor de christenen? Jezus beloofde zijn discipelen: „En wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben” (Johannes 14:3).
Dezelfde „mede voelen­de” Heiland die de eenzaamheid en het verdriet van zijn volgelingen voorzag, gaf de engelen opdracht hen te troosten met de verzekering dat Hij persoonlijk zou terugkomen, zoals zij Hem naar de hemel had­den zien opvaren. Toen de discipelen hun blik gericht hielden op Hem die zij zo liefhadden om Hem tot het laatste ogenblik te kunnen zien, hoorden zij de woorden: „Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen” (Handelingen 1:11).
De boodschap van de engel gaf hun weer moed. De discipelen „keerden terug naar Jeruzalem met grote blijd­schap en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God” (Lucas 24:52, 53). Zij waren niet blij omdat ze nu gescheiden waren van Jezus en het hoofd zouden moeten bieden aan de beproevingen en verleidingen van de wereld, maar omdat de engel hun had verzekerd dat Hij zou te­rugkomen.

De verkondiging van de wederkomst van Christus had zoals de boodschap van de engelen aan de herders van Bethlehem „goed nieuws” moeten zijn. Wie Jezus werkelijk liefheeft, moet zich ver­heugen over de aankondiging die op het Woord van God steunt, dat Christus, onze hoop op eeuwig leven, zal terugkomen – niet om bele­digd, veracht en verworpen te worden zoals bij zijn eerste komst, want Hij zal komen met macht en heerlijkheid om zijn volk te verlos­sen. Alleen zij die hun Heiland niet liefhebben, vinden dat Hij maar moet wegblijven. De ergernis en vijandigheid van de kerken tegen­over deze hemelse boodschap is trouwens het beste bewijs dat ze van God vervreemd zijn.

De gelovigen die de Adventwaarheid aannamen, beseften dat ze tot inkeer moesten komen en zich voor God moesten verootmoedigen. Velen hadden lang getwijfeld tussen Christus en de wereld. Het drong tot hen door dat ze nu moesten kiezen. „De dingen van eeuwige waarde werden buitengewoon belangrijk. De hemel kwam dichterbij en ze zagen in dat ze schuldig waren tegenover God” (Bliss, p. 146).
De christenen werden tot een nieuw geestelijk leven opgewekt. Ze merkten dat de tijd kort was en dat ze de anderen zo vlug mogelijk moesten waarschuwen. De aardse dingen werden onbelangrijk nu de eeuwigheid zo dichtbij was gekomen. Ze vonden dat hun geestelijk leven en hun eeuwig heil oneindig veel belangrijker waren dan al het vergankelijke. Gods Geest rustte op hen en gaf een bijzondere kracht aan de ernstige oproep die zij tot hun broeders en tot de zondaren richtten om zich voor te bereiden op „de grote dag des Heren.”
Het stille getuigenis van hun dagelijks leven was een voortdurende ver­oordeling aan het adres van de meelopers en de ontrouwe kerkleden, die niet gestoord wilden worden in hun jacht naar plezier, geld en we­reldse eer. Daarom keerden zij zich tegen de Adventwaarheid en de adventisten.

Aangezien de argumenten die op de profetische tijdperken steun­den onweerlegbaar waren, probeerden de tegenstanders het bestude­ren van dit onderwerp tegen te werken onder het voorwendsel dat de profetieën verzegeld waren.
De protestanten volgden hierdoor het voorbeeld van de rooms-katholieke kerk, die niet wilde dat de rooms-katholieken de Bijbel lazen (zie Aanhangsel onder ‘De rooms-katho­lieke kerk en de Bijbel’)
De protestantse kerken beweerden dat men een groot deel van Gods Woord niet kon begrijpen en dachten daarbij natuurlijk in de eerste plaats aan de bijbelgedeelten met de waarheid voor deze tijd.

Volgens de predikanten en de gelovigen van die kerken waren de profetieën van Daniël en de Openbaring ondoorgrondelijke verborgenheden, terwijl Christus zijn discipelen op de woorden van de pro­feet Daniël wees toen Hij sprak over de gebeurtenissen die zich in hun tijd zouden voordoen: „Wie het leest, geve er acht op” (Mattheüs 24:15). De bewering dat de Openbaring een geheimenis is en niet kan worden begrepen, wordt alleen al door de titel van het boek tegengesproken: „Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschie­den… Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profe­tie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is na­bij” (Openbaring 1:1-3).

De profeet zegt: „Zalig hij, die voorleest” (Statenvertaling: „Zalig is hij die leest”)
Sommigen willen niet lezen; zij worden dan ook niet gezegend. „En zij die horen”. Sommigen willen ook niets horen van de profetieën; ook zij zullen niet worden gezegend. „En bewaren, het­geen daarin geschreven staat.” Velen weigeren acht te slaan op de waarschuwingen en onderrichtingen van de Openbaring; zulke men­sen zullen geen aanspraak maken op de beloofde zegen.
Iedereen die de onderwerpen van de profetie belachelijk maakt en de spot drijft met de symbolen die in deze boeken plechtig zijn vermeld, iedereen die zijn leven niet wil veranderen en zich niet wil voorbereiden op de komst van Christus, zal het zonder Gods zegen moeten stellen.

Wat geeft de mensen het recht te beweren dat de Openbaring een verborgenheid is die niet door het menselijk verstand kan worden begrepen, terwijl God duidelijk zegt dat het een geopenbaard geheime­nis, een geopend boek is? Door het onderzoek van de Openbaring komt men vanzelf terecht bij het boek Daniël. In deze twee boeken vinden wij de belangrijkste richtlijnen die God aan de mensen heeft gegeven voor de gebeurtenissen die zich aan het einde van de wereld­geschiedenis zullen voordoen.

Johannes zag in zijn visioenen de uiterst belangrijke gebeurtenissen die zich in de gemeente zouden voordoen. Hij zag haar geestelijke toestand, de gevaren, de strijd en de uiteindelijke verlossing van Gods volk. Hij tekende de laatste boodschappen op die de oogst op aarde tot volle rijpheid zouden brengen. Hij zag in de oogst zowel de scho­ven voor de hemelse schuur als het onkruid voor het vernietigend vuur. Hij kreeg uitermate belangrijke openbaringen, die vooral voor de laatste gemeente bestemd zijn. Door deze boodschappen zouden degenen die hun dwaalwegen verlaten en de waarheid aannemen, worden gewaarschuwd voor de gevaren en de strijd die nog zouden komen. Iedereen kan te weten komen wat met de aarde zal gebeuren.

Waarom weten zoveel mensen dan niets af van een belangrijk deel van de Heilige Schrift? Waarom weigeren zoveel mensen te onder­zoeken wat zij leert? Dit is het gevolg van een weloverwogen plan van de vorst der duisternis om alles wat zijn bedrog aan het licht kan brengen voor de mensen verborgen te houden. Daarom heeft Christus, die de Openbaring aan Johannes gaf en wist dat men zich tegen het onderzoek van de Openbaring zou verzetten, een zegen uitgesproken over iedereen die de woorden van de profetie zou (voor)lezen, horen en bewaren. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

De belangrijke hervormingen en godsdienstige bewegingen die Gods werk in de loop der eeuwen hebben bevorderd, vertonen een aantal opvallende gemeenschappelijke kenmerken. De beginselen van Gods handelen met de mens blijven altijd dezelfde. Er zijn in de ge­schiedenis parallellen te vinden voor de belangrijke bewegingen van tegenwoordig en de ervaringen van de gemeente in het verleden zijn ook voor onze tijd van grote betekenis.

De Bijbel leert heel duidelijk dat God de leiders van de grote bewe­gingen die het verlossingswerk op aarde moeten voortzetten op een heel bijzondere wijze door zijn Geest leidt. Mensen zijn slechts in­strumenten in Gods handen. God gebruikt ons om zijn genade aan an­deren mee te delen. Iedereen krijgt een taak en elk mens krijgt een hoeveelheid licht die afgestemd is op de behoeften van zijn tijd en het werk dat God hem heeft toevertrouwd. Maar hoe groot Gods gaven aan iemand ook zijn, nooit zal hij het verlossingsplan volledig begrij­pen of Gods bedoelingen met het werk in zijn tijd helemaal inzien. De mensen weten niet alles van het werk dat ze van God krijgen. Ze zien de volledige draagwijdte van de boodschap die ze namens Hem ver­kondigen niet.

„Kunt gij de geheimen Gods doorgronden, de Almachtige door­gronden ten einde toe?” „Want mijn gedachten zijn niet uw gedach­ten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.” „Ik im­mers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is.” (Job 11:7; Jesaja 55:8,9; 46:9,10).

Zelfs de profeten, die op een bijzondere wijze door de Geest waren verlicht, begrepen het belang van de openbaringen die hun werden ge­geven niet volledig. De betekenis daarvan zou in de loop der eeuwen geleidelijk worden onthuld, naarmate Gods volk hun boodschap nodig zou hebben.

Petrus schreef over de verlossing die door het evangelie wordt ge­openbaard: „Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profe­ten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd ge­openbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen.” (l Petrus 1:10-12).

Hoewel de profeten niet alle openbaringen volledig begrepen, streefden zij er toch ernstig naar al het licht te ontvangen, dat God in zijn genade liet schijnen. Zij hebben „gezocht en gevorst”, zij hebben nagespeurd „op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde.” Dit is een duidelijke les voor Gods kinderen tijdens de chris­telijke bedeling, voor wie deze profetieën aan Gods boodschappers werden meegedeeld! „Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar U dienden.” Als wij zien hoe deze heilige mannen Gods „heb­ben gezocht en gevorst” naar de betekenis van de openbaringen die ze hadden gekregen voor de generaties die na hen zouden komen en als wij hun heilig vuur vergelijken met de onverschilligheid waarmee de bevoorrechte gelovigen van later deze gave van God beschouwen, kunnen wij ons indenken hoe God oordeelt over de gemakzuchtige, wereldsgezinde mensen die genoegen nemen met de bewering dat men de profetieën niet kan begrijpen!

De mens met zijn eindig verstand is niet in staat de bedoelingen van God te doorgronden en hij kan het handelen van de Oneindige ook niet helemaal begrijpen. Vaak ligt het echter aan onze dwalingen en aan onze nalatigheid dat wij de boodschappen uit de hemel zo slecht begrijpen. Het komt vaak voor dat de geest van de mensen – en zelfs van Gods dienstknechten – zo verduisterd is door menselijke op­vattingen, overleveringen en dwaalleringen dat zij de grote openbarin­gen van God in zijn Woord maar gedeeltelijk vatten. Zo was het ook met de discipelen van Christus, zelfs toen Hij persoonlijk bij hen was. Hun denken was doordrongen van de algemeen gangbare opvatting dat de Messias een wereldlijk vorst zou zijn die Israël aan het hoofd van een wereldrijk zou plaatsen. Daarom konden zij de betekenis van Christus’ woorden die zijn lijden en dood voorzegden niet begrijpen.

Christus had hen uitgezonden met de boodschap: „De tijd is ver­vuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen.” (Marcus 1:15). Deze uitspraak was gebaseerd op de profetie van Daniël 9. De negenenzes­tig weken zouden volgens de engel reiken „tot op een gezalfde, een vorst” en de discipelen keken in gespannen verwachting en met blijdschap uit naar de vestiging van het koninkrijk van de Messias te Jeru­zalem om over de ganse aarde te heersen.

Zij verkondigden de boodschap die Christus hun had toevertrouwd, hoewel zij haar niet hadden begrepen. Hun prediking was gebaseerd op Daniël 9:25, maar zij hadden niet gemerkt dat de Gezalfde volgens vers 26 van hetzelfde hoofdstuk zou worden uitgeroeid. Vanaf hun geboorte was de gedachte van een aards koninkrijk hun zo ingeprent, dat ze gewoon blind en doof waren voor de woorden van de profetie en de uitspraken van Christus.

Zij deden wat hun was opgedragen en brachten de genadeboodschap aan het Joodse volk. Op het ogenblik dat zij dachten dat hun Meester de troon van David zou bestijgen, werd Hij echter voor hun ogen aangehouden als een misdadiger, gegeseld, bespot, veroordeeld en gekruisigd op Golgotha. Hun hart moet door wanhoop en verdriet zijn verscheurd toen hun Meester in het graf sliep!

Christus was gekomen op de tijd en wijze die de profetie had voor­zegd. De woorden van de Schrift waren in elk onderdeel van zijn werk op aarde in vervulling gegaan. Hij had de heilsboodschap ver­kondigd en „zijn woord was met gezag.” Zijn toehoorders waren ervan overtuigd dat het een boodschap uit de hemel was. Het Woord en de Geest van God bevestigden de goddelijke opdracht van zijn Zoon.

De discipelen waren nog altijd door dezelfde grote liefde met hun Meester verbonden. Toch waren zij overweldigd door onzekerheid en twijfel. Door hun verdriet herinnerden zij zich de woorden van Chris­tus over zijn lijden en sterven niet. Als Jezus van Nazareth werkelijk de Messias was, zouden zij nu toch niet overmand zijn door verdriet en te­leurstelling? Deze vraag kwelde hun geest toen Christus in het graf lag tijdens de sombere uren op die sabbat tussen zijn dood en opstanding. Hoewel de volgelingen van Christus bedroefd waren, liet God hen niet in de steek. De profeet had gezegd:

„Al zit ik in het duister, de HERE zal mij tot licht zijn… Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen, hoe Hij gerechtigheid oefent.” „Zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht.”

God heeft gezegd: „Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op.” „En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten.” (Micha 7:8,9; Psalm 139:12; 112:4; Jesaja 42:16).

De boodschap die de discipelen in de naam van Jezus brachten, was tot in alle bijzonderheden juist en de gebeurtenissen die zij aan­kondigden, begonnen zich toen al af te tekenen. „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”, was hun boodschap. Bij het verstrijken van „de tijd” – „de zeven weken en tweeënzestig weken dus negenenzestig weken van Daniël 9, die zouden reiken tot op de Messias – was Christus door de Geest gezalfd na zijn doop door Johannes in de Jordaan.

Het Koninkrijk Gods dat nabij was, werd bij Christus’ dood opgericht. Maar dat Koninkrijk was geen koninkrijk van deze wereld zoals zij dachten. Het was ook niet het toekomstige, eeuwige Koninkrijk, dat zal worden opgericht wanneer „het koning­schap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten”, dat eeuwige Koninkrijk waarin alle machten Hem dienen en gehoorzamen. (Daniël 7:27).

In de Bijbel wordt de uitdrukking „het Koninkrijk Gods” zowel voor „het koninkrijk der genade” als voor het „koninkrijk der heerlijkheid” gebruikt. Paulus spreekt over het koninkrijk der genade in zijn brief aan de Hebreeën. Nadat hij heeft gewezen op „Christus, de hogepriester die kan medevoelen met onze zwakheden”, zegt de apostel: „Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden.” (Hebreeën 4:15,16).

De troon der genade stelt „het koninkrijk der genade” voor, want waar een troon is, is er ook een koninkrijk. Christus gebruikt in veel gelijkenissen de uitdrukking „het Koninkrijk der hemelen” om de werking van Gods genade in het hart van de mensen aan te duiden. De troon der heerlijkheid stelt „het koninkrijk der heerlijkheid” voor.

Christus verwijst naar dit konink­rijk wanneer Hij zegt: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem ver­zameld worden.” (Mattheüs 25:31,32).

Dit koninkrijk ligt nog in de toekomst. Het zal bij de wederkomst van Christus worden opgericht. Het „koninkrijk der genade” werd onmiddellijk na de zondeval inge­steld. Toen werd een plan uitgewerkt voor de verlossing van de geval­len mens. Dit koninkrijk bestond toen op grond van de intentie en be­lofte van God. De mens kon door het geloof burger van dit koninkrijk worden. Toch werd het pas bij de dood van Christus opgericht. Jezus had immers zelfs na het begin van zijn openbaar optreden kunnen af­zien van het offer op Golgotha als Hij ontmoedigd was geworden door de hardnekkigheid en ondankbaarheid van de mensen.

De lij­densbeker trilde in zijn hand in de hof Gethsémane. Hij had op dat ogenblik het bloed dat op zijn voorhoofd parelde kunnen afvegen en de schuldige mensheid in haar eigen ongerechtigheid kunnen laten omkomen. Als Hij dat gedaan had, was er geen verlossing mogelijk voor de gevallen mens. Toen Hij echter zijn leven gaf en de doods­kreet „Het is volbracht” slaakte, was de uitvoering van het verlos­singsplan verzekerd. De belofte van verlossing die aan het gevallen mensenpaar in het paradijs werd gedaan, was bekrachtigd. Het ko­ninkrijk der genade, dat vroeger beloofd was, werd toen opgericht.

Zo werd de dood van Christus, die de discipelen als de definitieve vernietiging van hun hoop beschouwden, juist de eeuwige bevestiging van hun verwachtingen. Hoewel ze erg teleurgesteld waren door zijn dood, was zijn sterven toch het beste bewijs dat hun geloof juist was. De gebeurtenis die hen met droefheid en wanhoop had vervuld, open­de de deur der hoop voor elke afstammeling van Adam. Daarin lag het toekomstige leven en het eeuwige geluk voor al Gods trouwe vol­gelingen besloten.

Het plan dat door oneindige barmhartigheid was ingegeven, werd ondanks de teleurstelling van de discipelen ten uitvoer gebracht. Hun hart was door Gods genade en door de overtuigingskracht van de woorden van Christus veranderd, want „nooit heeft een mens zo ge­sproken, als deze mens!” Toch was het zuivere goud van hun liefde voor Jezus vermengd met wereldse hoogmoed en zelfzuchtige ambi­ties van laag allooi.

Zelfs in de zaal waar het Pascha werd genuttigd „ontstond er onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden”, (Lucas 22:24) terwijl de schaduw van Gethsé­mane al op hun Meester begon te vallen. Ze hadden alleen belangstel­ling voor de troon, de kroon en de heerlijkheid, terwijl de hof van schande en angst, de rechtszaal en het kruis van Golgotha voor hen la­gen.

Door hun hoogmoed en hun verlangen naar wereldse eer klamp­ten zij zich zo krampachtig vast aan de dwalingen van hun tijd en let­ten zij niet op de woorden van Christus die duidelijk wezen op de ware aard van zijn koninkrijk en ook zijn angst en dood voorzegden. Door deze dwalingen moesten zij de zware, maar noodzakelijke be­proeving meemaken die was bedoeld om hen weer op het rechte pad te brengen. Hoewel de discipelen hun eigen boodschap verkeerd begrepen en in hun verwachtingen werden teleurgesteld, hadden zij toch de waarschuwingen die God hun had toevertrouwd aan de mensen gebracht en zal God hun geloof en gehoorzaamheid belonen. Zij moes­ten de heerlijke boodschap van de opgestane Christus aan alle volken brengen. God had de bittere ervaring toegelaten om hen op dit werk voor te bereiden.

Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd er­door gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop”, zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profe­tie.” Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen. Jezus wees zijn discipelen als eer­ste stap bij het overdragen van deze kennis op „Mozes en al de profe­ten.” Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet ge­schreven heeft en de profeten.” Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tem­pel waren, lovende God.”

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krach­tige aansporing”; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is.” (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.”

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.” (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.” (l Petrus 1:25). „Wie zal veroorde­len? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.” (Romeinen 8:34).

De Here zegt: „Mijn volk zal nimmermeer te schande worden.” (Joel 2:26). „Des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich.” (Psalm 30:6). Zouden de discipelen nadat zij Jezus op de dag van zijn opstanding waren tegengekomen en met grote blijdschap naar zijn woorden hadden geluisterd; nadat zij het hoofd, de handen en de voeten hadden gezien die voor hen waren verwond; nadat Jezus hen vóór zijn hemelvaart tot in Bethanië had gebracht, zijn handen ophief om hen te zegenen en hun de opdracht gaf: „Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” en zei: „En zie, Ik ben met u al de dagen,” (Marcus 16:15; Mattheüs 28:20).

Nadat de Trooster die Hij had beloofd op Pinksteren neerdaal­de, de kracht van Boven gegeven werd en de gelovigen de aanwezig­heid van hun ten hemel gevaren Heiland tastbaar voelden – zouden zij na dit alles, ondanks het feit dat zij net als hun Meester offers moesten brengen en de marteldood zouden sterven, de verkondiging van het blijde nieuws van Gods genade en „de kroon der gerechtigheid” die zij bij Christus’ wederkomst zullen ontvangen, willen ruilen voor de heerlijkheid van de aardse troon, die zij vroeger hadden verwacht? Hij die „bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of be­seffen” gaf hun met „de gemeenschap aan zijn lijden” ook zijn vreugde – de vreugde „om vele zonen tot heerlijkheid te brengen”, een onuitsprekelijke blijdschap, een „eeuwig gewicht van heerlijk­heid” waarbij „de lichte last der verdrukking van een ogenblik” vol­gens Paulus in het niet verzinkt.

De ervaring van de discipelen, die „het evangelie van het Konink­rijk” bij de eerste komst van Christus verkondigden, heeft zich her­haald voor hen die de boodschap van Christus’ wederkomst brachten. De discipelen predikten: „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen.” Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken, dat het oordeel nabij was en dat het eeuwige Konink­rijk zou worden opgericht. De evangelie verkondiging van de discipe­len steunde op de zeventig weken van Daniël 9. Volgens de bood­schap die Miller en zijn medewerkers brachten, liepen de 2300 avonden en morgens van Daniël 8:14, waarvan de zeventig weken het begin vormden, spoedig ten einde. De verkondiging van beide groepen was gebaseerd op de vervulling van twee verschillende stukken van de­zelfde lange profetische periode.

Zoals de eerste discipelen kenden ook Miller en zijn medewerkers de volledige draagwijdte van de boodschap die zij brachten niet. Door enkele dwalingen die allang gemeengoed waren geworden in de ge­meente konden zij een belangrijk punt in de profetie niet juist inter­preteren. Hoewel ze dus de boodschap verkondigden die God hun had toevertrouwd, zouden zij door hun eigen verkeerde interpretatie wor­den teleurgesteld.

Miller had bij zijn uitleg van Daniël 8:14, „Tweeduizend driehon­derd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat her­steld worden,” het algemeen aanvaarde standpunt ingenomen dat de aarde het heiligdom is. Hij meende dan ook dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” doelde op de reiniging van de aarde door vuur bij de wederkomst van Christus. Toen hij vaststelde dat de Bijbel duidelijk aangaf wanneer de 2300 avonden en morgens eindig­den, trok hij de conclusie dat dit tijdstip samenviel met de weder­komst. Hij vergiste zich omdat hij de populaire opvatting over het heiligdom had overgenomen.

In de tabernakel- en tempeldienst, die een voorafschaduwing van het offer en martelaarschap van Christus was, sloot de reiniging van het heiligdom door de hogepriester de jaarlijkse cyclus af. Door deze dienst werd het verzoeningswerk afgerond en werden de zonden van Israël uit het heiligdom verwijderd. Deze dienst was een beeld van het afsluitingswerk van onze Hogepriester in de hemel. Ook daar worden de zonden van zijn volk die in de hemelse boeken staan opgetekend, verwijderd en uitgedelgd. Deze dienst impliceert een onderzoekend oordeel en gaat onmiddellijk aan de wederkomst van Christus op de wolken der hemels met macht en heerlijkheid vooraf, want wanneer Jezus terugkomt, is er over iedereen een beslissing gevallen. Jezus zei: „Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is.” (Openbaring 22:12).

De boodschap van de eerste engel van Openbaring 14:7 kondigt dit onderzoekend oordeel, dat vlak vóór de wederkomst plaatsvindt, aan met de woorden: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen.”

De gelovigen die deze waarschuwing verkondigden, brachten de juiste boodschap op de juiste tijd. De eerste discipelen zeiden op grond van de profetie van Daniël 9: „De tijd is vervuld en het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen”, maar ze hadden niet gezien dat de­zelfde tekst ook de dood van de Messias voorzegde. Zo hebben Miller en zijn medewerkers de boodschap van Daniël 8:14 en van Openba­ring 14:7 verkondigd zonder erop te letten dat er nog andere bood­schappen in Openbaring 14 waren die ook voor de wederkomst van Christus aan de wereld moesten worden meegedeeld. Zoals de disci­pelen zich hadden vergist in de aard van het Koninkrijk dat zou wor­den opgericht, hebben de adventisten zich vergist in de aard van de gebeurtenis die zou plaatsvinden aan het einde van de 2300 avonden en morgens.

In beide gevallen aanvaardden of geloofden zij populaire dwalingen, waardoor zij de waarheid niet onderkenden. Beide groe­pen hebben Gods wil gedaan toen ze de boodschap verkondigden die God aan de wereld wilde meedelen, maar ze werden teleurgesteld, omdat ze hun eigen boodschap niet ten volle begrepen.

Toch liet God in zijn genade de waarschuwingsboodschap in die vorm aan de wereld brengen. De grote dag stond voor de deur en in zijn voor­zienigheid heeft Hij de mensen op de proef willen stellen door het be­kend maken van een bepaalde datum. Daardoor zouden ze zelf kunnen merken wat er in hun harten omging. De boodschap was bedoeld om de kerken te toetsen en te reinigen. Zij moesten inzien waar hun hart naar uitging; naar de wereld of naar Christus en de hemel. Ze beweerden dat zij Christus liefhadden. Nu kregen zij de kans dat ook te bewijzen. Wa­ren zij wel bereid hun wereldse verwachtingen en ambities op te geven en de komst van Christus met blijdschap tegemoet te zien? De bood­schap zou hen in de gelegenheid stellen zelf te oordelen over hun geeste­lijk leven. Ze was gezonden als een teken van Gods barmhartigheid om hen tot inkeer te brengen zodat zij Hem in alle nederigheid zouden zoe­ken.

Hoewel de teleurstelling het gevolg was van hun eigen verkeerde uitleg, zou ze toch positieve resultaten opleveren. Ze zou de harten van alle gelovigen die beweerden dat ze de waarschuwingsboodschap hadden aangenomen, op de proef stellen. Zouden zij door hun teleurstelling hun ervaring met God op een onbezonnen manier afzweren en hun geloof in Gods Woord zomaar opgeven? Of zouden zij door ge­bed en in ootmoed proberen te ontdekken welk punt van de profetie ze verkeerd hadden begrepen?

Hoeveel mensen hadden uit vrees of impulsief gehandeld? Hoevelen hinkten op twee gedachten of waren gewoon ongelovig? Zeer velen zeiden dat ze de verschijning van Christus liefhadden. Zouden ze als ze de spot en minachting van de wereld moesten verduren en de toets van de vertraging en de teleurstelling moesten doorstaan, hun geloof verliezen? Zouden zij omdat ze Gods handelen niet direct ten volle begrepen ook de waarheden die zeer duidelijk in zijn Woord naar voren kwamen, laten vallen?

Deze beproeving zou aantonen hoe sterk de mensen stonden die oprecht geloofden en handelden volgens de richtlijnen van de Geest en het Woord van God. Dit was het beste middel om hen te wijzen op het gevaar van menselijke theorieën en interpretaties. Ze zouden ook begrijpen welk risico men loopt als men de Bijbel niet zichzelf laat uitleggen. De echte gelovigen zouden door de verslagenheid en het verdriet die op hun vergissing volgden weer op het rechte pad komen. Zij zouden de profetieën grondiger gaan bestuderen en het fundament van hun geloof nauwkeuriger onderzoeken. Zij zouden dan elke opvatting verwerpen die niet op het Woord der waarheid steunde, ook al was die nog zo populair onder de christenen.

Deze gelovigen zouden net als de eerste discipelen een beter in­zicht krijgen in alles wat tijdens hun beproeving onbegrijpelijk scheen. Als ze „het einde van de Here” konden zien, zouden ze be­seffen dat God hen liefhad, ondanks de beproeving die het gevolg was van hun eigen vergissing. Zij zouden door de gezegende ervaring le­ren dat God „rijk is aan barmhartigheid en ontferming”, dat „alle pa­den des HEREN goedertierenheid en trouw zijn voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren.” (“Het Grote Conflict” E.G.White)

De eerste engel van Openbaring 14 voorzegde een grote gods­dienstige opwekking tijdens de verkondiging van Christus’ spoedige wederkomst. Johannes zag „een engel vliegen in het midden des he­mels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft.” (vers 6,7).

Het feit dat een engel deze waarschuwing verkondigt is belangrijk. Door de reinheid, heerlijkheid en kracht van de hemelse boodschap­per heeft de goddelijke wijsheid het verheven karakter van het werk dat door deze boodschap moest worden volbracht en de kracht en heerlijkheid die met dit werk gepaard zouden gaan, willen duidelijk maken. En het vliegen van de engel „in het midden des hemels”, de luide stem waarmee deze waarschuwingsboodschap wordt uitgespro­ken en de verkondiging „aan hen, die op de aarde gezeten zijn” -„aan alle volk en stam en taal en natie” – wijzen op de snelheid waar­mee deze beweging zich zou uitbreiden en op haar wereldomvattend karakter.

De boodschap geeft zelf uitleg over de tijd wanneer deze beweging zou ontstaan. De tekst zegt dat ze een onderdeel is van „het eeuwige evangelie” en het begin van het oordeel aankondigt. De heilsbood­schap is in alle eeuwen verkondigd, maar deze boodschap is een on­derdeel van het evangelie dat alleen in de eindtijd zou worden gepre­dikt, want alleen dan zou de ure van zijn oordeel zijn gekomen. De profetieën schetsen de opeenvolging van gebeurtenissen die reiken tot het begin van het oordeel. Dit geldt vooral voor het boek Daniël. Toch moest Daniël op Gods bevel zijn profetieën die betrekking heb­ben op „het laatste der dagen” verborgen houden en verzegelen „tot de eindtijd.” Pas in die tijd zou een boodschap over het oordeel wor­den verkondigd. Deze boodschap zou gebaseerd zijn op de vervulling van zijn profetieën. Over de eindtijd zegt de profeet Daniël: „Velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen.” (Daniël 12:4).

De apostel Paulus heeft de eerste christengemeenten ervoor ge­waarschuwd dat ze de wederkomst van Christus niet in zijn dagen hoefden te venvachten. Hij zegt: „Laat niemand u misleiden, op wel­ke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wette­loosheid zich openbaren.” (2 Tessalonicenzen 2:3). Pas na de grote afval en de lange heerschappij van de ‘mens der wetteloosheid’ mochten de christenen de komst van de Heiland verwachten.
De ‘mens der wetteloosheid’, die ook ‘het geheimenis der wetteloosheid’, ‘de zoon des verderfs’ en ‘de tegenstander’ genoemd, is het pausdom, dat volgens de profetie gedurende 1260 jaar zou heersen. Aan deze periode kwam een eind in 1798. De wederkomst van Christus kon dus niet vóór die tijd plaatsvinden. Paulus bestrijkt met zijn waarschu­wing de hele periode van de christelijke bedeling tot het jaar 1798. Pas na die tijd zou de boodschap van Christus’ wederkomst worden verkondigd.

Deze boodschap is in de eeuwen daarvoor nooit verkondigd. Zoals wij hebben gelezen, heeft Paulus haar niet gepredikt. Hij wees zijn broeders op het feit dat de wederkomst pas in een ver verwijderde toekomst zou plaatsvinden. De hervormers hebben het niet gedaan. Maarten Luther meende dat het oordeel ongeveer driehonderd jaar na zijn tijd zou plaatsvinden. Maar sinds 1798 is het boek Daniël ontzegeld, is de kennis over de profetieën vermeerderd en hebben velen de plechtige boodschap dat het oordeel nabij is, verkondigd.

De Adventbeweging is zoals de Hervorming van de zestiende eeuw tegelijkertijd in verschillende christelijke landen ontstaan. Zowel in Europa als in Amerika werden mannen van geloof en gebed ertoe aangezet de profetieën te onderzoeken en toen zij het geïnspireerde Woord bestudeerden, vonden zij daarin het overtuigend bewijs dat „het einde aller dingen” nabij was. In verschillende landen waren er op zichzelf staande groepen christenen die alleen door het onderzoek van de Bijbel tot het geloof kwamen dat de wederkomst van Christus nabij was.

In 1821, drie jaar nadat Miller zijn verklaring van de profetieën die wijzen op de ure van het oordeel had gegeven, begon dr. Joseph Wolff, „de zendeling der wereld”, de boodschap van de spoedige we­derkomst van Christus te verkondigen. Wolff was in Duitsland gebo­ren uit Joodse ouders. Zijn vader was een Joodse rabbijn. Toen hij die in Christus gestorven zijn het eerst opstaan (1Tessalonicenzen 4:16). Dit noemen wij christenen de eerste opstanding. Dan zal het dierenrijk grondig worden veranderd (Jesaja 11:6-9) en zal het aan Je­zus worden onderworpen (Psalm 8). Overal zal er vrede heersen.” (Journal of the Rev, Joseph Wolff, pp. 378,379). De Here zal weer de aarde aanschouwen en zeggen: „Zie, het is zeer goed.” (Ibid., p.294).

Wolff geloofde dat de wederkomst van Christus nabij was. Zijn uit­leg van de profetische tijdperken plaatste „het einde aller dingen” en­kele jaren na het jaartal dat door Miller was voorgesteld. Aan hen die op grond van de tekst „Doch van die dag en van die ure weet nie­mand” meenden dat de mensen niet zullen weten dat de dag van de wederkomst van Christus nadert, zie Wolff: „Heeft de Here gezegd dat die dag en dat uur nooit bekend zouden zijn? Heeft Hij ons geen voortekenen gegeven zodat wij tenminste het naderen van zijn komst zouden zien, zoals men aan het uitbotten van de vijgenboom kan zien dat de zomer nabij is? (Matteüs 24:32).
Zullen wij die tijd nooit ken­nen, terwijl Hij ons zelf vermaant om de profeet Daniël niet alleen te lezen, maar hem ook te begrijpen? In datzelfde boek van Daniël staat ook dat de woorden verzegeld zouden zijn tot de eindtijd (dat was nog steeds het geval in zijn tijd), dat velen onderzoek zouden doen en dat de kennis (in verband met de eindtijd) zou vermeerderen. (Daniël 12:4). Bovendien bedoelt Christus niet dat het naderen van die tijd niet bekend zal zijn, maar wel dat niemand het juiste uur en de juiste dag zal kennen. Hij zegt dat er door de tekenen des tijds genoeg be­kend zal zijn om ons aan te sporen tot onze voorbereiding op zijn komst, zoals ook Noach zijn ark in gereedheid bracht.” (Wolf, Researches and Missionary Labors, pp.404,405).

Over de algemeen gangbare, maar verkeerde interpretatie van de Schrift zei Wolff: „De overgrote meerderheid van de christenen is van de duidelijke betekenis van de Schrift afgeweken en is overge­stapt naar het ‘hersenschimmige’ systeem van de boeddhisten, die ge­loven dat het toekomstige geluk van de mensen zal bestaan in het zweven door de lucht. Ze denken dat wanneer zij Joden lezen ze daar­onder Heidenen moeten verstaan; en als er aarde staat hemel moeten lezen en onder de wederkomst van Christus de vooruitgang van zendingsgenootschappen moeten verstaan; en dat het gaan naar de berg van het huis des Heren een grote bijeenkomst van methodisten bete­kent.” (Journal of the Rev. Joseph Wolff, p.96).

In de vierentwintig jaar tussen 1821 tot 1845 heeft Wolff veel ge­reisd; in Afrika heeft hij Egypte en Abessinië bezocht; in Azië heeft hij gereisd door Palestina, Syrië, Perzië, Bokhara en India. Hij heeft ook een bezoek gebracht aan de Verenigde Staten en heeft op zijn reis daarheen op het eiland St. Helena gepredikt. Hij is in New York aan­gekomen in augustus 1837 en nadat hij in die stad had gesproken, heeft hij gepredikt in Philadelphia en Baltimore en is tenslotte naar Washington doorgereisd. Hij schrijft daarover: „Hier heeft het Huis van Afgevaardigden na een motie van ex-President John Quincy Adams in één van de ‘Huizen’ van het Congres mij unaniem toege­staan het Congresgebouw te gebruiken voor een lezing, die ik op een zaterdag heb gegeven. Ik werd vereerd met de aanwezigheid van alle congresleden, de bisschop van Virginia, de geestelijken en vele inwo­ners van Washington. Dezelfde eer werd mij bewezen door de leden van de regering van New Jersey en Pennsylvanië, in wier aanwezig­heid ik lezingen gaf over mijn onderzoekingen in Azië en over het Koninkrijk van Jezus Christus.” (Ibid., pp. 398,399).

Dr. Wolff heeft zonder enige steun van een Europese regering in de meest barbaarse landen gereisd. Hij heeft veel ontberingen doorstaan en is omringd geweest door talloze gevaren. Hij is met stokken gesla­gen, uitgehongerd, als slaaf verkocht en drie keer ter dood veroor­deeld. Hij is door rovers aangevallen en is soms bijna van dorst om­gekomen. Eens heeft men al zijn bezittingen gestolen en met lege handen moest hij honderden kilometers te voet door de bergen trek­ken, terwijl de sneeuw hem in het gezicht striemde en zijn blote voeten verkleumd raakten door het lopen op de bevroren grond.

Toen men hem waarschuwde dat hij niet ongewapend naar de wil­de en vijandige stammen moest gaan, zei hij dat hij „van wapens was voorzien”: „gebed, ijver voor Christus en vertrouwen in zijn bij­stand.” „Ik heb ook de liefde voor God en voor mijn naaste in mijn hart en mijn Bijbel in de hand.” (W.H.D. Adams, In Perils Oft, p. 192).
Waar hij ook heenging, hij had altijd de Bijbel in het He­breeuws en in het Engels bij zich. Over één van zijn latere reizen schreef hij: „Ik… hield de Bijbel open in mijn hand. Ik voelde dat mijn kracht in dat Boek lag en dat zijn kracht mij zou ondersteunen.” (Ibid.,p.201).

Zo volhardde hij in zijn werk tot de boodschap van het oordeel aan een groot deel van de bewoonde wereld was gebracht. Hij had Gods Woord onder de Joden, Turken, Parsen, Hindoes en vele andere volken en rassen verspreid en overal kondigde hij het naderende rijk van de Messias aan.

Op zijn reis door Bokhara kwam hij tot de ontdekking dat een in afzondering levend volk ook geloofde in de spoedige wederkomst. Hij schreef in dit verband: „De Arabieren van Jemen hebben een boek, Seera genaamd, dat ook de wederkomst van Christus en zijn heerschappij in heerlijkheid verkondigt en ze verwachten dat er be­langrijke gebeurtenissen zullen plaatsvinden in 1840.” (Journal of the Rev. Joseph Wolff, p.377).
,,Ik heb in Jemen zes dagen bij de Rechabieten doorgebracht. Ze drinken geen wijn, planten geen wijngaarden, zaaien niet, wonen in tenten en houden nog altijd de herinnering aan de oude Jonadab, de zoon van Rechab, in ere; en ik heb bij hen ook Israëlieten van de stam Dan aangetroffen… die zoals de afstammelin­gen van Rechab de spoedige komst van de Messias op de wolken des hemels verwachten.” (Ibid., p.389).

Een andere zendeling ontdekte dat de Tartaren dat ook geloofden. Een Tartaars priester vroeg aan de zendeling wanneer Christus zou te­rugkomen. Toen de zendeling antwoordde dat hij daar niets van wist, scheen de priester erg verbaasd over zo’n onwetendheid bij iemand die zich uitgaf voor bijbelleraar, en zei dat hij op grond van de profe­tieën geloofde dat Christus omstreeks 1844 zou wederkomen.

De Adventboodschap werd al in 1826 in Engeland verkondigd. De beweging nam er niet zo’n vaste vorm aan als in Amerika. De juiste tijd van de wederkomst werd niet zo algemeen gepredikt, maar de grote waarheid van Christus’ spoedige wederkomst met grote macht en heerlijkheid werd overal verkondigd. Dit gebeurde niet alleen in de kerken die niet tot de ‘Church of England’ behoorden.
Mourant Broek, een Engelse schrijver, zegt immers dat ongeveer zevenhonderd predikanten van de ‘Church of England’ „dit evangelie van het Koninkrijk” predikten. De boodschap dat Christus in 1844 zou terug­komen, werd ook in Groot-Brittannië verkondigd. Adventistische ge­schriften uit Amerika werden overal verspreid. Boeken en tijdschriften werden in Engeland opnieuw uitgegeven. In 1842 keerde Robert Winter, een Engelsman van geboorte die het Adventgeloof in Amerika had aan­genomen, naar zijn geboorteland terug om de wederkomst van Christus te verkondigen. Velen hielpen hem bij dit werk en de boodschap van het oordeel werd in verschillende delen van Engeland verkondigd.

In Zuid-Amerika vond Lacunza, een Spanjaard en jezuïet, zijn weg naar de Schrift, ondanks de barbaarsheid en de intriges van de priesters in zijn omgeving en nam de waarheid van Christus’ spoedige we­derkomst aan. Hij voelde zich gedrongen die waarschuwingsboodschap aan anderen te laten horen, maar wilde niet door Rome veroor­deeld worden. Daarom publiceerde hij zijn opvattingen onder het pseudoniem „Rabbi Ben-Ezra” en deed zich voor als een bekeerde Jood. Lacunza leefde in de achttiende eeuw, maar zijn boek, dat op een bepaald ogenblik in Londen terecht gekomen was, werd pas omstreeks 1825 in het Engels vertaald. De publicatie daarvan leidde tot een nog grotere belangstelling voor het onderwerp van de wederkomst.

In Duitsland werd deze leer in de achttiende eeuw verkondigd door Bengel, een predikant van de Lutherse kerk en een beroemd bijbelge­leerde en criticus. Na zijn opleiding had Bengel zich op „de studie van de theologie” toegelegd. Hij voelde zich daar van nature toe aan­getrokken door zijn ernstig en godsdienstig karakter en werd daarin bovendien erg aangemoedigd door zijn vooropleiding en discipline. Zoals andere ernstige jongeren voor en na hem moest hij strijden tegen twijfel en moeilijkheden op godsdienstig gebied en met veel ge­voel zinspeelt hij op de „vele pijlen die zijn arm hart doorboorden en hem een moeilijke jeugd bezorgden”.
Toen hij lid van de kerkeraad van Württemberg was geworden, werd hij een voorvechter van de godsdienstvrijheid. „Terwijl hij de rechten en privileges van de kerk verdedigde, was hij voorstander van het toestaan van alle redelijke vrijheid aan degenen die zich op gewetensgronden verplicht zagen niet langer deel uit te maken van haar gemeenschap.” (Encyclopaedia Britannica, 9e druk art. „Bengel”). De gunstige gevolgen van deze houding zijn nog altijd merkbaar in zijn geboortestreek.

Terwijl Bengel een preek voorbereidde om op „Adventzondag” over Openbaring 21 te spreken ontdekte hij de waarheid van Christus’ wederkomst. Op dat ogenblik begreep hij de profetieën van de Open­baring zoals nooit tevoren. Hij werd overweldigd door het belang en de alles overtreffende heerlijkheid van de taferelen die de profeet be­schreef en moest dit onderwerp enige tijd laten rusten. Toen hij op de kansel stond, drong het onderwerp zich weer met alle levendigheid en kracht aan hem op. Van toen af begon hij de profetieën, vooral die van de Openbaring, te bestuderen. Hij kwam kort daarna tot de over­tuiging dat ze wezen op de spoedige wederkomst van Christus. De datum die hij voor die gebeurtenis vaststelde verschilde maar een paar jaar van de datum die Miller later zou bepalen.

Bengels geschriften zijn over de hele christelijke wereld verspreid. Zijn opvattingen over de profetie werden vrij algemeen aangenomen in Württemberg, vanwaar hij afkomstig was en tot op zekere hoogte ook in andere delen van Duitsland. De beweging werd na zijn dood voortgezet en de Adventboodschap werd in Duitsland verkondigd op hetzelfde ogenblik als in de andere landen waar zij belangstelling vond.
Kort daarna vertrokken enkele mensen die tot het geloof waren gekomen naar Rusland en stichtten er nederzettingen. Het geloof in Christus’ spoedige wederkomst leeft nog altijd in de Duitse kerken van dat land. Het licht scheen ook in Frankrijk en Zwitserland.
In Ge­nève, waar Farel en Calvijn de waarheid van de Hervorming hadden verspreid, verkondigde Gaussen de boodschap van de wederkomst. Toen hij nog student was, was Gaussen in aanraking gekomen met het rationalisme, dat zich aan het eind van de achttiende en in het be­gin van de negentiende eeuw over heel Europa had verspreid. Toen hij zijn werk als predikant begon, kende hij niets van het ware geloof en was bovendien geneigd te twijfelen. In zijn jeugd had hij belang­stelling gekregen voor het onderzoek van de profetie. Nadat hij Rollins Ancient History had gelezen, werd zijn aandacht bepaald bij het tweede hoofdstuk van het boek Daniël en werd hij getroffen door de buitengewone nauwkeurigheid waarmee de profetie in vervulling was gegaan, zoals de geschiedenis duidelijk aantoonde. Volgens hem was dit een bewijs dat de Schrift geïnspireerd is, een bewijs dat voor hem een anker was te midden van de gevaren die hem later te wachten stonden. Hij kon maar geen bevrediging vinden in het rationalisme. Door het onderzoek van de Bijbel en het zoeken naar meer licht werd hij echter in het geloof overtuigd.

Door zijn onderzoek van de profetieën kwam hij tot het geloof dat de wederkomst van Christus nabij was. Hij kwam onder de indruk van de ernst en het belang van deze grote waarheid en wenste die aan anderen bekend te maken maar de algemeen gangbare opvatting dat de profetieën van Daniël verborgenheden waren en niet konden wor­den begrepen, bleek een ernstig struikelblok te zijn. Hij besloot tenslotte – net als Farel voor hem gedaan had bij de evangelieverkondi­ging in Genève – dat hij bij de kinderen moest beginnen, door wie hij belangstelling bij de ouders probeerde te wekken.

Over het doel dat hij bij deze poging nastreefde, zei hij later: „Ik wens duidelijk te stellen dat ik de boodschap niet in deze eenvoudige vorm verkondig omdat ze onbelangrijk is. Integendeel! Juist vanwege haar groot belang heb ik mij tot de kinderen gericht. Ik wenste gehoor te vinden en ik vreesde dat dit niet het geval zou zijn wanneer ik mij eerst tot volwassenen richtte.” „Ik heb me daarom voorgenomen eerst tot de jongsten te gaan. Ik breng een aantal kinderen samen; wanneer de groep groter wordt en ik zie dat ze luisteren, dat het hun bevalt, dat ze belangstelling hebben en ze het onderwerp begrijpen en kunnen uitleggen, ben ik er zeker van dat ik weldra een tweede groep zal hebben en de oudere mensen zullen op hun beurt inzien dat het de moeite loont naar mij te komen luisteren. Als ik dat kan bereiken, is de zaak gewonnen.” (L. Gaussen, Daniël the Prophet, vol. 2, Preface).

Zijn poging werd met succes bekroond. Toen hij de kinderen toe­sprak, kwamen ook volwassenen luisteren. De galerijen van zijn kerk waren vol aandachtige toehoorders. Onder het publiek waren invloed­rijke en geleerde mannen, vreemdelingen en buitenlanders die Genève bezochten. En zo werd de boodschap naar andere gebieden verspreid.

Aangemoedigd door zijn succes, ging Gaussen over tot de publicatie van zijn toespraken, in de hoop het onderzoek van de profetische boeken in de kerk van de Franstaligen te bevorderen. Gaussen zegt: „Als ik de lessen die ik aan de kinderen heb gegeven, uitgeef, zeg ik daarmee aan de ouders, die heel vaak geen aandacht schenken aan zulke boeken omdat ze zogenaamd moeilijk zijn: ‘Hoe kunnen ze nu moeilijk zijn als zelfs jullie kinderen ze begrijpen.'”
„Ik verlangde er erg naar, indien mogelijk, de kennis van de profetieën op zeer grote schaal in onze gemeenten te verspreiden”, voegde hij er nog aan toe. „Er is volgens mij geen enkele studie die beter aan de behoeften van onze tijd beantwoordt.” „Door deze studie moeten wij ons voorberei­den op de tijd der benauwdheid, die nabij is, en moeten wij wakende zijn en wachten op Jezus Christus.”

Hoewel Gaussen één van de beste en meest geliefde predikanten in de Franse taal was, werd hij na enige tijd uit het predikambt ontzet. Zijn ergste overtreding was dat hij in plaats van de catechismus van de kerk – een saai en rationalistisch handboek waar nauwelijks enig geloof in verkondigd werd – de Bijbel had gebruikt om zijn lessen aan de jeugd te geven. Later werd hij leraar aan een theologische school, terwijl hij op zondag catechisatie bleef geven, de kinderen toesprak en hun de Schrift onderwees.’
Zijn boeken over de profetieën wekten ook veel belangstelling. Door zijn onderwijs, zijn boeken en zijn ge­liefkoosde bezigheid als leraar van de kinderen heeft hij jarenlang een grote invloed uitgeoefend en heeft hij de aandacht van velen gevestigd op de studie van de profetieën, die aantoonden dat de komst van Christus nabij was.

Ook in Scandinavië werd de Adventboodschap verkondigd en was er op vele plaatsen grote belangstelling. Velen werden uit hun zorge­loze zekerheid wakker geschud om hun zonden te belijden, ermee te breken en vergiffenis te vragen in de naam van Jezus. Maar de geeste­lijken van de staatskerk verzetten zich tegen de beweging en door hun invloed kwamen enkele verkondigers van de boodschap in de gevan­genis. Op vele plaatsen waar de predikers van de spoedige weder­komst van Christus het zwijgen werd opgelegd, zorgde God ervoor dat de boodschap op een wonderbaarlijke manier – door kinderen -werd gebracht. Aangezien zij nog minderjarig waren konden de wetten van het land daar niets tegen doen en mochten zij ongehinderd spreken.

De boodschap wekte vooral belangstelling onder de arbeiders en de mensen vergaderden in eenvoudige arbeiderswoningen om naar de waarschuwingsboodschap te luisteren. De kinderen die de boodschap brachten, woonden meestal zelf in deze eenvoudige huizen. Sommi­gen waren niet ouder dan zes of acht jaar en terwijl uit hun leven bleek dat ze Jezus liefhadden en in gehoorzaamheid aan Gods heilige geboden probeerden te leven, hadden ze de verstandelijke ontwikke­ling die normaal bij kinderen van die leeftijd voorkomt. Wanneer ze echter voor de mensen stonden, werd het duidelijk dat ze een invloed ondergingen, waardoor ze hun eigen natuurlijke talenten konden overtreffen. Hun manier van spreken en hun gedrag veranderden; met overtuiging waarschuwden ze voor het oordeel en haalden letterlijk de woorden van de Schrift aan: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen.” Zij veroordeelden niet alleen de onzedigheid en de ontucht, maar ook de wereldsgezindheid en de af­valligheid en waarschuwden hun toehoorders zich te haasten om aan de komende toorn te ontsnappen.
De mensen luisterden met gespan­nen aandacht naar deze woorden. De overtuigende Geest Gods sprak tot hun harten. Velen gingen de Schrift met vernieuwde en grotere be­langstelling onderzoeken. De onmatigen en losbandigen werden ver­anderd en de anderen gaven hun oneerlijke praktijken op. Het werk dat zij deden was zo merkwaardig dat zelfs de predikanten van de staatskerk wel moesten toegeven dat Gods hand de beweging leidde.

Het was Gods wil dat de boodschap van Jezus’ wederkomst in de Scandinavische landen zou worden verkondigd. Toen de stem van zijn dienstknechten tot zwijgen was gebracht, stortte Hij zijn Geest uit over de kinderen, opdat het werk verder zou gaan. Toen Jezus Jeruza­lem naderde, omringd door de juichende scharen die Hem met triomfkreten en met wuivende palmtakken als de Zoon van David de stad binnenleidden, vroegen de afgunstige Farizeeën Hem met aan­drang de mensen te doen zwijgen, maar Jezus antwoordde dat dit alles gebeurde, opdat de profetie in vervulling zou gaan en dat als zij zou­den zwijgen, de stenen zouden roepen. De mensen staakten hun vreugdekreten toen zij door de poorten van Jeruzalem kwamen, uit vrees voor de bedreigingen van de priesters, maar de kinderen her­haalden later in de voorhoven van de tempel het refrein en terwijl ze met hun palmtakken wuifden, riepen ze: „Hosanna de Zoon van Da­vid!” (Mattheüs 21:8-16).
Toen zeiden de Farizeeën geërgerd tot Hem: „Hoort Gij wat dezen zeggen? Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij het nooit gelezen: Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?” Wat God door middel van kinderen gedaan heeft bij de eerste komst van Christus, heeft Hij ook door hen gedaan bij de verkondiging van de boodschap van zijn wederkomst. Gods wil dat de boodschap van de wederkomst van Christus „aan alle volk en stam en taal en natie” zou worden verkondigd, moest in vervulling gaan.

Aan William Miller en zijn medewerkers was het gegund de waarschuwingsboodschap in Amerika te verkondigen. Dit land werd het middelpunt van de grote Adventbeweging. In dit land ging de profetie van de eerste engel op de meest directe manier in vervulling. De ge­schriften van Miller en zijn medewerkers werden naar verafgelegen landen gezonden. Naar alle plaatsen ter wereld waar zendelingen wa­ren doorgedrongen, werd het goede nieuws van Christus’ spoedige wederkomst gestuurd. Overal werd de boodschap van het eeuwige evangelie verspreid: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen.”

De verklaring van de profetieën waaruit bleek dat Christus in de lente van 1844 zou terugkomen, maakte diepe indruk op de mensen. De boodschap werd van de ene staat naar de andere gebracht en wek­te overal grote belangstelling. Velen waren ervan overtuigd dat de ar­gumenten op grond van de profetische tijdperken juist waren; ze ga­ven hun eigen standpunt op en namen de waarheid met blijdschap aan. Sommige predikanten gaven hun sektarische opvattingen en gevoelens op, deden afstand van hun salaris, verlieten hun kerken en sloten zich aan bij hen die de wederkomst van Christus verkondigden. Maar er waren betrekkelijk weinig predikanten die deze boodschap wilden aannemen en daarom werd dit werk grotendeels aan eenvoudi­ge leken toevertrouwd.
Boeren verlieten hun boerderijen, ambachts­lieden hun werktuigen, kooplieden hun handelswaar en vaklieden hun beroep. En toch was het aantal arbeiders klein in vergelijking met het werk dat nog gedaan moest worden.
De toestand van een goddeloze kerk en van een wereld die zich aan de goddeloosheid had overgege­ven, drukte zwaar op het gemoed van de trouwe wachters en ze ver­droegen gewillig zware arbeid, ontberingen en lijden om de mensen te kunnen oproepen tot berouw ter zaligheid. Hoewel Satan tegenwerkte, ging het werk steeds vooruit en werd de Adventboodschap door vele duizenden aangenomen.

Overal werd de dringende oproep ge­hoord, waardoor zondaren – zowel wereldlingen als kerkleden werden gewaarschuwd om aan de komende toorn te ontsnappen. Zoals Johannes de Doper de wegbereider des Heren, legden de predikers de bijl aan de wortel van de boom en spoorden allen aan vruchten voort te brengen die aan de bekering beantwoordden. Hun aangrijpende op­roep stak schril af bij de verzekering van „vrede en rust”, die in de populaire kerken werd verkondigd. Overal waar de boodschap werd gepredikt, werden de mensen erdoor getroffen. Het eenvoudige, rechtstreekse getuigenis van de Schrift, bekrachtigd door de Heilige Geest, had zo’n overtuigingskracht dat maar weinigen er echt weer­stand aan konden bieden.
Gelovigen werden uit hun valse zekerheid wakker geschud. Zij zagen hun afvalligheid, hun wereldsgezindheid, hun ongeloof, hun trots en hun zelfzucht. Velen zochten de Here met berouw en in nederigheid. Hun liefde die zó lang naar aardse goede­ren was uitgegaan, ging nu uit naar de hemel. De Geest Gods rustte op hen en met vertederde en verootmoedigde harten sloten zij zich aan bij degenen die de oproep „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen” tot de mensen richtten.

Zondaren vroegen met tranen in de ogen: „Wat moet ik doen om gered te worden?” Mensen die bekend stonden om hun oneerlijkheid wilden wat ze misdaan hadden weer in orde brengen. Allen die vrede in Christus hadden gevonden, verlangden ernaar dat anderen in hun zegen zouden delen. De harten van de ouders keerden zich tot hun kinderen en de harten van de kinderen tot hun ouders. De scheidsmu­ren van trots en hoogmoed werden afgebroken. Velen beleden oprecht hun schuld en gezinsleden werkten voor de verlossing van diegenen die ze liefhadden. Vaak werden ernstige gebeden tot God opgezon­den. Overal pleitten zielen in diepe zielsangst met God. Velen worstelden de hele nacht in gebed om er zeker van te zijn dat hun eigen zonden waren vergeven of om te bidden voor de bekering van fami­lieleden of buren.

Mensen uit alle klassen wilden de Adventboodschap horen. Rijk en arm, eenvoudigen en invloedrijken wilden om verschillende redenen de leer van de wederkomst persoonlijk horen. God hield de tegenstan­ders in bedwang terwijl zijn boodschappers de redenen voor hun ge­loof uiteenzetten. Soms werd dit gedaan door een zwak instrument, maar Gods Geest gaf kracht aan zijn waarheid. De aanwezigheid van heilige engelen was voelbaar op deze bijeenkomsten en iedere dag na­men meer mensen de Adventwaarheid aan.

Wanneer de bewijzen voor de spoedige wederkomst naar voren werden gebracht, luisterden grote groepen mensen in ademloze stilte naar de ernstige woorden. Hemel en aarde schenen naar elkaar toe te komen. Gods kracht werd door jong en oud gevoeld. De mensen keerden naar huis terug met een lied op de lippen en de blijde tonen klonken door de stilte van de nacht. Niemand die deze bijeenkomsten heeft bijgewoond, kan ooit de diepste ernst die ervan uitging vergeten.

De verkondiging van een datum voor de wederkomst van Christus riep grote tegenstand op bij vele mensen uit alle klassen, van de predi­kant op de kansel tot de meest onbezonnen, hemeltergende zondaar. De woorden van de profetie gingen in vervulling: „Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen ko­men, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is.” (2 Petrus 3:3,4).
Velen die beweerden dat ze Jezus liefhadden, zeiden dat ze niets hadden tegen de boodschap van de wederkomst, maar wél te­gen het vaststellen van een datum. Maar Gods alziend oog doorzag hun harten. Zij wilden niet weten dat Christus zou terugkomen om de wereld in gerechtigheid te oordelen. Ze waren ontrouwe dienstknech­ten geweest, hun werk was niet bestand tegen het onderzoek van een God die de harten doorzoekt en ze waren bang om hun God te ont­moeten. Zoals de Joden ten tijde van Christus’ eerste komst waren zij niet bereid Christus te verwelkomen. Zij weigerden niet alleen te luis­teren naar de duidelijke argumenten uit de Bijbel maar dreven de spot met hen die Christus verwachtten. Satan en zijn engelen juichten en spotten met Christus en zijn heilige engelen omdat mensen die zich voor zijn volgelingen uitgaven zó weinig liefde voor Hem over had­den dat ze niet eens wilden dat Hij terugkeerde.

De mensen die het Adventgeloof niet wilden aannemen, zeiden meestal: „Doch van die dag en van die ure weet niemand.” De volle­dige tekst luidt echter: „Doch van die dag en ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader al­leen.” (Mattheüs 24:36).
De ware Adventgelovigen gaven een duidelij­ke en steekhoudende verklaring van deze tekst en toonden aan dat de anderen deze tekst geweld aandeden. Deze woorden zijn door Chris­tus uitgesproken in dat gedenkwaardige gesprek op de Olijfberg nadat Hij de tempel voor de laatste keer had verlaten. Zijn discipelen had­den Hem gevraagd: „Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?” Jezus heeft hun verscheidene tekenen gegeven en heeft gezegd: „Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur?” (vers 3, 33).
Men mag de ene uitspraak van Christus niet ge­bruiken om de andere te niet te doen. Hoewel niemand de dag en het uur van zijn wederkomst kent, wordt ons geleerd en wordt van ons verwacht dat wij weten wanneer zijn komst nabij is. Er wordt ons ook geleerd dat als wij geen aandacht schenken aan zijn waarschuwing en als wij weigeren of vergeten te letten op zijn komst, ons lot even erg zal zijn als dat van de mensen die leefden in de dagen van Noach, die ook niet wisten dat de zondvloed zou komen.
De gelijkenis in hetzelf­de hoofdstuk, waarin de trouwe, verstandige dienstknecht wordt ver­geleken met de slechte, en waarin hij die in zijn hart gezegd heeft: „Mijn Heer blijft uit”, veroordeeld wordt, toont aan hoe Christus zijn volgelingen die Hij wakende vindt en die zijn wederkomst verkondi­gen, zal beschouwen en hoe Hij de anderen die dit niet doen zal be­oordelen. Hij zegt: „Waakt dan!”
„Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden.” (vers 42, 46). „Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen.” (Openbaring 3:3).

Paulus spreekt over een groep mensen die zullen worden verrast door de wederkomst van Christus. „Immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ont­komen.” Maar hij voegt er voor degenen die wél aandacht hebben ge­schonken aan de waarschuwing van de Heer nog aan toe: „Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; want gij zijn allen kinderen des lichts en kinderen des dags.” (l Tessalonicenzen 5:2-5).

Zo werd duidelijk bewezen dat de Bijbel de mensen geen enkele reden geeft om niet te weten dat de wederkomst van Christus nabij is. Maar zij die alleen een uitvlucht zochten om de waarheid te verwer­pen, luisterden niet naar deze uitleg en de woorden „Doch van die dag en die ure weet niemand” werden voortdurend rondgebazuind door de stoutmoedige spotters en zelfs door predikanten die beweer­den dat ze Christus predikten. Toen de mensen uit hun geestelijke slaap werden wakker geschud en naar de weg der zaligheid begonnen te vragen, stelden godsdienstige leiders zich op tussen hen en de waarheid en probeerden hun vrees te milderen door een verkeerde uit­leg van het Woord van God. Ontrouwe wachters deden mee aan het werk van de grote verleider en riepen: „Vrede, vrede!” op een ogen­blik dat God het helemaal niet over vrede had. Zoals de Farizeeën in Christus’ dagen weigerden velen het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan en hielden ook de anderen die dat wél wilden tegen. Het bloed van deze zielen zal van hun handen worden geëist.

De nederigste en meest toegewijde mensen in de kerken namen ge­woonlijk de boodschap het eerst aan. Zij die de Bijbel zelf onderzoch­ten, moesten wel het onbijbelse karakter van de populaire opvattingen over de profetie inzien en overal waar de mensen niet onder invloed van de predikanten stonden, overal waar ze Gods Woord zelf konden onderzoeken, hoefden ze de Adventboodschap maar met de Schrift te vergelijken om het goddelijke gezag van die boodschap vast te stel­len.

Velen werden door hun ongelovige broeders vervolgd. Sommige gelovigen waren bereid over hun verwachtingen te zwijgen als ze hun functie in de kerk mochten blijven uitoefenen. Anderen waren echter van mening dat ze God niet trouw waren als ze zwegen over de waar­heid die Hij hun had toevertrouwd. Velen werden uit hun kerken ver­stoten omdat ze openlijk hun geloof in de wederkomst van Christus beleden. Voor de gelovigen die op deze manier in hun geloof werden beproefd, brachten de woorden van de profeet Jesaja troost: „Uw
broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de HERE zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen.
Maar zij zelf zullen beschaamd staan.” (Jesaja 66:5).

Engelen Gods volgden de resultaten van de waarschuwing met de grootste belangstelling. Wanneer de boodschap algemeen werd ver­worpen in een kerk keerden de engelen zich bedroefd af. Maar er wa­ren nog velen die nog niet op de proef waren gesteld in verband met de Adventwaarheid. Velen werden misleid door hun man, vrouw, ou­ders of kinderen. Men beweerde dat ze al zondigden als ze naar de ketterijen die de adventisten verkondigden, luisterden. De engelen kregen de opdracht zorgvuldig te waken over deze mensen, want er zou nog meer licht van de troon van God op hen schijnen.

Met een onuitsprekelijk verlangen zagen de gelovigen die de bood­schap hadden aangenomen uit naar de wederkomst van hun Heiland. Het ogenblik waarop ze Hem hoopten te ontmoeten naderde snel. Zij wachtten dat tijdstip kalm en gelaten af. Zij leefden voortdurend in contact met God en hadden al een voorsmaak van de vrede die er zou heersen in een gelukzalig hiernamaals.

Niemand die deze hoop en dit vertrouwen heeft gehad, kan die heerlijke uren, in afwachting doorge­bracht, vergeten. Enkele weken vóór die tijd had men alle wereldse zaken grotendeels aan de kant gezet. De oprechte gelovigen onderzochten elke gedachte en elk gevoel alsof ze op hun sterfbed lagen en over enkele uren hun ogen voorgoed zouden sluiten. Er werden geen „hemelvaartsklederen” (Zie aanhangsel) gemaakt, maar iedereen had behoefte aan de innerlijke zekerheid dat hij bereid was zijn Verlosser te ontmoeten. Hun witte gewaden waren de reinheid van ziel, en ka­rakters die door het verzoenend bloed van Christus van de zonde wa­ren gereinigd. Was er maar onder de mensen die Gods kinderen be­weren te zijn nog dezelfde bereidheid tot gewetensonderzoek en hetzelfde oprechte, vaste geloof!
Als zij zich op dezelfde manier wa­ren blijven verootmoedigen voor God en als zij met dezelfde aan­drang met hun smeekbeden tot de troon der genade waren gekomen, zouden zij veel rijkere ervaringen hebben gehad dan nu het geval is. Er wordt te weinig gebeden, men is zich veel te weinig bewust van de zonde en door het gebrek aan een levend geloof blijven velen versto­ken van de genade die onze Verlosser hun zo overvloedig wil schen­ken.

God wilde zijn volk toetsen. Zijn hand bedekte een fout in de bere­kening van de profetische tijdperken (Zie aanhangsel onder „Profeti­sche tijdperken”). De adventisten hebben de fout niet ontdekt, maar hun geleerdste tegenstanders evenmin! De laatstgenoemden zeiden: „Jullie berekening van de profetische tijdperken is juist. Er moet iets belangrijks gebeuren, maar niet wat Miller voorspelt. Het is de beke­ring van de wereld en niet de wederkomst van Christus.” (Zie aanhangsel, „Profetische tijdperken”).

Het vastgestelde tijdperk was verstreken en Christus was niet ver­schenen om zijn volk te verlossen. Zij die met oprecht geloof en vol liefde naar hun Verlosser hadden uitgekeken, waren bitter teleurge­steld. En toch werden Gods plannen uitgevoerd. Hij onderzocht de harten van de mensen die zeiden dat ze op Jezus wachtten. Voor velen onder hen was vrees de enige drijfveer. Hun geloofsbelijdenis had geen invloed gehad op hun hart of op hun leven. Toen de verwachte gebeurtenis zich niet voordeed, zeiden deze mensen dat ze niet teleurgesteld waren. Ze hadden nooit geloofd dat Christus echt zou terug­komen. Zij waren de eersten om met de teleurstelling van de ware ge­lovigen de spot te drijven.

Maar Jezus en de hemelse heerscharen keken vol liefde en medelij­den naar de beproefde en getrouwe, maar teleurgestelde gelovigen. Als de sluier die de zichtbare van de onzichtbare wereld scheidt, weg­geschoven had kunnen worden, zou men engelen hebben gezien die tot deze standvastige gelovigen kwamen om hen tegen de pijlen van Satan te beschermen. (“Het Grote Conflict” – E.G.White)

William Miller en zijn medewerkers wilden door de verkondiging van de wederkomst de mensen alleen bewust maken van de noodzaak zich op het oordeel voor te bereiden. Ze hadden ernaar gestreefd de gelovigen de ware hoop van de gemeente te leren kennen en hen bewust te maken van hun behoefte aan een rijkere christelijke ervaring. Zij spanden zich ook in om onbekeerde mensen te wijzen op hun verplichting onmiddellijk tot inkeer te komen en zich tot God te bekeren. „Zij probeerden de mensen er niet toe over te halen zich bij één of andere sekte of godsdienstige groepering aan te sluiten. Ze werkten onder alle groeperingen en sekten, maar lieten zich niet in met hun organisatie of kerktucht.”

Miller zei: „Bij mijn prediking heb ik er nooit naar verlangd of aan gedacht belangen te dienen die in strijd zouden zijn met die van de bestaande kerken of om één daarvan te bevoordelen ten nadele van de andere. Ik heb ze allemaal willen helpen. Aangezien ik van de veronderstelling uitging dat alle christenen zich zouden verheugen over het vooruitzicht van Christus’ wederkomst en dat zij die er anders over dachten dan ik, de anderen die deze leer wel aannamen daarom niet minder zouden liefhebben, kon ik niet inzien dat er afzonderlijke bijeenkomsten moesten worden gehouden. Mijn enig doel was zielen tot God te brengen, de wereld te waarschuwen voor het komende oordeel en mijn medemensen aan te sporen zich zó voor te bereiden dat ze hun God in vrede zouden kunnen ontmoeten. De overgrote meerderheid van de mensen die door mijn inspanningen werden bekeerd, sloten zich aan bij de bestaande kerken.” (Bliss, p. 328).

Daar zijn werk over het algemeen de positie van de kerken versterkte, stond men er enige tijd gunstig tegenover. Maar toen predikanten en godsdienstige leiders zich tegen het adventisme begonnen te verzetten en elke discussie over het onderwerp de kop wilden indrukken, deden ze dat niet alleen vanaf de kansel, maar ze ontzegden hun leden ook het recht een preek over de wederkomst bij te wonen of zelfs maar over hun verwachtingen te spreken op de sociale bijeenkomsten van de kerk. Op die manier kwamen de gelovigen in een zeer moeilijk parket. Zij hielden van hun kerk en wilden die niet verlaten, maar als zij zagen hoe Gods Woord werd onderdrukt en hoorden dat ze niet het recht hadden de profetieën zelf te onderzoeken, vonden zij dat ze God niet trouw waren als ze zich daar bij neerlegden. Ze konden de mensen die Gods Woord probeerden te onderdrukken niet als leden van Christus’ gemeente, „een pijler en fundament der waarheid”, beschouwen. Daarom meenden ze het recht te hebben hun vroegere banden te verbreken. In de zomer van 1844 verlieten ongeveer vijftigduizend mensen hun kerken.

In die tijd was er een ingrijpende verandering merkbaar in de kerken van de Verenigde Staten. In de loop der jaren hadden de kerken zich hoe langer hoe meer aan de gebruiken en gewoonten van de wereld aangepast en was hun geestelijk leven in dezelfde mate achteruit gegaan, maar in dat jaar waren er in bijna alle kerken van het land bewijzen van een plotse en duidelijke afval. Hoewel niemand een verklaring voor de oorzaak scheen te kunnen geven, was het verschijnsel zelf overal merkbaar en werd er in de pers en in preken commentaar op gegeven.

Op een vergadering van de ouderlingenraad van Philadelphia zei Barnes, schrijver van een veel gebruikte bijbelcommentaar en predikant van één van de belangrijkste kerken in die stad, „dat hij al twintig jaar predikant was en nog nooit – tot de laatste Avondmaalsviering – deze tekenen had uitgedeeld zonder dat bij die gelegenheid een aantal nieuwe leden in de gemeente waren opgenomen. Nu waren er echter geen opwekkingen, geen bekeringen, geen duidelijke groei in genade onder de gelovigen; niemand kwam hem opzoeken om over de verlossing te spreken. Door de bloei van het zakenleven en de betere vooruitzichten voor handel en industrie is er een grotere wereldsgezindheid. En dat geldt voor alle kerken.” (Congregational Journal, 23 mei 1844).

In de maand februari van hetzelfde jaar zei professor Finney van het Oberlin College: „Wij stellen vast dat de protestantse kerken van ons land over het algemeen onverschillig òf vijandig staan tegenover bijna alle morele hervormingen van onze tijd. Er zijn hier en daar wel uitzonderingen, maar ze zijn niet talrijk genoeg om iets af te doen aan de algemeenheid van het verschijnsel. Wij hebben ook een ander feit vastgesteld; de bijna algemene afwezigheid van een invloed tot opwekking in de kerken. Onverschilligheid op geestelijk gebied overheerst bijna alles en is erg diepgeworteld. De godsdienstige pers van het hele land getuigt daarvan… Kerkleden beginnen op grote schaal verslaafd te raken aan de mode, – ze gaan hand in hand met ongelovigen naar feestjes, danspartijen, enz… Maar we hoeven niet uit te weiden over dit pijnlijke onderwerp. Het is al erg genoeg dat er altijd meer en duidelijkere bewijzen zijn die aantonen dat de kerken over het algemeen erg aan het ontaarden zijn. Ze zijn zeer ver van God afgedwaald en Hij heeft Zich van hen teruggetrokken.”

Een verslaggever van de „Religious Telescope” schreef: „Wij hebben nog nooit zo’n algemene geloofsafval meegemaakt als nu. Het wordt echt tijd dat de kerk wakker wordt en gaat zoeken naar de oorzaak van deze crisis, want iedereen die Sion liefheeft moet dit verschijnsel als een plaag beschouwen. Wanneer we bedenken hoe weinig echte bekeringen er zijn en hoe ontzettend onbeschaamd en hartvochtig de zondaren zijn, dan roepen wij onwillekeurig uit: `Is God dan niet meer barmhartig?’ of `Is de deur van de genade al gesloten?’”
Zo’n toestand komt nooit voor zonder dat er ook een oorzaak voor is in de kerk. De geestelijke duisternis die volken, kerken en personen omhult, is niet te wijten aan de willekeurige terugtrekking van de bijstand van de goddelijke genade door God zelf, maar ontstaat door de verwaarlozing en verwerping van het goddelijk licht door de mensen. Een treffend voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van het Joodse volk ten tijde van Christus. Door hun liefde voor de wereld en het vergeten van God en zijn Woord was hun verstand verduisterd en was hun hart werelds en zinnelijk geworden. Daardoor wisten ze niets af van de komst van de Messias en in hun hoogmoed en ongeloof verwierpen zij de Verlosser. Maar zelfs toen heeft God het Joodse volk niet afgesneden van de kennis van of deelname aan de zegeningen van de verlossing. Maar zij die de waarheid hadden verworpen, verlangden helemaal niet meer naar het geschenk van de hemel. Ze hadden de duisternis voorgesteld als licht en het licht als duisternis, totdat het beetje licht dat ze nog hadden in duisternis was overgegaan. En hoe groot was die duisternis!

Het is één van Satans methoden de mensen hun godsdienstige vormen te laten behouden als de ware godsvrucht maar ontbreekt. Na hun verwerping van het evangelie bleven de Joden ijverig doorgaan met hun oude rituele handelingen. Zij hielden hun nationale exclusiviteit hardnekkig in stand, terwijl zij zelf wel moesten toegeven dat God niet langer in hun midden was. De profetie van Daniël wees zo duidelijk op de tijd van de komst van de Messias en voorzegde zo onmiskenbaar zijn dood dat zij het onderzoek van die profetie tegenwerkten. Tenslotte spraken de rabbijnen een vloek uit over iedereen die de tijd wilde berekenen. Het volk van Israël heeft in de eeuwen die daarop volgden in blindheid en onboetvaardigheid geleefd, het stond onverschillig tegenover de edelmoedige aanbiedingen tot verlossing, het wilde niets weten van de zegeningen van het evangelie; dit is een ernstige en vreselijke waarschuwing tegen het gevaar dat men loopt als men licht uit de hemel verwerpt.

Dezelfde oorzaken hebben altijd dezelfde gevolgen. Wie zijn plichtsgevoel opzettelijk onderdrukt omdat het niet in overeenstemming is met zijn neigingen, zal op den duur geen onderscheid meer kunnen maken tussen waarheid en dwaling. Het verstand wordt verduisterd, het geweten wordt afgestompt, het hart wordt verhard en de geest wordt van God vervreemd. Waar de boodschap van goddelijke waarheid wordt verworpen of veracht, wordt de kerk in duisternis gehuld, verkillen geloof en liefde, en sluipen vervreemding en tweedracht binnen. De leden van de gemeente wijden hun belangstelling en krachten aan het najagen van wereldse zaken en de zondaren worden verhard in hun onboetvaardigheid.

De boodschap van de eerste engel in Openbaring 14, die de ure van Gods oordeel aankondigt en een beroep doet op de mensen om God te vrezen en Hem eer te geven, was bedoeld om scheiding te brengen tussen de ware kinderen van God en de verderfelijke invloed van de wereld en moest hen ertoe aanzetten zich bewust te worden van hun eigen wereldsgezindheid en afvalligheid. In deze boodschap heeft God de gemeente een waarschuwing gezonden, die – als ze was aanvaard – een eind zou hebben gemaakt aan het kwaad dat hen van God verwijderde. Als zij deze boodschap uit de hemel hadden aangenomen, hun harten voor God hadden verootmoedigd en er in alle oprechtheid naar hadden gestreefd zich voor te bereiden om in zijn aanwezigheid te leven, zouden de Geest en de kracht Gods zich onder hen geopenbaard hebben. De gemeente zou weer die gezegende eenheid, het geloof en de liefde hebben gekend die bestonden in de tijd van de apostelen, toen de gelovigen „één van hart en geest” waren en „het woord van God met vrijmoedigheid spraken”, toen „de Here dagelijks aan de kring toevoegde.” (Handelingen 4:32,31; 2:47).

Als Gods volk het licht wilde aannemen zoals het vanuit zijn Woord tot hen komt, zouden zij de eenheid bereiken waarvoor Christus heeft gebeden, een eenheid die door de apostel wordt beschreven als „de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes.” Hij zegt: „(Er is) één lichaam, en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop.” (Efeziërs 4:3-5).

De gelovigen die de Adventboodschap hadden aangenomen, hebben deze gezegende resultaten ervaren. Zij kwamen uit verschillende kerken, maar de scheidsmuren die tussen de verschillende kerken bestonden, werden met de grond gelijk gemaakt. Tegenstrijdige geloofspunten werden weggewerkt. De onbijbelse verwachting van een duizendjarig rijk op aarde voor Christus’ wederkomst werd opgegeven. Verkeerde opvattingen over de wederkomst werden rechtgezet. Hoogmoed en gelijkvormigheid aan deze wereld werden prijsgegeven. Het verkeerde dat men had gedaan werd weer goedgemaakt. De harten werden verenigd in de heerlijkste gemeenschap. Liefde en vreugde overheersten alles. Als deze leer dit tot stand heeft gebracht voor de weinigen die haar hebben aangenomen, had ze hetzelfde kunnen doen voor alle anderen, als ze haar ook hadden aangenomen.

Maar de kerken hebben over het algemeen de waarschuwing verworpen. Hun predikanten zouden als wachters „over het huis Israëls” de eersten moeten zijn geweest om de tekenen van Christus’ wederkomst te onderscheiden, maar ze hadden de waarheid noch door het getuigenis van de profeten, noch door de tekenen des tijds leren kennen. Naarmate wereldse verwachtingen en ambities hun harten hadden vervuld, waren de liefde voor God en het geloof in zijn Woord verkoeld. Toen de Adventboodschap werd verkondigd, wekte dat slechts hun vooroordeel en ongeloof op. Het feit dat de boodschap grotendeels door leken werd verkondigd, werd als een argument ertegen beschouwd. Zoals vroeger werd ondanks het duidelijke getuigenis van Gods Woord de vraag gesteld: „Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?” Toen ze inzagen hoe moeilijk het was om de argumenten die op de profetische tijdrekening waren gebaseerd te weerleggen, werkten velen het onderzoek van de profetieën tegen en beweerden ze dat de profetische boeken verzegeld waren en niet konden worden begrepen. Zeer veel mensen stelden een blind vertrouwen in hun predikanten en weigerden naar de waarschuwing te luisteren. Anderen waren wel van de waarheid overtuigd, maar durfden er niet openlijk voor uit te komen uit vrees dat ze „uit de synagoge zouden worden gebannen.” De boodschap die God had gezonden om zijn gemeente te louteren en te reinigen, bewees heel duidelijk dat er velen waren die hun hart aan deze wereld hadden verpand in plaats van het aan Christus te geven. De banden waarmee ze aan de aarde waren gebonden, waren sterker dan de aantrekkingskracht van boven. Zij gaven er de voorkeur aan te luisteren naar de stem van de wereldse wijsheid en keerden zich af van de boodschap der waarheid, die het hart doorzoekt.

Door hun verwerping van de waarschuwing van de eerste engel hebben ze ook de middelen verworpen die de hemel voor hun herstel had geschonken. Ze hebben de genadige boodschapper verworpen, die het kwaad dat scheiding bracht tussen hen en God te niet zou doen. Ze hebben toen met een nog groter verlangen de vriendschap van de wereld gezocht. Dat was de oorzaak van de vreselijke wereldsgezindheid, de afvalligheid en de geestelijke dood die in 1844 in de kerken bestond. In Openbaring 14 wordt de eerste engel gevolgd door een tweede, die uitroept: „Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen drinken.” (Openbaring 14:8). De term „Babylon” is afgeleid van „Babel” en betekent ‘verwarring’. Deze naam wordt in de Schrift gebruikt om verschillende vormen van valse of afvallige godsdienst aan te duiden. In Openbaring 17 wordt Babylon voorgesteld door een vrouw – een beeld dat in de Bijbel wordt gebruikt als het symbool van een gemeente; een deugdzame vrouw stelt een reine gemeente voor en een onreine vrouw stelt een afvallige gemeente voor.

In de Bijbel wordt het heilige en onveranderlijke karakter van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente voorgesteld door de huwelijksband. De Here heeft zijn volk met Zichzelf verbonden door een plechtig verbond: Hij heeft beloofd dat zij zijn volk zouden zijn en zij hebben beloofd van Hem en van Hem alleen te zijn. Hij zegt: „Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming.” (Hosea 2:18). En ook: „Ik ben Heer over u.” (Jeremia 3:14). Paulus gebruikt hetzelfde beeld in het Nieuwe Testament wanneer hij zegt: „Want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen.” (2 Korintiërs 11:2).

De ontrouw van de gemeente tegenover Christus blijkt uit het feit dat zij Hem haar vertrouwen en liefde niet schenkt en dat zij de ziel in beslag laat nemen door liefde voor wereldse zaken. Deze ontrouw wordt vergeleken met het verbreken van de huwelijksbelofte. De zonde die Israël heeft begaan door zich van de Here te verwijderen, wordt door dit beeld voorgesteld en de wonderbaarlijke liefde van God, die zij daardoor afgewezen hebben, wordt door deze treffende woorden uitgedrukt: „Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werd gij de mijne.” „En gij werd uitermate schoon, ja, het koningschap waardig. Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee ik u getooid had (…). Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn.” „Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is!” „Zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar vriend, zo zijt gij Mij ontrouw geworden, huis Israëls, luidt het woord des Heren.” (Ezechiël 16:8,13-15,32; Jeremia 3:20).

In het Nieuwe Testament worden woorden van gelijke strekking gericht tot mensen die zich christenen noemen, maar de vriendschap van de wereld verkiezen boven Gods gunst. De apostel Jacobus zegt: „Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.”

In Openbaring 17 lezen wij dat de vrouw (Babylon) gehuld was „in purper en scharlaken en rijk versierd met goud, edelgesteente en paarlen, en zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen, en de onreinheden van haar hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon, moeder van de hoeren.” De profeet zegt: „En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.” Babylon wordt ook nog genoemd „de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde.” (Openbaring 17:4-6,18).

Rome is de macht die zovele eeuwen achtereen een despotische heerschappij heeft gevoerd over de koningen van de christelijke wereld. Het purper en scharlaken, het goud, de edelstenen en de parels geven een duidelijk beeld van de pracht en koninklijke praal die de hoogmoedige paus van Rome ten toon spreidt. Van geen enkele andere macht kan men met het volste recht zeggen dat zij „dronken is van het bloed der heiligen” als juist van die kerk die de volgelingen van Christus zo wreed heeft vervolgd. Babylon wordt er ook van beschuldigd in een onwettige verhouding met „de koningen der aarde” te hebben geleefd. Door van God af te wijken en een verbintenis met de heidenen aan te gaan, is de Joodse gemeente een hoer geworden, Rome, dat zichzelf op gelijkaardige wijze heeft verdorven door het zoeken van steun bij wereldlijke machten, hoort hetzelfde oordeel over zich uitspreken.

Babylon wordt „de moeder van de hoeren” genoemd. Haar dochters moeten dan de kerken voorstellen die haar leer en overlevering onderschrijven en haar voorbeeld volgen door de waarheid op te offeren en Gods goedkeuring prijs te geven ten einde een onwettige verbintenis met de wereld aan te gaan. De boodschap van Openbaring 14, die de val van Babylon voorzegt, moet van toepassing zijn op godsdienstige groeperingen die eens rein waren, maar nu verdorven zijn. Aangezien deze boodschap volgt op de waarschuwing tegen het oordeel, moet ze in de eindtijd worden verkondigd en kan ze dus betrekking hebben op de rooms-katholieke kerk, want die kerk is al eeuwen afvallig. Bovendien wordt Gods volk in het achttiende hoofdstuk van de Openbaring opgeroepen uit Babylon te gaan. In welke godsdienstige instelling kan men op dit ogenblik de overgrote meerderheid van de volgelingen van Christus vinden? Zonder enige twijfel in de protestantse kerken. In de tijd van hun ontstaan hebben deze kerken edelmoedig voor God en de waarheid gekozen, en rustte zijn zegen op hen. Zelfs de ongelovige wereld moest de positieve resultaten die volgden op het aannemen van de beginselen van het evangelie erkennen. De woorden van de profeet Ezechiël waren op hen van toepassing: „Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee Ik u getooid had, luidt het woord van de Here HERE.” Maar ze zijn gevallen door dezelfde begeerte die de vloek en de ondergang van Israël werd: de wens om de gebruiken van de goddelozen na te volgen en de vriendschap van de ongelovigen te zoeken. „Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd.” (Ezechiël 16:14,15).

Veel protestantse kerken volgen Rome’s voorbeeld van de verderfelijke verbintenis met „de koningen der aarde”; de staatskerken door hun betrekkingen met de wereldlijke overheid en de andere kerken doordat zij ernaar streven de gunst van de wereld te winnen. De term „Babylon” – verwarring – is heel toepasselijk voor deze instellingen, daar ze allemaal beweren dat hun leer bijbels is, maar toch in een bijna ontelbaar aantal sekten met zeer tegenstrijdige geloofspunten en theorieën uiteenvallen.

Naast een zondige verhouding met de wereld hebben de kerken die zich van Rome hebben afgescheiden nog andere kenmerken. Een rooms-katholiek werk beweert dat, „als de kerk van Rome ooit schuldig is geweest aan afgodendienst in verband met de heiligen, haar dochter, de ‘Anglicaanse Kerk’, daar even schuldig aan is, daar tien van haar kerken aan Maria zijn gewijd tegen één die aan Christus is gewijd.” (Richard Challoner, The Catholic Christian Instructed, Preface, pp. 21, 22).

In „Een verhandeling over het Millennium” zegt dr. Hopkins: „Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de antichristelijke geest en gebruiken beperkt zijn tot wat men tegenwoordig de kerk van Rome noemt. De protestantse kerken hebben veel anti-christelijke elementen en zijn nog lang niet volledig gezuiverd van… verdorvenheid en ongerechtigheid.” (Samuel Hopkins, Works, vol. 2, p. 328). Dr. Guthrie schrijft over de afscheiding van de presbyteriaanse kerk van die van Rome het volgende: „Driehonderd jaar geleden trad onze kerk met een open Bijbel in haar banier en met de leus ‘Onderzoekt de Schriften’ uit de Rooms-Katholieke Kerk.” Hij stelt dan de belangrijke vraag: „Zijn wij wel volledig uit Babylon gegaan?” (Thomas Guthrie, The Gospel in Ezekiel, p. 237).

Spurgeon zegt: „De ‘Anglicaanse Kerk’ schijnt overwoekerd te zijn door het sacramentalisme, maar de andere, afgescheiden kerken schijnen bijna evenzeer doortrokken te zijn van ongeloof. Mensen van wie we beter hadden verwacht, keren zich één voor één af van de grondslagen van het geloof. Ik ben ervan overtuigd dat zelfs het hart van Engeland overwoekerd is door een verderfelijk ongeloof dat bovendien nog op de kansel durft te gaan staan en zichzelf christelijk durft te noemen.”

Wat is de oorsprong van de grote afval geweest? Hoe is de kerk afgeweken van de evangelische eenvoud? Door de gebruiken van het heidendom aan te nemen om het de heidenen makkelijk te maken tot het christendom over te gaan. De apostel Paulus zei al in zijn dagen: „Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking.” (2 Tessalonicenzen 2:7). Gedurende de tijd van de apostelen is de gemeente betrekkelijk zuiver gebleven. Maar „tegen het einde van de tweede eeuw hadden de meeste gemeenten een gedaanteverwisseling ondergaan. De oor­spronkelijke eenvoud was er niet meer en naarmate de oude discipelen in het graf werden gelegd, traden hun kinderen met de nieuwe bekeerlingen onmerkbaar op de voorgrond en gaven het christendom een andere gedaante.” (Robert Robinson, Eccliastical Researches, ch. 6, par. 17, p. 51). De verheven banier van het christelijk geloof werd omlaag gehaald om zieltjes te winnen en het gevolg daarvan was dat „een heidense vloedgolf de gemeente binnenspoelde en heidense gebruiken, praktijken en afgoden achterliet.” (Gavazzi, Lectures, p. 278). Naarmate het christendom in de gunst kwam te staan bij en steun kreeg van wereldlijke heersers, werd het slechts in naam aangenomen door de grote massa. Terwijl velen in schijn christenen waren, bleven ze „in wezen heidenen, die in het geheim vooral hun afgoden aanbaden.” (Ibid., p. 278).

Heeft dezelfde geschiedenis zich niet herhaald in bijna elke kerk die zich protestants noemt? Toen de stichters, die de ware hervormingsgeest hadden, waren gestorven, traden hun opvolgers op de voorgrond en zorgden voor een „gedaanteverwisseling”. Doordat ze zich blindelings vastklampten aan het geloof van hun vaderen, maar weigerden iedere nieuwe waarheid aan te nemen, zijn de kinderen van de hervormers erg afgeweken van hun voorbeeld van nederigheid, zelfopoffering en wereldverzaking. Op die manier „verdwijnt de oorspronkelijke eenvoud.” Een wereldse vloedgolf spoelt de kerk binnen en „laat heidense gebruiken, praktijken en afgoden achter.”

Ongelukkig genoeg stellen vele gelovigen „vriendschap met de wereld”, die „vijandschap tegen God” is, tegenwoordig bijzonder op prijs! De populaire kerken in de christelijke wereld zijn erg afgeweken van de bijbelse maatstaf van nederigheid, zelfverloochening, eenvoud en godsvrucht. John Wesley zei met betrekking tot het juiste gebruik van geld: „Verspil geen cent van zo’n kostbaar bezit aan overbodige en dure kleren of aan overbodige versierselen alleen maar om de begeerte der ogen te bevredigen. Verspil het niet aan allerlei onnodige voorwerpen voor uw huis, aan overbodige of kostbare meubelen, aan dure schilderijen, prenten of goudwerk… Geef geen cent uit om op grote voet te leven, om de bewondering en de lof van de mensen te winnen… ‘Zolang u veel geld uitgeeft, zullen de mensen goed van u spreken’. Zolang u in purperen gewaden en in fijn linnen gekleed gaat en ‘iedere dag overdadig leeft’, zullen velen ongetwijfeld uw goede smaak, vrijgevigheid en gastvrijheid loven. Maar betaal niet zo’n hoge prijs voor hun lof. Wees liever tevreden met de eer die van God komt.” (Wesley, Works, Sermon 50, „The Use of Money”). Maar in veel kerken van onze tijd worden deze opvattingen verworpen.

Lid zijn van een kerk is tegenwoordig populair in de wereld. Ministers, politici, advocaten, dokters, zakenlieden sluiten zich bij een of andere kerk aan als een middel om de achting en het vertrouwen van de maatschappij te winnen en om hun eigen wereldse belangen te bevorderen. Op die manier proberen zij al hun oneerlijke praktijken te verbergen onder de dekmantel van het christendom. De verschillende christelijke instellingen worden door de rijkdom en de invloed van deze gedoopte wereldlingen gesteund en ze proberen nog meer in de gunst te komen en de steun van de mensen te krijgen. Prachtige kerken, op de meest buitensporige manier ingericht, worden in de drukste straten gebouwd. De kerkgangers hebben de duurste kleren aan en zijn volgens de laatste mode gekleed. Men betaalt een hoog salaris aan een welsprekend predikant om de mensen aangenaam bezig te houden en aan te trekken. Zijn preken mogen niet handelen over algemeen voorkomende zonden, maar moeten vlot zijn en het oor strelen. Zo worden zondaren in kerkregisters ingeschreven en worden algemeen aanvaarde zonden bedekt onder een schijn van godsvrucht.

Eén van de belangrijkste niet-kerkelijke tijdschriften geeft het volgende commentaar op de houding van zogenaamde christenen tegenover de wereld: „Ongemerkt heeft de kerk toegegeven aan de tijdgeest en heeft ze haar vormen van aanbidding aangepast aan de moderne behoeften”. „De kerk bedient zich nu inderdaad van alle middelen die er toe bijdragen de godsdienst aantrekkelijk te maken”. Een schrijver in de Independent van New York zegt het volgende over het methodisme: „De scheidingslijn tussen het goddelijke en het goddeloze vervaagt en ijverige mannen aan beide zijden van die lijn proberen elk verschil tussen elkaars handelwijze en genoegens uit te wissen.” „De populariteit van de godsdienst draagt er in belangrijke mate toe bij dat het aantal mensen die er wel de voordelen van willen hebben, zonder eerlijk aan de verplichtingen te voldoen, toeneemt.”

Howard Crosby zegt: „Het is een uitermate verontrustende zaak dat de gemeente van Christus zo weinig beantwoordt aan hetgeen de Here met zijn gemeente heeft voorgehad. Net zoals de Israëlieten God uit het oog hebben verloren door hun vertrouwelijke omgang met heidense volken… is de gemeente nu door een vals bondgenootschap met een ongelovige wereld de goddelijke beginselen van haar ware leven aan het prijsgeven en is zij zich aan het overgeven aan de verderfelijke, maar toch vaak verklaarbare gewoonten van een onchristelijke maatschappij. Ze gebruikt daarbij argumenten en trekt conclusies die niets van doen hebben met de openbaring van God en in strijd zijn met elke groei in genade.” (The Healthy Christian: An Appeal to the Church, pp. 141, 142).

In deze vloed van wereldsgezindheid en genotzucht zijn zelfverloochening en zelfopoffering om Christus’ wil bijna volledig verdwenen. „Sommige mannen en vrouwen die nu een functie in onze gemeente bekleden, hebben als kind offers leren brengen om iets aan Christus te kunnen geven of iets voor Hem te doen.” Maar „als er nu geld nodig is… hoeft men niemand te vragen om iets te geven. O nee! Men organiseert een liefdadigheidsbazaar, een ontspanningsavond of geeft een liefdadigheidsbanket – als het maar iets is waar de mensen plezier aan beleven.”

Gouverneur Washburn van de staat Wisconsin zei in zijn nieuwjaarsboodschap van 9 januari 1873: „Er schijnen wetten nodig te zijn om scholen waar dobbelaars gekweekt worden op te doeken. Die scholen bestaan overal. De kerk doet zonder het te beseffen mee aan het werk van de duivel. Concerten, ‘party’s’, loterijen, die soms worden gehouden om godsdienstige of liefdadige instellingen te steunen, maar vaak ook voor minder goede doeleinden worden georganiseerd, zijn allemaal manieren om aan geld te komen zonder een tegenprestatie te leveren. Er is niets dat zozeer bijdraagt tot zedenverval en geestelijke afstomping – vooral onder de jongeren – als het krijgen van geld en goederen zonder er arbeid voor te moeten verrichten. Daar eerbare burgers aan deze kansspelen deelnemen en hun geweten sussen met de gedachte dat het geld voor een goed doel is, is het niet verwonderlijk dat de jongeren die in onze staat wonen zo vaak verslaafd raken aan gewoonten die bijna zeker veroorzaakt worden door de opwinding die gepaard gaat met kansspelen.”

De christelijke kerken zijn hoe langer hoe meer bereid zich aan de wereld aan te passen. Robert Atkins heeft in een preek in Londen een somber beeld geschilderd van het geestelijk verval in Engeland: „De ware rechtvaardigen zijn in aantal afgenomen en niemand bekommert zich erom. De gelovigen van vandaag – ongeacht tot welke kerk ze behoren – hebben zich aan de wereld aangepast, ze zijn gemakzuchtig en willen door anderen worden gewaardeerd. Ze zijn geroepen om met Christus te lijden, maar schrikken al terug voor een verwijt… Afvalligheid, afvalligheid, afvalligheid is in de gevel van elke kerk gebeiteld. En als zij dat wisten en het voelden, zou er nog hoop zijn, maar helaas, zij zeggen: `Wij zijn rijk en wij hebben ons verrijkt en hebben aan niets gebrek.’” (Second Advent Library, tract No. 39).

De grote zonde die Babylon ten laste wordt gelegd, is dat ze „van de wijn van de hartstocht harer hoererij” al de volken te drinken heeft gegeven. Deze bedwelmende beker die zij aan de wereld geeft, stelt de valse leer voor die ze heeft aangenomen door haar onwettige verbintenis met de groten van deze aarde. Vriendschap met de wereld heeft het geloof van de kerk verdorven en zij oefent op haar beurt een verderfelijke invloed uit op de wereld door het onderwijzen van valse leerstellingen, die in strijd zijn met de duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift.

Rome heeft de mensen de Bijbel onthouden en heeft geëist dat alle mensen in plaats daarvan haar leer zouden aannemen. De Hervorming heeft de Bijbel aan de mensen teruggegeven. Maar is het niet heel vaak zo dat in de kerken van onze tijd de mensen geleerd wordt hun geloof en hun leerstellingen veeleer op de geloofsbelijdenis dan op de Schrift te bouwen? Charles Beecher heeft over de protestantse kerken gezegd: „Zij deinzen met dezelfde gevoeligheid terug voor een hard woord tegen hun geloofsijver als de heilige vaders gedaan zouden hebben voor een hard woord tegen de toenemende verering van heiligen en martelaren, een verering die zij zelf aanmoedigden… De protestantse kerken hebben hun eigen en elkaars handen zo vast gebonden dat niemand ergens predikant kan worden zonder een of ander boek aan te nemen naast de Bijbel… Er is niets denkbeeldigs in de uitspraak dat de macht van de geloofsbelijdenis tegenwoordig de Bijbel op dezelfde manier begint te verbieden als Rome dat gedaan heeft, maar op een subtielere manier.” (Preek over „The Bible a Sufficient Creed”, gehouden te Fort Wayne, Indiana, 22 februari 1846).

Wanneer trouwe leraren Gods Woord uitleggen, zeggen geleerde mannen – predikanten die de Schrift beweren te kennen – dat de gezonde leer ketterij is en brengen degenen die naar waarheid zoeken daardoor op een dwaalspoor. Als de wereld niet hopeloos bedwelmd was door de wijn van Babylon zouden grote groepen mensen overtuigd en bekeerd worden door de duidelijke, scherpsnijdende waarheid van Gods Woord. Maar het geloof blijkt zo verward en tegenstrijdig te zijn dat de mensen niet weten wat ze als waarheid moeten aannemen. De schuld van de onboetvaardigheid van de wereld ligt bij de kerk.

De boodschap van de tweede engel van Openbaring 14 werd voor het eerst in de zomer van 1844 verkondigd en was toen in het bijzonder van toepassing op de kerken van de Verenigde Staten, waar de waarschuwing voor het oordeel op zeer grote schaal was verkondigd, maar door de meesten was verworpen en waar de afval in de kerken het snelst was geweest. De boodschap van de tweede engel ging echter niet volledig in vervulling in 1844. In de kerken was er toen een moreel verval omdat ze hadden geweigerd het licht van de Adventboodschap aan te nemen. Toch was dit zedenverval niet volledig. Omdat ze volhardden in hun afwijzing van de waarheid voor deze tijd, zijn ze steeds dieper gezonken. Toch kan men nog niet zeggen: „Babylon is gevallen… omdat zij al de volken van de wijn van de hartstocht harer hoererij heeft doen drinken”. Dit is nog niet met alle volken gebeurd. De geest van aanpassing aan de wereld en de onverschilligheid tegenover de beslissende waarheid voor onze tijd bestaan en hebben terrein gewonnen in de protestantse kerken in alle landen van de christelijke wereld en deze kerken vallen ook onder het plechtige en vreselijke oordeel van de tweede engel. Maar de afval heeft zijn dieptepunt nog niet bereikt.

De Bijbel zegt dat voor de wederkomst van Christus, Satan „met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid” zal werken. Zij die „de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” zullen een dwaling ontvangen, „die bewerkt, dat zij de leugen geloven.” (2 Tessalonicenzen 2:9-11). Pas wanneer deze voorwaarde is vervuld en in de hele christelijke wereld de eenheid van de kerk met de wereld volledig is bereikt, zal Babylon helemaal vallen. Deze verandering vindt geleidelijk plaats en de volledige vervulling van Openbaring 14:8 ligt nog in de toekomst.

Ondanks de geestelijke duisternis en vervreemding van God die voorkomen in de kerken waaruit Babylon bestaat, kan men nog altijd een zeer grote groep ware volgelingen van Christus in al die kerken vinden. Er zijn velen onder hen die de bijzondere waarheid voor deze tijd nog nooit hebben gehoord. Velen zijn ontevreden over hun geestelijke toestand en verlangen naar meer licht. Ze zoeken tevergeefs naar het beeld van Christus in de kerken waartoe ze behoren. Naarmate deze kerken steeds verder van de waarheid afdwalen en zich steeds meer bij de wereld aansluiten, zal het verschil tussen de twee groepen groter worden en zal het tot een scheiding komen. Er zal een ogenblik komen dat zij die God in de eerste plaats liefhebben niet langer in contact kunnen blijven met degenen „met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben.”

Openbaring 18 heeft betrekking op de tijd wanneer de kerk door de verwerping van de drievoudige waarschuwing van Openbaring 14:6-12 de voorwaarde zal hebben vervuld die door de tweede engel is voorzegd, en Gods volk dat nog in Babylon is, zal worden opgeroepen om er definitief mee te breken. Dit is de laatste boodschap die ooit aan de wereld zal worden gebracht en ze zal haar doel niet missen. Wanneer zij die „de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2 Tessalonicenzen 2:12), zullen worden overgegeven aan de dwaling, en de leugen zullen geloven, zal het licht van de waarheid schijnen in de harten van allen die bereid zijn het te ontvangen, en al de kinderen van God die in Babylon zijn, zullen gevolg geven aan de oproep: „Gaat uit van haar, mijn volk.” (Openbaring 18:4). (“Het Grote Conflict” E.G.White)

De gelovigen dachten eerst dat Christus in de lente van 1844 zou terugkeren. Toen het vastgestelde tijdstip was verstreken, verkeerden zij die in geloof naar zijn verschijning hadden uitgezien enige tijd in twijfel en onzekerheid. Terwijl de wereld ze beschouwde als een groep mensen die een verpletterende nederlaag hadden geleden en ook hadden bewezen dat ze een waandenkbeeld hadden gekoesterd, was het Woord van God nog altijd de bron waar zij troost uit putten.

Velen zetten het onderzoek van de Schrift voort. Ze onderzochten nogmaals de grondslagen van hun geloof en bestudeerden de profetieën nauwkeurig om meer licht te ontvangen. De uitspraken van de Bijbel waarop hun geloof was gegrondvest, schenen duidelijk en onweerlegbaar. De tekenen toonden duidelijk aan dat de wederkomst van Christus voor de deur stond. Gods bijzondere zegen, zowel bij de bekering van zondaren als bij de opwekking van het geestelijk leven onder de christenen, bewees dat de boodschap van hemelse oorsprong was. Hoewel de gelovigen geen uitleg konden geven voor hun teleurstelling, waren ze er zeker van dat God hen tot dusver in hun ervaringen had geleid.

In de profetieën die volgens hen betrekking hadden op de tijd van de wederkomst, lagen lessen besloten die speciaal bestemd waren voor hun toestand van onzekerheid en spanning en hen aanmoedigden om geduldig te wachten in de overtuiging dat wat nu onbegrijpelijk was later wel duidelijk zou worden.

Eén van die profetieën was Habakuk 2:1-4: „Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht. Toen antwoordde de HERE mij: Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen. Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet. Zie, opgeblazen, niet recht, is zijn ziel in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.”

Al in 1842 had de opdracht „Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen.” (Habakuk 2:2). Charles Fitch op de gedachte gebracht een profetische kaart te tekenen waarop de gezichten van Daniël en de Openbaring in beeld worden gebracht. De publikatie van deze kaart werd beschouwd als een vervulling van het bevel door Habakuk gegeven. Maar niemand had toen gemerkt dat ook de schijnbare vertraging in de vervulling van het gezicht – „als het vertoeft” – in dezelfde profetie was aangeduid. Na de teleurstelling kreeg deze uitspraak een bijzondere betekenis: „Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet… Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.”

Een gedeelte van de profetie van Ezechiël was ook een bron van troost en kracht voor de gelovigen: „Het woord des HEREN kwam tot mij: Mensenkind, wat is dat voor een zegswijze bij u in het land van Israël; de tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit? Daarom zegt tot hen: zo zegt de Here HERE… De tijd is nabij en de vervulling van elk gezicht!… Ik, de HERE, zal het woord spreken, dat Ik spreken zal, en het zal in vervulling gaan; niet langer zal het worden uitgesteld”. „Het huis Israëls zegt; het gezicht dat hij schouwt, heeft betrekking op een verwijderde toekomst, en hij profeteert aangaande verre tijden. Daarom zeg tot hen; zo zegt de Here HERE; geen van mijn woorden zal nog langer worden uitgesteld. Het woord dat Ik spreken zal, zal in vervulling gaan, luidt het woord van de Here HERE.” (Ezechiël 12:21-25,27,28).

De gelovigen die naar de wederkomst uitzagen, waren blij en geloofden dat Hij die het einde kent van het begin, hun teleurstelling eeuwen van tevoren had voorzien en hun daarom woorden van hoop en bemoediging had geschonken. Als er geen bijbelteksten waren geweest die hen vermaanden om geduldig te wachten en vertrouwen te blijven stellen in Gods Woord, zouden zij hun geloof in die moeilijke tijd hebben verloren.

De gelijkenis van de tien maagden van Mattheüs 25 illustreert ook duidelijk de ervaringen van de adventisten. In antwoord op de vraag van zijn discipelen over het teken van zijn komst en van de voleinding der wereld had Jezus in het 24ste hoofdstuk van Mattheüs gewezen op enkele van de belangrijkste gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis en in de geschiedenis van zijn gemeente tussen zijn eerste komst en zijn wederkomst, namelijk: de verwoesting van Jeruzalem, de grote verdrukking van de gemeente onder heidense en pauselijke vervolgingen, de verduistering van zon en maan en de sterrenregen. Daarna sprak Hij over zijn komst in zijn Koninkrijk en gaf Hij de gelijkenis die twee soorten gelovigen die naar zijn verschijning uitzien, beschrijft. Het 25ste hoofdstuk begint met de woorden: „Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden”. Hier beschrijft Christus de gemeente van de eindtijd, dezelfde gemeente waarover Hij sprak in de laatste verzen van het 24ste hoofdstuk. In deze gelijkenis worden hun ervaringen voorgesteld door de gebeurtenissen rond een oosterse bruiloft.

„Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie; doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen. Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!”

De gelovigen dachten dat „de komst van de bruidegom” de wederkomst van Christus voorstelde die wordt aangekondigd door de boodschap van de eerste engel. De algemene hervorming onder invloed van de verkondiging van zijn spoedige wederkomst stemde volgens hen overeen met het uitgaan van de maagden. In deze gelijkenis zijn er net zoals in Mattheüs 24 twee groepen mensen. Ze hadden allemaal hun lampen – de Bijbel – meegenomen en waren bij het licht daarvan uitgegaan om de Bruidegom te ontmoeten; „de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie”; „doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen.” De wijze maagden hadden Gods genade, de vernieuwende, verlichtende kracht van de Heilige Geest, die zijn Woord maakte tot een lamp voor hun voet en een licht op hun pad, ontvangen. In de vreze Gods hadden zij de Schrift bestudeerd om de waarheid te leren kennen en hadden oprecht gestreefd naar een rein hart en een rein leven. Zij hadden een persoonlijke ervaring meegemaakt en hadden een geloof in God en zijn Woord dat niet kon worden geschokt door teleurstelling en oponthoud.
De anderen hadden hun lampen bij zich, maar hadden geen olie. Zij hadden impulsief gehandeld. Zij waren bang geworden door de plechtige boodschap, maar hadden gebouwd op het geloof van hun broeders en zusters, zij hadden genoegen genomen met het flikkerende licht van hun gevoelens, zij hadden geen grondige kennis van de waarheid en hadden de echte uitwerking van de genade in hun hart niet ervaren. Zij waren uitgegaan om de Bruidegom te ontmoeten, ze waren vol hoop door het vooruitzicht van een onmiddellijke beloning, maar waren niet voorbereid op uitstel en teleurstelling. Toen de beproevingen kwamen, schoot hun geloof tekort en brandden hun lampen op een laag pitje.

„Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in”. Het uitblijven van de bruidegom doelt op het verstrijken van de tijd vanaf het ogenblik dat Christus werd verwacht en wijst ook op de teleurstelling en de schijnbare vertraging. In die tijd van onzekerheid begon de belangstelling van de oppervlakkigen en lauwen spoedig te verminderen en begonnen hun inspanningen te verslappen. Maar zij die hun geloof op een persoonlijke kennis van de Bijbel hadden gesteund, stonden op een rots die niet kon worden weggespoeld door de golven van de teleurstelling. „Zij werden allen slaperig en sliepen in”; de ene groep werd onverschillig en geloofde niet meer; de andere groep wachtte geduldig tot er meer licht kwam. Toch schenen de laatstgenoemden in de nacht van hun beproeving tot op zekere hoogte hun ijver en toewijding te verliezen. De lauwen en oppervlakkigen konden niet meer bouwen op het geloof van hun broeders en zusters. Iedereen moest op eigen benen staan, of vallen.
Rond die tijd begon het fanatisme de kop op te steken. Sommigen die hadden beweerd dat ze vurig in de boodschap geloofden, namen Gods Woord niet meer aan als de enige onfeilbare gids, maar zeiden dat ze door de Heilige Geest werden geleid, terwijl ze gewoon hun eigen gevoelens, indrukken en waanvoorstellingen volgden. Sommigen legden een blinde, fanatieke ijver aan de dag en veroordeelden iedereen die hun houding niet goedkeurde. Hun fanatieke ideeën en praktijken werden door de meeste adventisten afgekeurd, maar deden toch afbreuk aan de waarheid.

Hierdoor probeerde Satans Gods werk te dwarsbomen en te vernietigen. De mensen waren echt tot inkeer gekomen door de Adventbeweging, duizenden zondaren waren bekeerd en trouwe predikers wijdden zelfs in deze tijd toen de Bruidegom uitbleef hun leven aan de verkondiging van de waarheid. De vorst van het kwaad begon zijn onderdanen te verliezen en probeerde de waarheid in het gedrang te brengen door enkele gelovigen te misleiden en tot extremisme aan te zetten. Zijn medewerkers stonden klaar om iedere fout, mislukking of vergissing te misbruiken om de adventisten en hun geloof volkomen in diskrediet te brengen. Als hij ze zover kon krijgen dat ze wel beweerden dat ze in de wederkomst geloofden, maar in feite helemaal in zijn macht bleven, zou hij veel succes hebben als hij buitenstaanders kon overtuigen dat deze groep representatief was voor alle gelovigen.

Satan is de „aanklager van onze broeders” en zijn geest vestigt de aandacht van de mensen op de fouten en gebreken van Gods volk, terwijl er met geen woord over hun goede daden wordt gerept. Hij is altijd actief wanneer God aan het werk is om zielen te redden. Wanneer de zonen Gods komen om zich voor Hem te stellen, verschijnt Satan ook onder hen. Bij iedere opwekking staat hij klaar om degenen die niet geheiligd en onevenwichtig zijn, binnen te loodsen. Wanneer zij enkele punten van de waarheid hebben aangenomen en onder de gelovigen zijn opgenomen, gebruikt hij hen als handlangers om theorieën te verspreiden die de argelozen van het rechte pad zullen brengen. Niemand is een goed christen, omdat hij in gezelschap is van Gods kinderen, ook al is het in de kerk of aan de tafel des Heren. Satan is vaak bij de plechtigste gelegenheden aanwezig in de persoon van hen die hij als stroman kan gebruiken.
De vorst van het kwaad vecht om elke centimeter grond waarover Gods volk voorwaarts schrijdt op hun reis naar de hemelse stad. In de kerkgeschiedenis is er geen enkele hervorming geweest die geen ernstige moeilijkheden heeft moeten overwinnen. Zo was het in Paulus’ dagen. Overal waar de apostel een gemeente stichtte, waren er enkelen die beweerden dat ze het geloof aannamen, maar intussen ketterijen verspreidden die – als ze werden aangenomen – op den duur de liefde voor de waarheid zouden verdringen. Luther ondervond ook grote moeilijkheden en veel narigheid door het gedrag van fanatieke mensen die beweerden dat God rechtstreeks door hen had gesproken en daarom hun eigen opvattingen en meningen plaatsten boven de uitspraken van de Bijbel. Velen die weinig geloof en ervaring hadden, maar verwaand genoeg waren en graag iets nieuws hoorden vertellen, werden misleid door de onrechtmatige aanspraken van de nieuwe leraren en sloten zich aan bij de medewerkers van Satan om hetgeen God door Luther had laten opbouwen weer af te breken. De Wesleys en anderen die de wereld door hun geloof en invloed tot zegen waren, ontmoetten bij elke stap die zij zetten de listen van Satan, die de dwepers, de onevenwichtigen en de onbekeerde mensen tot allerlei fanatisme wilde aanzetten.

William Miller was gekant tegen invloeden die tot fanatisme leidden. Hij zei zoals Luther dat iedere geest aan de hand van Gods Woord moest worden getoetst: „De duivel heeft tegenwoordig veel invloed op de geesten van sommige mensen. Hoe kunnen wij weten door welke geest ze worden geleid? De Bijbel geeft het antwoord: ‘Aan hun vruchten zult gij hen kennen’ … Er zijn vele geesten uitgegaan in de wereld en wij hebben de opdracht gekregen ze te beproeven. De geest die ons niet aanzet tot een sober, rechtvaardig en godvruchtig leven in deze tegenwoordige wereld is niet de Geest van Christus. Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat Satan een grote rol speelt in deze fanatieke bewegingen… Velen onder ons die voorgeven volkomen geheiligd te zijn, volgen overleveringen van mensen en weten blijkbaar even weinig van de waarheid af als anderen die dat niet beweren.” (Bliss, pp. 236,237).

„De geest van dwaling zal ons van de waarheid afleiden, maar de Geest van God zal ons tot de waarheid brengen. Maar – zult u zeggen – iemand kan dwalen en toch menen dat hij in de waarheid is. Wat dan? Ons antwoord daarop is: De Geest en het Woord zijn in harmonie met elkaar. Als iemand zichzelf beoordeelt aan de hand van Gods Woord en een volmaakte harmonie in het gehele Woord vindt, mag hij aannemen dat hij in de waarheid is, maar als hij tot de vaststelling komt dat de geest die hem leidt niet in overeenstemming is met de volledige inhoud van Gods Woord of Gods wet, moet hij heel voorzichtig te werk gaan, opdat hij niet verstrikt raakt in de netten van de duivel.” (The Advent Herald and Signs of the Times Reporter, vol.8, No. 23 (15 jan. 1845)). „Stralende ogen, natte wangen en een ontroerde stem hebben mij vaker overtuigd van iemands oprechtheid dan al die drukte.” (Bliss, p.282).

In de tijd van de Hervorming werden de felste tegenstanders van het fanatisme door hun vijanden juist van fanatisme beschuldigd. De tegenstanders van de Adventbeweging hebben dat ook gedaan. Niet tevreden met het verdraaien van de feiten en het overdrijven van de dwalingen van extremisten en fanatici, maar verspreidden ook valse geruchten die niet de geringste grond van waarheid bezaten. Deze mensen werden door vooroordeel en haat gedreven. Hun rust werd verstoord door de verkondiging van de boodschap van Christus’ spoedige wederkomst. Ze waren bang dat het wel eens waar zou kunnen zijn, maar hoopten dat het toch niet zo was. Dit verklaart hun verzet tegen de adventisten en het adventisme.
De aanwezigheid van enkele fanatici en bedriegers in de gemeente ten tijde van Paulus en Luther is geen reden om Luther en Paulus’ werk te veroordelen. Zo geeft het feit dat er een paar fanatici waren binnengeslopen in adventistische gelederen ook niemand het recht te besluiten dat deze beweging niet van God komt. Als Gods volk zich bewust werd van zijn toestand, als ze oprecht tot inkeer kwamen, als ze ernstig werkten aan de hervorming, als ze de Schrift onderzochten om de waarheid zoals die in Christus is te leren kennen en als ze zich volkomen aan God wijdden, zou het bewijs dat Satan nog altijd actief en waakzaam is niet lang op zich laten wachten. Hij zou zijn macht met allerlei bedrog openbaren en de hulp van zijn gevallen engelen inroepen.
Het was niet de verkondiging van de wederkomst van Christus die tot fanatisme en scheiding leidde. Deze verschijnselen deden zich voor in de zomer van 1844 toen de adventisten zich afvroegen wat hun positie was. Door de verkondiging van de boodschap van de eerste engel en door „middernachtelijk geroep” verdwenen het fanatisme en de tweedracht. De gelovigen die zich hadden aangesloten bij deze plechtige bewegingen leefden in harmonie met elkaar. Hun harten waren vervuld van de liefde voor elkaar en voor Jezus, die zij spoedig hoopten te ontmoeten. Hetzelfde geloof en dezelfde zalige hoop plaatsten hen boven de macht van elke menselijke invloed en waren een schild dat bestand was tegen de aanvallen van Satan.

„Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde.” (Matteüs 25:5-7). In de zomer van 1844 – halverwege de tijd die men aanvankelijk had bepaald als het einde van de 2300 avonden en morgens en de herfst van hetzelfde jaar tot waar men later meende dat die periode reikte – werd de boodschap verkondigd met de woorden van de Schrift: „Zie, de Bruidegom komt!”

De ontdekking dat het decreet van Artaxerxes (Artachsasta) om Jeruzalem te herbouwen – het beginpunt voor de periode van de 2300 avonden en morgens – was ingegaan in de herfst van het jaar 457 v. Chr. en niet in het voorjaar zoals men eerst dacht, riep deze beweging in het leven. Van de herfst van het jaar 457 v. Chr. gerekend, eindigden de 2300 jaren in de herfst van 1844. (Zie Aanhangsel onder „Profetische data”).

Argumenten gebaseerd op de oudtestamentische zinnebeelden wezen er ook op dat de gebeurtenis die wordt aangeduid door „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” in de herfst moest plaatsvinden. Dit werd heel duidelijk toen men aandacht ging schenken aan de manier waarop de zinnebeelden die verband hielden met Christus’ eerste komst in vervulling waren gegaan.

Het slachten van het paaslam was een voorafschaduwing van de dood van Christus. Paulus zegt: „Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.” (1 Korintiërs 5:7). De eerstelingsgarve, die in de tijd van het Paasfeest voor het aangezicht des Heren moest worden bewogen, was een beeld van de opstanding van Christus, Paulus zegt over de opstanding van Christus en zijn volgelingen: „Maar ieder in zijn eigen rangorde; Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.” (1 Korintiërs 15:23). Zoals de eerstelingsgarve – het eerste rijpe graan voor de oogst – is Christus de eersteling van die onsterfelijke oogst van verlosten die bij de toekomstige opstanding verzameld zal worden in Gods schuur.

De beelden waren in vervulling gegaan, niet alleen wat de gebeurtenis, maar ook wat de tijd betreft. Op de veertiende dag van de eerste maand van de Joodse kalender, op dezelfde dag en in dezelfde maand waarin het paaslam vijftien eeuwen lang was geslacht, stelde Christus, nadat Hij het Pascha met zijn discipelen had genuttigd, het feest in ter herdenking van zijn eigen dood als „het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.” In diezelfde nacht werd Hij door de ongelovigen gegrepen om gekruisigd en gedood te worden. Als tegenbeeld van de eerstelingsgarve stond Hij op de derde dag op uit de doden, „de eersteling van hen, die ontslapen zijn”, het model voor alle opgewekte rechtvaardigen, wier „vernederd lichaam” zal worden veranderd „zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt.” (Filippenzen 3:20,21).

Op dezelfde manier moeten de beelden die in verband staan met zijn wederkomst worden vervuld op het tijdstip dat in de symbolische bediening is aangegeven. In het Mozaïsche stelsel vond de reiniging van het heiligdom of de Grote Verzoendag plaats op de tiende dag van de zevende maand van de Joodse kalender. (Leviticus 16:29-34). Op die dag trad de hogepriester, nadat hij verzoening had gedaan voor het hele volk van Israël en hun zonden uit het heiligdom had verwijderd naar buiten en zegende het volk. Op grond hiervan geloofde men dat Christus, onze Hogepriester, zou verschijnen om de aarde te reinigen door de vernietiging van de zonde en de zondaren, en om zijn wachtend volk de kroon der onsterfelijkheid te geven. De tiende dag van de zevende maand, de Grote Verzoendag, de dag waarop het heiligdom werd gereinigd, viel in 1844 op 22 oktober. Men dacht dat Christus op die dag zou terugkomen. Dit stemde overeen met de reeds aangevoerde bewijzen dat de 2300 avonden en morgens in de herfst zouden eindigen. Deze conclusie scheen onweerlegbaar.
In de gelijkenis van Matteüs 25 volgt de komst van de bruidegom op de tijd van wachten en inslapen. Dit was in overeenstemming met de zo pas aangehaalde argumenten uit de profetieën en de schaduwbeelden. Deze argumenten schenen zeer overtuigend en uit de mond van duizenden gelovigen klonk „het geroep in het midden van de nacht.”

De beweging verspreidde zich als een vloedgolf over het land. Ze drong door van stad tot stad, van dorp tot dorp en bereikte zelfs de verst afgelegen plaatsen totdat het volk van God, dat in afwachting leefde, helemaal wakker was. Het fanatisme verdween door deze verkondiging als sneeuw voor de zon. De gelovigen werden bevrijd van hun twijfel en onzekerheid en ze kregen weer hoop en moed. Het werk bleef gespaard van de uitersten die altijd voorkomen wanneer de mens zich opwindt, maar niet tegelijkertijd wordt beheerst door de invloed van het Woord en de Geest van God. De gelovigen kwamen tot inkeer zoals de Israëlieten na de vermaning van Gods dienstknechten. Deze beweging had dezelfde kenmerken als Gods werk door de eeuwen heen. Er was weinig extatische vreugde, maar men deed aan een grondig gewetensonderzoek, men beleed zijn schuld en rekende af met de wereld. De enige bekommernis van de gelovigen was hun voorbereiding om Christus te ontmoeten. Er werd met volharding gebeden en men wijdde zich onvoorwaardelijk aan God.

Miller heeft deze opwekking als volgt beschreven: „Er is geen uitbundige vreugde; die wordt als het ware onderdrukt voor een andere gelegenheid, wanneer de hemel en de aarde zich samen zullen verheugen met onuitsprekelijke blijdschap. Er wordt niet gejuicht; ook dat wordt uitgesteld tot de tijd wanneer het geroep uit de hemel zal komen. De zangers zwijgen; ze wachten het ogenblik af om zich te voegen bij de engelenscharen, het hemelkoor… Er zijn geen meningsverschillen; allen zijn één van hart en één van geest.” (Bliss, pp. 270, 271).

Iemand anders die zich ook bij deze beweging had aangesloten, verklaarde: „Overal leidde deze beweging tot een erg grondig gewetensonderzoek en een zeer oprechte verootmoediging voor God in de hoogste hemelen. Onder invloed van deze beweging maakte men zich los van de dingen van deze wereld, werden geschillen en vijandschappen beëindigd, werden de zonden beleden, verootmoedigde men zich voor God en smeekte Hem berouwvol en met een gebroken hart om vergiffenis van Hem te krijgen en door Hem te worden aangenomen. Dit leidde zoals nooit tevoren tot nederigheid en ootmoed. Zoals de Here bij monde van de profeet Joël had voorzegd wat er zou gebeuren wanneer de ‘grote dag des Heren’ nabij was, leidde het werk ‘tot scheuren van de harten en niet van de klederen’ en bekeerde men zich tot de Here ‘met vasten en met geween en met rouwklacht’. Zoals God bij monde van Zacharia sprak, werd een geest van genade en van gebed over zijn kinderen uitgestort. Zij keken op naar Hem die zij hadden doorstoken en de rouwklacht was groot in het land… zij die naar de komst van Christus uitkeken, verootmoedigden zich voor Hem.” (Bliss, in Advent Shield and Review, vol. 1, p.271).
Van alle grote godsdienstige bewegingen sinds de apostolische tijd is er geen enkele geweest die meer gespaard is gebleven van menselijke onvolmaaktheid en van de listen van Satan als juist die van de herfst van 1844. Zelfs nu nog, nadat er zoveel jaren zijn verstreken, voelen allen die zich bij die beweging hadden aangesloten en standvas­tig zijn blijven staan op de waarheid, de heilige invloed die uitging van dat gezegende werk, en getuigen dat het Gods werk was.

Bij het geroep: „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!”, stonden de wachtenden op en brachten hun lampen in orde. Ze onderzochten Gods Woord met meer belangstelling dan ooit tevoren. Er werden engelen uit de hemel gezonden om degenen die ontmoedigd waren uit hun slaap te wekken en hen voor te bereiden om de boodschap aan te nemen. Het werk was niet gegrondvest op de wijsheid en kennis van mensen, maar op de kracht Gods. Het waren niet de meest begaafden, maar de eenvoudigste en de meest toegewijden die de oproep het eerst hoorden en gehoorzaamden. Boeren lieten hun oogst op het veld staan, ambachtslieden legden hun gereedschap neer en gingen met tranen in de ogen en vol blijdschap de waarschuwingsboodschap verkondigen. Zij die vroeger de leiding hadden, behoorden tot de laatsten die zich bij deze beweging aansloten. Over het algemeen verwierpen de kerken deze boodschap. Velen die haar wel aannamen, verlieten die kerken. In Gods voorzienigheid viel deze verkondiging samen met de boodschap van de tweede engel en zij gaf kracht aan dat werk.

De boodschap, „De Bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!”, was eigenlijk geen onderwerp van discussie, daar het bewijs uit de Schrift duidelijk en afdoend was. Er ging een enorme stuwkracht uit van deze boodschap, die de mensen in beweging bracht. Er was geen twijfel. Er werden geen vragen opgeworpen. Bij Christus’ triomfantelijke intocht in Jeruzalem stroomden de mensen die uit alle delen van het land waren samengekomen om feest te vieren naar de Olijfberg. Naarmate zij zich aansloten bij de schare die Jezus vergezelde, kwamen zij onder de indruk van de gebeurtenissen en droegen er het hunne toe bij om de uitroep „Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren” (Matteüs 21:9) te versterken. Op dezelfde manier voelden de ongelovigen die de bijeenkomsten van de adventisten bijwoonden – sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen alleen om te spotten – de overtuigende kracht die uitging van de boodschap „De Bruidegom, zie, gaat uit Hem tegemoet!”

In die tijd bracht het geloof antwoord op de gebeden en keek men in geloof uit naar de beloning. De Geest van genade daalde op de oprechte gelovigen neer als een regenbui op de dorstige aarde. De gelovigen hoopten dat ze spoedig hun Verlosser zouden zien en dat was voor hen een bron van plechtige, onuitsprekelijke vreugde. De overweldigende kracht van de Heilige Geest vertederde hun hart wanneer zijn zegen rijkelijk werd uitgestort op de getrouwe gelovigen.

De gelovigen die de boodschap hadden aangenomen, leefden ingetogen, wachtend op de dag dat zij hun Heer zouden ontmoeten. Elke morgen wilden zij er in de eerste plaats zeker van zijn dat alles in orde was tussen hen en God. Ze waren innig met elkaar verbonden en baden veel met en voor elkaar. Zij kwamen vaak samen op afgelegen plaatsen om contact te zoeken met God. Uit de velden en bossen stegen hun gebeden op naar de hemel. Zij hadden meer behoefte aan de zekerheid dat God hen had aangenomen dan aan voedsel. Als een wolk hun ziel verduisterde, rustten zij niet voordat die verdreven was. Naarmate zij meer bewijzen van zijn vergevende genade kregen, verlangden zij meer naar Hem die zij zo liefhadden.

Maar ze zouden weer worden teleurgesteld. Het tijdstip waarop ze Christus verwachtten, was verstreken en hun Heiland was niet teruggekomen. Met onwankelbaar vertrouwen hadden zij uitgekeken naar zijn komst en nu hadden zij hetzelfde gevoel als Maria toen zij bij het graf van de Heiland kwam, ontdekte dat het leeg was en snikkend zei: „Zij hebben mijn Here weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben.” (Johannes 20;13).

De vrees dat de boodschap waar zou kunnen zijn, had de ongelovige massa enige tijd kalm gehouden. Nadat de tijd was verstreken, verdween deze invloed niet onmiddellijk. In het begin durfden de mensen niet te juichen over de teleurstelling van de anderen, maar toen Gods toorn uitbleef, waren ze niet meer bang en begonnen ze opnieuw te spotten. Velen die hadden gezegd dat ze in de spoedige wederkomst van Christus geloofden, gaven hun geloof op. Sommige mensen die vol vertrouwen waren geweest, waren zo gekwetst in hun ijdelheid dat ze het liefst uit deze wereld wilden verdwijnen. Zoals Jona beklaagden zij zich over God en verkozen zij de dood boven het leven. Zij die hun geloof op de mening van anderen, in plaats van op Gods Woord hadden gebaseerd, waren nu weer even bereid van gedachte te veranderen. De spotters sleepten de zwakkelingen en de lafaards mee naar hun gelederen en ze verklaarden eenstemmig dat er voortaan geen vrees of hoop meer kon zijn. De tijd was verstreken, Christus was niet teruggekeerd en de wereld zou nu nog duizenden jaren onveranderd blijven bestaan.

De ernstige, oprechte gelovigen hadden alles voor Christus opgeofferd en waren nog nooit zo dicht bij Hem geweest. Zij dachten dat ze de laatste waarschuwing aan de wereld hadden gebracht. Daar zij spoedig bij Christus en de engelen hoopten te zijn, hadden zij bijna geen contact meer met degenen die de boodschap hadden verworpen. Ze hadden vurig gebeden: „Kom, Here Jezus, kom spoedig!” Maar Hij was niet gekomen. Hun geloof en geduld werden erg op de proef gesteld toen ze de zware last van dagelijkse zorgen en moeilijkheden weer op zich moesten nemen en de spot van de wereld moesten verdragen.

Toch was deze teleurstelling niet zo groot als die van Christus’ discipelen. Toen Christus triomfantelijk door Jeruzalem reed, dachten zijn volgelingen dat Hij op het punt stond de troon van David te bestijgen om Israël van zijn verdrukkers te verlossen. Met hooggespannen verwachtingen en blijde hoop probeerden ze elkaar de loef af te steken bij het betonen van eer aan hun Koning. Velen spreidden hun klederen als een tapijt op zijn pad of strooiden de bladerrijke palmtakken voor Hem uit. In hun uitbundige vreugde riepen zij in koor uit: „Hosanna de Zoon van David”. Toen de Farizeeën, die verontrust en geërgerd waren door deze uitbarsting van vreugde, wensten dat Jezus zijn discipelen zou bestraffen, antwoordde Hij: „Ik zeg u, indien dezen zwegen, zouden de stenen roepen.” (Lucas 19:40). De profetie moest in vervulling gaan. De discipelen waren Gods plan aan het uitvoeren en zouden toch een bittere teleurstelling oplopen. Enkele dagen later waren zij getuige van de doodsstrijd van hun Heiland en legden zij Hem in het graf. Hun verwachtingen waren op geen enkel punt in vervulling gegaan en hun hoop stierf met Jezus. Pas toen Christus als Overwinnaar uit het graf was verrezen, beseften zij dat alles door de profetieën was voorzegd: „dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden.” (Handelingen 17:3).

Vijfhonderd jaar daarvoor had God bij monde van Zacharia verklaard: „Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (Zacharia 9:9). Als de discipelen hadden beseft dat Christus op weg was naar zijn veroordeling en zijn dood, hadden ze deze profetie niet in vervulling kunnen laten gaan.
Ook Miller en zijn medewerkers hebben de profetie in vervulling laten gaan en hebben een boodschap verkondigd die op Gods bevel aan de wereld moest worden gebracht. Ze hadden deze boodschap echter niet kunnen verkondigen als ze de profetieën die de teleurstelling voorzegden volledig hadden begrepen en als ze hadden beseft dat er nog een andere boodschap in deze profetieën besloten lag die nog voor Christus’ wederkomst aan alle volken moest worden gebracht. De boodschap van de eerste en de tweede engel zijn op het juiste ogenblik verkondigd en hebben het door God beoogde doel bereikt.

De wereld had toegekeken en verwachtte dat als de tijd voorbij was en Christus niet zou zijn teruggekeerd, er wel vanzelf een einde zou komen aan het adventisme. Het geloof van velen bezweek door de sterke verleiding, maar er waren genoeg anderen die trouw bleven. De resultaten van de Adventbeweging, de geest van nederigheid en gewetensonderzoek, van wereldverzaking en inkeer, die met het werk gepaard gingen bewezen dat het Gods werk was. Zij durfden niet te ontkennen dat de kracht van de Heilige Geest merkbaar was geweest bij de verkondiging van de wederkomst en konden geen vergissing ontdekken in de berekening van de profetische periodes. De knapsten onder hun tegenstanders waren er niet in geslaagd hun profetische interpretatie te weerleggen. Zij wilden hun opvatting dan ook niet zonder bewijzen uit de Bijbel overboord gooien. Deze standpunten waren immers ingenomen door mensen die waren geleid door Gods Geest en waren vervuld door zijn levende kracht na een ernstig onderzoek van de Bijbel in een geest van gebed.
Hun opvattingen hadden de toets van de strengste kritiek en de felste tegenstand van de populaire godsdienstige leiders en van de wijzen van deze wereld doorstaan. Ze hadden stand gehouden ondanks de vereende krachten van geleerdheid en welsprekendheid en hadden de spot van hoog en laag getrotseerd.

Ze hadden zich wel vergist in de gebeurtenis, maar zelfs dat kon hun geloof in God niet aan het wankelen brengen. Toen Jona in de straten van Ninevé verkondigde dat de stad binnen veertig dagen ondersteboven zou worden gekeerd, heeft God de verootmoediging van de Ninevieten aanvaard en de genadetijd verlengd. Toch kwam de boodschap die Jona verkondigde van God en werd Ninevé op de proef gesteld zoals God het wilde. De adventisten geloofden dat God hen op dezelfde wijze had geleid om de boodschap van het oordeel te brengen. Zij zeiden: „Deze boodschap heeft de harten beproefd van allen die haar hebben gehoord en heeft liefde voor de verschijning van de Here opgewekt of heeft een afkeer tegen zijn komst doen ontstaan die tot op zekere hoogte merkbaar is voor de mensen, maar zeker door God gekend is. Ze heeft een scheidingslijn getrokken… zodat zij die aan gewetensonderzoek willen doen, kunnen weten aan welke kant zij zouden hebben gestaan als Christus wel teruggekomen was op dat ogenblik en of zij zouden hebben uitgeroepen: ‘Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten dat Hij ons zou verlossen’ of dat zij tot de bergen en de rotsen zouden hebben gezegd: ‘Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon’. Wij geloven dat God zijn volk op deze manier op de proef heeft gesteld, hun geloof heeft getoetst, hen heeft gelouterd om te zien of zij in de ure van beproeving de plaats die Hij voor hen heeft uitgekozen zouden verlaten en of zij deze wereld zouden willen prijsgeven en een onvoorwaardelijk vertrouwen zouden stellen in het Woord van God.” (The Advent Herald and Signs of the Times Reporter, vol.8, No.14, 13 november 1844).

De gevoelens van de mensen die nog altijd geloofden dat God hen in het verleden had geleid, worden uitgedrukt door de woorden van William Miller: „Als ik opnieuw zou mogen beginnen, zou ik, als ik over dezelfde bewijsgronden beschikte als toen, op dezelfde manier hebben gehandeld als ik eerlijk wilde zijn tegenover God en de mensen.” „Ik hoop dat ik mijn klederen heb gereinigd van het bloed van zielen. Ik denk dat ik alles gedaan heb dat ik kon om vrij te zijn van alle schuld als zij veroordeeld worden”. „Hoewel ik tot tweemaal toe teleurgesteld ben”, schreef deze man Gods, „ben ik niet terneergeslagen of ontmoedigd… Mijn hoop op de wederkomst van Christus is nog even vurig als vroeger. Ik heb alleen gedaan wat ik na jaren van ernstige studie als mijn heilige plicht beschouwde. Als ik gedwaald heb, is het op het gebied van de liefde, de liefde tot mijn medemens, en mijn plichtsbetrachting tegenover God”.
„Een ding weet ik zeker; ik heb alleen gepredikt wat ik zelf geloofde en God is met mij geweest. Zijn kracht is merkbaar geweest in het werk en is er veel goeds tot stand gebracht”. „Voor zover de mens kan oordelen, zijn vele duizenden door de verkondiging van de tijd van de wederkomst de Schrift gaan onderzoeken en hebben zich, dankzij dat middel, door het geloof en het vergoten bloed van Christus met God verzoend.” (Bliss, pp. 256,255,277,280,281).
„Ik heb nooit in de gunst willen staan bij de hoogmoedigen en ben nooit teruggeschrokken wanneer de wereld de wenkbrauwen fronste. Ik zal nooit proberen mijn leven door hun gunst te behouden, noch ervoor terugdeinzen het te verliezen als God het in zijn voorzienigheid zo zou beschikken.” (J. White, Life of Wm. Miller, p. 315).

God had zijn volk niet in de steek gelaten; zijn Geest bleef met degenen die het licht dat ze hadden ontvangen niet op een onbezonnen wijze verwierpen en de Adventbeweging niet de rug toekeerden. In de brief aan de Hebreeën waren er enkele bemoedigende en waarschuwende woorden voor de beproefden en wachtenden in deze crisis: „Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebreeën 10:35-39).

Dat deze vermaning gericht is tot de gemeente van de eindtijd blijkt duidelijk uit de woorden die verwijzen naar de nabijheid van Chris­tus’ komst: „Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.” In deze tekst ligt ook de gedachte besloten dat er een schijnbare vertraging zou zijn en dat het zou schijnen alsof Christus op Zich liet wachten. Wat ons hier geleerd wordt, was bijzonder toepasselijk voor de ervaring van de adventisten in die dagen. De mensen die hier worden toegesproken, liepen het gevaar hun geloof te verliezen. Zij hadden Gods wil gedaan en hadden de leiding van zijn Geest en van zijn Woord gevolgd. Toch konden zij niet begrijpen wat Hij bedoelde en konden ze ook de weg die ze moesten gaan niet zien. Ze waren geneigd te twijfelen of ze wel door God waren geleid. In die tijd waren deze woorden zeer betekenisvol:
„Mijn rechtvaardige zal uit geloof leven.” Toen het heldere licht van „het geroep in de nacht” op hun pad had geschenen en zij hadden gezien hoe de profetieën werden ontzegeld, en hadden gelet op de tekenen die snel in vervulling gingen en aankondigden dat de wederkomst van Christus nabij was, hadden zij als het ware als zienden gewandeld. Maar nu zij ontmoedigd waren omdat hun hoop niet in vervulling was gegaan, konden zij alleen stand houden door het geloof in God en zijn Woord. De spottende wereld zei:
„Jullie zijn misleid. Geef jullie geloof maar op en zeg dat de Adventbeweging het werk van de duivel is.” Gods Woord zei echter: „Maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.” Als ze hun geloof nu opgaven en de kracht van de Heilige Geest, die de boodschap had versterkt, ontkenden, zouden zij hun eigen ondergang tegemoet gaan. Ze werden tot volharding aangespoord door de woorden van Paulus: „Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs” (…) „want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.” Ze waren alleen veilig als ze het licht dat ze van God hadden ontvangen op prijs stelden, als ze bleven rekenen op zijn beloften, de Schrift verder onderzochten, geduldig wachtten en naar meer licht verlangden. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

De tekst van Daniël 8:14, „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”, was zowel de grondslag als de belangrijkste pijler van het adventisme. Iedereen die geloofde in de spoedige wederkomst van Christus kende deze bijbeltekst. Deze profetie was het wachtwoord van duizenden gelovigen. Iedereen was ervan overtuigd dat „de zalige hoop” afhing van de gebeurtenissen die in dit vers worden voorzegd. Het was bewezen dat deze profetische dagen eindigden in de herfst van 1844.

De adventisten geloofden zoals de andere christenen toen ook dat de aarde, of een deel daarvan, het heiligdom was en ze waren van mening dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” betrekking had op de reiniging van de aarde door vuur op de laatste, grote dag, bij Christus’ wederkomst. Door deze gedachtegang waren ze tot de conclusie gekomen dat Christus in 1844 zou terugkeren.

Maar Christus kwam niet terug op het vastgestelde tijdstip. De gelovigen wisten dat Gods Woord onfeilbaar is. Er moest dus iets mis zijn met hun uitleg van de profetie. Maar wat? Velen hadden onmiddellijk een oplossing. Ze beweerden zo maar dat de 2300 avonden en morgens niet in 1844 eindigden. Ze konden daar geen gegronde reden voor geven. Het enige argument dat ze naar voren brachten was dat Christus niet was gekomen op het tijdstip dat men Hem verwachtte. Ze verklaarden dat als de profetische dagen inderdaad in 1844 eindigden, Christus wel teruggekeerd zou zijn om het heiligdom „in rechte staat te herstellen” door de reiniging van de aarde met vuur. Aangezien Hij niet was teruggekeerd, konden de 2300 avonden en morgens dus ook niet geëindigd zijn.

Als men deze conclusie aanvaardde, tornde men ook aan de vroegere berekening van de profetische periodes. Men ging er immers van uit dat de 2300 avonden en morgens begonnen op het ogenblik dat het bevel van Artaxerxes (Artachsasta) om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen van kracht werd, namelijk in de herfst van het jaar 457 v. Chr. Als men dit uitgangspunt aannam, was er een volmaakte harmonie in de interpretatie van alle gebeurtenissen die waren voorzegd in de beschrijving van die periode in Daniël 9:25-27.

Negenenzestig weken, de eerste 483 jaar van de lange periode van 2300 jaren, zouden reiken tot aan de komst van de Messias, de Gezalfde. Christus’ doop en zijn zalving door de Heilige Geest in het jaar 27 na Chr. kloppen volkomen met deze berekening. In de helft van de zeventigste week zou de Gezalfde worden uitgeroeid. Drieëneenhalf jaar na zijn doop, in de lente van het jaar 31 na Chr., werd Christus gekruisigd. De zeventig weken – of 490 jaren – waren in het bijzonder voor de Joden „bepaald”. Bij het verstrijken van deze periode in het jaar 34 na Chr. bezegelde het volk zijn verwerping van Christus door de vervolging van zijn discipelen en richtten de apostelen zich tot de heidenen. Daar de eerste 490 jaar van de 2300 waren verstreken, bleven er nog 1810 jaar over. Als men 1810 telt bij 34 na Chr. komt men in het jaar 1844. De engel had gezegd: „Dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”. Alle voorgaande details van de profetie waren onbetwistbaar op het vastgestelde tijdstip in vervulling gegaan.

Alles klopte volgens deze berekening, behalve dat er in 1844 geen aanwijsbare gebeurtenis was die beantwoordde aan „het in rechte staat herstellen van het heiligdom”. Als men ontkende dat de profetische dagen in dat jaar eindigden, zette men de hele uitleg op de helling en moest men stellingen opgeven die waren bewezen door de onmiskenbare vervulling van de profetie.

Maar God had de leiding van de Adventbeweging in handen. Hij had zijn kracht en heerlijkheid in het werk geopenbaard en zou niet toelaten dat het in duisternis en teleurstelling eindigde of werd gebrandmerkt als een valse, fanatieke rage. Hij zou zijn Woord niet ten prooi laten aan twijfel en onzekerheid. Hoewel velen hun vroegere berekening van de profetische tijdperken lieten vallen en vonden dat een beweging die daarop gebaseerd was het onmogelijk bij het rechte eind kon hebben, waren anderen niet bereid hun geloof en hun ervaringen op te geven, omdat ze volgens hen op de Schrift en op het getuigenis van Gods Geest waren gegrondvest. Zij geloofden dat ze de juiste beginselen hadden gevolgd bij hun onderzoek en uitleg van de profetieën en dat het hun plicht was vast te houden aan de waarheden die zij al hadden gevonden en de Bijbel verder moesten onderzoeken. Na ernstig gebed gingen zij hun standpunten na en onderzochten de Schrift om hun vergissing te ontdekken. Daar zij geen vergissing konden vinden in hun berekening van de profetische periodes, besloten ze het onderwerp van het heiligdom grondiger te onderzoeken.

Bij hun onderzoek kwamen ze tot de vaststelling dat er in de Bijbel geen enkel bewijs te vinden was voor het algemeen aanvaarde standpunt dat de aarde het heiligdom is. Ze vonden in de Bijbel wel een volledige uitleg over het heiligdom, zijn aard, zijn ligging en zijn diensten. De uitspraken van de bijbelschrijvers waren zo duidelijk en zo uitvoerig dat het hele onderwerp boven elke twijfel verheven was. In de brief aan de Hebreeën zegt de apostel Paulus:
„Nu had ook wel het eerste (verbond) bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden” (Hebreeën 9:1-5).

Het heiligdom waarover Paulus hier schrijft, is de tabernakel die op Gods bevel door Mozes werd gebouwd als de woonplaats van de Allerhoogste op aarde. „En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen.” (Exodus 25:8), was de opdracht die aan Mozes werd gegeven toen hij op de berg was met God.
De Israëlieten trokken door de woestijn en de tabernakel werd zo gebouwd dat hij van de ene plaats naar de andere kon worden gedragen. Toch was het een prachtig bouwwerk. De wanden bestonden uit rechtopstaande planken, zwaar met goud overtrokken, met voetstukken van zilver. Het dak bestond uit een aantal tentkleden of dekkleden; de buitenste waren van dierenhuiden en de binnenste van fijn linnen met kunstig geweven cherubs. De tabernakel had een voorhof en twee afdelingen, het heilige en het heilige der heiligen genoemd. Ze waren van elkaar gescheiden door een mooi en duur gordijn, het voorhangsel. De toegang tot het heilige werd ook afgesloten door zo’n voorhangsel.

In het heilige was er aan de zuidkant een kandelaar met zeven armen die het heiligdom zowel overdag als ‘s nachts verlichtte. Aan de noordkant stond de tafel met de toonbroden en voor het voorhangsel dat het heilige van het heilige der heiligen scheidde, stond het gouden reukofferaltaar, vanwaar de wierookwolk met de gebeden van Israël dagelijks naar God opsteeg.
In het heilige der heiligen stond de ark, een kist van kostbaar hout, met goud overtrokken. Daarin lagen de twee stenen tafelen waarop God de wet van de Tien Geboden had geschreven. Op de ark lag het verzoendeksel, een prachtig staaltje van vakmanschap, overdekt door twee cherubs, een aan elk eind en gemaakt van massief goud. In dit deel openbaarde de tegenwoordigheid Gods zich in de wolk der heerlijkheid tussen de cherubs.

Nadat de Hebreeën zich in Kanaän hadden gevestigd, werd de tabernakel vervangen door de tempel van Salomo, waarin dezelfde verhoudingen waren behouden. De tempel was op dezelfde manier ingericht, maar kon niet verplaatst worden en was ook groter. Het heiligdom heeft in deze vorm bestaan tot 70 na Chr., behalve toen het in puin lag in Daniëls tijd. In het jaar 70 werd de tempel door de Romeinen verwoest. Dit is het enige heiligdom dat ooit op aarde heeft bestaan en waarvan de Bijbel gewag maakt. Dit heiligdom noemde Paulus „het heiligdom van het eerste verbond”. Maar is er dan geen heiligdom in het nieuwe verbond?

Toen de gelovigen die „naar de waarheid speurden” de brief aan de Hebreeën nog eens nader onderzochten, ontdekten zij dat er nog een ander heiligdom, „het heiligdom van het nieuwe verbond”, is. Deze waarheid ligt besloten in de hierboven aangehaalde woorden van Paulus: „Nu had ook wel het eerste (verbond) bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld”. Het gebruik van het woord „ook” wijst erop dat Paulus al vroeger over dat heiligdom had gesproken. Toen ze terugkeerden naar het begin van het vorige hoofdstuk lazen zij: „De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.” (Hebreeën 8:1-2).

Deze verzen tonen aan dat er een heiligdom van het nieuwe verbond is. Het heiligdom van het eerste verbond was door de mens opgericht. Het was door Mozes gebouwd. Dat van het nieuwe verbond heeft God opgericht „en niet een mens”. In het eerste heiligdom vervulden menselijke priesters de dienst; in het hemelse heiligdom verricht Christus, onze Hogepriester, de dienst ter rechterzijde van God. Het ene heiligdom was op aarde, het andere is in de hemel.
Voorts was de tabernakel door Mozes gebouwd aan de hand van een voorbeeld. God had hem opgedragen: „Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei.” Mozes had ook het bevel ontvangen: „Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is.” (Exodus 25:9,40).

En Paulus zegt: „Dit (de eerste tabernakel) was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden.” Hij zegt dat zijn heilige plaatsen „afbeeldingen van de hemelse dingen” waren, dat de priesters, die gaven offerden volgens de wet, de dienst verrichtten „bij een afbeelding en schaduw van het hemelse” en dat „Christus niet is binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.” (Hebreeën 9:9, 23; 8:5; 9:24).

Het heiligdom in de hemel, waar Christus de dienst voor ons verricht, is het model van het heiligdom dat Mozes oprichtte. God heeft de bouwmeesters van het aardse heiligdom door zijn Geest geleid. De kunstzin die bij de bouw daarvan aan de dag is gelegd, getuigt van goddelijke wijsheid. De wanden waren als massief goud en weerkaatsten het licht van de gouden zevenarmige kandelaar in alle richtingen. De tafel met de toonbroden en het reukofferaltaar blonken als gepolijst goud. Het prachtige kleed van het dak met kunstig geweven afbeeldingen van cherubs in blauwpurper, roodpurper en scharlaken maakten het geheel nog mooier. En achter het tweede voorhangsel was de heilige wolk der heerlijkheid, waarvoor niemand, behalve de hogepriester, kon komen zonder gedood te worden.

De ongeëvenaarde schoonheid van de tabernakel in de woestijn moest de mens een idee geven van de heerlijkheid van het hemelse heiligdom, waar Christus, die ons is voorgegaan, de dienst voor ons verricht voor Gods genadetroon. Het is de woonplaats van de Koning der koningen, waar „duizendmaal duizenden hem dienen en tienduizend maal tienduizenden vóór hem staan.” (Daniël 7:10).

Dit heiligdom is vervuld van de heerlijkheid van de eeuwige troon. De serafs, zijn schitterende wachters, bedekken hun gezicht in aanbidding. Het mooiste gebouw ooit door mensenhanden gemaakt was maar een zwakke afschaduwing van zijn grootsheid en heerlijkheid. En toch kon men uit het aardse heiligdom en zijn diensten belangrijke lessen leren over het hemelse heiligdom en het belangrijke werk dat daar volbracht wordt voor de verlossing van de mens.

De twee afdelingen van het heiligdom op deze aarde zijn een afbeelding van het heilige en het heilige der heiligen in de hemel. Toen de apostel Johannes in een visioen in de tempel van God in de hemel mocht kijken, zag hij „zeven vurige fakkels branden voor de troon.” (Openbaring 4:5). Hij zag een engel „met een gouden wierookvat bij het altaar staan, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven, met de gebeden van alle heiligen, op het gouden altaar voor de troon.” (Openbaring 8:3). De profeet mocht een blik werpen in het eerste vertrek van het heiligdom in de hemel en zag daar „zeven vurige fakkels” branden en „het gouden altaar”, die in het heiligdom op aarde werden voorgesteld door de kandelaar en het reukaltaar. En weer „ging de tempel open” (Openbaring 11:19). en hij zag door het voorhangsel in het heilige der heiligen. Daar zag hij „de ark van zijn verbond”, die op aarde was afgebeeld door de ark die Mozes had gemaakt voor de twee stenen tafelen.

De gelovigen die dit onderwerp bestudeerden, vonden het onweerlegbare bewijs dat er ook een heiligdom in de hemel is. Mozes had het heiligdom op aarde gemaakt aan de hand van een voorbeeld dat hem getoond was. Paulus verklaart dat dit voorbeeld het ware heiligdom in de hemel is en Johannes zegt dat hij het in de hemel heeft gezien.

In het hemelse heiligdom – Gods woonplaats – is Gods troon gevestigd op gerechtigheid en oordeel. In het heilige der heiligen is zijn wet, de rechtsnorm waarnaar de hele mensheid zal worden geoordeeld. Op de ark met de tafelen der wet ligt het verzoendeksel. Hier pleit Christus met zijn bloed voor de zondaar. Hiermee wordt aangetoond dat rechtvaardigheid en genade in het verlossingsplan samengaan. Deze eenheid kon alleen tot stand komen door de oneindige Wijsheid en de oneindige Kracht en vervult de ganse hemel met bewondering en eerbied. De cherubs van het heiligdom op aarde, die eerbiedig neerblikten op het verzoendeksel, stellen de belangstelling voor waarmee „de hemelse heerscharen” het verlossingswerk volgen. De engelen willen het geheimenis van de genade doorgronden. Ze willen begrijpen hoe God rechtvaardig kan zijn, terwijl Hij tegelijkertijd de zondaar die tot Hem komt vergiffenis schenkt en het contact met de gevallen mensheid herstelt. Ze willen inzicht hebben in de menswording van Christus waardoor talloze mensen van de ondergang worden gered en bekleed worden met het smetteloze kleed van zijn gerechtigheid, zodat ze in contact kunnen treden met engelen die nooit hebben gezondigd en voor eeuwig in Gods tegenwoordigheid zullen zijn.

Het werk van Christus als middelaar voor de mens wordt in de mooie profetie van Zacharia, over Hem „wiens naam is Spruit”, duidelijk gemaakt. De profeet zegt: „Hij zal de tempel des HEREN bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn (Vaders) troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn.” (Zacharia 6:12,13).

„Hij zal de tempel des HEREN bouwen.” Door zijn offer en midde­laarschap is Christus zowel het fundament als de stichter van Gods gemeente. De apostel Paulus noemt Hem „de hoeksteen”. „In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.” (Efeziërs 2:20-22), zegt hij.

„Hij zal met majesteit bekleed zijn”. De eer voor de verlossing van de gevallen mensheid komt Christus toe. In alle eeuwigheid zal het lied van de verlosten zijn: „Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed (…) Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.” (Openbaring 1:5-6).

„[Hij zal] als heerser zitten op zijn [Vaders] troon; en Hij zal priester zijn op zijn troon”. Hij zit nog niet „op de troon van zijn heerlijkheid”, want het Koninkrijk der heerlijkheid is nog niet opgericht. Pas wanneer zijn werk als middelaar is voltooid, zal zijn Vader „Hem de troon van zijn vader David geven”, „en zijn koningschap zal geen einde nemen.” (Lucas 1:32,33). Christus zit nu als priester met de Vader op zijn troon. (Openbaring 3:21).

Op de troon met de Eeuwige, die zijn bestaan in Zichzelf vind, zit Degene, die, „onze ziekten op zich heeft genomen, en onze smarten heeft gedragen”, die „in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen”, die in staat is „hun, die verzocht worden, te hulp te komen.” „En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader.” (Jesaja 53:4; Hebreeën 4:15, 2:18; 1 Johannes 2:1). Hij pleit voor ons met zijn doorstoken en verbrijzeld lichaam en met zijn onberispelijk leven. De doorboorde handen, de doorstoken zijde, de verminkte voeten pleiten voor de gevallen mens, voor wiens verlossing zo’n hoge prijs is betaald.

„Heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn”. De liefde van de Vader, die even groot is als die van de Zoon, is de bron van de verlossing van de verloren mensheid. Voordat Jezus deze aarde verliet, zei Hij aan zijn discipelen: „Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief.” (Johannes 16:26,27). „God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende.” (2 Korintiërs 5:19). In het hemelse heiligdom „zal er heilzaam overleg zijn tussen hen beiden.” „Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” (Johannes 3:16).

Op de vraag: „Wat is het heiligdom? Vinden we in de Schrift een duidelijk antwoord. In de Bijbel wordt de term „heiligdom” in de eerste plaats gebruikt voor de tabernakel die Mozes bouwde als een afbeelding van het heiligdom in de hemel. In de tweede plaats wordt deze term gebruikt voor „de ware tabernakel” in de hemel, waar het heiligdom op aarde naar verwees. Bij de dood van Christus kwam er een eind aan de schaduwdienst. De „ware tabernakel” in de hemel is het heiligdom van het nieuwe verbond.
Aangezien de profetie van Daniël 8:14 in deze bedeling in vervulling is gegaan, moet het heiligdom waar in deze tekst over gesproken wordt het heiligdom van het nieuwe verbond zijn. Aan het einde van de 2300 avonden en morgens in 1844 was er al eeuwenlang geen heiligdom meer op aarde. De profetie „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”, verwees naar het heiligdom in de hemel.

Alle vertalingen die in oude tijden zijn gemaakt van het boek Da­niël geven in plaats van herstellen, reinigen. Zie b.v. de Septuaginta, Theodosius, Hieronymus. Zo ook de King James vertaling. Maar de belangrijkste vraag moet nog worden beantwoord: Wat betekent „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” (Statenvertaling: ‘dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden’)? Dat er zo’n dienst was in het heiligdom op aarde, kunnen wij in het Oude Testament lezen. Maar moet er iets in de hemel gereinigd worden? Het negende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën zegt duidelijk dat zowel het aardse als het hemelse heiligdom moeten worden gereinigd. „En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Noodzakelijk moesten dus hiermede [het bloed van dieren] de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze” (Hebreeën 9:22,23), namelijk het kostbare bloed van Christus.

Zowel in de zinnebeeldige dienst als in de ware dienst moest de reiniging met bloed geschieden; in de dienst hier op aarde met het bloed van dieren; in het heiligdom in de hemel met het bloed van Christus. Paulus geeft de reden waarom deze reiniging met bloed moet geschieden: „zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”. De zonden moeten dus uit het heiligdom worden verwijderd. Maar hoe kunnen er zonden in het heiligdom op aarde of in het hemelse heiligdom zijn? Wij kunnen daar meer inzicht in krijgen als wij de zinnebeeldige dienst bestuderen, want de priesters van het Oude Testament „verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse” (Hebreeën 8:5).

Er waren twee verschillende diensten in het heiligdom op aarde; de priesters verrichtten dagelijks de dienst in het heilige, terwijl de hogepriester eenmaal per jaar een bijzondere verzoening tot stand bracht door zijn dienst in het heilige der heiligen om het heiligdom te reinigen, Dag na dag brachten berouwvolle zondaren hun offers naar de ingang van de tabernakel, legden hun handen op de kop van het offerdier, beleden hun zonden en brachten zinnebeeldig hun eigen zonden over op het onschuldige offerdier. Daarna werd het dier geslacht. De apostel Paulus zegt: „zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”. „Want de ziel van het vlees is in het bloed.” (Leviticus 17:11).
De wet van God die overtreden was, eiste dat de zondaar moest sterven. Het bloed stelde het verbeurde leven van de zondaar voor. Zijn schuld werd door het offerdier gedragen. Het bloed werd door de priester in het heilige gebracht en voor het voorhangsel gesprenkeld. Achter dit voorhangsel was de ark met de wet, die de zondaar had overtreden. Door deze handeling werd de zonde, door het bloed, zinnebeeldig naar het heiligdom overgebracht. In sommige gevallen werd het bloed niet naar het heilige overgebracht, maar moest het vlees door de priester worden gegeten, zoals Mozes aan de zonen van Aäron had bevolen: „Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen” (Leviticus 10:17). Beide handelingen stelden de overdracht van de zonde – van de zondaar naar het heiligdom – zinnebeeldig voor.

Dit werk vond dag in, dag uit het hele jaar door plaats. Zo werden de zonden van Israël naar het heiligdom overgebracht en moest er een speciale dienst zijn om al deze zonden uit het heiligdom weg te doen. God had het bevel gegeven dat er voor elk van de twee afdelingen verzoening moest worden gedaan. „Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden”. Er moest ook verzoening worden gedaan voor het altaar om het „te reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten” (Leviticus 16:16,19).

Eenmaal per jaar, op de Grote Verzoendag, ging de hogepriester in het heilige der heiligen om het heiligdom te reinigen. De dienst die dan werd verricht, sloot de jaarlijkse cyclus van de bediening af. Op de Grote Verzoendag werden er twee bokken aan de ingang van de tabernakel gebracht en werd het lot over hen geworpen; „een lot voor de HERE, en een lot voor Azazel” (vers 8). De bok waarop „het lot voor de HERE” viel, moest als zondoffer voor het volk worden geslacht. De hogepriester moest zijn bloed in het heilige der heiligen brengen, het op en voor het verzoendeksel sprenkelen. Het bloed moest ook op het reukofferaltaar, dat voor het voorhangsel stond, worden gesprenkeld.

„En Aäron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land.” (vers 21,22). De zondebok kwam niet terug in de legerplaats van de Israëlieten en de man die hem had weggebracht moest zichzelf en zijn kleren met water wassen voordat hij naar de legerplaats terugkeerde.

Deze inzetting moest de Israëlieten een idee geven van Gods heiligheid en van zijn afkeer van de zonde. Ze moesten leren dat ze niet met de zonde in aanraking konden komen zonder zich te verontreinigen. Iedereen moest zich verootmoedigen terwijl het verzoeningswerk plaatsvond. De Israëlieten mochten niet werken en moesten de dag doorbrengen in plechtige verootmoediging voor God, met gebed, vasten en een grondig gewetensonderzoek.
De zinnebeeldige dienst leert ons belangrijke waarheden over de verzoening. Er was een plaatsvervanger voor de zondaar, maar de zonde werd niet uitgedelgd door het bloed van het zondoffer. Er was voorzien in een middel om de zonde naar het heiligdom over te brengen. Door het offeren van bloed erkende de zondaar het gezag van de wet, beleed hij zijn schuld in het overtreden en drukte hij zijn verlangen uit om vergiffenis te krijgen op grond van zijn geloof in een Verlosser die nog moest komen. Maar hij was nog niet volkomen vrijgesteld van de veroordeling door de wet. Op de Grote Verzoendag ging de hogepriester nadat hij het offer van de vergadering had aangenomen in het heilige der heiligen met het bloed van het offerdier en sprenkelde het op het verzoendeksel, dat vlak boven de wet lag, om de eisen die de wet stelt, genoeg te doen. Daarna nam hij als midde­laar de zonden op zich en droeg ze uit het heiligdom. Hij plaatste zijn handen op de kop van de zondebok, beleed al deze zonden over het dier en bracht door die handeling de zonden van hemzelf op de zondebok over. De bok nam de zonden mee naar de woestijn en pas dan waren ze voor altijd verwijderd.

Dat waren de diensten die werden verricht „als een afbeelding van de hemelse dingen”. Wat zinnebeeldig geschiedde bij de diensten in het heiligdom op aarde, gebeurt in werkelijkheid bij de dienst in het hemelse heiligdom. Na zijn hemelvaart begon Christus zijn werk als onze Hogepriester. Paulus zegt: „Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.” (Hebreeën 9:24).

De dagelijkse dienst van de priester in de eerste afdeling van het heiligdom „binnen het voorhangsel”, dat de ingang vormde tot het heilige, en het heilige scheidde van de voorhof, stelt de dienst voor die Christus na zijn hemelvaart op zich nam. De priester op aarde moest elke dag het bloed van het zondoffer voor God brengen. Dit deed hij ook met het reukwerk, dat met de gebeden van Israël opsteeg. Zo pleitte Christus ook met zijn bloed bij de Vader in het belang van de zondaren en bracht Hij de gebeden van de berouwvolle gelovigen met het fijne reukwerk van zijn gerechtigheid voor de Vader. Dit was de dienst in de eerste afdeling van het heiligdom in de hemel.

Zijn discipelen volgden Hem in het geloof tot in het hemelse heiligdom toen Hij door een wolk aan hun ogen werd onttrokken. Daarop hadden zij hun hoop gevestigd, zoals Paulus zegt: „Haar (de hoop) hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan (…), hogepriester geworden in eeuwigheid”. „En dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf” (Hebreeën 6:19,20; 9:12).

Achttien eeuwen lang vond deze dienst in het eerste deel van het heiligdom plaats. Het bloed van Christus pleitte voor de berouwvolle gelovigen. Door zijn bemiddeling werden hun zonden vergeven en werden zij door de Vader aangenomen. Toch bleven hun zonden in de boeken opgetekend. Net zoals er in de zinnebeeldige dienst „verzoening moest worden gedaan” op het einde van een jaar, moet er voor Christus’ werk tot verlossing van de mens wordt afgesloten, ook verzoening worden gedaan om de zonden uit het heiligdom in de hemel te verwijderen. Deze dienst begon aan het einde van de 2300 avonden en morgens. Toen ging onze Hogepriester zoals de profeet Daniël had voorzegd het heilige der heiligen binnen om het laatste gedeelte van zijn plechtige taak – „het reinigen van het heiligdom” – te vervullen.

Zoals de zonden van het volk vroeger op het zondoffer werden overgedragen en door zijn bloed zinnebeeldig naar het heiligdom op aarde werden overgebracht, worden de zonden van de gelovigen die hun schuld belijden op Christus overgedragen en naar het heiligdom in de hemel overgebracht. Zoals de zinnebeeldige reiniging van het heiligdom op aarde plaatsvond door het wegdoen van de zonden die het verontreinigden, wordt het hemelse heiligdom gereinigd door het wegdoen of uitdelgen, van de zonden die daar zijn opgetekend. Maar voordat dit kan gebeuren, moeten de boeken waarin de zonden zijn opgetekend, worden onderzocht om uit te maken wie door berouw over zijn zonden en door het geloof in Christus in aanmerking komt voor de weldaden van Christus’ verzoening. Het reinigen van het heiligdom in de hemel impliceert een werk van onderzoek, een werk van oordeel. Dit werk moet worden gedaan voordat Christus terugkomt om zijn volk te verlossen, want wanneer Hij terugkeert, heeft Hij zijn loon bij Zich „om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is.” (Openbaring 22:12).
Toen begrepen de gelovigen die het profetische woord onderzochten dat Christus in 1844, aan het einde van de 2300 avonden en morgens, niet naar de aarde was gekomen, maar het heilige der heiligen was binnengegaan om zijn verzoeningswerk af te sluiten voordat Hij terugkomt.

Zij zagen ook in dat het zondoffer Christus symboliseerde, als offer dat de hogepriester Christus als middelaar voorstelde en dat de zondebok een beeld was van Satan, de aanstichter van de zonde, op wie de zonden van de oprechte boetvaardigen uiteindelijk zullen worden gelegd. Wanneer de hogepriester door het bloed van het zondoffer de zonden uit het heiligdom verwijderde, plaatste hij ze op de zondebok.
Wanneer Christus door zijn eigen bloed de zonden van zijn volk uit het hemelse heiligdom wegdoet, aan het einde van zijn dienstwerk zal Hij ze leggen op Satan, die bij de voltrekking van het vonnis de straf zal moeten dragen. De zondebok werd naar „een onvruchtbaar land” weggestuurd en mocht nooit meer terugkeren in de legerplaats van de Israëlieten. Op dezelfde wijze zal Satan voor eeuwig worden verbannen uit de tegenwoordigheid van God en zijn volk en zal hij ophouden te bestaan bij de definitieve vernietiging van de zonde en van de zondaren. (“Het Grote Conflict” E.G.White)

Het onderwerp van het heiligdom gaf de verklaring voor de teleurstelling van 1844. Het toonde de harmonieuze samenhang van de waarheid in haar diverse aspecten, leverde het bewijs dat de Adventbeweging door God werd geleid, onderstreepte de belangrijke opdracht voor onze tijd en bracht de juiste plaats en aard van het werk van Gods volk aan het licht. De gelovigen die Christus’ wederkomst „met grote macht en heerlijkheid” hadden verwacht, waren even blij als de discipelen van Jezus toen ze Hem na die vreselijke nacht van angst en teleurstelling terugzagen. Ze hadden gedacht dat Hij in heerlijkheid zou verschijnen om zijn volgelingen te belonen.
Door hun teleurstelling hadden ze Jezus enige tijd uit het oog verloren en hadden zoals Maria aan het graf, geroepen: „Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd”. Maar ze vonden Hem terug in het heilige der heiligen als hun Hogepriester, die met hen kon „meevoelen” en spoedig als hun Koning en Verlosser zou terugkomen. Het licht uit het heiligdom verlichtte verleden, heden en toekomst. Ze wisten dat God hen in zijn onfeilbare voorzienigheid had geleid. Hoewel zij net zoals de eerste discipelen de boodschap die ze verkondigden aanvankelijk niet hadden begrepen, was de boodschap zelf helemaal juist geweest. Ze hadden door hun verkondiging Gods plan ten uitvoer gebracht en hun werk voor Christus was niet tevergeefs geweest. Ze waren „wedergeboren tot een levende hoop” en „verheugden zich met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.”

Zowel de profetie van Daniël 8:14, „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”, als de boodschap van de eerste engel, „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen”, hadden betrekking op de dienst van Christus in het heilige der heiligen en op het onderzoekend oordeel – en niet op de wederkomst van Christus om zijn volk te verlossen en de ongelovigen te vernietigen. De vergissing lag dus niet in de berekening van de profetische periodes, maar in de gebeurtenis die zich zou voordoen aan het einde van de 2300 avonden en morgens. Door deze vergissing waren de gelovigen teleurgesteld, maar alles wat de profetie had voorzegd en alles wat ze volgens de Schrift mochten verwachtten, was in vervulling gegaan. Elke keer dat ze bedroefd waren omdat hun verwachtingen niet waren uitgekomen had de gebeurtenis die door de boodschap was voorzegd en zich moest vervullen voordat Christus kon terugkomen om zijn volgelingen te belonen zich wel degelijk voorgedaan.

Christus was niet naar de aarde teruggekeerd zoals zij hadden verwacht, maar was binnengegaan in het heilige der heiligen van Gods tempel in de hemel, zoals zinnebeeldig voorafgeschaduwd was. Hij wordt door de profeet Daniël voorgesteld als degene die zich op dat ogenblik naar de Oude van dagen begaf: „Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon”. Hij kwam niet naar de aarde, want „Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze” (Daniël 7:13).

Dit „komen” was ook door de profeet Maleachi voorzegd: „Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de HERE der heerscharen” (Maleachi 3:1). „Het komen van de Here tot zijn tempel” was plotseling gebeurd en zijn volgelingen hadden dat niet verwacht. Zij hadden Hem niet dáár verwacht. Zij hadden gedacht dat Hij naar de aarde zou terugkeren „in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen” (2 Tessalonicenzen 1:8).

Maar Gods volk was nog niet gereed om Christus te ontmoeten. Ze moesten zich nog voorbereiden en nog meer licht ontvangen, waardoor hun blik op Gods tempel in de hemel zou worden gericht. Wanneer zij in geloof hun Hogepriester in zijn dienst zouden volgen, zouden zij zien wat ze nog moesten doen. Er moest nog een waarschuwingsboodschap aan de gemeente worden gebracht.

De profeet zegt: „Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen” (Maleachi 3:2,3). De gelovigen die op aarde zullen leven wanneer er een einde komt aan het verzoenend werk van Christus in het hemelse heiligdom zullen zonder middelaar voor een heilige God staan. Hun kleren moeten vlekkeloos zijn en hun karakter moet door het bloed der besprenkeling van zonde zijn gereinigd. Door Gods genade en hun eigen inspanning moeten zij overwinnaars zijn in de strijd tegen het kwaad. Terwijl het onderzoekend oordeel in de hemel plaatsvindt en de zonden van de gelovigen die berouw hebben getoond uit het heiligdom worden verwijderd, moet er een bijzonder reinigingswerk, een afleggen van zonden onder Gods volk op aarde plaatsvinden. Dit werk wordt in Openbaring 14 duidelijker uiteengezet.

Wanneer dit werk volbracht zal zijn, zullen de volgelingen van Christus gereed zijn voor Zijn komst. „Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de HERE aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren” (Maleachi 3:4). Dan zal de gemeente die onze Here bij zijn komst „voor Zich zal plaatsen” een gemeente zijn „zonder vlek of rimpel of iets dergelijks” (Efeziërs 5:27).
Dan zal „zij opgaan als de dageraad, schoon zijn als de blanke maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als krijgsscharen” (Hooglied 6:10).
Maleachi voorzegde niet alleen dat de Here „naar zijn tempel zou komen”, maar kondigde ook eeuwen van tevoren zijn wederkomst om het vonnis te voltrekken aan: „Ik zal tot u ten gerichte naderen; Ik zal een snelle aanklager zijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, we­duwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de HERE der heerscharen” (Maleachi 3:5). Judas verwijst naar dezelfde gebeurtenis wanneer Hij zegt: „Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken” (Judas 14.15). De wederkomst en „het komen van de Here tot zijn tempel” zijn twee verschillende gebeurtenissen.

De „komst van Christus tot het heilige der heiligen” als onze Hogepriester om „het heiligdom in rechte staat te herstellen” (Daniël 8:14), de komst van de mensenzoon tot de Oude van dagen (Daniël 7:13) en „de komst van de Here tot zijn tempel”, door Maleachi voorzegd, zijn drie beschrijvingen van dezelfde gebeurtenis. Deze gebeurtenis wordt trouwens ook beschreven door de komst van de bruidegom op het bruiloftsfeest in de gelijkenis van de tien maagden. (Matteüs 25).

In de zomer en herfst van 1844 werd de boodschap: „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” verkondigd. Toen ontstonden de twee groepen, voorgesteld door de wijze en de dwaze maagden; de ene groep keek met blijdschap uit naar de verschijning van Christus en had zich ijverig voorbereid om Hem te ontmoeten; de andere groep die door angst werd gedreven en impulsief handelde, was al tevreden met de kennis van de waarheid, maar had Gods genade niet ontvangen. In de gelijkenis lezen wij dat toen de bruidegom verscheen zij „die gereed waren, met hem de bruiloftszaal binnen gingen”.
De komst van de bruidegom waar het hier over gaat, vond plaats voor het huwelijk. De bruiloft stelt het aanvaarden van het Koninkrijk door Christus voor. De heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van dat Koninkrijk, wordt „de bruid, de vrouw des Lams” genoemd. De engel zei tot Johannes: „Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op de een grote hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God” (Openbaring 21:9,10). Het is dus duidelijk dat de bruid de Heilige Stad voorstelt en dat de maagden die de bruidegom tegemoet gaan een symbool zijn van de gemeente. In de Openbaring lezen wij dat Gods volk genodigd is tot „het bruiloftsmaal des Lams” (Openbaring 19:9).
Als ze genodigden zijn, kunnen ze niet tegelijkertijd de bruid voorstellen. De profeet Daniël zegt dat Christus „heerschappij en eer en koninklijke macht” van de Oude van dagen zal ontvangen. Hij zal het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van zijn Koninkrijk, „getooid als een bruid, die voor haar man versierd is”, ontvangen. (Daniël 7:14; Openbaring 21:2). Als Hij het Koninkrijk heeft aanvaard, zal Hij in heerlijkheid terugkomen als Koning der koningen en Here der heren, voor de verlossing van zijn volk „en zij zullen aanliggen met Abraham en Isaäk en Jakob in het Koninkrijk der hemelen” (Matteüs 8:11; Lucas 22:30) om deel te hebben aan het bruiloftsmaal van het Lam.

De verkondiging van de boodschap „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” in de zomer van 1844 wekte bij duizenden de verwachting dat Christus onmiddellijk zou terugkomen. Op het vastgestelde ogenblik kwam de Bruidegom niet naar deze aarde zoals men had verwacht, maar begaf Hij zich naar de Oude van dagen in de hemel: Hij kwam op de bruiloft om zijn Koninkrijk te aanvaarden. „En die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten”. Zij waren niet persoonlijk aanwezig op het huwelijk, aangezien het plaatsvond in de hemel, terwijl zij op aarde waren.
De volgelingen van Christus moeten zijn „gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.” (Lucas 12:36). Maar zij moeten Zijn werk begrijpen en moeten Hem in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt. In die zin moeten wij „het binnengaan in de bruiloftszaal” interpreteren.

In de gelijkenis gingen de maagden die olie in hun kruiken hadden meegenomen met hun lampen in de bruiloftszaal. Zij die behalve de kennis van de waarheid uit de Schrift ook de Geest en de genade Gods hadden ontvangen en in de nacht van hun bittere beproeving geduldig hadden gewacht en de Bijbel hadden onderzocht om meer licht te ontvangen, kregen inzicht in de waarheid over het hemelse heiligdom en in de wijziging in het dienstwerk van Christus. In geloof volgden zij Hem in zijn werk in het hemelse heiligdom. Allen die op grond van de Schrift dezelfde waarheid aannemen en Christus in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt om zijn verzoeningswerk af te sluiten om daarna het Koninkrijk te ontvangen, worden voorgesteld door de maagden die de bruiloftszaal binnengaan.

In de gelijkenis van Mattheüs 22 wordt hetzelfde beeld van de bruiloft gebruikt en wordt duidelijk gezegd dat het onderzoekend oordeel vóór de bruiloft plaatsvindt. Voor de bruiloft komt de koning binnen om na te gaan of alle genodigden het bruiloftskleed – het smetteloze kleed van het karakter, gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams (Matteüs 22:11; Openbaring 7:14) – aan hebben.
Iedereen die gewogen en te licht bevonden is, wordt buitengeworpen, maar allen die bij het onderzoek hun bruiloftskleed aan hebben, worden door God aangenomen en waardig geacht tot zijn Koninkrijk te behoren en op zijn troon te zitten. Dit karakteronderzoek, dat moet uitmaken wie gereed is om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, is het onderzoekend oordeel, dat de dienst in het hemelse heiligdom afsluit.
Wanneer het onderzoekend oordeel ten einde is en het leven van allen die zich in de loop der eeuwen volgelingen van Christus hebben genoemd, is onderzocht en wanneer er een beslissing is gevallen, dan en niet eerder, zal er een einde komen aan de genadetijd en zal de deur der genade worden gesloten. Een korte zin, „En die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten”, beschrijft de tijd van het laatste optreden van Christus als onze middelaar en het ogenblik dat het verlossingswerk ten behoeve van de mens zal zijn voltooid.

Bij de dienst in het heiligdom op aarde, dat dus een afbeelding was van het hemelse, kwam er een eind aan de diensten in het eerste deel wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag in het heilige der heiligen binnenging. God had uitdrukkelijk gezegd: „Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt” (Leviticus 16:17).
Toen Christus dus het heilige der heiligen binnenging om het verzoeningswerk af te sluiten, kwam er ook een eind aan zijn dienst in de eerste afdeling, maar op het ogenblik dat er een eind was gekomen aan de dienst in het heilige, begon zijn dienst in het heilige der heiligen. Wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag het heilige verliet, kwam hij met het bloed van het zondoffer voor God ten behoeve van alle Israëlieten die oprecht berouw hadden over hun zonden. Christus had dus pas een deel van zijn hogepriesterlijk werk gedaan en begon aan het tweede deel. Ook toen bleef Hij met zijn bloed pleiten voor de Vader ten behoeve van zondaren.

De adventisten hebben dit onderwerp in 1844 niet begrepen. Toen het tijdstip waarop ze Christus verwachtten voorbij was, dachten ze nog altijd dat zijn komst nabij was en dat ze op een beslissend keerpunt waren gekomen. Ze waren ervan overtuigd dat het hogepriesterlijk werk van Christus achter de rug was. Ze waren van mening dat de Bijbel leert dat de genadetijd enige tijd voor de eigenlijke komst van Christus op de wolken afloopt. Ze waren tot deze conclusie gekomen op grond van de teksten die voorzeggen dat de mensen eens naar de deur der genade zullen zoeken, erop zullen kloppen en roepen, maar tot hun ontzetting zullen ontdekken dat de deur gesloten blijft.
Ze vroegen zich af of de dag waarop zij de wederkomst van Christus hadden verwacht niet het begin was van deze tijd, die onmiddellijk aan Christus’ wederkomst moest voorafgaan. Ze hadden hun oordeelsboodschap gebracht en vonden dat ze daarmee hun plicht hadden gedaan. Ze voelden dan ook niet de minste neiging om nog iets te doen voor de redding van zielen. Daar kwam nog bij dat de openlijke hemeltergende spot van de ongelovigen volgens hen het zoveelste bewijs was dat Gods Geest was teruggetrokken van degenen die zijn genade hadden verworpen. Al deze elementen sterkten hen in de overtuiging dat de genadetijd ten einde was en dat „de deur der genade gesloten was”, zoals zij het toen uitdrukten.

Maar toen zij het onderwerp van het heiligdom bestudeerden, begonnen ze alles beter te begrijpen. Ze zagen toen in dat ze terecht geloofden dat het einde van de 2300 avonden en morgens in 1844 een belangrijk keerpunt was. De deur van hoop en genade, waardoor men achttienhonderd jaar lang tot God kon gaan, was inderdaad gesloten, maar er was een andere deur geopend. Men kreeg vergiffenis door het bemiddelingswerk van Christus in het heilige der heiligen. Een deel van zijn werk was nu afgesloten en Hij was aan een ander deel begonnen. Er was nog altijd een ,,open deur” naar het hemelse heiligdom, waar Christus zijn hogepriesterlijk werk verrichtte ten behoeve van de zondaar.

Nu begreep men de betekenis van Christus’ woorden in de Openbaring. Het waren woorden die juist bestemd waren voor de gemeente van deze tijd: „Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent. Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten.” (Openbaring 3:7,8).

Wie door het geloof Jezus volgt in Zijn verzoeningswerk zal de weldaden van Christus’ bemiddeling ontvangen, maar wie het licht dat inzicht verschaft in dit werk van de hand wijst, zal niets ontvangen. De Joden, die het licht verwierpen dat God hun schonk bij Christus’ eerste komst en ook weigerden Hem als Verlosser der wereld aan te nemen, konden geen vergiffenis krijgen door Christus.
Toen Jezus na zijn hemelvaart met zijn eigen bloed in het hemelse heiligdom ging om de zegeningen van zijn bemiddeling op de discipelen uit te storten, werden de Joden in volslagen duisternis gelaten en bleven ze hun nutteloze offers brengen. Er was een eind gekomen aan de schaduwdienst. De deur waardoor de mensen vroeger tot God konden komen, was niet meer open.
De Joden wilden niet tot Hem komen op de enige manier die toen mogelijk was; door zijn hogepriesterlijk werk in het hemelse heiligdom. Daarom hadden zij geen contact met God. De deur was voor hen gesloten. Ze wisten niet dat Christus het ware zondoffer en de enige middelaar was. Daarom konden ze de zegeningen van zijn voorspraak onmogelijk ontvangen. De toestand van de ongelovige Joden lijkt erg veel op die van de onverschillige en ongelovige christenen; ze willen opzettelijk niets weten van het werk van onze barmhartige Hogepriester. Bij de oudtestamentische heiligdomsdienst moesten alle Israëlieten samenkomen rond het heiligdom en „zich op de meest plechtige wijze voor God verootmoedigen” wanneer de hogepriester het heilige der heiligen binnenging, opdat ze vergiffenis zouden krijgen en opdat ze niet zouden worden uitgesloten. Het is in deze tijd, de tijd van het tegenbeeld van de Grote Verzoendag op aarde, dan ook des te belangrijker dat wij het werk van onze Hogepriester begrijpen en weten welke verplichtingen er op ons rusten.

De mens kan de waarschuwingen die God hem in zijn genade zendt niet ongestraft verwerpen. In de tijd van Noach werd er een boodschap uit de hemel naar de aarde gezonden. De redding van de mensen hing af van de manier waarop zij op die boodschap reageerden. Toen ze die waarschuwingsboodschap hadden verworpen, werd Gods Geest van hen weggenomen en verdronken ze in het water van de zondvloed. In de tijd van Abraham wilde God niet langer pleiten met de schuldige inwoners van Sodom, en allen – met uitzondering van Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters – werden verteerd door het vuur dat uit de hemel kwam. Zo was het ook in de tijd van Christus.
Gods Zoon sprak tot de ongelovige Joden van zijn tijd: „Zie uw huis wordt aan u overgelaten.” (Mattheüs 23:38). Dezelfde oneindige Macht zei met betrekking tot degenen die in de eindtijd zouden leven en „de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben”: „Daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.” (2 Tessalonicenzen 2:10-12). Wanneer ze de leer van zijn Woord verwerpen, trekt Hij zijn Geest terug en geeft hen over aan de dwalingen die zij liefhebben.

Maar Christus bemiddelt nog altijd tussen God en de mensen en zij die zoeken zullen licht ontvangen. Hoewel de adventisten dit in het begin niet begrepen, werd het hun later duidelijk toen ze de teksten die hun ware toestand beschreven begonnen te begrijpen.

Toen het vastgestelde tijdstip in 1844 was verstreken, werden degenen die het Adventgeloof hadden behouden zwaar op de proef gesteld. Hun enige troost in die moeilijke tijd was het licht dat hun aandacht vestigde op het heiligdom in de hemel. Sommigen geloofden niet meer in de vroegere berekening van de profetische tijdperken en schreven de machtige invloed van de Heilige Geest, die zich in de Adventbeweging had geopenbaard, toe aan menselijke of satanische werking. Een andere groep bleef geloven dat God hen in het verleden had geleid.

Terwijl ze wachtten, waakten en baden om Gods wil te leren kennen, zagen ze dat hun Hogepriester aan een andere dienst was begonnen. Ze verdiepten zich in dit onderwerp en kregen ook meer inzicht in het afsluitingswerk van de gemeente. Ze begonnen de boodschap van de eerste en tweede engel beter te begrijpen en waren bereid de plechtige waarschuwingsboodschap van de derde engel van Openbaring 14 voor zichzelf aan te nemen en haar ook aan de wereld te brengen.

„En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel.” (Openbaring 11:19). De ark van Gods verbond staat in het heilige der heiligen, de tweede afdeling van het heiligdom. Bij de dienst in het heiligdom op aarde, dat „een afbeelding van de hemelse dingen” was, werd dit tweede deel alleen op de Grote Verzoendag geopend om het heiligdom te „reinigen”.

De aankondiging dat de tempel Gods open ging en de ark van zijn verbond zichtbaar werd, wijst dus op het opengaan van het heilige der heiligen in de hemel in 1844, toen Christus daar binnenging om het verzoeningswerk af te sluiten. De gelovigen die hun Hogepriester volgden toen Hij zijn dienst in het heilige der heiligen aanving, zagen de ark van zijn verbond. Nadat zij zich in het onderwerp van het heiligdom hadden verdiept, kwamen ze tot het inzicht dat Christus met een andere dienst was begonnen. Ze zagen Hem voor Gods ark waar Hij met zijn eigen bloed pleitte voor zondaren.

In de ark van de tabernakel op aarde waren er twee stenen tafelen waarop de geboden van Gods wet waren geschreven. De ark was slechts een bewaarplaats voor de tafelen der wet en ontleende zijn waarde en heiligheid aan de aanwezigheid van Gods geboden. Toen de tempel Gods in de hemel open ging, werd de ark van zijn verbond zichtbaar. In het heilige der heiligen van het hemelse heiligdom wordt Gods wet, die door God zelf op de Sinaï werd uitgesproken bij donderslagen en bliksemstralen en met zijn eigen vinger in de stenen tafelen werd gegrift, ook in een ark bewaard.

De wet in de tempel Gods is het model, en de geboden die in de stenen tafelen zijn gegrift en door Mozes in zijn vijf boeken zijn opgetekend, zijn een authentiek afschrift. Zij die dit belangrijk punt begrepen, kwamen tot het inzicht dat Gods wet heilig en onveranderlijk is. Zij begrepen de betekenis van Christus’ woorden beter dan ooit tevoren: „Voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet” (Matteüs 5:18).
Daar Gods wet een openbaring is van zijn wil en de uitdrukking van zijn karakter, moet zij eeuwig blijven bestaan „als een getrouwe getuige in de hemel”. Geen enkel gebod is ingetrokken, geen jota of tittel is veranderd. De dichter van de psalmen zegt: „Voor eeuwig, o HERE, houdt uw woord stand in de hemelen”. „Betrouwbaar zijn al zijn bevelen, vastgesteld voor immer en altoos” (Psalm 119:89; 111:7,8).

Het vierde gebod is het hart van de Tien Geboden: „Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die” (Exodus 20:8-11).

Gods Geest beïnvloedde degenen die zijn Woord onderzochten. Ze kwamen tot de vaststelling dat zij dit gebod hadden overtreden zonder dat ze het hadden beseft, omdat ze de rustdag die de Schepper had ingesteld niet heiligden. Ze gingen na waarom men eigenlijk de eerste dag van de week vierde in plaats van de dag die God had geheiligd. In de Bijbel konden ze geen enkel bewijs vinden voor de afschaffing van het vierde gebod of voor de verandering van de sabbat. De zegen die in den beginne aan de zevende dag was verbonden, was nooit ingetrokken.

Ze hadden er oprecht naar gestreefd Gods wil te leren kennen en probeerden er ook naar te leven. Daarom hadden ze er spijt van toen het tot hen doordrong dat zij Gods wet hadden overtreden. Door de heiliging van Gods sabbat bewezen ze dat ze Hem trouw waren.
Men deed van alles om hun geloof te schokken. Iedereen begreep natuurlijk dat als het heiligdom op aarde een afbeelding was van het heiligdom in de hemel, de wet in de ark van het heiligdom op aarde ook een getrouw afschrift van de wet in de ark in de hemel moest zijn.

Als men geloofde dat er een heiligdom in de hemel is, moest men ook de eisen van Gods wet en de heiliging van de sabbat van het vierde gebod erkennen. Dit verklaart waarom men zo fel gekant was tegen de systematische uitleg van de Schrift, die het hogepriesterlijk werk van Christus in het hemelse heiligdom duidelijk aantoonde. De mensen probeerden de deur te sluiten die God had geopend en ze wilden de deur openen die Hij had gesloten. Maar „Hij die opent en niemand zal sluiten, en (…) sluit en niemand opent” had gezegd: „Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten” (Openbaring 3:7,8).

Christus had „de deur”, of de dienst in het heilige der heiligen, geopend. Dankzij het licht dat door die geopende deur van het heiligdom in de hemel scheen, ontdekte men dat het vierde gebod een onderdeel is van de wet die in het heiligdom wordt bewaard. Wat God had ingesteld kon door geen mens worden afgeschaft.

De gelovigen die het verzoeningswerk van Christus en de onveranderlijkheid van Gods wet hadden aangenomen, kwamen tot de vaststelling dat dit dezelfde punten waren die ook in Openbaring 14 voorkomen. In dit hoofdstuk gaf God een drievoudige waarschuwing (Zie Aanhangsel onder ‘Een drievoudige Boodschap’) om de mensen op Christus’ wederkomst voor te bereiden.
De uitspraak: „De ure van zijn oordeel is gekomen” wijst op de afsluiting van Christus’ verzoeningswerk voor de verlossing van de mens. Deze waarheid moet tot het einde van Christus’ middelaarschap en zijn terugkeer worden verkondigd. Het onderzoekend oordeel dat in 1844 begon, gaat door tot er een beslissing is gevallen over het lot van allen, zowel de levenden als de doden. Daarom zal het tot het einde van de genadetijd worden voortgezet. De boodschap moet de mensen voorbereiden op het oordeel en waarschuwt hen daarom: „Vreest God en geeft Hem eer (…) en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde, en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft.”
Het gevolg van de aanvaarding van deze boodschappen wordt uitgedrukt door de woorden: „Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren”. Willen de mensen gereed zijn voor het oordeel, dan moeten ze Gods wet onderhouden. Die wet zal in het oordeel de maatstaf voor het karakter zijn. De apostel Paulus zegt: „Allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden… ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus”. En hij zegt ook: „De daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (Romeinen 2:12-16). Geloof is een noodzakelijke vereiste om Gods wet te onderhouden, want „zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn”. „En al wat niet uit geloof is, is zonde” (Hebreeën 11:6; Romeinen 14:23).

De eerste engel roept de mensen op om „God te vrezen en Hem eer te geven”, Hem te aanbidden als Schepper van hemel en aarde. Om dit te kunnen doen, moeten wij zijn wet gehoorzamen. De prediker zegt: „Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen” (Prediker 12:13). Men kan God niet welgevallig zijn als men Hem aanbidt zonder zijn geboden te gehoorzamen. „Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren”. „Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel” (1 Johannes 5:3; Spreuken 28:9).

We moeten God dienen omdat Hij de Schepper is en omdat alle andere levende wezens hun bestaan aan Hem te danken hebben. Wanneer de Bijbel zegt dat we God moeten eren en aanbidden in plaats van de goden van de heidenen, wordt de scheppingsmacht als argument gebruikt. „Want alle goden der volken zijn afgoden, maar de HERE heeft de hemel gemaakt” (Psalm 96:5).
„Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige. Heft uw ogen naar omhoog en ziet; wie heeft dit alles geschapen?” „Want zo zegt de Here, die de hemelen geschapen heeft – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft… Ik ben de HERE en er is geen ander” (Jesaja 40:25,26;45:18). De dichter van de psalmen zegt: „Erkent, dat de HERE God is; Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe”. „Treedt toe, laten wij ons nederwerpen en ons buigen, knielen voor de HERE, onze Maker” (Psalm 100:3; 95:6). De heilige wezens, die God in de hemel dienen, motiveren hun aanbidding met de woorden: „Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen” (Openbaring 4:11).

In Openbaring 14 worden de mensen opgeroepen de Schepper te aanbidden en de profetie wijst op het bestaan van een groep mensen die dankzij de drievoudige boodschap de geboden Gods bewaren. Een van deze geboden verwijst rechtstreeks naar God als de Schepper. Het vierde gebod luidt: „Maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God;… Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die” (Exodus 20:10,11).
Over de sabbat zegt de Here ook: „Deze zullen een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de HERE, uw God ben” (Ezechiël 20:20). „Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept” (Exodus 31:17).

„Het belang van de sabbat als het gedenkteken van de Schepping ligt in het feit dat het ons altijd aan de ware reden van onze godsaanbidding herinnert”; God is de Schepper en wij zijn z’n schepselen. „De sabbat is daarom het fundament van onze aanbidding, want geen enkele andere inzetting leert ons deze belangrijke waarheid zo duidelijk. De ware reden voor de aanbidding van God – niet alleen van onze aanbidding op de zevende dag, maar van elke aanbidding – ligt in het verschil tussen de Schepper en zijn schepselen. Dit belangrijk punt kan nooit verouderen en mag nooit uit het oog worden verloren” (J.N. Andrews, History of the Sabbath, ch.27).
God heeft de sabbat in het paradijs ingesteld om de mensen altijd aan deze waarheid te herinneren. Zolang wij God moeten dienen omdat Hij onze Schepper is, net zolang zal de sabbat ook het symbool en gedenkteken daarvan zijn. Als alle mensen altijd de sabbat hadden gevierd, zouden zij hun Schepper ook altijd hebben aanbeden en zouden er nooit afgodendienaars, godloochenaars of ongelovigen zijn geweest. Het heiligen van de sabbat is een teken van trouw aan de ware God, „Hij die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft”. Het is dan ook logisch dat de boodschap die de mensen leert dat ze God moeten aanbidden en zijn geboden moeten onderhouden vooral de nadruk zal leggen op het houden van het vierde gebod.

De derde engel wijst op de tegenstelling tussen degenen „die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren”, en een andere groep. Er wordt een ernstige en verschrikkelijke waarschuwing tegen hun dwalingen uitgesproken: „Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap” (Openbaring 14:9,10). Wil men deze boodschap goed begrijpen dan moet men de symbolen juist interpreteren. Wat stellen het beest, het beeld en het merkteken voor?

De profetie waarin men deze symbolen vindt, begint bij Openbaring 12, met de draak die Christus bij zijn geboorte wilde verslinden. In vers 9 van dit hoofdstuk lezen we dat de draak Satan voorstelt; hij spoorde He­rodes aan om Christus te doden. Maar het belangrijkste middel dat Satan in de eerste eeuwen gebruikte om oorlog tegen Christus en zijn volk te voeren was het Romeinse rijk, waarin het heidendom de overheersende godsdienst was. De draak stelt dus in de eerste plaats Satan voor, maar is in de tweede plaats ook het symbool van het heidense Rome.

In hoofdstuk 13 (vers 1-10) wordt een ander beest, „een luipaard gelijk”, beschreven. „En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht”. De meeste protestanten geloven dat dit symbool het pausdom voorstelt, dat beslag heeft gelegd op de troon en de macht van het oude Romeinse rijk. Johannes zegt over het beest, „een lui­paard gelijk”:
„En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslastering spreekt… En (het beest) opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen. En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk”. Deze profetie, die bijna gelijk is aan de beschrijving van de kleine horen van Daniël 7, heeft ontegensprekelijk betrekking op het pausdom.

„En hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen”. De profeet zegt ook: „En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond”; en: „Indien iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij zelf met het zwaard gedood worden”. De „tweeënveertig maanden” komen overeen met „een tijd en tijden en een halve tijd” – drieëneenhalf jaar – of de 1260 dagen van Daniël 7; de tijd waarin het pausdom Gods volk zou verdrukken. In de vorige hoofdstukken hebben we al aangetoond dat deze periode begon met de opperheerschappij van de paus in 538 na Chr. en eindigde in 1798. In dat jaar werd de paus door het Franse leger gevangen genomen, ontving het pausdom „de dodelijke wonde” en ging de profetie „indien iemand in gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap” in vervulling.

Dan wordt een nieuw symbool gebruikt. De profeet zegt: „En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam” (Openbaring 13:11). Zowel het uiterlijk van het beest als de manier waarop het ten tonele verschijnt, tonen aan dat het land dat erdoor wordt voorgesteld anders is dan de andere landen die door de voorgaande symbolen worden voorgesteld. De grote wereldrijken werden door de profeet Daniël voorgesteld door roofdieren die uit de zee opstegen toen „de vier winden des hemels de grote zee in beroering brachten” (Daniël 7:2).
In Openbaring 17 zegt een engel: „De wateren, die gij zaagt (…) zijn natiën en menigten en volken en talen” (Openbaring 17:15). Winden zijn het symbool van strijd. De „vier winden des hemels”, die de grote zee in beroering brengen, zijn de bloedige veroveringen en revoluties waardoor deze rijken aan de macht zijn gekomen.
Maar de profeet zag in zijn visioen het beest dat twee horens had als die van het Lam „uit de aarde” opkomen. Het land dat aan deze symbolen beantwoordt, zal geen andere rijken overwinnen om zijn eigen heerschappij te vestigen, maar moet opkomen in een nog onbewoond gebied en moet zich geleidelijk en vreedzaam ontwikkelen.
Het kon dus onmogelijk verrijzen uit de tegen elkaar strijdende mensenmassa’s van de Oude Wereld, de onstuimige zee van „natiën en menigten en volken en talen”. Het moet dus op het westelijk halfrond worden gezocht.

Welk land van de Nieuwe Wereld verrees omstreeks 1798 en beloofde machtig en groot te worden, terwijl het de aandacht van de wereld trok? De verklaring van de symbolen is boven elke twijfel verheven. Eén land, en maar één, beantwoordt aan de kenmerken die in deze profetie worden gegeven. Dit land is onmiskenbaar de Verenigde Staten van Amerika. Steeds weer hebben sprekers en historici bij de beschrijving van de opkomst en groei van Amerika onbewust de gedachten en bijna dezelfde woorden als de geïnspireerde schrijver gebruikt. Johannes zag het beest „opkomen uit de aarde” en volgens de bijbelvertalers betekent het woord dat in onze vertaling wordt weergegeven door ‘opkomen’ letterlijk ‘opgroeien of opschieten als een plant’.
Zoals we hebben gezien, moest het volk opkomen in een onbewoond gebied. Een vooraanstaand auteur beschrijft de opkomst van de Verenigde Staten als volgt: „Het geheimenis van hun opkomst uit het niet” en zegt: „Als een zaadje dat in stilte groeit, zijn wij uitgegroeid tot een wereldrijk” (G.A.Townsend, The New World Compared With the Old, p. 462). Een Europees tijdschrift beschouwde de Verenigde Staten in 1850 als een fantastische wereldmacht die „aan het opkomen” was en „te midden van de stilte der aarde dagelijks in kracht en macht toenam” (Dublin Nation). Edward Everett zei in een toespraak over de Pelgrim Fathers: „Zocht de kleine gemeente van Leiden naar een afgelegen plek, die onbekend en verlaten was en daarom ook veilig en ongevaarlijk, waar ze gewetensvrijheid hadden? Kijk maar naar de uitgestrekte gebieden waar ze in hun vreedzame verovering… de kruisbanier hebben gedragen!” (Toespraak gehouden te Plymouth, Massachusetts, 22 december 1824, p. 11).

„En het had twee horens als die van het Lam.” De horens „als die van het Lam” wijzen op de jeugdigheid, onschuld en tederheid: De juiste beschrijving van het karakter van de Verenigde Staten toen ze in 1798 „opkwamen”, zoals de profeet had gezegd. Onder de eerste christelijke ballingen die naar Amerika vluchtten om te ontsnappen aan verdrukking door de kroon en aan de onverdraagzaamheid van de geestelijkheid, waren er velen die een staat wilden stichten op de brede basis van burgerrechten en godsdienstvrijheid. Hun opvattingen werden uitgewerkt in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, die de belangrijke waarheid onderstreept dat „alle mensen gelijk geschapen zijn” en begiftigd zijn met het onvervreemdbare recht op „leven, vrijheid en geluk”.
De Amerikaanse Grondwet erkent het recht op zelfbestuur en bepaalt dat de wetten moeten worden gemaakt door de vertegenwoordigers van het volk. De Grondwet erkent ook het recht op godsdienstvrijheid; iedereen heeft het recht om zijn God te dienen volgens zijn eigen geweten. De republikeinse staatsvorm en het protestantisme werden de grondbeginselen van het Amerikaanse volk. Deze beginselen verklaren zijn kracht en welvaart. De verdrukten en vervolgden uit de hele christelijke wereld kwamen met hoop en optimisme naar dit land. Miljoenen zijn de zeeën overgestoken en de Verenigde Staten behoren nu tot de machtigste landen ter wereld.

Maar het beest met de horens als die van het Lam „sprak als de draak. En oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was… En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en (weer) levend geworden is.” (Openbaring 13:11-14).
De lamshorens en het spreken als de draak onderstrepen de opvallende tegenstelling tussen hetgeen dit land zegt en wat het in de praktijk doet. Het „spreken” van een land is de werking van zijn wetgevende en rechterlijke macht. Bij de uitoefening daarvan zal het de liberale en vredelievende beginselen die het voor zijn beleid had aangenomen met voeten treden. De uitspraak dat het lam zal spreken „als de draak” en „al de macht van het eerste beest voor diens ogen zal uitoefenen” wijst duidelijk op het ontstaan van onverdraagzaamheid en vervolging – de kenmerken van de volken die worden voorgesteld door de draak en het beest dat op een lui­paard lijkt. De uitspraak dat „het beest met de twee horens bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden”, betekent dat de macht van dit volk zo zal worden uitgeoefend dat het iets verplicht zal stellen, waardoor er hulde wordt gebracht aan het pausdom.

Dit zal lijnrecht indruisen tegen de principes van deze regering, tegen de geest van haar vrije instellingen, tegen de duidelijk en plechtige uitspraken van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en tegen de Amerikaanse Grondwet. De stichters van de natie hebben er wijselijk voor gezorgd dat de kerk geen wereldlijke macht kan uitoefenen, want dat leidt onvermijdelijk tot onverdraagzaamheid en vervolging.

De Grondwet bepaalt dat „het Congres geen wet mag maken die de officiële erkenning van een godsdienst beoogt of de vrije uitoefening daarvan verbiedt”, en stipuleert ook dat „iemands godsdienstige overtuiging geen rol mag spelen bij zijn benoeming in een openbaar ambt in de Verenigde Staten”. Alleen door een flagrante schending van deze waarborgen voor de vrijheid van elke burger kan de burgerlijke overheid haar onderdanen dwingen een bepaalde godsdienstige inzetting na te leven. Zo’n inconsequente houding is even grotesk als het symbool; het beest met „horens als die van het Lam” is slechts in schijn rein, zacht en onschuldig. In werkelijkheid spreekt het als de draak.

„En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest”. In deze tekst is er duidelijk sprake van een regeringsvorm waarvan de wetgevende macht bij het volk berust. Uit deze tekst blijkt ook dat de Verenigde Staten aan deze profetie beantwoorden.

Wat betekent dan „het beeld van het beest” en hoe zal het worden gemaakt? Het beeld wordt gemaakt door het beest met de twee horens en het is een beeld voor het beest. Het wordt ook wel het beeld van het beest genoemd. Willen we dus weten wat het beeld is en hoe het zal worden gemaakt, dan moeten we de kenmerken van het beest zelf – het pausdom – bestuderen.
Toen de eerste gemeente afvallig werd omdat velen van de eenvoud van het evangelie waren afgeweken en heidense riten en gebruiken overnamen, trok Gods Geest zich terug.
De kerkelijke leiders wilden het geweten van de mensen beheersen en zochten steun bij de wereldlijke overheid. Zo ontstond het pausdom: De kerk beheerste de wereldlijke macht en gebruikte haar om haar eigen doelstellingen te bevorderen. Ze deed dit vooral om zogenaamde „ketterijen” te bestraffen. De Verenigde Staten zullen een beeld voor het beest kunnen maken wanneer de Kerk de Staat zodanig onder controle heeft dat ze de Staat kan gebruiken om haar eigen doelstellingen te verwezenlijken. Telkens wanneer de kerk wereldlijke macht kreeg, gebruikte ze die om andersdenkenden te straffen.
De protestantse kerken die het voorbeeld van Rome hebben gevolgd en betrekkingen met de overheid hebben aangeknoopt, hebben de gewetensvrijheid ook willen beperken. Een voorbeeld hiervan is de langdurige vervolging van degenen die zich van de Anglicaanse kerk hadden afgescheiden.

In de zestiende en zeventiende eeuw werden duizenden zogenaamde ‘nonconformistische’ (= afgescheiden) predikanten gedwongen hun kerken te verlaten. Zowel de predikanten als hun kerkleden kregen een geldboete, werden gevangen genomen en gefolterd of stierven als martelaren.

Het was afval die de vroeg christelijke kerk ertoe leidde om de hulp van de burgerlijke overheid in te roepen. Uit deze verhouding is het pausdom, het beest, ontstaan. Paulus zei: „Eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren” (2 Tessalonicenzen 2:3). Op dezelfde wijze zal de afval in de gemeente de weg bereiden voor het beeld van het beest.
De Bijbel leert dat de afval die er zal heersen voor de wederkomst van Christus veel gemeen zal hebben met de afval in de eerste eeuwen. „Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen; want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben” (2 Timoteüs 3:1-5).
„Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen” (1 Timoteüs 4:1). Satan zal werken „met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven” (2 Tessalonicenzen 2:9-11). Wanneer dit geestelijk dieptepunt zal zijn bereikt, zullen dezelfde resultaten te zien zijn als in de eerste eeuwen.

De sterk uiteenlopende geloofsopvattingen in de verschillende protestantse kerken worden door velen beschouwd als het doorslaggevende bewijs dat er nooit een poging zal worden gedaan om tot een gedwongen eenheid te komen. Maar in de protestantse kerken is er al jaren een sterke stroming om tot een eenheid te komen op grond van gemeenschappelijke geloofspunten. Om tot zo’n eenheid te komen moet men onvermijdelijk afzien van elke discussie over punten waar niet iedereen het over eens is, hoe belangrijk deze punten vanuit bijbels oogpunt ook mogen zijn.

Charles Beecher zei in een preek in 1846 dat de predikanten van „de protestantse kerken, van laag tot hoog, niet alleen vreselijk bang zijn voor de mensen, maar ook, leven, zich bewegen en ademen, in een door en door corrupte sfeer en ieder ogenblik een beroep moeten doen op hun laagste instincten om de waarheid te verzwijgen en de knieën te buigen voor de macht van de afval. Is dit ook niet het geval geweest met Rome? Gaan we niet dezelfde weg op? Wat staat ons in de nabije toekomst nog te wachten? Nog een oecumenisch concilie! Een wereldraad! Een evangelische alliantie en een oecumenische geloofsbelijdenis!” (Preek over „The Bible a Sufficient Creed”, gehouden te Fort Wayne, Indiana, 22 februari 1846).

Wanneer we zover zijn, hoeft er in het streven naar eenheid onder de kerken nog maar één stap te worden gezet om tot de uitoefening van dwang over te gaan.
Wanneer de belangrijkste kerken van de Verenigde Staten een eenheid vormen op grond van hun gemeenschappelijke geloofspunten en de Staat zullen beïnvloeden om hun bepalingen uit te voeren en hun instellingen te steunen, zal het protestantse Amerika een beeld van het pausdom hebben gemaakt en zullen er onvermijdelijk burgerlijke straffen worden opgelegd aan mensen die er een andere mening op na houden.

Het beest met de twee lamshorens „maakt (= beveelt), dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, (en) dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft” (Openbaring 13:16,17).

De waarschuwing van de derde engel luidt: „Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap”. „Het beest” van deze tekst, wiens aanbidding door „het beest met de twee horens” wordt opgelegd, is het eerste beest, „een luipaard gelijk”, van Openbaring 13 en stelt het pausdom voor. „Het beeld van het beest” stelt het afvallige protestantisme voor, dat zal ontstaan wanneer de protes